Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4100

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
18/830411-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich binnen een korte periode, deels met anderen, schuldig gemaakt aan drie voltooide woninginbraken en tweemaal aan pogingen daartoe. Geen toepassing jeugdstrafrecht gelet op de wijze waarop de feiten zijn gepleegd en de rol die verdachte daarbij heeft ingenomen. Oplegging van een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden en een werkstraf voor de duur van 200 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830411-16

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/820312-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 oktober 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 juni 2017 en 16 oktober 2017.

Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd

in de zaak met parketnummer 18/830411-16, na wijziging van de tenlastelegging, dat:

1.

hij op of omstreeks de periode van 14 februari 2016 tot en met 15 februari

2016 te Delfzijl

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen

aan de [straatnaam] aldaar,

weg te nemen geld en/of goederen van hun gading,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders

en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

die/dat weg te nemen goederen en/of geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik te

brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, de

(buiten) deur (van de garage) en/of de schuifpui en/of klapraam heeft/hebben

geforceerd/opengebroken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 19 februari 2016 te Delfzijl

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen

aan de [straatnaam] aldaar weg te nemen geld en/of goederen van hun gading,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang

tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen

goederen en/of geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel

van braak en/of verbreking en/of inklimming, een deur heeft geforceerd en/of

een raam heeft ingeslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 2 mei 2016 tot en met 5 mei 2016 te

Delfzijl,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen

aan de [straatnaam] aldaar heeft weggenomen

een hoeveelheid geld (ongeveer 3000 euro), geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 3],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen

goederen onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking en/of inklimming;

4.

hij in of omstreeks 21 februari 2016 tot en met 29 februari 2016

te Delfzijl

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen

aan de [straatnaam] aldaar

heeft/hebben weggenomen een of meer fietsen en/of lepeltjes en/of

een zilveren koffiesetje en/of een dienblad en/of aardewerk en/of een koperen

hagedis en/of postzegels, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen

goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking en/of inklimming;

5.

hij in of omstreeks de periode van 14 mei 2016 tot en met 15 mei 2016 te

Delfzijl,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen

aan de [straatnaam] aldaar heeft weggenomen:

een hoeveelheid geld en/of een (Terra) notebook en/of een spaarpot (met

hierin 88 euro) en/of een tas (met hierin een portemonnnee met 75 euro) en/of

een GSM (Samsung Galaxy S3), althans enig(e) goed(eren),

toebehorende aan [slachtoffer 5],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen

goederen onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking en/of inklimming;

en in de zaak met parketnummer 18/820312-17 dat:

verdachte op of omstreeks 21 juli 2016 te Emmen en/of te Weiteveen en/of te

Delfzijl, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van

een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door

een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 1] heeft bewogen

tot de afgifte van een geldbedrag van 1651,75 euro, in elk geval van enig

geldbedrag, hebbende verdachte, met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk

weergegeven

- zich per telefoon voorgedaan als medewerker van [bedrijf 2] en/of

- tegen de heer [slachtoffer 6], eigenaar van [bedrijf 1] gezegd dat er

nog een opstaande rekening stond in verband met een reclameopdracht en/of

- de heer [slachtoffer 6], voornoemd, gesommeerd het voormelde bedrag van 1651,75 euro

over te maken op rekeningnummer [nummer] t.n.v. [bedrijf 2],

waardoor [bedrijf 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18/830411-16 onder 1, 2, 3, 4 en 5 en het in de zaak met parketnummer 18/820312-17 ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna in de zaak met parketnummer 18/830411-16 onder 1, 2, 3, 4 en 5 en het in de zaak met parketnummer 18/820312-17 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. De rechtbank overweegt hierbij dat verdachte in de door hem afgelegde verklaringen weliswaar niet steeds specifiek heeft aangegeven waar het door hem gepleegde misdrijf exact heeft plaatsgevonden, maar dat uit de door hem beschreven feiten en omstandigheden kan worden afgeleid op welke misdrijven deze bekennende verklaringen betrekking hebben.

Deze opgave luidt als volgt:

in de zaak met parketnummer 18/830411-16

feit 1

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 februari 2016, opgenomen op pagina 279 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016179914 d.d. 5 augustus 2016, inhoudende de verklaring van [naam] namens [slachtoffer 1];

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 27 juni 2016, opgenomen op pagina 112 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[naam];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 12 september 2016, opgenomen op pagina 21 e.v. van een aanvullend proces-verbaal van Politie Noord-Nederland met nummer 2016126210, inhoudende de verklaring van verdachte.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de Wierdeweg is gelegen in de wijk Uitwierde te Delfzijl.

feit 2

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 februari 2016, opgenomen op pagina 287 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016179914 d.d. 5 augustus 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2];

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 27 juni 2016, opgenomen op pagina 233 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[naam];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 12 september 2016, opgenomen op pagina 21 e.v. van een aanvullend proces-verbaal van Politie Noord-Nederland met nummer 2016126210, inhoudende de verklaring van verdachte.

feit 3

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 mei 2016, opgenomen op pagina 319 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016179914 d.d. 5 augustus 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3];

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 23 juni 2016, opgenomen op pagina 54 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 3];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 12 september 2016, opgenomen op pagina 21 e.v. van een aanvullend proces-verbaal van Politie Noord-Nederland met nummer 2016126210, inhoudende de verklaring van verdachte.

feit 4

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 maart 2016, opgenomen op pagina 324 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016179914 d.d. 5 augustus 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4];

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 27 juni 2016, opgenomen op pagina 233 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 12 september 2016, opgenomen op pagina 21 e.v. van een aanvullend proces-verbaal van Politie Noord-Nederland met nummer 2016126210, inhoudende de verklaring van verdachte.

feit 5

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 mei 2016, opgenomen op pagina 364 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016179914 d.d. 5 augustus 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5];

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 12 september 2016, opgenomen op pagina 18 e.v. van een aanvullend proces-verbaal van Politie Noord-Nederland met nummer 2016126210, inhoudende de verklaring van verdachte.

De verdachte heeft van het hem onder 5 tenlastegelegde niet duidelijk en ondubbelzinnig bekend dat hij bepaalde goederen, te weten een spaarpot met hierin 88 euro en een tas met hierin een portemonnee met 75 euro heeft weggenomen. De rechtbank acht op grond van de hierboven aangeduide aangifte van [slachtoffer 5], waarin door haar is verklaard dat de betreffende goederen in de periode van 14 mei 2016 tot en met 15 mei 2016 te Delfzijl zijn weggenomen, in combinatie met de hierboven aangeduide verklaring van verdachte inhoudende dat hij in deze periode uit de betreffende woning goederen heeft weggenomen, dit gedeelte van het onder 5 tenlastegelegde evenwel wettig en overtuigend bewezen. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om van medeplegen te kunnen spreken.

in de zaak met parketnummer 18/820312-17

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2016, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016262325 d.d. 15 september 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6];

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 12 september 2016, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/830411-16 onder 1, 2, 3, 4 en 5 en het in de zaak met parketnummer 18/820312-17 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 14 februari 2016 tot en met 15 februari 2016 te Delfzijl ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [straatnaam] aldaar weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [slachtoffer 1], en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak en inklimming, de buitendeur van de garage en de schuifpui en een klapraam heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 19 februari 2016 te Delfzijl ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [straatnaam] aldaar weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [slachtoffer 2], en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak en inklimming, een deur heeft geforceerd en een raam heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in de periode van 2 mei 2016 tot en met 5 mei 2016 te Delfzijl, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen

aan de [straatnaam] aldaar heeft weggenomen een hoeveelheid geld (ongeveer 3000 euro), toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

4.

hij in de periode van 21 februari 2016 tot en met 29 februari 2016 te Delfzijl

tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [straatnaam] aldaar heeft weggenomen fietsen en lepeltjes en een zilveren koffiesetje en een dienblad en aardewerk en een koperen hagedis en postzegels, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

5.

hij in de periode van 14 mei 2016 tot en met 15 mei 2016 te Delfzijl met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [straatnaam] aldaar heeft weggenomen een hoeveelheid geld een Terra notebook en een spaarpot met hierin 88 euro en een tas met hierin een portemonnee met 75 euro en een GSM Samsung Galaxy S3, toebehorende aan [slachtoffer 5], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

en in de zaak met parketnummer 18/820312-17 dat:

verdachte op 21 juli 2016 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door

een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 1651,75 euro, hebbende verdachte, met vorenomschreven oogmerk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

- zich per telefoon voorgedaan als medewerker van [bedrijf 2] en

- tegen de heer [slachtoffer 6], eigenaar van [bedrijf 1], gezegd dat er nog een opstaande rekening stond in verband met een reclameopdracht en

- de heer [slachtoffer 6], voornoemd, gesommeerd het voormelde bedrag van 1651,75 euro

over te maken op rekeningnummer [nummer] t.n.v. [bedrijf 2],

waardoor [bedrijf 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/830411-16:

1. Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

2. Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

3. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming en waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

4. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

5. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

en in de zaak met parketnummer 18/820312-17:

Oplichting.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18/830411-16 onder 1, 2, 3, 4 en 5 en het in de zaak met parketnummer 18/820312-17 ten laste gelegde met toepassing van het jeugdstrafrecht conform het in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht bepaalde wordt veroordeeld tot:

- een jeugddetentie van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren;

- met oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de volwassenenafdeling van het Leger des Heils en het volgen van een training cognitieve vaardigheden.

De officier van justitie heeft in verband met de afwezigheid van verdachte ter terechtzitting de op de dagvaarding vermelde ad informandum gevoegde feiten niet meegenomen in haar strafeis.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie. De rechtbank heeft -evenals de officier van justitie- bij de bepaling van de straf geen rekening gehouden met de op de dagvaarding vermelde ad informandum gevoegde feiten, nu verdachte zich hierover ter terechtzitting niet heeft kunnen uitlaten.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich binnen een korte periode, deels met anderen, schuldig gemaakt aan drie voltooide woninginbraken en tweemaal aan pogingen daartoe. Al deze feiten werden gepleegd in Delfzijl. Door het plegen van deze feiten heeft verdachte te kennen gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen en heeft hij bij de slachtoffers veel overlast, schade en angstgevoelens veroorzaakt. Ook dragen dergelijke misdrijven bij aan de in de samenleving levende gevoelens van onrust en onveiligheid. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan oplichting door zich tegenover een bedrijf voor te doen als medewerker van een incassobureau aan wie een in werkelijkheid niet bestaande rekening moest worden voldaan. Verdachte heeft door deze handelswijze -enkel voor zijn eigen financiële gewin- het slachtoffer gedupeerd.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld.

In het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van het Leger des Heils d.d. 27 juni 2017 staat beschreven dat verdachte ten tijde van de feiten op de zeevaartschool in Delfzijl zat en dat hij in de avonduren samen met schoolgenoten uit verveling het plan opvatte om inbraken te plegen. Inmiddels zou verdachte Delfzijl verlaten hebben en zijn verkeerde vrienden achter zich gelaten hebben. Hij zou als klusser op een camping werkzaam zijn en het voornemen hebben om met een koksopleiding te beginnen. Ook volgt uit het reclasseringsrapport dat verdachte op de basisschool gediagnosticeerd is met ADHD. De reclassering beschrijft voorts dat verdachte in zijn houding en gedrag nog wat kinderlijk en naïef overkomt en dat sprake is van een kwetsbare jongvolwassene die inmiddels geschrokken lijkt van de gevolgen van het delictgedrag en doordrongen is van het feit dat hij een ander leven wil, waarin geen delicten passen. Gelet op het feit dat verdachte een jongvolwassene is die zich gemakkelijk kan laten beïnvloeden, er sprake is van ADHD en het feit dat hij in zijn gedrag jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd, wordt geadviseerd verdachte volgens het jeugdstrafrecht te beoordelen en hem onder toezicht van de volwassenenreclassering een (gedeeltelijk) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het volgen van een training op het gebied van cognitieve vaardigheden en een plicht zich te houden aan afspraken met het maatschappelijk werk en het WIJ team. Er zijn geen contra-indicaties voor het opleggen van een werkstraf.

De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of er redenen zijn om ten aanzien van verdachte, die ten tijde van de feiten twintig jaren oud was, het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank overweegt dat het reclasseringsadvies op dat punt onvoldoende onderbouwt waarom dat in dit geval aangewezen zou zijn. Gelet op de wijze waarop de feiten zijn gepleegd en de rol die verdachte hierbij heeft ingenomen, duiden deze niet op een enkel meelopen. Verdachte heeft namelijk ook een inbraak alleen gepleegd en heeft bij de andere feiten evenmin een ondergeschikte rol gehad. Ook bij de door hem gepleegde oplichting is verdachte erg berekenend te werk gegaan. Verdachte is voorts niet ter terechtzitting verschenen, zodat de rechtbank zich niet zelfstandig een beeld heeft kunnen vormen van de persoon van verdachte. Het voorgaande maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond is om het jeugdstrafrecht toe te passen. Wel zal de rechtbank bij de oplegging van de straf rekening houden met de jeugdige leeftijd van verdachte.

De rechtbank acht gelet op de hoeveelheid feiten en de ernst van deze feiten de oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden en zal overgaan tot de oplegging van een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke gedeelte zal de rechtbank ter voorkoming van recidive bijzondere voorwaarden koppelen, te weten een meldplicht, het volgen van een training op het gebied van cognitieve vaardigheden en de plicht zich te houden aan aanwijzingen van maatschappelijk werk en het WIJ team of een soortgelijke instelling. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 200 uren.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich in de zaak met parketnummer 18/830411-16 als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

- [slachtoffer 1] (feit 1), tot een bedrag van € 650,-- ter vergoeding van materiële schade bestaande uit kosten voor schilderwerk aan de pui naar aanleiding van inbraakschade en

€ 100,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

- [slachtoffer 2] (feit 2), tot een bedrag van € 275,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

- [slachtoffer 3] (feit 3), tot een bedrag van € 450,-- ter vergoeding van materiële schade bestaande uit het nog niet vergoede deel van het bij de inbraak weggenomen geldbedrag en

€ 350,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

- [slachtoffer 4] (feit 4) heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.000,-- ter vergoeding van materiële schade bestaande uit inbraakschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en een bedrag van € 30,40 voor reiskosten;

- [slachtoffer 5] (feit 5) tot een bedrag van € 250,-- ter vergoeding van materiële schade bestaande uit het eigen risico van de verzekering en € 350,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

In de zaak met parketnummer 18/820312-17 heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

- [slachtoffer 6] van [bedrijf 1] tot een bedrag van € 1.651,75 ter vergoeding van materiële schade bestaande uit het aan verdachte betaalde geldbedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de door [slachtoffer 1] gevorderde materiële schade op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu ten aanzien van de gemaakte kosten voor herstel van schilderwerk niet vaststaat of sprake is van rechtstreekse schade ten gevolge van het bewezen verklaarde feit dan wel van een fout van het schildersbedrijf. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van zodanig psychisch leed dat deze voor vergoeding in aanmerking komt, zodat ook dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van Vierenhalm heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van zodanig psychisch leed dat deze voor vergoeding in aanmerking komt.

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 3] heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat de vordering tot vergoeding van materiële schade kan worden toegewezen en dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van € 100,--, nu in het psychische leed de relatie met de zoon ook een grote rol lijkt te spelen. Nu sprake is van medeplegen dient de materiële schade hoofdelijk te worden toegewezen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu niet bekend is hoe de erfenis is afgewikkeld en wat de schade van de benadeelde is. De gevorderde reiskosten kunnen in de visie van de officier van justitie wel worden toegewezen, en wel hoofdelijk, aangezien de benadeelde deze kosten redelijkerwijs heeft moeten maken om aangifte te doen.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de vordering van [slachtoffer 5] tot vergoeding van materiële schade kan worden toegewezen. Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade heeft de officier van justitie betoogd dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van zodanig psychisch leed dat deze voor vergoeding in aanmerking komt, zodat dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De vordering tot vergoeding van materiële schade van [slachtoffer 6] dient volgens de officier van justitie te worden toegewezen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] (parketnummer 18/830411-16, feit 1):

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. Dit gedeelte van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 februari 2016.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de (hoogte van) de gestelde schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van Vierenhalm (parketnummer 18/830411-16, feit 2)

De rechtbank overweegt dat zij over onvoldoende informatie beschikt om (de hoogte van) de gestelde immateriële schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] (parketnummer 18/830411-16, feit 3)

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. Dit gedeelte van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 mei 2016.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de vergoeding van materiële schade zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank dat gelet op het bij de vordering gevoegde schrijven van de psycholoog voldoende is onderbouwd dat sprake is van psychische schade die een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. Ook dit gedeelte van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 mei 2016. Voor een matiging van het gevorderde bedrag ziet de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering niet hoofdelijk opleggen, nu de betreffende vordering specifiek ziet op de door verdachte toegebrachte schade en niet op de door de medeverdachte, zijnde de zoon van de benadeelde partij, toegebrachte schade.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4] (parketnummer 18/830411-16, feit 4)

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade bestaande uit reiskosten heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. Dit gedeelte van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 maart 2016, zijnde de datum van aangifte.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de vergoeding van materiële schade zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Ten aanzien van het overige gedeelte van de vordering overweegt de rechtbank dat uit de onderbouwing van de vordering niet kan worden afgeleid of [slachtoffer 4] (enig) erfgenaam is van de voormalige bewoners van [straatnaam] te Delfzijl. Evenmin kan

de rechtbank afleiden of en in hoeverre de nalatenschap van de voormalige bewoners van

[straatnaam] te Delfzijl is afgewikkeld en welk aandeel de benadeelde partij in die

nalatenschap heeft. De rechtbank zal daarom bepalen dat deze benadeelde partij in zijn

vordering niet-ontvankelijk is, zodat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden

aangebracht, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat aanhouding van de zaak een

onevenredige belasting van het strafproces ten gevolge zou hebben.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] (parketnummer 18/830411-16, feit 5)

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 5 bewezen verklaarde. Dit gedeelte van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 mei 2016.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de (hoogte van de) gestelde schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

In de zaak met parketnummer 18/820312-17

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/820312-17 bewezen verklaarde. Dit gedeelte van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juli 2016.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal geen beslissing nemen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen die zich voor de ad info gevoegde feiten hebben gevoegd, nu de rechtbank deze feiten niet kan betrekken bij de afdoening.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 63, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/830411-16 onder 1, 2, 3, 4 en 5 en het in de zaak met parketnummer 18/820312-17 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 5 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij de reclassering, Leger des Heils, Damsterdiep 271 te Groningen (050-3144211) en zich houdt aan de afspraken die de reclassering met hem maakt, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

2. dat de veroordeelde zal deelnemen aan de training Cognitieve Vaardigheden (GI-RN Cognitieve Vaardigheden);

3. dat de veroordeelde zich zal houden aan de afspraken met het maatschappelijk werk en/of WIJ team en/of een soortgelijke instelling gericht op praktische zaken als zijn financiën, zolang de reclassering dat nodig acht en dat veroordeelde, indien er signalen van drugsgebruik zijn, meewerkt aan contact met verslavingszorg, indien de reclassering dit nodig acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Een taakstraf, voor de duur van 200 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/830411-16, feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 650,-- (zegge: zeshonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 650,-- (zegge: zeshonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 13 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

15 februari 2016.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/830411-16, feit 2

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/830411-16, feit 3

Materiële schadevergoeding:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 450,-- (zegge: vierhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 450,-- (zegge: vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 9 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2016.

Immateriële schadevergoeding

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 350,-- (zegge: driehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 350,-- (zegge: driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2016.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/830411-16, feit 4

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 30,40 (zegge: dertig euro en veertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

9 maart 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 4], te betalen een bedrag van € 30,40 (zegge: dertig euro en veertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2016.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/830411-16, feit 5

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 250,-- (zegge: tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

15 mei 2016.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 5], te betalen een bedrag van € 250,-- (zegge: tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2016.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/820312-17

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.651,75 (zegge: duizend zeshonderdeenenvijftig euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6], te betalen een bedrag van € 1.651,75 (zegge: duizend zeshonderdeenenvijftig euro en vijfenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 26 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2016.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Tapper-Wessels, voorzitter, mr. F. de Jong en

mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2017.