Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4023

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
25-06-2018
Zaaknummer
AWB LEE - 17 _ 1439
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:10722, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Aan eiseres is een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, omdat een bedrag van € 1.984.622, dat op 1 januari 2012 nog op twee Duitse bankrekeningen stond, niet opgegeven was in de aangifte voor het jaar 2012. In geschil is of verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslag terecht een vergrijpboete heeft opgelegd.

Het verwijt dat eiseres gemaakt wordt is dat zij ten tijde van het (laten) doen van de aangifte onvoldoende informatie heeft overgelegd aan het administratiekantoor dat de aangifte voor haar heeft verzorgd en ingediend.

De rechtbank komt tot het bewijsoordeel dat verweerder er niet in is geslaagd te bewijzen dat eiseres in de samenwerking met het administratiekantoor heeft gefaald, waardoor het aan de grove schuld van eiseres te wijten zou zijn dat de aangifte tot een te laag bedrag is gedaan. De rechtbank vernietigt de boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1346
Viditax (FutD), 25-06-2018
FutD 2018-1782
V-N 2018/44.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/1439

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.A. Neslo),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 20 maart 2017 op het bezwaarschrift van eiseres tegen de aan haar, tegelijk met de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2012, opgelegde vergrijpboete en de beschikking belastingrente.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar echtgenoot [echtgenoot] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de boetebeschikking gegrond;

- verklaart het beroep tegen de beschikking belastingrente gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de beschikking belastingrente tot € 4.130;

- vernietigt de boetebeschikking;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990.

Gronden

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

Beschikking belastingrente

2. Eiseres stelt dat de belastingrente te hoog is vastgesteld, omdat een deel van het bedrag van de navordering is veroorzaakt door een fout van verweerder bij het opleggen van de primitieve (definitieve) aanslag. Eisers heeft het standpunt ingenomen dat de beschikking belastingrente met € 1.948 verlaagd moet worden, tot een totaalbedrag van € 4.130. Verweerder heeft hangende de beroepsprocedure te kennen gegeven eiseres hierin te volgen. De rechtbank heeft daarom de beschikking belastingrente verlaagd tot € 4.130.

Vergrijpboete

3. De rechtbank stelt het volgende voorop. De opgelegde boete is een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM. Daaruit volgt dat, ook in het onderhavige geval, de onschuldpresumptie het uitgangspunt is en dat aan eiseres het voordeel van de twijfel toekomt. Op verweerder rust daarom de last om te bewijzen dat het aan grove schuld van eiseres te wijten is dat aanvankelijk de aanslag tot een te laag bedrag is opgelegd of dat anderszins te weinig belasting is geheven.

4. Eiseres was samen met haar echtgenoot agrarisch ondernemer in Duitsland. Per 30 juni 2011 heeft zij haar onderneming in Duitsland fiscaal gestaakt. Tot 11 januari 2012 heeft zij in Duitsland gewoond, daarna is zij geremigreerd naar Nederland. In het M-biljet inzake 2012 is gekozen voor behandeling als binnenlands belastingplichtige gedurende heel 2012. Ten onrechte zijn de saldi van een reeks Duitse bankrekeningen, per 1 januari 2012 optellend tot € 1.984.622, niet in de aangifte terechtgekomen. De navordering ter zake wordt niet betwist.

5. Vast staat dat eiseres voor het doen van haar aangifte IB/PVV over 2012 een administratiekantoor heeft ingeschakeld, namelijk [het administratiekantoor] . Dat administratiekantoor heeft een beconnummer en bij dat kantoor is onder meer een fiscalist werkzaam die is ingeschreven in het Register Belastingadviseurs (RB). Het administratiekantoor heeft de aangifte ingevuld en namens eiseres ingediend.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de verweten grove schuld (ook) bij eiseres zelf aanwezig moet zijn geweest. Een eventuele fout van het administratiekantoor – als die er is – is daarvoor niet voldoende. Grove schuld van het administratiekantoor kan niet toegerekend worden aan eiseres. Wel kan het verwijt erin bestaan dat eiseres bij de keuze van en samenwerking met het kantoor ernstig nalatig of onachtzaam is geweest. Ook daarbij is het uitgangspunt echter de onschuldpresumptie. Dat betekent dat eventuele twijfel ten aanzien van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het verwijt in het voordeel van eiseres uitgelegd moet worden.

6. Ter zitting is komen vast te staan, dat de kern van het geschil is de vraag: Is er ten tijde van het (laten) doen van de aangifte sprake geweest van grove schuld aan zijde van eiseres, die er in bestaat dat destijds onvoldoende informatie is overgelegd aan het administratiekantoor? Concreet gaat het om de gegevens van de Duitse bankrekeningen. Ten aanzien van het antwoord op deze vraag hebben partijen over en weer stellingen ingenomen.

7. De rechtbank komt tot het bewijsoordeel dat verweerder er niet in is geslaagd te bewijzen dat eiseres in de samenwerking met het administratiekantoor heeft gefaald, waardoor het aan de grove schuld van eiseres is te wijten dat de aangifte tot een te laag bedrag is gedaan. Bij dat oordeel heeft de rechtbank het volgende meegewogen.

8.1

Niet is vast komen te staan waarom de tegoeden op de Duitse rekeningen niet in de aangifte terecht zijn gekomen. De rechtbank acht de verklaring ter zitting van eiseres en haar echtgenoot – dat ze naar beste weten alle relevante gegevens hebben aangeleverd aan het administratiekantoor, waaronder begrepen de gegevens omtrent het bestaan van de bankrekeningen in Duitsland – geloofwaardig.

8.2

De stelling die verweerder ingenomen heeft, komt erop neer dat het gelet op de gang van zaken en de latere correspondentie tussen verweerder en het administratiekantoor niet anders kan dan dat het administratiekantoor de gegevens over de Duitse rekeningen niet heeft gehad. Die redenering is echter wat de rechtbank betreft niet sluitend. De bewoordingen van de betreffende correspondentie zijn voor wat betreft de toedracht van de fout in de aangifte in tamelijk algemene, neutrale termen (en veelal in de indirecte rede) gesteld ('abusievelijk'). Uit die bewoordingen kan niet zonder meer worden afgeleid dat de lezing van verweerder de juiste is. De rechtbank acht de alternatieve lezing die de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft geschetst – dat het administratiekantoor wel voldoende gegevens had, maar om de een of andere reden een fout heeft gemaakt en daar achteraf niet de verantwoordelijkheid voor neemt – evengoed voorstelbaar. In ieder geval laten de bewoordingen naar het oordeel van de rechtbank evengoed ruimte voor deze interpretatie. Een duidelijke verklaring van het administratiekantoor, inhoudende dat zij de betreffende gegevens nimmer hebben gehad, ontbreekt. Overigens zou uit een dergelijke verklaring nog niet volgen dat zulks dan ook aan grofschuldig handelen van eiseres te wijten zou zijn geweest. Deze correspondentie is bovendien ruim twee jaar na het doen van de aangifte gevoerd, en vond deels plaats nadat de boete reeds was aangekondigd. Daarom is er naar het oordeel van de rechtbank niet uit af te leiden hoe de gang van zaken ten tijde van het opstellen en indienen van de aangifte nu precies is geweest.

8.3

Ter zitting heeft eiseres bovendien de bewering in de stukken van het administratiekantoor weersproken, inhoudende dat eiseres zelf ten tijde van het doen van de aangifte in de veronderstelling verkeerde dat de tegoeden op de Duitse rekeningen niet behoefden te worden aangegeven, omdat deze nog tot het Duitse ondernemingsvermogen zouden behoren. De rechtbank acht ook deze weerspreking geloofwaardig.

8.4

De bewijsvoering van verweerder berust ook voor het overige op een aantal aannames, veronderstellingen en vermoedens. Zo heeft verweerder ter zitting bepleit dat het niet anders kan dan dat het administratiekantoor geheel onkundig was van de Duitse tegoeden, omdat het kantoor de tegoeden anders uiteraard zou hebben verwerkt of – beter nog – nimmer had gekozen voor binnenlandse belastingplicht voor heel 2012. Deze veronderstelling vindt geen steun in de vaststaande feiten en berust bovendien op de aanname dat het administratiekantoor onfeilbaar is.

8.5

Er is samenvattend geen concreet bewijs geleverd voor de grove schuld van eiseres: er is geen smoking gun waaruit volgt dat eiseres inderdaad zou hebben nagelaten de relevante gegevens aan het administratiekantoor te verstrekken. De uit de feiten afgeleide vermoedens worden naar het oordeel van de rechtbank ontzenuwd door de verklaringen van eiseres ter zitting, en het overigens door eiseres gestelde.

8.6

De rechtbank overweegt voorts nog het volgende. De onderhavige zaak verschilt van de zogeheten KB-Lux zaken, waarin de Hoge Raad omtrent het bewijs van de boete onder meer heeft geoordeeld dat – kort gezegd – opzet gegeven is indien een aanzienlijke som geld op een rekening wordt aangehouden in een land met een bankgeheim. In de onderhavige zaak gaat het weliswaar om een buitenlandse rekeningen met daarop een aanzienlijke saldo, maar deze werden niet in een land met een bankgeheim aangehouden. Enkel het gegeven dat het om veel geld gaat op een buitenlandse bankrekening is voor de rechtbank onvoldoende om grove schuld aan te nemen.

8.7

De rechtbank wijst bovendien op de volgende contra-indicaties voor de aanwezigheid van grove schuld. Reeds in de loop van 2012 is het geld van de Duitse rekeningen overgemaakt naar Nederland. Stukken inzake de herkomst van het geld (de verkoopopbrengst van de onderneming in Duitsland) zijn daarbij aan de Nederlandse bank en aan het administratiekantoor overgelegd. In Duitsland heeft eiseres met de Duitse belastingdienst afgerekend over de stakingswinst. Er is dan ook geen enkele indicatie dat eiseres iets verborgen heeft willen houden voor de Nederlandse fiscus. Dat volgt ook uit het feit dat de resterende tegoeden en de vermogensbestanddelen die met de tegoeden zijn aangekocht (een stuk land in Nederland) in de aangifte van het volgende jaar (2013) wél zijn aangegeven. De betreffende vermogenssprong is overigens ook de aanleiding geweest voor het nadere onderzoek van verweerder, dat heeft uitgemond in de navorderingsaanslag over 2012 en de onderhavige boete. Eiseres en haar echtgenoot zijn bovendien in 2012 geremigreerd naar Nederland. De aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 was het eerste jaar dat zij weer in Nederland aangifte moesten doen. Ter zake zijn zij niet over één nacht ijs gegaan, want zij hebben ter voldoening aan hun fiscale verplichtingen een kantoor ingeschakeld dat zij voor voldoende deskundig mochten houden. Naar het oordeel van de rechtbank had het administratiekantoor, gesteld dat zij de informatie over de Duitse bankrekeningen in eerste instantie niet zouden hebben gekregen, op basis van de financiële stukken van de Duitse onderneming wel degelijk kunnen en ook moeten doorvragen, nu de situatie van de achtergrond van de remigratie hen bekend was. Ook daarin ziet de rechtbank een contra-indicatie voor de gestelde grove schuld van eiseres.

8.8

De rechtbank heeft redelijke twijfel omtrent de juistheid van het door verweerder geschetste scenario. Gelet op de onschuldpresumptie moet die twijfel in het voordeel van eiseres worden uitgelegd.

9. Nu verweerder niet geslaagd is in de op hem rustende bewijslast ter zake van de aanwezigheid van grove schuld bij eiseres zelf, moet de boete geheel vernietigd worden.

10. Gelet op het voorgaande is ook het beroep tegen de boetebeschikking gegrond verklaard.

Griffierecht en proceskostenvergoeding

11. Omdat de rechtbank het beroep tegen beide beschikkingen gegrond heeft verklaard, heeft de rechtbank bepaald dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

13. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is op 19 oktober 2017 gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt. De beslissing is op voormelde datum in het openbaar uitgesproken, evenals de rechtsmiddelenverwijzing.

w.g. griffier w.g. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.