Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4077

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
14-01-2020
Zaaknummer
6048971
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisende partij stelt zich op het standpunt dat zij met gedaagde partij een overeenkomst heeft gesloten betreffende het uitvoeren van werkzaamheden en omdat de werkzaamheden zijn uitgevoerd is gedaagde partij de kosten daarvoor verschuldigd.

Gedaagde partij heeft het bestaan van de overeenkomst tussen partijen gemotiveerd betwist. Nu eisende partij zich beroept op de rechtsgevolgen van het door haar gestelde feit dat zij met gedaagde partij een overeenkomst heeft gesloten, rust op haar de bewijslast van dat feit. Daaraan heeft eisende partij thans (nog) niet voldaan. Bewijsopdracht voor eisende partij om te bewijzen dat zij met gedaagde partij de overeenkomst heeft gesloten betreffende het uitvoeren van de werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 6048971 \ CV EXPL 17-4232

vonnis van de kantonrechter van 17 oktober 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap

[naam 1] B.V.,

hierna te noemen: [eiseres] ,

gevestigd te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.G.R. Kortink-Lamberts, werkzaam bij Florijn Incasso B.V.,

tegen

[gedaagde] , h.o.d.n. DMW Business,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] , [adres] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 31 mei 2017;

- de conclusie van antwoord op de rol van 27 juni 2017;

- de conclusie van repliek op de rol van 22 augustus 2017;
- de conclusie van dupliek op de rol van 19 september 2017;

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties waarop partijen zich hebben beroepen.

2.2.

[eiseres] is een bedrijf die onder andere transportwerkzaamheden uitvoert. [gedaagde] is in- en verkoper van onder andere caravans.

2.3.

[eiseres] heeft op 15 juli 2016 een factuur ten bedrage van € 211,75 bij [gedaagde] in rekening gebracht, betreffende de kosten van het laden van een caravan op een aanhanger.

2.4.

Op 20 september 2016, 4 oktober 2016 en 18 oktober 2016 heeft [eiseres] betalingsherinneringen gezonden naar [gedaagde] en is [gedaagde] aangemaand om tot betaling van de factuur over te gaan.

2.5.

[gedaagde] heeft de factuur, ondanks meerdere sommaties, niet voldaan waarna [eiseres] haar vordering uit handen heeft gegeven aan haar incassogemachtigde. [gedaagde] is niet overgegaan tot betaling van de vordering.

2.6.

Op 6 januari 2017 heeft [gedaagde] de incassogemachtigde van [eiseres] bericht dat

hij het niet eens is met de factuur van 15 juli 2016 van [eiseres] .

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiseres] vordert bij dagvaarding betaling door [gedaagde] van een bedrag van
€ 211,75 aan hoofdsom met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, € 11,86 aan voordien verschenen rente, € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van deze procedure. [eiseres] stelt zich allereerst op het standpunt dat [gedaagde] niet binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd tegen de factuur. Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag dat [gedaagde] gehouden is tot betaling van de door [eiseres] in opdracht van [gedaagde] verrichte werkzaamheden bestaande uit het laden van een caravan op een aanhanger.

3.2.

[gedaagde] heeft het bestaan van de overeenkomst tussen partijen betwist en voert aan geen opdracht te hebben gegeven voor de door [eiseres] uitgevoerde werkzaamheden. Volgens [gedaagde] is [naam 2] , die de stacaravan op 3 juli 2017 van [gedaagde] heeft gekocht, de wederpartij van [eiseres] bij de door [eiseres] gestelde overeenkomst. Zodoende is [gedaagde] van mening dat hij niet aangesproken kan worden tot betaling van de factuur van de door [eiseres] uitgevoerde werkzaamheden.

4 De beoordeling

4.1.

Voor zover [eiseres] met haar standpunt dat op [gedaagde] de wettelijke plicht rustte om binnen bekwame tijd te klagen, aanvoert dat moet worden getoetst aan artikel 6:89 BW, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. De regel dat de schuldenaar die de juistheid van een hem toegezonden factuur wil betwisten, onder alle omstandigheden gehouden is zulks te doen binnen bekwame tijd na ontvangst ervan, vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. Artikel 6:89 BW is hier niet van toepassing, omdat het opstellen en het toezenden van een factuur niet kunnen gelden als een prestatie zoals in dit artikel wordt bedoeld. In het algemeen kan evenmin als juist worden aanvaard, dat slechts tijdig tegen de juistheid van een factuur bezwaar gemaakt kan worden binnen de door de schuldeiser gestelde betalingstermijn. Het recht om tegen de juistheid van een factuur te protesteren kan niet door enkel tijdsverloop worden verwerkt (Hoge Raad 11 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1565, rechtspraak.nl). [eiseres] heeft bij dagvaarding gesteld dat [gedaagde] na de eerste betalingsherinnering bezwaar heeft gemaakt tegen de factuur. [eiseres] heeft geen omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat [gedaagde] in dit geval eerder had moeten protesteren dan hij heeft gedaan, als gevolg waarvan het verweer van [gedaagde] als niet tardief moet worden beschouwd.

4.2.

[eiseres] kan alleen aanspraak maken op voldoening van de factuur van 15 juli 2016 door [gedaagde] wanneer zij met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten tot uitvoering van de werkzaamheden die bij die factuur in rekening zijn gebracht. Dat er een overeenkomst is gesloten met [gedaagde] , is door [eiseres] gesteld, maar gemotiveerd door [gedaagde] betwist. Nu [eiseres] zich beroept op de rechtsgevolgen van het door haar gestelde feit dat zij met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten, rust op haar de bewijslast van dat feit. Daaraan heeft [eiseres] thans (nog) niet voldaan.

4.3.

[eiseres] stelt slechts dat [gedaagde] de opdracht heeft gegeven en dat een medewerker van haar dat heeft opgenomen in de weekstaat die is overgelegd als productie 5 bij dagvaarding. Uit de weekstaat volgt echter niet, zelfs niet voorshands, dat [gedaagde] een overeenkomst met [eiseres] is aangegaan. Ook het feit dat de factuur en aanmaningen naar [gedaagde] zijn verstuurd die niet tot reactie hebben geleid, levert geen bewijs van het bestaan van de overeenkomst op. De algemene voorwaarden zijn enkel van belang nadat is vast komen te staan dat er sprake is van een overeenkomst

4.4.

[eiseres] zal conform het daartoe door haar gedane bewijsaanbod worden opgedragen te bewijzen dat zij in juli 2016 met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten tot het uitvoeren van de werkzaamheden, bestaande uit het laden van een caravan op een aanhanger. Wanneer [eiseres] niet in het leveren van dat bewijs slaagt, zullen haar vorderingen worden afgewezen. Wanneer [eiseres] er wel in slaagt het haar opgedragen bewijs te leveren, zal haar vordering tot voldoening van de openstaande factuur van 15 juli 2016 ten bedrage van € 211,75, vermeerderd met de wettelijke handelsrente conform artikel 6:119a BW, worden toegewezen.

4.5.

Iedere overige beslissing zal nu worden aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

draagt [eiseres] op te bewijzen dat zij in juli 2016 met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten tot het uitvoeren van de werkzaamheden, bestaande uit het laden van een caravan op een aanhanger,

5.2.

bepaalt dat [eiseres] zich op de rolzitting van dinsdag 31 oktober 2017 schriftelijk kan uitlaten over de vraag hoe zij het bewijs wil leveren;

5.3.

bepaalt dat, als [eiseres] bewijs wil leveren met schriftelijke stukken, zij deze stukken op de hiervoor genoemde rolzitting moet overleggen;

5.4.

bepaalt dat [eiseres] , als zij bewijs door getuigen wil leveren, de naam en woonplaats van de te horen getuigen moet opgeven met de verhinderdata voor een periode van 12 weken van haarzelf,. haar gemachtigde en de getuigen en zo mogelijk van de tegenpartij, waarna een dag voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld;

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.

typ/conc: 33514/aw

coll: