Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4019

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
6164663 AR VERZ 17-88
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Na eerder afgewezen ontbindingsverzoek wegens niet voldoen aan herplaatsingsinspanningen, thans ontbinding op d-grond. Voldoende herplaatsingsinspanningen verricht door werkgever

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1282
AR 2017/5511
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 6164663 AR VERZ 17-88

beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671b lid 1 BW d.d. 11 oktober 2017

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Achmea Interne Diensten B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J. Bonnema,

tegen

[X] ,

wonende te [plaats] ,

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J. Savelsbergh.

Partijen zullen hierna Achmea en [X] worden genoemd.

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

1.1.

Achmea heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, ingekomen ter griffie op 17 juli 2017. [X] heeft op 24 augustus 2017 een verweerschrift tevens houdende voorwaardelijke zelfstandige tegenverzoeken ingediend.

1.2.

Bij faxbericht van 28 augustus 2017 heeft Achmea nadere producties overgelegd.

1.3.

Bij faxbericht van 1 september 2017 heeft Achmea een inventarisatielijst processtukken overgelegd.

1.4.

Op 4 september 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigden van beide partijen hebben het standpunt van hun cliënt(e) toegelicht aan de hand van pleitnotities.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

2.1.

[X] , geboren [geboortedatum 1] , is op 15 september 2005 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) Achmea en is volgens zijn arbeidsovereenkomst laatstelijk werkzaam in de functie van [functienaam] . Het bruto salaris op basis van een werkweek van 32 uren bedraagt € 2.389,89 per maand exclusief vakantiebijslag. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Achmea (hierna: de cao) van toepassing.

2.2.

In het functieprofiel behorend bij zijn functie (hierna: het Functieprofiel) staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Functiefamilie

Klantrelatie & Omgeving

(…)

Functienaam

Medewerker Klantrelatie & Omgeving

(…)

(…)

Schaal

D

(…)

(…)

(…)

Kernactiviteiten

• Voert uitvoerende, voorbereidende of administratieve werkzaamheden uit ten behoeve van het klant- en/of marketingproces. Voor het werk is praktische vakkennis vereist.

• Behandelt zelfstandig standaard (aan)vragen en klachten van klanten of tussenpersonen over één of meerdere verzekeringsproducten of zet als dat nodig is door naar een collega ten behoeve van een duurzame relatie met de klant. Geeft informatie vanuit het eigen afgebakende gebied en ziet toe op de doorlooptijden van de afwikkeling van aanvragen, klachten, wijzigingen, etc.

• Handelt administratieve zaken af die horen bij het klantproces.

• Vraagt indien nodig informatie op aan derden. Treedt hierbij op als aanspreekpunt en coördineert de benodigde communicatie.

• Signaleert op basis van signalen van klanten de behoeftes van klanten en kansen om de klant te bieden wat hij/zij nodig heeft.

• Signaleert knelpunten en kansen in interne procedures/ werkwijzen aan een specialist of leidinggevende en draagt in voorkomende gevallen zorg voor het bijwerken van handboeken of protocollen.

• Onderhoudt intern met medewerkers en managers van eigen en andere afdeling om te informeren over standaard onderwerpen op het eigen werkgebied.

• Onderhoudt extern contact met (potentiele) klanten of tussenpersonen om te informeren en af te stemmen over standaardproducten, -voorwaarden en (uitbreiding-)mogelijkheden.

• Indien in de dagelijkse uitoefening van deze functie sprake is van klantcontact bestaande uit aanbieden, bemiddelen, adviseren of uitgebreid informeren, dan is noodzakelijk dat de functionaris voor zijn aandachtsgebied wft-compliant is.

2.3.

In het zogenoemde profiel behorend bij zijn functie (hierna: het Profiel) staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Inbound klantcontactspecialist

Jouw functie

Je gaat werken voor een van de opdrachtgevers bij KCS, namelijk Centraal Beheer. Je verkoopt verzekeringen aan potentiele klanten die jou bellen, eventueel naar aanleiding van een speciale actie. Daarnaast bellen klanten van onze opdrachtgever jou met een vraag over hun bestaande verzekering. Je beantwoordt deze vraag en informeert de klant over extra mogelijkheden over bijvoorbeeld de zorgverzekering en andere verzekeringen van onze opdrachtgever.

Wat ga je doen?

De functie omvat de volgende kerntaken:

- - Het voeren van telefoongesprekken met (potentiële) klanten van de opdrachtgever, waarbij oprechte interesse een belangrijke drijfveer is.

- - Luisteren naar de klant, het analyseren van de klantbehoefte en het herkennen van de koopsignalen.

- - Het vertalen van de wens van de klant naar het product/dienst op een enthousiaste manier.

- - Het sluiten van de verkoop op een servicegerichte manier.

- - Het verwerken van de gegevens op een efficiënte en correcte wijze.

- - Het meedenken over mogelijke verbeteringen van bestaande processen binnen KCS en Achmea.

2.4.

Op 31 juli 2010 heeft [X] te maken gehad met een geknapt hersenaneurysma als gevolg waarvan hij van 3 augustus 2010 tot 26 juni 2011 arbeidsongeschikt is geweest. Hij is per 27 juni 2011 weer volledig arbeidsgeschikt geacht. Nadien heeft [X] aangegeven sneller vermoeid te zijn dan voorheen en last te hebben van concentratieproblemen.

2.5.

[X] is in januari 2013 begonnen aan een MBO-opleiding in de ICT op niveau 4 op kosten van Achmea.

2.6.

In verband met de door [X] ervaren klachten hebben partijen afgesproken dat [X] een parkeerplaats direct onder het Achmea-gebouw kreeg en dat hij een half uur langer mocht pauzeren gedurende zijn dienst. Deze extra pauze gedurende zijn dienst diende [X] aan het eind van zijn dienst te compenseren door een half uur langer door te werken.

2.7.

Over het jaar 2014 is het functioneren van [X] op een schaal van 1 (alle afspraken overtroffen) tot 5 (afspraken niet gehaald) beoordeeld met een 4 (afspraken deels gehaald), hetgeen een onvoldoende impliceert. [X] is beoordeeld op zijn verkoopresultaten (de zogenaamde A- en B-conversie), op de gemiddelde tijd die de door hem gevoerde telefoongespreken en de administratie daarvan duren (de zogenaamde Net Promotor Score/Average Handling Time (NPS/AHT), op de competenties die voor zijn functie vereist zijn en op zijn algemeen functioneren (houding en gedrag). In het beoordelingsverslag staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

In de resultaten kom je uit op een 4 op sales.

(…)

Beoordeling: Pauze% is niets aan veranderd, nog steeds veel te hoog en dit heeft een grote impact in je cijfers. Gesprek met Former gehad, waarbij gesproken is over dat als je dit niet op de rit krijgt, je wellicht niet geschikt bent voor de functie in verband met medische beperkingen.

2.8.

Bij bericht via intranet van 22 januari 2015 heeft [X] Achmea om een toelichting op het beleid ten aanzien van medewerkers met een beperking verzocht. In een daaropvolgende e-mailwisseling tussen hem en mevrouw [A] (hierna: [A] ), HR Specialist bij Achmea, heeft [X] in een e-mail van 3 februari 2015 - voor zover van belang - het volgende aan [A] bericht:


Ik ben per dag een half uur langer aanwezig zodat ik een uur lunchpauze kan hebben ipv een half uur... Maar ik wordt keihard afgerekend op onze pauzepercentage…(…) Mijn manager zegt, als je niet aan de norm voldoet, dan krijg je een 4 beoordeling en kan je dus ook je baan verliezen

2.9.

Op 24 maart 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [X] en zijn toenmalige teammanager, de heer [B] , en mevrouw [C] (hierna: [C] , eveneens werkzaam bij Achmea. In het verslag van dat gesprek staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

In het gesprek van 10 maart hebben we afgesproken de mogelijkheden te onderzoeken en een plan met en voor [voornaam X] [ [X] ; toevoeging kantonrechter] op te stellen. Uit de terugkoppeling van de bedrijfsarts komt naar voren, dat er op basis van medische gronden geen reden is een uitzondering voor [voornaam X] te maken.

2.10.

In juli 2015 heeft [X] zijn MBO-4 diploma in de ICT behaald.

2.11.

Op 23 september 2015 heeft een voortgangsgesprek (ook wel bila genoemd) plaatsgevonden tussen [X] en zijn toenmalige teammanager mevrouw [D] (hierna: [D] ). In het door [D] opgestelde gesprekverslag staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Afspraken vorige bila:

*Coaching: in week 34 en 36 ben je gecoacht. In week 38 stond ook gepland, maar was je helaas ziek. Daarom heb ik in week 40 nog een coaching ingepland.

*Doel van de coaching: in de weken 29-32 had je een stijging naar 13,5% A systeemconversie laten zien. Daarom hebben we besloten door te gaan met de coaching. Helaas heeft die aandacht niet geleid tot een groei naar minimaal 2 weken 15% A systeemconversie. (…)

2.12.

Op 10 november 2015 heeft een driegesprek plaatsgevonden tussen [X] , [D] en [C] . In het gespreksverslag dat [D] van dit gesprek heeft opgesteld, staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

De aanleiding voor dit gesprek is jouw Plan van Aanpak. Je zou het Plan van Aanpak aanvullen en donderdag 5-11-2015 naar mij mailen. Dat is niet gelukt. (…)

[voornaam C] [ [C] ; toevoeging kantonrechter] legt uit dat je op verschillende manieren om hulp kunt vragen. Dat moet je wel dóen! [C] , ik en collega's willen je graag helpen. Je moet dan wel aangeven wat je nodig hebt. Je medische klachten kunnen we niet verhelpen.

We willen je graag helpen je doelen in je werk te halen. Ook daarvoor is belangrijk dat je zegt wat je nodig hebt en om hulp vraagt (…)

Je vindt het nog steeds lastig om aan te geven wat je nodig hebt om de doelen in het Plan van Aanpak te halen. Al pratende komen we op de volgende zaken:

(…)

We gaan aan de slag met het Plan van Aanpak. Ik ga wat we besproken hebben verwerken in het Plan van Aanpak. Vervolgens bespreken we de voortgang in het Plan van Aanpak elke twee weken.

2.13.

In het Plan van Aanpak staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Wat

(SMART)

wil ik bereiken?

Welke

stappen moet ik nemen om mijn resultaatafspraken te realiseren?

Wanneer zal ik mijn afspraken realiseren?

KPI's [Kritische Performance Indicatoren; toevoeging kantonrechter]

Conversie A per kwartaal 15% of hoger, conversie B per kwartaal 30% of hoger

*Meeluisteren met een verkooptopper om techniek op te halen (…)

*Coach laten meeluisteren (…)

*Meeluisteren door AM [ [D] ; toevoeging kantonrechter] (…)

*Gesprekken laten opnemen (…)

*Samen met een coach en [voornaam D] [ [D] ; toevoeging kantonrechter] gesprekken terugluisteren

Saleshuddles in het team (…)

Q1 2016

NPS op een 3 score volgens de NPS/AHT matrix, waarbij je geen vakjes opschuift door te hoog pauzepercentage

In elke coaching (…) de klant/NPS meenemen; tops en tips krijgen van coach/ [voornaam D]

Pauzeteller van [E] gaan gebruiken (…)

Q1 2016

Continuïteit in resultaten (…)

KPI's en Houding en gedrag een 3-norm aan het einde van Q1-2016

Vanaf Q2 2016

Houding & Gedrag

(…)

(…)

(…)

Eigen verantwoordelijkheid, zelfregie

*Aan de bel trekken bij TM bij tegenvallende resultaten, zaken die opvallen

(…)

2.14.

Medio december 2015 heeft de beoordeling over 2015 plaatsgevonden. [X] kreeg als eindbeoordeling opnieuw een 4 (afspraken deels gehaald). In het door [D] opgestelde verslag van het gesprek tussen [X] en [D] over de beoordeling staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Dit is helaas je tweede 4 beoordeling op rij. Zoals aangegeven start er dan een arbeidsrechtelijke procedure.

(…)

Je A-conversie is erg wisselend, maar het hele jaar onder de norm. In Q3 maakte je een flinke stap in zowel je A als B conversie. (…) De stap naar 15% A-conversie is erg groot. (…) In het Plan van Aanpak heb je de stappen beschreven die jij nodig hebt om te verbeteren.

NPS/AHT/pauzepercentage: eindbeoordeling 4

In je NPS score heb je een hele mooie stijging laten zien. Je AHT is redelijk stabiel. In Q3

trekt je pauzepercentage je beoordeling een punt omlaag van 2 naar 3. Dat is zonde en ook

niet nodig, zoals je nu ziet in Q4. Ik vind het mooi om te zien dat je nu je pauzepercentage

onder controle hebt.

2.15.

Op 22 december 2015 en 19 januari 2016 heeft [D] met [X] de voortgang van het Plan van Aanpak besproken.

2.16.

Op 25 februari 2016 heeft [D] met [X] de jaarlijks te behalen resultaat- en ontwikkelafspraken in het kader van zijn Werkplan Compas besproken. Deze afspraken zijn opgenomen in het Plan van Aanpak.

2.17.

[D] heeft op 3 maart 2016 met [X] het Plan van Aanpak tussentijds geëvalueerd. In het door [D] opgestelde verslag van dit gesprek staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

In 2016 zijn A-conversie, B-conversie en NPS/AHT nog niet op norm

Wat heb je nodig en wat gaan we doen?

Elke twee weken coaching met de focus op het onderdeel Verkoop en Behoud van het COPC-formulier. Daarbij ook Compliance meenemen, omdat het nieuw is en ook in je Compas staat.

2.18.

Op 31 maart 2016, 13 april 2016 en 12 mei 2016 heeft [X] een voortgangsgesprek gehad met [D] respectievelijk de heer [F] (hierna: [F] ), zijn nieuwe teammanager. In het door [F] opgestelde verslag van het gesprek van 13 april 2016 staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Pva [Plan van Aanpak; toevoeging kantonrechter]:

- - Kort over gehad. Deze pakken we volgende week weer op

- je vroeg je af of alle onderdelen gehaald moeten worden. Ik vroeg aan jou wat de afspraken met [voornaam D] [D] ; toevoeging kantonrechter] was, maar kon je niet voor de geest halen. Mijn antwoord is dat we binnen pva alle onderdelen moeten halen. Daarnaast afgesproken dat ik dit uitzoek en volgende week met je bespreek.

2.19.

Op 12 mei 2016 heeft [F] opnieuw een voortgangsgesprek gevoerd met [X] . In het door [F] opgestelde gespreksverslag staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Pva:

Stand van zaken besproken. Cijfers in de mail

Uitdaging is Sales A. Samen concrete acties bedacht (zie Afspraken) (…).

2.20.

Ook op 27 mei 2016 heeft [F] een voortgangsgesprek met [X] gehad. In het door [F] opgestelde gespreksverslag staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Cijfers:

(…) deze besproken en zitten in je mail. Op conversie onder norm. NPS goed en boven norm. In je plan van aanpak gaat het om beide KPI's.

2.21.

Na het voortgangsgesprek heeft [F] aan [X] meegedeeld dat, gelet op het feit dat de A- en B-conversie al ruim tweeënhalf jaar lang onder de norm waren en ondanks coaching en het verbetertraject niet boven of op de norm uitkwamen, de uitkomst van het verbetertraject zou zijn dat de [X] er niet in was geslaagd zijn functioneren op het vereiste niveau te brengen. Voorts heeft hij [X] meegedeeld dat dit betekende dat [X] niet langer als [functienaam] werkzaam zou zijn en dat er gezocht zou worden naar een andere passende functie en als dat niet zou lukken, de arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd. Tijdens de eindevaluatie van het Plan van Aanpak op 3 juni 2016 is dit wederom door [F] met [X] besproken en heeft [F] [X] namens Achmea aangeboden een vaststellingsovereenkomst te sluiten strekkende tot beëindiging van het dienstverband. [X] heeft aangegeven over dit aanbod na te zullen denken.

2.22.

Op 21 juni 2016 heeft [X] per e-mail aan Achmea bericht zich in overleg met zijn gemachtigde ziek te melden totdat hij de bedrijfsarts had gezien in verband met zijn beperkingen. In reactie hierop heeft Achmea diezelfde dag aan [X] bericht de ziekmelding vooralsnog niet te accepteren en hem een week vrij te stellen van werk.

2.23.

Naar aanleiding van de ziekmelding heeft [X] op 27 juni 2016 een bezoek gebracht aan de bedrijfsarts, [naam bedrijfsarts] In de terugkoppeling van de bedrijfsarts naar Achmea staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Op dit moment kan ik niets betekenen voor meneer [X] . Ik zie geen aanknopingspunten voor begeleiding in het kader van de Wet Poortwachter. Interventies vanuit Present zijn momenteel overbodig. Ik adviseer u om meneer [X] de mogelijkheid te bieden om in juli opnieuw met de bedrijfsarts te gaan praten, als het nodig is.

2.24.

Bij e-mail van 17 augustus 2016 heeft Achmea aan mr. Savelsbergh bericht dat er geen aanleiding was om aan te nemen dat [X] arbeidsongeschikt was en hem verzocht om een reactie op de aangeboden vaststellingsovereenkomst. Omdat een reactie op deze e-mail uitbleef, is Achmea op 22 augustus 2016 gestart met een herplaatsingstraject voor de duur van drie maanden.

2.25.

Op 30 november 2016 heeft een driegesprek plaatsgevonden tussen [X] , [F] en mevrouw [G] (hierna: [G] ), senior P&O adviseur bij Achmea. In dit gesprek heeft Achmea aan [X] meegedeeld dat het herplaatsingstraject formeel voorbij was en dat zij de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou verzoeken. Ook heeft zij hem meegedeeld dat hij niet langer werd vrijgesteld van werk en dat zij wilde dat hij vanaf 5 december 2016 tijdelijke administratieve werkzaamheden op C-niveau (Adidas-werkzaamheden) zou gaan verrichten.

2.26.

[X] heeft vanaf 5 december 2016 tot en met maart 2017 voormelde Adidas-werkzaamheden verricht.

2.27.

[X] heeft als eindbeoordeling over 2016 een 5 (afspraken niet gehaald) gekregen.

2.28.

Bij verzoekschrift van 27 januari 2017 heeft Achmea de kantonrechter van deze rechtbank verzocht de arbeidsovereenkomst met [X] te ontbinden op grond van ongeschiktheid voor de bedongen werkzaamheden (artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel d BW. [X] heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd en een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend, primair strekkende tot wedertewerkstelling en subsidiair strekkende tot veroordeling van Achmea tot betaling van een transitievergoeding en verstrekking van een positief getuigschrift.

2.29.

Bij beschikking van 22 maart 2017 heeft de kantonrechter zowel het verzoek van Achmea als de tegenverzoeken van [X] afgewezen. In de beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat [X] ongeschikt is voor de functie van Deskaccountmanager, dat deze ongeschiktheid niet het gevolg is van ziekte of gebreken of van onvoldoende zorg van Achmea voor scholing van [X] en dat Achmea [X] in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren. Over de herplaatsingsplicht van Achmea heeft de kantonrechter - voor zover van belang - het volgende overwogen:

5.14.

Uit de overgelegde verslagen van de voortgangsgesprekken die in het kader van het herplaatsingstraject door Achmea met [X] zijn gevoerd, blijkt dat Achmea het solliciteren van [X] alleen heeft gefaciliteerd. Zij heeft hem gewezen op openstaande vacatures (die er kennelijk, ondanks de reorganisatie binnen Achmea wel zijn) en hulp aangeboden bij het solliciteren. Gezien voormeld toetsingskader en gezien de grootte van het concern waartoe Achmea behoort, heeft [X] met recht betoogd dat Achmea zich aldus te passief heeft opgesteld. Achmea had actiever moeten zoeken en had eventuele belemmeringen om voor de gevonden functies in aanmerking te komen zoveel als mogelijk weg dienen te nemen. Gelet op het feit dat het disfunctioneren van [X] geen verwijtbaar handelen of nalaten van [X] in de zin van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW betreft, heeft Achmea bovendien onvoldoende onderbouwd waarom zij aan [X] in het kader van het herplaatsingstraject niet dezelfde positie heeft toegekend als ATC- en Zilverpoolkandidaten, werknemers die in het kader van de reorganisatie boventallig zijn geworden en - naar [X] onbestreden heeft aangevoerd - een voorrangspositie hebben bij sollicitaties naar interne vacatures. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat herplaatsing van [X] in een andere passende functie binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, niet mogelijk is.

2.30.

[X] heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. De mondelinge behandeling van dit hoger beroep staat gepland op 8 november 2017.

2.31.

Bij e-mail van 24 maart 2017 heeft mr. Bonnema voornoemd - voor zover van belang - het volgende aan mr. Savelsbergh bericht:

Gelet op de uitspraak is Achmea voornemens opnieuw uitvoering te geven aan het herplaatsingsonderzoek, voor de duur van drie maanden (…). Mocht herplaatsing niet lukken dan zal Achmea andermaal een ontbindingsverzoek indienen bij de kantonrechter. Achmea gaat ervan uit dat de ontbinding alsdan wel toegewezen zal worden. Ik heb opdracht gekregen om een maand voor afloop van het herplaatsingstraject (en vooruitlopend op de uitkomst daarvan) een nieuw ontbindingsverzoek in te dienen.

2.32.

Na de beschikking heeft op 27 maart 2017 een gesprek plaatsgevonden tussen [F] , [G] en [X] . In het verslag van dit gesprek dat door Achmea is opgesteld staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Achmea heeft (…) besloten het herplaatsingsonderzoek opnieuw te doen. (…) [voornaam F] [ [F] ; toevoeging kantonrechter] begeleidt dit traject als leidinggevende en [H] doet dat vanuit P&O. [voornaam X] wordt vrijgesteld van werk in deze periode om zich volledig te kunnen richten op de herplaatstingsperiode. (…)

(…)

Concreet wordt afgesproken dat

- - [voornaam X] z.s.m. start met een sollicitatietraining (actie [voornaam F] / [voornaam H] )

- - [voornaam X] een logboek per week bijhoudt om zo goed de gesprekken t.a.v. de voortgang te

kunnen voeren en het overzicht te houden

- - [voornaam X] begint vanmiddag weer met vacatures bekijken (hij heeft vanwege vakantie al een

paar weken zijn mail niet gezien)

- - [voornaam F] onderzoekt optie Functioneel Beheer

- - [voornaam F] plant wekelijkse afspraken in voor [voornaam X] , hem en [voornaam H] .

2.33.

In reactie op dit verslag heeft [X] op 4 april 2017 een e-mail aan [F] gestuurd, waarin hij onder meer heeft verzocht om hem dezelfde voorrangspositie te geven als de ATC- en Zilverpoolkandidaten, omdat volgens hem uit de beschikking van 22 maart 2017 bleek dat hij deze voorrangspositie volgens de kantonrechter diende te krijgen. Voorts heeft hij [F] verzocht hem een overzicht te verstrekken van functies waarop uitzendkrachten werkzaam zijn alsook functies die worden bemenst door medewerkers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en die binnen 26 weken eindigt.

2.34.

Op 5 april 2017 heeft een voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen [X] , [F] en mevrouw [H] (hierna: [H] ). Tijdens dat gesprek is besproken dat [X] een MRI-onderzoek had gehad en daar veel zorgen over had, omdat de uitslag niet positief was en nader onderzoek diende plaats te vinden. Op verzoek van [X] is afgesproken dat het herplaatsingsonderzoek zich slechts zou uitstrekken over de locaties Leeuwarden, Zwolle, Apeldoorn en Leusden, omdat [X] aangaf dat reizen naar andere locaties van het concern Achmea dan die vier voor hem niet realistisch was. Ook zijn vacatures besproken die door [H] en [X] waren geselecteerd en is afgesproken dat [X] op enkele van deze vacatures zou solliciteren en vóór 10 april 2017 de opleiding Wet financieel toezicht (hierna: Wft) zou aanvragen.

2.35.

Op 10 april 2017 heeft het volgende voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen [X] , [F] en [H] . [X] heeft in dat gesprek aangegeven dat hij lichamelijk een paar slechte dagen achter de rug had en in het weekend veel had geslapen, maar dat hij wel een aantal acties had opgepakt in het kader van zijn herplaatsing. Zo had hij zijn sollicitatiebrief voor de functie van Zorgregelaar opgesteld. Afgesproken werd dat [H] input op de brief zou geven en dat de brief daarna zou worden verstuurd. Voorts gaf [X] aan dat hij na het opstellen van deze brief door zijn energie heen was en daarom nog niet met de andere vacatures bezig was geweest. In het gesprek zijn ook de resultaten van de Persoonlijke lnzetbaarheidsscan die van [X] was gemaakt met [X] besproken. [X] heeft aangegeven tevens graag een loopbaancheck te willen doen en heeft verder aangegeven dat hij was gestart met de e-learning SENS en per 1 mei 2017 kon starten met zijn Wft-opleiding.

2.36.

Bij e-mail van diezelfde dag heeft [F] in reactie op de e-mail van [X] van 4 april 2017 aan [X] bericht dat tijdelijke functies korter dan 26 weken niet in het herplaatsingsonderzoek werden betrokken en dat Achmea nog bezig was met het in kaart brengen van de voor [X] passende functies van langer dan 26 weken. Voorts heeft hij aan [X] bericht dat [X] geen aanspraak kon maken op dezelfde voorrangspositie bij vacatures als ATC- en Zilverpoolkandidaten, omdat dit in strijd zou zijn met de afspraken die Achmea met de vakbonden heeft gemaakt over de voorrang van ATC- en Zilverpoolkandidaten, en dat in de beschikking van 22 maart 2017 niet is geoordeeld dat hij deze voorrangspositie zou moeten krijgen.

2.37.

In de daaropvolgende week heeft [X] geïnformeerd naar de vacature van Functioneel Beheerder in Zwolle en naar de functie van Functioneel Beheerder lbsen te Apeldoorn en gesolliciteerd op de tijdelijke functie van Medewerker Schadeservices te Leeuwarden. Achmea had [X] reeds als mogelijke kandidaat voor deze vacature geïntroduceerd bij de vacaturehouder.

2.38.

Op 19 april 2017 heeft een voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen [X] , [F] en [H] . [X] heeft in dat gesprek aangegeven dat hij was afgewezen voor de functie van Zorgregelaar, omdat hij weinig vragen stelde en er kandidaten waren met meer ervaring in de zorg. Daarop heeft [H] hem geadviseerd zich bij de volgende sollicitatie te verdiepen in de betreffende afdeling en vragen te noteren die hij in het gesprek wilde stellen. Voorts heeft [X] ten aanzien van de vacatures die door [H] aan hem waren toegestuurd, aangegeven dat hij louter administratieve functies niet zag zitten en dat hij functies voor onbepaalde tijd verkoos boven tijdelijke functies. Tot slot heeft [X] aangegeven dat hij de prioriteit gaf aan zijn Wft-opleiding en daarom zijn e-learning SENS beëindigde, omdat het hem anders teveel werd.

2.39.

Bij e-mail van 21 april 2017 heeft Focus Nederland, een bureau dat sollicitatietrainingen verzorgt, aan [H] bericht dat [X] tijdens de intake van de sollicitatietraining had aangegeven pas na 2 mei 2017 te willen starten met de sollicitatietraining, omdat hij op 2 mei 2017 voor onderzoek naar het ziekenhuis moest. [H] heeft daarop aan Focus Nederland bericht dat zo'n late start gelet op het herplaatsingstraject waar [X] in zat niet een optie was en Focus Nederland verzocht de training vóór 2 mei 2017 in te plannen. [X] is vervolgens op 24 april 2017 gestart met de sollicitatietraining.

2.40.

Op 24 april 2017 heeft het volgende voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen [X] , [F] en [H] . [X] heeft in dat gesprek aangegeven dat hij het zoeken naar een andere passende functie wilde beperken tot de locaties Leeuwarden en Zwolle, omdat hij de locaties Apeldoorn en Leusden niet haalbaar achtte. Daarop heeft Achmea aangegeven dat zij hem wel op de hoogte zou blijven houden van de vacatures op de locaties Apeldoorn en Leusden, zodat hij in elk geval zou weten wat daar de mogelijkheden waren. [X] heeft verder desgevraagd aangegeven dat hij had afgezien van het solliciteren op de functie van Medior/Senior IT Monitoring Specialist, omdat nachtdiensten bij die functie horen en hij nachtdiensten niet haalbaar achtte vanwege zijn medische klachten. Voorts heeft [X] aangegeven dat hij bij de vacaturehouder van de vacature van Polisbeheerder had geïnformeerd of het mogelijk was om het Wft-diploma te halen tijdens het werk. Dit was volgens de vacaturehouder niet mogelijk; het diploma moest behaald zijn vóór aanvang van de functie. [H] heeft [X] geadviseerd om zich alvast op te geven voor het examen voor de opleiding Wft Basis om een stok achter de deur te hebben en alvast de opleiding Wft Schade Particulier aan te vragen, zodat hij daar meteen na het behalen van het diploma Wft Basis mee zou kunnen starten. [X] heeft voorts desgevraagd aangegeven dat hij zich nog niet had ingeschreven voor de training LinkedIn voor beginners, omdat hij een lekke band had gehad en zijn energie daarna op was. Vervolgens heeft [X] zich met de hulp van [F] en [H] ter plekke ingeschreven voor deze training op 16 mei 2017.

2.41.

Op 10 mei 2017 heeft het volgende voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen [X] , [F] en [H] . In dat gesprek heeft [X] aangegeven dat hij veel lichamelijk ongemak ervoer van het vaatonderzoek dat hij op 2 maart 2017 had gehad en daarom weinig had gedaan in het kader van het herplaatsingstraject. Hij wilde in gesprek gaan met zijn advocaat over welke gevolgen dit voor zijn herplaatsingstraject kon hebben. Afgesproken werd dat hij een terugkoppeling zou geven aan [H] na zijn gesprek met zijn advocaat. Verder heeft [X] aangegeven dat hij was afgewezen voor de functie van Medewerker Schadeservices, omdat hij geen Wft-diploma had en er geschiktere kandidaten gesolliciteerd hadden. [H] heeft daarop aangegeven dat zij met de heer [I] , (hierna: [I] ), de betreffende vacaturehouder, had afgesproken dat hij een afspraak met [X] zou maken om wat meer te vertellen over de functie en de afdeling, zodat [X] kon bepalen of hij op deze functie wilde solliciteren bij een volgende vacature. [H] en [F] hebben er ook nogmaals bij [X] op aangedrongen dat hij zich alvast zou inschrijven voor het examen voor de opleiding Wft Basis. Tot slot heeft [H] vier nieuwe vacatures met [X] besproken. Ten aanzien van drie daarvan werd geconcludeerd dat [X] niet aan de daarin gestelde eisen voldeed en ten aanzien van de vierde vacature, een functie in Apeldoorn verband houdende met het zogenoemde Ibsen-project, heeft [X] aangegeven een sollicitatie te overwegen.

2.42.

Op 17 mei 2017 heeft het volgende voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen [X] , [F] en [H] . In dat gesprek heeft [X] aangegeven dat hij nog steeds veel pijn had als gevolg van het vaatonderzoek van 2 maart 2017. Omdat hij in verband met deze pijn pijnstillers slikte, waar hij volgens hem suf van werd, had hij niets gedaan in het kader van het herplaatsingstraject. [F] heeft daarop aangegeven dat [X] er, ondanks de door hem ervaren ongemakken, verstandig aan deed zijn acties in het kader van zijn herplaatsingstraject op te pakken, dat [X] altijd contact met hem mocht opnemen en dat hij graag bereid was [X] hierbij te helpen en mee te denken. [H] heeft vervolgens twee nieuwe vacatures met [X] besproken en daarbij aangegeven dat [X] weliswaar niet volledig voldeed aan de functie-eisen maar dat er wel wat aanknopingspunten waren waar [X] door middel van een gesprek met de

betreffende leidinggevenden over zou kunnen overleggen. [H] heeft [X] geadviseerd deze leidinggevenden te bellen en te overleggen en ook bij andere interessante vacatures direct initiatief te nemen naar de vacaturehouder toe.

2.43.

Op 25 mei 2017 heeft het volgende functioneringsgesprek plaatsgevonden tussen [X] , [F] en [G] . In dat gesprek heeft [X] aangegeven dat hij de openstaande acties in het kader van het herplaatsingstraject niet had opgepakt vanwege vermoeidheid en pijn. Voorts heeft hij aangegeven dat hij op 18 mei 2017 een goed gesprek had gehad met [I] en dat daaruit naar voren was gekomen dat het niet hebben van een Wft-diploma het enige struikelblok voor hem was voor het kunnen solliciteren op een functie op de afdeling Schadeservices. [G] heeft aangegeven dat de opdracht van de kantonrechter was dat de herplaatsingstermijn goed moest worden benut en dat zij van mening was dat [X] te weinig actie ondernam, net als tijdens het vorige herplaatsingstraject.

2.44.

Bij e-mail van 29 mei 2017 heeft [X] aan [F] verzocht om voor hem een afspraak te maken met de bedrijfsarts in verband met zijn medische klachten. Voorts heeft hij

[F] verzocht om de begeleiding te intensiveren, omdat hij zich moeilijk kon concentreren op zijn herplaatsingstraject en verwachtte dat dit alleen nog maar zou verslechteren. Ook heeft hij verzocht om het herplaatsingstraject op te schorten, zodat hij de mogelijkheid had om eerst zijn Wft-diploma’s te halen, omdat die in 99 van de 100 gevallen vereist zijn bij de functies binnen Achmea. Tot slot heeft hij nogmaals verzocht om een overzicht van alle voor hem passende functies.

2.45.

In reactie op deze e-mail heeft [F] bij e-mail van 1 juni 2017 aan [X] bericht dat een afspraak voor hem zou worden gemaakt bij de bedrijfsarts en dat hij er, totdat er een andersluidend bericht van de bedrijfsarts zou komen, vanuit ging dat [X] in staat kon worden geacht uitvoering te geven aan de afspraken die met hem werden gemaakt in het kader van het herplaatsingstraject. Hij heeft voorts aangegeven dat niet Achmea haar begeleiding diende te intensiveren maar dat [X] zijn inspanningen diende te intensiveren. Ook bestond er volgens hem geen aanleiding om het herplaatsingstraject te stoppen om [X] de kans te geven eerst zijn Wft-diploma's te behalen. Daarvoor had [X] volgens hem kans genoeg gehad, omdat hem reeds vóór het herplaatsingstraject al meerdere keren was aangegeven dat het voor zijn doorstroomkansen binnen en buiten Achmea beter was dat hij werk maakte van zijn Wft-diploma's. Tot slot heeft [F] aangegeven dat Achmea druk bezig was met het genereren van het door [X] gewenste overzicht van passende functies.

2.46.

Diezelfde dag heeft het volgende voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen [X] , [F] en [H] . In dat gesprek heeft [X] aangegeven dat hij van het UMCG het positieve nieuws had gekregen dat hij niet geopereerd hoefde te worden en dat hij zich na dit nieuws stukken beter voelde. [F] heeft benadrukt dat, nu [X] zich beter voelde, hij het behalen van Wft-diploma's bovenaan zijn prioriteitenlijst diende te zetten. [H] heeft [X] in het gesprek gewezen op de eerder door haar per e-mail aan hem verstuurde vacature van Zorgsoortspecialist en aangegeven bereid te zijn om contact op te nemen met de afdeling om een oriënterend gesprek voor [X] te regelen. Voorts werd afgesproken dat [H] contact op zou nemen met de afdeling Debiteurenbeheer om een oriënterend gesprek voor [X] te regelen en contact op zou nemen met een HR-adviseur van de locatie Zwolle om een oriënterend gesprek voor hem te regelen om de mogelijkheden voor hem op die locatie te bespreken.

2.47.

Bij e-mail van 5 juni 2017 heeft [F] - voor zover van belang - het volgende aan [X] bericht:


Onderstaande terugkoppeling heb ik van (…) [voornaam I] [I] gekregen naar aanleiding van je persoonlijk gesprek met hem:

Los van het feit dat ik een goed gesprek met [voornaam X] [ [X] ; toevoeging kantonrechter] heb gehad, zou ik [voornaam X] niet aannemen omdat hij:

- - niet beschikt over de (verplichte) WFT diploma's Basis en Schade particulier;

- - een duidelijke passie heeft voor ICT. De focus in zijn CV ligt ontzettend op ICT. Wij zoeken iemand die specifiek gaat voor klantcontactcenter, en dat bemerk ik niet uit [voornaam X] 's motivatie;

- - lang van stof is en veel informatie geeft. Naast Kwaliteit sturen wij op AHT (gesprekstijd). Ik verwacht dat dit hem niet gaat lukken.

2.48.

Op 6 juni 2017 heeft het volgende voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen [F] , [H] en [X] . [X] heeft in dit gesprek aangegeven dat hij wilde gaan solliciteren op de vacature van Zorgspecialist in Zwolle, waarop [H] heeft aangeboden naar zijn sollicitatiebrief te kijken. Voorts heeft [X] aangegeven dat hij in het weekend 10 pagina 's van zijn lesboek voor de opleiding Wft had gelezen en toen moe werd en is gaan slapen. [H] heeft hem daarop het advies gegeven om het leren af te wisselen met andere activiteiten. [X] heeft verder aangegeven dat hij geen vertrouwen had in de bedrijfsarts en hierover contact op zou nemen met zijn advocaat en dat hij graag de telefonische afwijzing van [I] op schrift wilde ontvangen, op basis van de harde functie-eisen. [F] heeft toegezegd hiervoor te zullen zorgen. Tot slot heeft [X] desgevraagd aangegeven vergeten te zijn de loopbaancheck bij het bedrijf Menskracht te doen maar dit alsnog te zullen gaan doen.

2.49.

Op 12 juni 2017 heeft [X] een bezoek gebracht aan de bedrijfsarts, de heer [naam bedrijfsarts 2] . In de terugkoppeling van de bedrijfsarts van dit bezoek staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

De volgende vraag werd mij gesteld door de werkgever: kan betrokkene - gelet op de klachten die hij ervaart - al dan niet in staat worden geacht herplaatsingsactiviteiten te verrichten?

Bevindingen:

(…) T.g.v. medische klachten vanaf begin mei is het mogelijk, dat hij enigszins beperkt is in het verrichten van herplaatsingsactiviteiten. Maar zelfs met deze beperkingen moet hij nu nog in staat worden geacht tot het verrichten van deze activiteiten van enige omvang.

2.50.

Bij e-mails van 13 juni 2017 heeft [H] [X] drie vacatures voor tijdelijke functies bij Achmea toegestuurd.

2.51.

Op 21 juni 2017 heeft het volgende voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen [X] , [H] en mevrouw [J] (hierna: [J] ), een collega van [F] .

[X] heeft in dat gesprek aangegeven dat hij in de tweede week van juni weinig had kunnen doen aan zijn herplaatsingsactiviteiten, omdat hij naar de bedrijfsarts, zijn advocaat en een crematie moest, maar dat hij in de periode daarna wel actief bezig was geweest. Zo

had hij de workshop Linkedln voor beginners gevolgd en zijn LinkedIn-profiel ingericht op zijn passie fotografie. Op de vraag van [H] waarom hij zijn profiel niet had ingericht in het kader van zijn herplaatsing heeft [X] geantwoord dat hij dat niet gedaan had, omdat het werk wat hij op dat moment deed niet wilde blijven doen, maar van zijn passie fotografie zijn beroep wilde maken. [X] heeft verder aangegeven dat hij de dag voor het gesprek op twee vacatures had gereageerd en had afgezien van het solliciteren op de functie van Zorgsoortspecialist, omdat hij de combinatie van het reizen naar Zwolle en een fulltime functie niet haalbaar achtte. Fulltime werken was wat hem betreft alleen mogelijk op de locatie Leeuwarden. Voorts heeft hij aangegeven dat hij gezien de drukte en de hitte weinig tot niets aan studie voor zijn Wft-opleiding gedaan had. [H] heeft daarop de suggestie gedaan om dan 's ochtends vroeg of later op de avond te leren, wanneer het wat koeler was, of buiten het huis te leren. Volgens [X] was het echter op die tijdstippen en buitenhuis nog steeds te warm om te leren. [H] heeft benadrukt dat een Wft-diploma essentieel was in het herplaatsingstraject en dat het mogelijk moest zijn om het Wft-diploma in enkele weken te halen. Voorts heeft [H] [X] erop aangesproken dat hij wederom vergeten was Menskracht te bellen voor een loopbaancheck. Tot slot is het Talentprofiel van [X] besproken dat tijdens de LinkedIn-workshop uit een test naar voren was gekomen.

2.52.

Op 28 juni 2017 heeft het volgende voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen [X] , [J] en [G] . [X] heeft aangegeven dat hij een interessante vacature had gezien voor de functie van Medewerker claimbehandeling regres en daarop ging solliciteren en dat hij met de vacaturehouder van de vacature van Medewerker Pensioenadministratie had gemaild. Voorts heeft hij aangegeven dat het oriënterend gesprek met de manager van de afdeling Debiteurenbeheer die middag stond gepland en dat hij nog geen tijd had gehad om het nummer van de HR-Manager in Zwolle te bellen dat [H] hem had gegeven voor het plannen van een oriënterend gesprek, maar dat hij dat die middag ging doen. Ook had hij contact gehad met Menskracht over de loopbaancheck en een proefexamen Wft gedaan, waarvoor hij was geslaagd. Hij heeft voorts aangegeven dat hij bij het DE-café gewerkt had en dat dat goed ging, omdat het niet zo warm was. [G] heeft vervolgens een overzicht overgelegd van vacatures in de maanden april t/m juni 2017 alsmede functies waarop mensen werkzaam waren die met pensioen gingen en functies van langer dan 26 weken waarop externen werkzaam waren. Zij heeft deze lijst met [X] besproken en uitgelegd waarom hij voor veel van deze functies niet in aanmerking kwam, omdat hij niet voldeed aan de daaraan gestelde opleidingseisen. Verder heeft [G] [X] erop gewezen dat het niet verstandig was, dat hij zijn LinkedIn-profiel had ingericht op zijn passie fotografie, omdat daaruit geen motivatie om bij Achmea te werken bleek. Volgens [X] zou hij deze motivatie wel uit kunnen leggen, indien hij werd uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek, maar zou hij kijken of hij een kleine aanpassing in zijn LinkedIn-profiel zou kunnen maken. Tot slot heeft [G] aangegeven dat het herplaatsingstraject was afgelopen en dat Achmea opnieuw een verzoek tot ontbinding zou indienen bij de kantonrechter.

2.53.

Bij e-mail van 29 juni 2017 heeft de manager van de afdeling Debiteurenbeheer
- voor zover van belang - het volgende aan [H] bericht over het oriënterend gesprek dat hij met [X] had gehad:

Daarnaast de openstaande/komende vacatures doorgenomen. (…) Uitkomst is dat zeker de eerste twee vacatures niet aansluiten bij de ‘bagage’ van [voornaam X] [ [X] ; toevoeging kantonrechter]. De opleidingen zijn te beperkt als mede ook gevraagde competenties gericht op verbinden, regie rol kunnen pakken, analytisch en zelf organiserend. (…) Betreffende het reguliere debiteuren beheer zijn we dieper op ingegaan. Aangegeven dat ik [voornaam X] dit niet zie doen. Tevens heb ik twijfel of qua verantwoordelijkheid en zelfstandigheid in het werk [voornaam X] de

belastbaarheid aan kan.

Als feedback heb ik hem terug geven dat ik vond dat hij slecht voorbereid was, geen verdieping had aangebracht in zijn vraagstukken en nauwelijks verdiepende vragen had richting mijn kant. Zijn reactie was dat hij zich voorgenomen had open in het gesprek te gaan zitten. Hierop aangegeven dat ik dit haaks vind staan op de zoektocht van hem richting een vervolgstap. In het gesprek kwam duidelijk naar voren dat zijn enthousiasme meer uitgaat naar een IT gerelateerde functie en iets met fotografie. Hierop hem gewezen dat Achmea met zijn opleidingsachtergrond hierin niets te bieden heeft en op het laatste punt hem gewezen zelf hiernaar op zoek te gaan binnen en of buiten Achmea (eigen kansen creëren).

2.54.

Bij e-mails van 11 juli, 18 juli, 27 juli, 2 augustus en 9 augustus 2017 heeft [F] vacante vacatures bij Achmea op de locaties Leeuwarden en Zwolle naar [X] verzonden.

2.55.

Voorts heeft [F] op 12 juli, 2 augustus en 9 augustus 2017 wederom voortgangsgesprekken met [X] gevoerd.

3 Het verzoek

3.1.

Achmea heeft de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst met [X] te ontbinden op grond van ongeschiktheid voor de bedongen werkzaamheden (artikel 7:669 lid 3, onderdeel d BW in verbinding met artikel 7:671b BW) met inachtneming van de wettelijke bepalingen omtrent regelmatige opzegging en de kantonrechter verzocht de transitievergoeding welke Achmea in geval van ontbinding aan [X] verschuldigd is, vast te stellen op € 12.114,59 bruto, kosten rechtens.

3.2.

Achmea heeft - zakelijk weergegeven - het volgende aan dit verzoek ten grondslag gelegd. Mede gelet op hetgeen de kantonrechter in de beschikking van 22 maart 2017 heeft overwogen, is voldoende komen vast te staan dat [X] ongeschikt is tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van hem, en dat Achmea hem hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en dat de ongeschiktheid niet het gevolg is van

onvoldoende zorg van Achmea voor scholing van [X] of voor de omstandigheden van [X] . Achmea heeft verder voldaan aan de herplaatsingsinspanningen zoals neergelegd in artikel 7:669 lid 1 BW jo artikel 9 en 10 van de Ontslagregeling. Zij heeft [X] actief begeleid, is initiërend te werk gegaan en heeft getracht waar mogelijk eventuele belemmeringen voor een nieuwe functie weg te nemen, in die zin dat het probleem van een niet direct aansluitend cv voor de vacature zou kunnen worden opgelost. Een passende functie is evenwel niet beschikbaar gebleken, zodat herplaatsing binnen de redelijke termijn niet mogelijk is. Voor zover herplaatsing binnen de redelijke termijn wel mogelijk wordt geacht, stelt Achmea zich op het standpunt dat herplaatsing niet in de rede ligt, nu [X] een andere functie dan die van Deskaccountmanager ambieert, ook een andere functie ambieert dan de functies die tijdens het herplaatsingstraject voorbij zijn gekomen en hij tijdens het herplaatsingstraject niet de moeite heeft genomen zich te scholen en een minimale inspanning aan de dag heeft gelegd.

3.3.

[X] heeft zich tegen het verzoek verweerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van Achmea in de proceskosten.

3.4.

[X] heeft - zakelijk weergegeven - het volgende ten verwere aangevoerd. Er is geen sprake van disfunctioneren van [X] . Uit de toelichting bij het Plan van Aanpak blijkt dat [X] volgens Achmea zou disfunctioneren op de A- en B-conversie, de NPS/AHT/ Pauze-score en zijn houding en gedrag. Van deze verbeterpunten ziet enkel het behalen van bepaalde NPS/AHT-percentages op de bedongen arbeid. In het Functieprofiel wordt namelijk niets gezegd over verkooptargets (A- en B-conversie) of over een gewenste houding of mentaliteit die de werknemer dient te hebben. [X] heeft zijn AHT/NPS scores gedurende het verbetertraject verbeterd, zodat niet langer gesteld kan worden dat hij disfunctioneert. Voorts kan niet worden aangenomen dat iemand ongeschikt is voor de bedongen arbeid, indien hij iets langer zou pauzeren dan toegestaan. Bovendien zijn met [X] afwijkende pauzeafspraken gemaakt en is in de beoordeling van het functioneren van [X] ten onrechte geen rekening gehouden met deze afspraken. Voorts is het gestelde disfunctioneren door Achmea gestoeld op de beoordeling over kalenderjaar 2014 en een gedeelte van 2015, hetgeen in strijd is met het beleid van Achmea om eerst na twee "4"-beoordelingen uit te gaan van disfunctioneren en een verbetertraject te starten.

Voorts heeft Achmea niet, althans niet tijdig, aan [X] meegedeeld dat hij zou disfunctioneren en heeft zij hem geen deugdelijk verbetertraject geboden. Zij heeft zich gedurende het verbetertraject zeer passief opgesteld en de feitelijke invulling van het verbetertraject aan [X] overgelaten. In strijd met de door partijen gemaakte afspraken heeft zij gedurende het verbetertraject geen vijftien voortgangsgesprekken maar slechts acht voortgangsgesprekken met [X] gevoerd. Tijdens die voortgangsgesprekken heeft Achmea zich beperkt tot het herhaaldelijk mededelen dat [X] zou disfunctioneren en geen training of scholing aangeboden om de prestaties van [X] te verbeteren. [X] moest zelf een Plan van Aanpak opstellen, zelf contact zoeken met Achmea als hij het Plan van Aanpak niet naleefde en zelf ervoor zorgen dat het Plan van Aanpak het beoogde effect had. Tot slot was gedurende het verbetertraject niet duidelijk of alle in het Plan van Aanpak gestelde doelen moesten worden gehaald. Aldus heeft Achmea zich niet als goed werkgever gedragen. Zij had zich hierin actiever op moeten stellen en [X] training en/of scholing moeten aanbieden ter verbetering van zijn functioneren.

Ook in het eerste en tweede herplaatsingstraject had Achmea zich actiever moeten opstellen. Uit de door Achmea overgelegde gespreksverslagen van de voortgangsgesprekken die tijdens het tweede herplaatsingstraject zijn gevoerd blijkt dat in de betreffende periode negentien passende functies voorhanden waren. Van Achmea had verwacht mogen worden dat zij gesprekken was aangegaan met de betreffende leidinggevenden en, waar nodig, de voor [X] aanwezige belemmeringen had weggenomen. Vast is komen te staan dat Achmea dit niet heeft gedaan. Ook heeft Achmea [X] bij interne vacatures ten onrechte niet dezelfde voorrangspositie gegeven als de ATC- en Zilverpoolkandidaten. Voorts treft Achmea een verwijt van het feit dat zij [X] tijdens het tweede herplaatsingstraject niet heeft geplaatst op de functie van functioneel beheerder Ibsen in Apeldoorn. Dat Achmea de mogelijkheid had om hem op die functie te plaatsen, blijkt uit het feit dat zij hem op 10 oktober 2016 heeft aangeboden om hem op die functie te plaatsen onder de voorwaarde dat hij een vaststellingsovereenkomst zou ondertekenen. Ook heeft Achmea onzorgvuldig gehandeld door [X] ten onrechte nooit het door hem gevraagde overzicht te verstrekken van functies waarop uitzendkrachten geplaatst zijn of waarin mensen werken met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die binnen 26 weken eindigt. Tot slot heeft Achmea niet voldaan aan haar scholingsplicht. Achmea had zich moeten inspannen om [X] te begeleiden in het studietraject van de Wft. Achmea heeft dit nagelaten, met als gevolg dat [X] niet de verplichte Wft-diplomering heeft kunnen behalen.

4 Het voorwaardelijk tegenverzoek

4.1.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, heeft [X] bij wijze van tegenverzoek - na vermindering van het tegenverzoek ter zitting - de kantonrechter verzocht Achmea te veroordelen tot:

a. betaling aan [X] van de transitievergoeding van € 12.734,94 bruto; welke direct opeisbaar is;

b. verstrekking aan [X] van een positief getuigschrift;

c. betaling van de kosten rechtens, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde, rekening houdende met het voorwerk dat gemachtigde in deze zaak heeft verricht, met bepaling dat deze kosten binnen zeven dagen na de in deze procedure te wijzen beschikking zullen worden voldaan, bij gebreke waarvan Achmea in verzuim is en de wettelijke rente over deze kosten is verschuldigd met ingang van de dag van verzuim, te vermeerderen met de eventuele nakosten en de wettelijke rente over die nakosten.

4.2.

Achmea heeft hiertegen verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van het voorwaardelijk tegenverzoek.

4.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in de zaak van het ontbindingsverzoek

5.1.

De kantonrechter stelt voorop dat gelet op artikel 284 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de wettelijke bewijsregels van overeenkomstige toepassing zijn op onderhavige procedure, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet (zie HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998). In dit geval verzet de aard van de zaak zich niet tegen toepassing van het bewijsrecht.

5.2.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld. De kantonrechter zal beoordelen of de in dit geval door Achmea aan het verzoek ten grondslag gelegde grond voldoende is om te komen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

5.3.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat geen sprake is van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of een vergelijkbaar opzegverbod.

5.4.

Achmea heeft haar verzoek gebaseerd op ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel d BW. Met betrekking tot deze grond geldt niet alleen dat sprake moet zijn van ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, maar tevens dat de werkgever de werknemer hiervan tijdig in kennis moet stellen en hem in voldoende mate in de gelegenheid moet stellen om zijn functioneren te verbeteren. De ongeschiktheid mag bovendien niet het gevolg zijn van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer.

5.5.

Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat, nu nog niet is beslist op het hoger beroep dat [X] heeft ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter van 22 maart 2017, waarin het eerste ontbindingsverzoek van Achmea is afgewezen, die beschikking nog geen gezag van gewijsde heeft. Dit betekent dat in onderhavige procedure zelfstandig dient te worden beoordeeld of de door Achmea naar voren gebrachte feiten en omstandigheden voldoende grond opleveren voor de gevraagde ontbinding op de d-grond. De kantonrechter overweegt ter zake als volgt.

5.6.

Anders dan [X] heeft betoogd, moeten naar het oordeel van de kantonrechter niet enkel de werkzaamheden die beschreven staan in het Functieprofiel, zoals weergegeven in r.o. 2.2, als de bedongen arbeid van [X] worden aangemerkt, maar ook en met name de werkzaamheden die omschreven staan in het Profiel, zoals weergegeven in r.o. 2.3. Achmea heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd dat het Functieprofiel een generiek profiel is dat op meerdere functies binnen Achmea van toepassing is, waarvoor de meer algemene paraplubenaming 'Medewerker Klantrelatie en Omgeving' wordt gehanteerd, en dat de functie van Desk Accountmanager één van die functies is. Ook heeft Achmea voldoende onderbouwd dat het Profiel specifiek ziet op de functie van Desk Accountmanager, zodat de daarin beschreven werkzaamheden de kernactiviteiten van de functie van Desk Accountmanager zijn. Hierbij laat de kantonrechter meewegen dat uit de overgelegde verslagen van functionerings- en voortgangsgesprekken over de periode 2014-2017 blijkt dat tussen partijen nimmer ter discussie heeft gestaan dat de werkzaamheden, zoals beschreven in het Profiel, de kernactiviteiten van de functie van [X] zijn. Bij de beoordeling van het functioneren van [X] gaat de kantonrechter dan ook uit van de werkzaamheden, zoals die zijn weergegeven in het Profiel.

5.7.

Achmea heeft gemotiveerd betwist dat in de beoordeling van het pauzepercentage van [X] ten onrechte geen rekening is gehouden met de pauzeafspraken die partijen hebben gemaakt. Zij heeft in dit verband gesteld dat het pauzepercentage niets van doen heeft met de extra pauzes die [X] op grond van de met hem gemaakte pauzeafspraken nam. Wanneer een medewerker inlogt op het telefoonsysteem van Achmea houdt dit systeem bij hoeveel tijd een medewerker besteedt aan telefoneren en niet-telefoneren. Op deze registratie wordt het pauzepercentage gebaseerd. Op het moment dat [X] met lunchpauze ging of gebruik maakte van zijn extra pauzes logde hij uit het systeem, net zoals ook de andere werknemers van Achmea uitloggen wanneer ze met lunchpauze gaan. Deze (lunch)pauzes tellen dus niet mee voor het pauzepercentage dat bij de beoordeling van het functioneren wordt meegewogen, want ze maken geen deel uit van de ingelogde werktijd, aldus nog steeds Achmea. De kantonrechter overweegt dat dit standpunt van Achmea steun vindt in het feit dat in het gespreksverslag van de beoordeling over 2015, geciteerd in r.o. 2.14, staat vermeld dat in het derde kwartaal van 2015 het pauzepercentage van [X] zijn beoordeling een punt omlaag trok, maar dat [X] in het vierde kwartaal van 2015 zijn pauzepercentage onder controle had. Nu aangevoerd noch gebleken is dat [X] in het vierde kwartaal van 2015 niet langer conform de gemaakte pauzeafspraken pauzeerde, volgt hieruit dat deze pauzes niet van invloed zijn op het gehanteerde pauzepercentage. [X] kan derhalve niet gevolgd worden in zijn verweer dat Achmea in de beoordeling van het pauzepercentage van [X] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de pauzeafspraken die partijen hebben gemaakt.

5.8.

[X] heeft voorts aangevoerd dat hij in het jaar 2014 op andere competenties is beoordeeld dan in het jaar 2015, waardoor volgens hem niet vast is komen te staan dat sprake is van disfunctioneren. Ook dit verweer strandt. Weliswaar zijn sommige competenties in de jaarbeoordeling over 2014 anders genoemd dan in het jaar 2015, maar de inhoud van de competenties waar [X] een 4 op heeft gescoord is niet gewijzigd. Zo is in beide jaren geoordeeld dat de A- en B-conversie van [X] onder de maat waren. Het verschil is slechts dat dit punt in het beoordelingsformulier over het jaar 2014 vermeld is in de beoordeling onder het subkopje 'Financiële waarde' en in het beoordelingsformulier over het jaar 2015 onder het subkopje 'Conversie per call'. Ook is in beide jaren geoordeeld dat [X] op NPS/AHT een onvoldoende scoorde, maar is dat in het beoordelingsformulier over het jaar 2014 vermeld in de beoordeling onder het subkopje 'Klantwaarde' en in het beoordelingsformulier over het jaar 2015 onder het subkopje 'NPS/AHT'.

5.9.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan [X] evenmin gevolgd worden in zijn verweer dat Achmea in strijd heeft gehandeld met haar eigen beleid door het functioneren van [X] reeds halverwege 2015 als disfunctioneren aan te merken en een verbetertraject te starten, terwijl toen nog geen sprake was van twee negatieve jaarbeoordelingen. Nu [X] dit standpunt enkel heeft onderbouwd met een verwijzing naar een beschikking van deze rechtbank van 15 februari 2017 in de procedure tussen Achmea en een (andere) werknemer van Achmea en Achmea gemotiveerd heeft betwist dat in die beschikking haar beleid juist is weergegeven, heeft [X] zijn standpunt in het licht van de betwisting van Achmea onvoldoende onderbouwd. Bovendien valt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom [X] zou zijn benadeeld door het volgens hem vroegtijdige starten van het verbetertraject. Voorts overweegt de kantonrechter dat, anders dan [X] heeft betoogd, de stelling van Achmea dat sprake is van disfunctioneren niet enkel is gebaseerd op de beoordeling over het jaar 2014 en een deel van het jaar 2015, maar op de beoordeling over beide (volledige) jaren alsmede op de beoordeling na afloop van het verbetertraject in mei/juni 2016. Pas in mei/juni 2016 is immers door Achmea geconcludeerd dat het [X] niet was gelukt zijn disfunctioneren te verbeteren. Vanaf dat moment was volgens Achmea sprake van disfunctioneren in de zin van artikel 7:669 lid 3, onderdeel d BW.

5.10.

Nog los van de onvoldoende score op NPS/AHT in de periode begin 2014 tot juni 2016 brengt naar het oordeel van de kantonrechter reeds het feit dat over de gehele periode van begin 2014 tot juni 2016 de A- en B-conversie van [X] onder de maat waren mee dat sprake is van ongeschiktheid van [X] voor de functie van Desk Accountmanager, nu het verkopen van verzekeringen blijkens het Profiel een wezenlijk onderdeel uitmaakt van die functie.

5.11.

Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of Achmea [X] voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om zijn functioneren te verbeteren. De kantonrechter overweegt ter zake als volgt.

5.12.

Niet in geschil is dat [X] sinds medio 2015 is gecoacht in het voeren van telefoongesprekken en het beter hanteren van verkooptechnieken. De door [X] aangevoerde omstandigheid dat ook de andere medewerkers van Achmea worden gecoacht, laat naar het oordeel van de kantonrechter onverlet dat de coaching van [X] tot doel had de punten in het functioneren van [X] die als onvoldoende waren beoordeeld, te verbeteren. Vervolgens is in november 2015 een Plan van Aanpak opgesteld, waarin concrete maatregelen zijn beschreven ter verbetering van het functioneren van [X] .

5.13.

Het verweer van [X] dat Achmea zich bij het opstellen en het uitvoeren van het Plan van Aanpak te passief heeft opgesteld en de opstelling van het Plan van Aanpak en de uitvoering daarvan geheel aan [X] heeft overgelaten, vindt geen steun in de feiten. Niet in geschil is dat Achmea [X] aanvankelijk had gevraagd om aan de hand van een door Achmea aangeleverd model een Plan van Aanpak op te stellen. Uit het verslag van het driegesprek van 10 november 2015 tussen [D] , [C] en [X] , zoals geciteerd in r.o. 2.12, blijkt dat [X] hierin vastliep en dat [D] , [C] en [X] vervolgens samen het Plan van Aanpak hebben opgesteld. Verder blijkt uit de overgelegde gesprekverslagen dat Achmea de voortgang van het verbetertraject heeft gemonitord, telkens heeft aangegeven waar nog verbetering nodig was, afspraken met [X] heeft gemaakt over hoe hij dit zou proberen te verbeteren en hierbij hulp heeft geboden onder meer in de vorm van coaching. Anders dan [X] heeft betoogd, zag het verbetertraject derhalve niet enkel op het registreren van het gestelde tekortschietende functioneren, maar ook op de verbetering daarvan. Verder rechtvaardigt het feit dat er minder gesprekken hebben plaatsgevonden over de voortgang van het Plan van Aanpak dan in november 2015 tussen partijen was afgesproken, anders dan [X] heeft aangevoerd, niet de conclusie dat Achmea onvoldoende aan de verbetering van het functioneren van [X] heeft gedaan. Zij heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gesprekken met hem gevoerd om te kunnen spreken van een volwaardige begeleiding. Daar komt nog bij dat niet alleen in de periode na november 2015 gewerkt is aan de verbetering van het functioneren van [X] , maar ook reeds in de periode daarvoor.

5.14.

Ook volgt de kantonrechter [X] niet in zijn standpunt dat voor partijen niet duidelijk was of [X] elk doel dat in het Plan van Aanpak was gesteld diende te halen, zodat het Plan van Aanpak reeds daarom onvoldoende duidelijkheid verschafte over wat partijen van elkaar konden verwachten. Blijkens het overgelegde verslag van het voortgangsgesprek van 13 april 2016, geciteerd in r.o. 2.18, heeft [X] aan [F] gevraagd of alle onderdelen van het Plan van Aanpak gehaald moesten worden. Toen heeft [F] aan [X] gevraagd wat de afspraak daarover met [D] was en heeft [X] aangegeven dat hij zich dit niet meer voor de geest kon halen. Daarop heeft [F] aangegeven dat zijn antwoord was dat binnen het Plan van Aanpak elk onderdeel gehaald moest worden en is afgesproken dat [F] dit zou uitzoeken en de week daarop met [X] zou bespreken. Aan [X] kan worden toegegeven dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat [F] deze terugkoppeling heeft verricht. Dit rechtvaardigt echter niet de conclusie dat voor [X] niet duidelijk was dat alle onderdelen van het Plan van Aanpak gehaald dienden te worden. [F] had immers als (voorlopig) antwoord gegeven dat alle doelen gehaald dienden worden. Omdat [F] hier nadien niet op is teruggekomen, diende [X] van dat antwoord uit te gaan. Uit de overgelegde stukken blijkt ook niet dat [X] [F] er nadien nog naar heeft gevraagd.

5.15.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat Achmea [X] voldoende begeleiding en ondersteuning heeft geboden bij het verbeteren van zijn functioneren, maar dat dit uiteindelijk niet het gewenste resultaat heeft gehad.

5.16.

Voorts overweegt de kantonrechter dat door [X] niet is aangevoerd noch anderszins is gebleken dat de ongeschiktheid van [X] voor zijn functie het gevolg is van ziekte of gebreken van [X] . Uit de verslagen van de voortgangsgesprekken komt wel het beeld naar voren dat [X] regelmatig vermoeidheidsproblemen ervaart, maar dat daarmee sprake zou zijn van een ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebreken is door [X] niet aangevoerd en volgt ook anderszins niet uit de stellingen over en weer.

5.17.

Dat de ongeschiktheid voor zijn functie het gevolg zou zijn van onvoldoende zorg voor scholing of gebrekkige arbeidsomstandigheden, is de kantonrechter evenmin gebleken. Uit het Plan van Aanpak volgt dat [X] ter verbetering van zijn verkooptechnieken mee ging luisteren met een verkooptopper, deelnam aan saleshuddles in het team en een coach en zijn teammanager liet meeluisteren met zijn gesprekken en daarop feedback van hen kreeg. [X] heeft niet toegelicht welke training of scholing hij daarnaast had kunnen en willen volgen om zijn functioneren te verbeteren.

5.18.

Naar het oordeel van de kantonrechter is [X] ook voldoende en tijdig door Achmea in kennis gesteld van zijn tekortschietende functioneren. In de e-mail van [X] aan [A] van 3 februari 2015, geciteerd in r.o. 2.8, heeft [X] aangegeven dat zijn manager tegen hem had gezegd dat, als hij niet aan de norm voldeed, hij een "4"-beoordeling kreeg en dan zijn baan kon verliezen. Hieruit blijkt dat [X] reeds begin 2015 wist dat hij met de door hem over het jaar 2014 gekregen "4"-beoordeling niet aan de norm voldeed en dat dit het verlies van zijn baan tot gevolg kon hebben.

5.19.

Het vorenstaande voert tot de slotsom dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel d, BW.

5.20.

De kantonrechter ziet voorts geen reden om te oordelen dat herplaatsing van [X] binnen een redelijke termijn nog mogelijk is. Daarbij is het volgende van belang.

5.21.

Nadat het eerste herplaatsingstraject dat heeft plaatsgevonden in de periode van eind augustus 2016 tot november 2016 door de kantonrechter in de beschikking van 22 maart 2017 als onvoldoende was beoordeeld, is Achmea eind maart 2017 met een tweede herplaatsingstraject gestart van drie maanden.

5.22.

Anders dan [X] heeft betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat

Achmea daarbij aan [X] niet dezelfde voorrangspositie heeft hoeven geven als aan de ATC- en Zilverpoolkandidaten. Het feit dat deze werknemers door een besluit van Achmea over de werkindeling en de beschikbaarheid van functies - een en ander dus geheel ongeacht de vraag naar het functioneren van deze werknemers - boventallig zijn geworden vormt een voldoende rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid tussen hen en [X] , een werknemer wiens functie nog wél beschikbaar is, maar die deze functie niet meer kan vervullen wegens ongeschiktheid voor die functie.

5.23.

[X] is tijdens het herplaatsingstraject vrijgesteld van werk om zich volledig te kunnen focussen op zijn zoektocht naar een andere functie en op het volgen van de opleidingen en trainingen die daarvoor wenselijk of vereist waren. Ook heeft Achmea deze opleidingen en trainingen, zoals de opleiding Wft Basis, de e-learning SENS en de training LinkedIn voor beginners voor [X] betaald. Bovendien blijkt uit de overgelegde verslagen van de voortgangsgesprekken die tijdens het herplaatsingstraject hebben plaatsgevonden dat Achmea [X] ook anderszins heeft gefaciliteerd, onder meer door hem voorafgaand aan zijn sollicitatie op de tijdelijke functie van Medewerker Schadeservices als mogelijke kandidaat voor deze vacature te introduceren bij de vacaturehouder, door aan te bieden een oriënterend gesprek voor hem te regelen met de vacaturehouder van de vacature Zorgsoortspecialist en een oriënterend gesprek voor hem te regelen met de manager van de afdeling Debiteurenbeheer en hem in contact te brengen met een HR-adviseur van de locatie Zwolle om de mogelijkheden voor [X] op die locatie te bespreken. Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat [X] door Achmea telkens is gewezen op beschikbare mogelijk passende vacatures, dat met hem besproken is welke acties hij ter zake van de vacatures zou kunnen ondernemen, dat hem feedback gegeven is (onder meer) over zijn sollicitaties en dat hij (keer op keer) is gestimuleerd om zijn Wft Basis diploma te halen, teneinde zijn kansen op een passende functie binnen Achmea te vergroten.

5.24.

Daar staat tegenover dat [X] zich blijkens de overgelegde stukken in het hele herplaatsingstraject passief heeft opgesteld. Zo heeft hij in mei 2017 vier weken van het herplaatsingstraject bijna volledig onbenut gelaten en heeft hij geen examen gedaan voor het diploma Wft Basis. Dit terwijl Achmea onbestreden heeft gesteld dat dit diploma binnen enkele weken gehaald kan worden en [X] er ook van bewust was dat dit diploma zijn kansen op een passende functie binnen Achmea aanzienlijk zou kunnen vergroten. Voorts bleef hij zijn focus voornamelijk richten op de IT en fotografie door bijvoorbeeld zijn LinkedIn-profiel in te richten op zijn passie fotografie, terwijl hem duidelijk is gemaakt dat dit zijn kans op het vinden van een passende functie binnen Achmea sterk zou verkleinen. Ook bereidde hij zich volgens zijn gesprekspartners niet goed voor op sollicitatie- en oriëntatiegesprekken en liet hij volgens hen in die gesprekken blijken dat zijn voorkeur meer uitging naar een IT gerelateerde functie en de fotografie. [X] heeft weliswaar betwist dat hij in de gesprekken van een zodanige voorkeur liet blijken maar de kantonrechter ziet, gelet op de terugkoppeling van [I] (zie r.o. 2.47) en op het feit dat [X] zijn LinkedIn profiel ook had ingericht op zijn passie fotografie, geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Tot slot heeft [X] gaandeweg het herplaatsingstraject de locaties van Achmea waarover de zoektocht naar passende functies zich uitstrekte steeds meer beperkt en de zoektocht naar functies op andere locaties dan de locatie Leeuwarden beperkt tot parttime-functies, waardoor hij gaandeweg het herplaatsingstraject de kans op succes steeds verder omlaag bracht.

5.25.

De kantonrechter volgt [X] niet in zijn standpunt dat hij tijdens het herplaatsingstraject door medische klachten zodanig was beperkt dat hij niet meer herplaatsingsactiviteiten kon verrichten dan hij heeft gedaan. De bedrijfsarts die [X] op 12 juni 2017 heeft onderzocht heeft in zijn terugkoppeling van dit bezoek aangegeven dat het mogelijk was dat [X] ten gevolge van medische klachten vanaf begin mei 2017 enigszins beperkt was in het verrichten van herplaatsingsactiviteiten, maar dat hij zelfs met deze beperkingen nog in staat moest worden geacht tot het verrichten van deze activiteiten van enige omvang. De door [X] verrichte herplaatsingsactiviteiten kunnen naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gekwalificeerd als activiteiten van enige omvang in vorenbedoelde zin, in het bijzonder niet in de periode van eind april 2017 tot eind mei 2017. Voor zover [X] zich op het standpunt stelt dat hij door medische klachten meer beperkt was dan in de terugkoppeling van de bedrijfsarts is aangegeven, heeft hij dit standpunt onvoldoende onderbouwd met medische stukken.

5.26.

[X] heeft voorts aangevoerd dat hij ten onrechte is afgewezen voor interne vacatures op grond van het ontbreken van een geldig Wft-diploma. Volgens hem had Achmea hierin pro-actief te werk moeten gaan en met de betreffende vacaturehouders afspraken moeten maken over zijn Wft-diploma, zoals een proefplaatsing met daarbij de afspraak dat [X] gedurende de proefplaatsing zijn Wft-diploma zou halen. Naar het oordeel van de kantonrechter voert het echter te ver om van Achmea te verlangen dat zij [X] zou plaatsen op een functie, waarin hij op grond van de Wft niet mocht werken zonder Wft-diploma, terwijl onduidelijk was op welke termijn [X] het diploma zou gaan halen, nu dit hem in het drie maanden durende herplaatsingstraject ook niet is gelukt. Ook heeft Achmea [X] niet meer hoeven begeleiden bij het leren voor zijn Wft-diploma. Van Achmea kan niet worden verlangd dat zij [X] als het ware bij de hand zou nemen bij het leren voor het Wft diploma. Hoewel op Achmea de verplichting rust om zich ervoor in te spannen dat [X] , al dan niet met behulp van (bij)scholing, elders in de organisatie van Achmea een andere passende functie kon gaan vervullen, komt [X] op dit punt namelijk ook enige eigen verantwoordelijkheid toe. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [X] die onvoldoende genomen.

5.27.

Voorts overweegt de kantonrechter dat het verweer van [X] , dat hij nooit het door hem gevraagde overzicht van functies waar uitzendkrachten of tijdelijke werknemers op werkzaam zijn van Achmea heeft ontvangen, geen steun vindt in de feiten. Uit het verslag van het voortgangsgesprek van 28 juni 2017 blijkt dat dit overzicht aan [X] is verstrekt en besproken. Ook is het overzicht als productie 79 bij het verzoekschrift overgelegd. In het overzicht zijn tevens alle overige mogelijk passende functies opgenomen die in de herplaatsingsperiode beschikbaar zijn gekomen. Achmea heeft onbestreden gesteld dat ten aanzien van alle functies die in het overzicht zijn vermeld geldt dat het functies betreft, waar [X] reeds op heeft gesolliciteerd en voor is afgewezen, of waar [X] niet op wilde solliciteren, of die niet voldoen aan de eisen die [X] aan een passende functie heeft gesteld, of waar een Wft-diploma voor is vereist dat [X] niet heeft of waar andere eisen aan worden gesteld waar [X] niet aan voldoet en kan voldoen. [X] heeft onvoldoende onderbouwd dat er naast deze functies nog andere functies binnen Achmea beschikbaar zijn of in de herplaatsingsperiode beschikbaar waren die als passend kunnen worden aangemerkt.

5.28.

Het verwijt dat [X] Achmea in dit verband maakt dat Achmea hem ten onrechte niet op de functie van Functioneel Beheerder Ibsen in Apeldoorn heeft geplaatst, acht de kantonrechter niet terecht. Dit verweer miskent dat de inspanningsverplichting van Achmea om [X] te herplaatsen niet zo ver gaat dat Achmea [X] met voorbijgaan aan andere kandidaten op openvallende functies dient te plaatsen zonder dat hij op de functies hoeft te solliciteren. Uit de stukken blijkt dat Achmea [X] heeft gewezen op de vacature voor de functie van Functioneel Beheerder Ibsen en dat [X] niet op de functie heeft gesolliciteerd. Gelet hierop treft Achmea geen verwijt van het feit dat [X] deze functie niet heeft gekregen

5.29.

Tot slot heeft [X] aangevoerd dat Achmea op voorhand al had bepaald wat de uitkomst van het tweede herplaatsingstraject zou zijn, namelijk dat [X] niet herplaatst kon worden en dat [X] daarom bij voorbaat al kansloos was. Ter adstructie van dit verweer heeft hij gewezen op het feit dat mr. Bonnema voorafgaand aan het herplaatsingstraject in zijn e-mail van 24 maart 2017 aan mr. Savelsbergh heeft bericht dat hij opdracht had gekregen om een maand voor afloop van het herplaatsingstraject (en vooruitlopend op de uitkomst daarvan) een nieuw ontbindingsverzoek in te dienen.

5.30.

Ter zitting heeft mr. Bonnema aangegeven dat Achmea met deze e-mail niet heeft willen aangegeven dat het herplaatsingstraject niks zou worden maar dat zij, als het herplaatsingstraject niks zou worden, een ontbindingsverzoek zou indienen. Voorts heeft hij erop gewezen dat, in tegenstelling tot wat in deze e-mail is aangegeven, Achmea niet reeds een maand voor de afloop van het herplaatsingstraject een ontbindingsverzoek heeft ingediend, maar eerst twee weken na afloop daarvan.

5.31.

De kantonrechter is van oordeel dat gelet op de inspanningen die Achmea zich blijkens de overgelegde stukken heeft getroost om [X] te herplaatsen en gelet op het feit dat zij eerst twee weken na het einde van de herplaatsingsperiode een ontbindingsverzoek heeft ingediend, de inhoud van voormelde e-mail van mr. Bonnema onvoldoende is voor het oordeel dat Achmea op voorhand al had bepaald wat de uitkomst van het tweede herplaatsingstraject zou zijn.

5.32.

Het vorenstaande voert tot de slotsom dat Achmea voldoende heeft onderbouwd dat herplaatsing van [X] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. De arbeidsovereenkomst zal derhalve op grond van ongeschiktheid van [X] tot het verrichten van de bedongen arbeid worden ontbonden met ingang van 1 december 2017, zijnde de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van de onderhavige procedure, waarbij een termijn van ten minste een maand resteert.

5.33.

Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden en er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, heeft [X] recht op een transitievergoeding. Achmea heeft verzocht de transitievergoeding vast te stellen op € 12.114,59 bruto. Bij de bepaling van de hoogte van de transitievergoeding gaat de kantonrechter uit van het bruto maandsalaris dat Achmea in haar berekening van de transitievergoeding heeft gehanteerd ad € 2.969,26 in plaats van het (lagere) bruto maandsalaris dat [X] in zijn berekening van de transitievergoeding heeft gehanteerd, nu Achmea het door haar gehanteerde maandsalaris voldoende heeft onderbouwd en [X] geen bezwaar heeft gemaakt tegen hantering van dit maandsalaris. Uitgaande van dit maandsalaris bedraagt de transitievergoeding per 1 december 2017

(20 halve dienstjaren x 1/6 + 4 halve dienstjaren x ¼ x € 2.969,26 =) € 12.866,79 bruto. Nu door de kantonrechter de ontbindingsdatum 1 december 2017 wordt gehanteerd, komt de transitievergoeding uit op een hoger bedrag dan de transitievergoeding die door Achmea was becijferd. Achmea is in haar becijfering immers uitgegaan van 1 september 2017 als ontbindingsdatum. Ook komt de transitievergoeding uit op een hoger bedrag dan door [X] is becijferd, nu [X] in zijn berekening is uitgegaan van een lager bruto maandsalaris. Gelet op het tegenverzoek van [X] om Achmea te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, welk verzoek zoals hierna zal worden overwogen (deels) toewijsbaar is, zal de kantonrechter het verzoek van Achmea om de transitievergoeding vast te stellen afwijzen, nu een veroordeling tot betaling van een transitievergoeding de vaststelling van die vergoeding impliceert, zodat Achmea er geen belang bij heeft dat in een apart dictum de transitievergoeding wordt vastgesteld.

5.34.

[X] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van Achmea worden vastgesteld op:

griffierecht € 117,00;

salaris gemachtigde € 800,00;

totaal € 917,00

in de zaak van het tegenverzoek

5.35.

Nu de voorwaarde waaronder het voorwaardelijk tegenverzoek is ingediend, is vervuld, komt de kantonrechter toe aan beoordeling van dit verzoek.

5.36.

Ten aanzien van het verzoek om Achmea te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 12.734,94 bruto, welke direct opeisbaar is, overweegt de kantonrechter dat, zoals hiervoor is overwogen, de door Achmea aan [X] verschuldigde transitievergoeding niet € 12.734,94 maar € 12.866,79 bedraagt, met welke berekening partijen zich ter zitting akkoord hebben verklaard. Voorts is, anders dan [X] kennelijk meent, de transitievergoeding niet direct vanaf de datum van deze beschikking opeisbaar, maar pas nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, derhalve na 30 november 2017. Het verzoek zal dus in zoverre worden toegewezen dat Achmea zal worden veroordeeld om per 1 december 2017 aan [X] de transitievergoeding ad € 12.866,79 bruto te betalen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat ingevolge 7:686a lid 1 BW Achmea pas wettelijke rente verschuldigd is over de transitievergoeding vanaf één maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.37.

Het verzoek om aan [X] een positief getuigschrift te verstrekken is niet toewijsbaar. Op grond van artikel 7:656 BW is Achmea verplicht om bij het einde van de arbeidsovereenkomst [X] op diens verzoek een getuigschrift uit te reiken en gesteld noch gebleken is dat [X] een dergelijk verzoek reeds heeft gedaan of dat Achmea desverzocht en dergelijk getuigschrift niet zou willen verstrekken. Voor het verstrekken van een positief getuigschrift bestaat geen wettelijke grondslag. Los daarvan ziet de kantonrechter ook geen aanleiding voor het verstrekken van een positief getuigschrift gezien het disfunctioneren van [X] .

5.38.

Omtrent de verzochte veroordeling van Achmea in de proceskosten overweegt de kantonrechter als volgt. Ten aanzien van het tegenverzoek dat deels wordt toegewezen, te weten het verzoek om Achmea te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, heeft Achmea geen verweer gevoerd. Integendeel, in het kader van het debat dat in de zaak van het ontbindingsverzoek over de transitievergoeding is gevoerd, heeft Achmea zelfs een hoger bruto maandsalaris in haar berekening van de transitievergoeding tot uitgangspunt genomen dan het door [X] gehanteerde bruto maandsalaris. Het andere tegenverzoek om Achmea te veroordelen tot het verstrekken van een positief getuigschrift zal worden afgewezen. Gelet hierop kan niet geoordeeld worden dat Achmea in de zaak van het tegenverzoek als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij is te beschouwen, maar dient [X] als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij te worden beschouwd. Gelet op de geringe omvang van het processuele debat in het tegenverzoek stelt de kantonrechter de proceskosten aan de zijde van Achmea vast op nihil.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2017;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

veroordeelt [X] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Achmea vastgesteld op € 917,00;

6.4.

wijst af het meer of anders verzochte;

in de zaak van het tegenverzoek

6.5.

veroordeelt Achmea om per 1 december 2017 aan [X] de transitievergoeding ad € 12.866,79 bruto, te betalen;

6.6.

veroordeelt [X] in de proceskosten aan de zijde van Achmea tot op heden vastgesteld op nihil;

6.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017 door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c: 542