Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4056

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
LEE 17/3619
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting na vondst hennepkwekerij van aangepaste woning van minder valide. Gezien de grootte van de hennepkwekerij, gezien het feit dat in de kleine plaats in kwestie al eerder hennepkwekerijen zijn aangetroffen en omdat er geen stimulans voor criminelen moet zijn om misbruik te maken van minder validen, acht de voorzieningenrechter de belangenafweging van de burgemeester deugdelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/3619

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 oktober 2017 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),

en

de burgemeester van de gemeente Coevorden, verweerder

(gemachtigde: mr. M.T. Derks-Halman).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekers een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de woning en het erf, inclusief bijgebouw(en), op het adres [adres] te [woonplaats] (perceel) met ingang van 26 oktober 2017, 10.00 uur, voor een periode van drie maanden dient te worden gesloten.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit op 19 oktober 2017 bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2017.

Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

Verzoeker zijn eigenaars en bewoners van het perceel. Verzoeker [verzoeker] (verzoeker) heeft een hoge dwarslaesie en is rolstoel gebonden. De woning op het perceel is in verband met deze handicap aangepast.

2.2.

Blijkens een bestuurlijke rapportage van de politie, Eenheid Noord-Nederland, van 11 september 2017, heeft de politie op 7 september 2017 in de schuur op het perceel een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Blijkens het primaire besluit zijn daarbij de volgende goederen aangetroffen: 1510 hennepplanten, een aanhangwagen met restanten potgrond en steenwolblokjes, een werkend aggregaat in een koelwagen, transformatoren ten behoeve van assimilatielampen, watervaten, een canacutter, slakkenhuizen ten behoeve van luchtafzuiging, een schakelkast ten behoeve van elektrische apparatuur in de kweekruimtes, koolstoffilters waarvan het vilt zwaar vervuild was, gestolen accu’s, een (nep)vuurwapen en € 1.204 aan contanten.

2.3.

Hennep is opgenomen in lijst II van de Opiumwet.

3. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder, gezien de aangetroffen hennepplanten, bevoegd is tot oplegging van een last in de vorm van sluiting van de woning.

5.1.

Betreffende de aanwending van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet heeft verweerder de ‘Beleidsregels handhaving hard- en softdrugs gemeente Coevorden 2015’ (beleid) vastgesteld.

5.2.

In paragraaf 3 van het beleid is onder meer bepaald dat in geval van verkoop van drugs vanuit dan wel aanwezigheid in een lokaal van een handelshoeveelheid drugs bij een eerste constatering overgegaan wordt tot bestuursdwang (sluiting) op basis van 13b, eerste lid, van de Opiumwet voor de duur van drie maanden. Van een handelshoeveelheid wordt gesproken als het meer dan vijf hennepplanten betreft.

5.3.

De voorzieningenrechter acht dit beleid niet kennelijk onredelijk. De voorzieningenrechter stelt voorts vast, zoals ook niet in geschil is, dat de opgelegde maatregel overeenkomstig het beleid is.

6.1.

Paragraaf 8 van het beleid luidt als voort: ‘Uitgangspunt is dat tegen overtreders van het handhavingsbeleid repressieve maatregelen worden getroffen onder het motto “ja tenzij”. Als er aanwijzingen zijn dat sprake is van een schrijnend geval, waardoor bepaalde maatregelen in de gegeven omstandigheden niet geschikt zijn, kan de burgemeester ervoor kiezen om de toepasselijke maatregel voorwaardelijk te nemen met eventueel een proeftijd.

Er worden in dit kader met opzet geen bindende criteria genoemd. In de praktijk zal per casus worden bepaald of sprake is van een schrijnend geval die tot afwijking van de beleidsregel noopt’.

6.2.

Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

7.1.

In de uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) overwogen dat dat omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, niet reeds daarom buiten beschouwing kunnen worden gelaten. In de praktijk blijkt dat ook al heeft het betrokken bestuursorgaan bij het opstellen van de beleidsregel deze omstandigheden bezien, het daarmee niet heeft kunnen voorzien of deze omstandigheden alleen of tezamen in een concreet geval niettemin tot onevenredige gevolgen leiden. Het bestuursorgaan dient derhalve alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

7.2.

In het primaire besluit stelt verweerder dat bij de vaststelling van het beleid reeds rekening is gehouden met het feit dat dit kan betekenen dat een woning die aangepast is, wordt gesloten. De rechtbank overweegt, gezien bovengenoemde uitspraak van de AbRS, dat dit niet betekent dat dit aspect niet bij de belangenafweging dient te worden betrokken. Overigens blijkt uit de stukken in deze procedure niet dat bij de vaststelling van het beleid met een dergelijke situatie uitdrukkelijk rekening is gehouden.

8.1.

Verzoekers hebben aangevoerd dat door de woningsluiting een schrijnende situatie zal ontstaan en dat verweerder om die reden bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid over heeft kunnen gaan tot woningsluiting. Volstaan zou kunnen worden met sluiting van alleen de schuur, waar de hennepplantage was gevestigd. Zij hebben gesteld dat er geen sprake is geweest van overlast en dat het voor hen niet mogelijk is om voor de duur van drie maanden woonruimte te vinden die op dezelfde wijze is aangepast als hun huidige woning. Als benodigdheden en noodzakelijke aanpassingen noemen zij een rolstoel, een elektrische deuropener, een vlakke plaats bij de deur, een traplift, afwezigheid van vloerbedekking en drempels in de woning, lichtschakelaars op ellebooghoogte, een elektrisch hoog/laagbed met antidecubitusmatras, een doucherolstoel, een natte cel toegankelijk voor doucherolstoel met genoeg ruimte voor hulp, een onderrijdbare wasbak, een kantelspiegel en een thermostaatkraan en ruimte voor verzorgingsmiddelen.

8.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder echter in redelijkheid de door verzoekers genoemde belangen minder gewicht kunnen toekennen dan het algemeen belang bij sluiting van de woning. Zoals ter zitting is besproken betreft het een bijzonder grote hennepkwekerij die reeds enkele jaren in gebruik was. Daarnaast zijn er de afgelopen jaren in [woonplaats] reeds drie andere woningen op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gesloten. Enerzijds betekent dit dat verzoekers, die weet hadden van de hennepplantage op hun perceel, op de hoogte waren van de gevolgen bij het aantreffen door de politie van de plantage en anderzijds tekent dit de ernst van de drugsproblematiek in een kleine plaats als [woonplaats] . Desondanks hebben verzoekers medewerking verleend aan de vestiging van de hennepplantage.

Voorts is niet gebleken, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, dat tijdelijk verblijf elders tot schade aan de gezondheid van verzoeker zal leiden. Evenmin is voldoende aannemelijk gemaakt dat alternatieve woonruimte niet voorhanden is. Verzoekers hebben ter zitting volstaan met op te merken dat ze gebeld hebben met een woningbouwcorporatie en met vakantieparken. De voorzieningenrechter acht dit onvoldoende om aan te kunnen nemen dat er voor verzoekers in het geheel geen vervangende woonruimte beschikbaar is. Uiteraard zal vervangende woonruimte voor verzoeker al snel minder geschikt zijn dan de speciaal voor hem aangepaste woning, maar het betreft een tijdelijke situatie. Tevens is van belang dat het in verdere mate rekening houden met de beperkingen van verzoeker een stimulans voor criminelen kan vormen om misbruik te maken van minder validen.

Gezien het doel van de sluiting om de woning, de schuur en het erf uit het drugscircuit te halen, oordeelt de voorzieningenrechter daarom dat verweerder de keuze heeft kunnen maken om tot sluiting van het gehele perceel over te gaan in plaats van deze te beperken tot de schuur.

8.3.

De voorzieningenrechter acht de belangenafweging door verweerder deugdelijk. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding de in het bestreden besluit genoemde datum van ingang van de woningsluiting te wijzigen in maandag 6 november 2017, 10.00 uur, teneinde verzoekers de gelegenheid te geven vervangende woonruimte te vinden.

9. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en wijzigt de ingangsdatum van de woningsluiting in 6 november 2017, 10.00 uur.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.