Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4005

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
18/730347-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf voor twee inbraken, twee diefstallen, een mishandeling en een vernieling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730347-16

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/730556-16, 18/730256-17 en 18/730214-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 oktober 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 oktober 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd

in de zaak met parketnummer 18/730347-16 dat:

hij op of omstreeks 24 juni 2015 te [pleegplaats] , gemeente Dongeradeel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [straatnaam] heeft weggenomen een of meer airsoftwapen(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

medeverdachte [medeverdachte 1] en/of medeverdachte [medeverdachte 2] op of omstreeks 24 juni 2015 te [pleegplaats] , gemeente Dongeradeel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [straatnaam] heeft weggenomen een of meer airsoftwapen(s) , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij die [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 24 juni 2015 te [pleegplaats] , gemeente Dongeradeel, en/of Leeuwarden en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te informeren over de vindplaats en/of aanwezigheid van de/het airsoftwapen(s) en/of door nabij de voernoemde woning uit de auto te stappen en/of (vervolgens) naar de woning te lopen en/of het raam uit de (achter)deur te tikken en/of door de woning binnen te treden en/of door de/het airsoftwapen(s) uit de woning te halen;

in de zaak met parketnummer 18/730556-16 dat:

1.

hij op of omstreeks 30 april 2016 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een televisie (merk Sony Bravia), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal,

- die [slachtoffer 2] in het gezicht, althans tegen het lichaam, heeft geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt en/of

- een brandende sigaret op de arm/hand van die [slachtoffer 2] heeft uitgedrukt en/of

- met een mes, althans een scherp voorwerp, stekende bewegingen in de richting van die [slachtoffer 2] heeft gemaakt en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] zou (laten) vermoorden, althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 30 april 2016 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een televisie (merk Sony Bravia), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

en/of

hij op of omstreeks 30 april 2016 te Leeuwarden [slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze meermalen, althans eenmaal,

- in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan/stompen en/of

- tegen het lichaam te schoppen/trappen en/of

- een brandende sigaret op de arm/hand van die [slachtoffer 2] uit te drukken;

2.

hij op of omstreeks 17 september 2016 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer sixpack(s) bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [naam bedrijf 1] (gelegen aan de [straatnaam] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 20 oktober 2016 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer blik(ken) tonijn, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [naam bedrijf 2] (gelegen aan het [straatnaam] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

in de zaak met parketnummer 18/730256-17 dat:

hij op of omstreeks 25 juni 2017 te Leeuwarden (in een woning, gelegen aan of bij de [straatnaam] [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] (met kracht) met een arm rond de nek/hals vast te pakken en/of vast te houden;

en in de zaak met parketnummer 18/730214-17 dat:

1.

hij op of omstreeks 8 juli 2017 te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/vanaf een zeilboot, genaamd " [naam] " heeft weggenomen een buitenboordmotor en/of een benzinetank en/of een laptop en/of geld (ongeveer 80 euro) en/of een dagvaarding ten name van [slachtoffer 4] , althans (een of meerdere) papieren/formulieren/drukwerk (ten name van [slachtoffer 4] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen voernoemde goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 8 juli 2017 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere onderdelen van een keukenblok en/of een deel van de inboedel en/of de reling van een zeilboot, genaamd " [naam] ", en/of een of meerdere ander(e) goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting vrijspraak gevorderd van het in de zaak met parketnummer 18/730214-17 onder 2. ten laste gelegde, omdat uit het dossier niet blijkt dat verdachte goederen heeft vernield en het wegmaken van goederen niet ten laste is gelegd.

Voorts heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18/730347-16 primair ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 1. primair, 1. subsidiair (voor wat betreft het schoppen tegen het lichaam), 2. en 3. ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 18/730256-17 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/730214-17 onder 1. ten laste gelegde.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 1. primair ten laste gelegde heeft hij daartoe aangevoerd dat [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) getuige is geweest van het slaan van de aangever door verdachte en het wegnemen van de televisie door verdachte en dat [getuige 1] daar een duidelijke verklaring over heeft afgelegd. Uit het dossier blijkt dat de periode waarin verdachte de aangever in het gezicht heeft geslagen of gestompt meer dan een half uur heeft geduurd, en dat het geweld eerst te maken had met een tatoeëermachine en daarna was gericht op het wegnemen van de televisie. Daarom was volgens de officier van justitie sprake van een diefstal voorafgegaan door geweld, gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte een sigaret heeft uitgedrukt op de arm of hand van de aangever, noch dat hij aangever met woorden en een mes heeft bedreigd. Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 1. subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat dit op grond van de verklaring van [getuige 1] kan worden bewezen voor zover dit het schoppen of trappen tegen het lichaam betreft.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730214-17 onder 1. ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte een buitenboordmotor, een benzinetank en geld heeft weggenomen, omdat dit niet uit het dossier blijkt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18/730347-16 primair ten laste gelegde, omdat eerder sprake is van medeplichtigheid dan van medeplegen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niets van de inbraak weet. Ook indien wordt uitgegaan van de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd, blijkt daaruit volgens de raadsman alleen dat verdachte mee is geweest in de auto. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte mee naar binnen is geweest in de woning. Verdachte heeft hooguit een rol gehad in de voorbereiding doordat hij, volgens de medeverdachten, informatie heeft verstrekt. Er was geen sprake van een intensieve samenwerking, verdachte had geen rol in de uitvoering en hij heeft zich gedistantieerd door niet mee naar binnen te gaan, aldus de raadsman.

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde omdat niet kan worden bewezen dat verdachte de aangever heeft mishandeld en bedreigd en de televisie heeft weggenomen. Verdachte heeft namelijk ontkend dat hij de aangever heeft mishandeld. De verklaringen van de aangever en [getuige 1] komen niet met elkaar overeen en getuige [getuige 2] heeft geen verklaring willen afleggen. Voorts correspondeert het geweld, dat verdachte volgens de aangever op hem zou hebben uitgeoefend, niet met het bij de aangever aangetroffen letsel. Verdachte heeft ook ontkend dat hij de televisie heeft weggenomen en de televisie is niet bij verdachte aangetroffen. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat niet kan worden bewezen dat er een verband bestaat tussen het door de aangever beschreven geweld en de diefstal van de televisie.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 2. ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 3. ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk had om zich de blikjes tonijn wederrechtelijk toe te eigenen. Verdachte heeft immers de blikjes tonijn niet weggestopt, hij heeft alles ter betaling aangeboden en hij werd al aangehouden voordat hij de kans had gehad om de blikjes tonijn af te rekenen.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18/730256-17 ten laste gelegde. Verdachte ontkent immers dat hij de aangeefster heeft mishandeld en er is, behalve de verklaring van aangeefster, geen bewijs dat hij dit wel heeft gedaan. Volgens de raadsman blijkt uit de foto's van het letsel van de aangeefster niet overduidelijk dat zij stevig bij de keel is vastgepakt. Daarbij komt dat niet door een onafhankelijk arts is vastgesteld dat het letsel van de aangeefster past bij hetgeen zij heeft verklaard.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18/730214-17 onder 1. en 2. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte ontkent dat hij de diefstal en de vernieling heeft gepleegd. Op basis van de foto's in het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte de persoon is die daarop is afgebeeld, omdat deze foto's van een te grote afstand zijn genomen. Het is opmerkelijk dat de tweede laptop en het geldbedrag, die volgens de aangever zijn weggenomen, nergens zijn aangetroffen. Ook de buitenboordmotor, waar de man op de foto's mee bezig is, is niet aangetroffen, hoewel is gedregd in de omgeving van de boot. Dit laat de mogelijkheid open dat de man op de foto's iemand anders is dan verdachte en dat die persoon de buitenboordmotor, de tweede laptop en het geld heeft meegenomen. Er is een laptop aangetroffen en op die laptop is bloed aangetroffen dat afkomstig is van verdachte. Uit het dossier blijkt echter niet dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding een wondje had, waaruit dit bloed afkomstig zou kunnen zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij eerder wel eens op de boot van de aangever is geweest in verband met een verhuizing. De aangever heeft niet verklaard dat verdachte nooit op zijn boot is geweest. Het is mogelijk dat verdachte een wondje heeft opgelopen tijdens de verhuizing en dat daardoor bloed op de laptop is gekomen. Bij verdachte zijn papieren van de aangever aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij deze papieren tijdens de verhuizing kennelijk heeft vermengd met zijn eigen papieren. Gelet op het voorgaande is er te veel ruimte voor twijfel. Uit het dossier blijkt ook niet dat verdachte de in de tenlastelegging vermelde goederen heeft vernield.

Oordeel van de rechtbank

In de zaak met parketnummer 18/730347-16 past de rechtbank de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1.1.

De door verdachte op de terechtzitting van 5 oktober 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik weet dat [slachtoffer 1] in [pleegplaats] woont. Ik ben wel eens bij hem in zijn woning geweest. Hij heeft mij toen een wapen getoond. Ik ken [medeverdachte 1] .

1.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 juni 2016, opgenomen op pagina 125 en verder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2015181738 d.d. 17 juli 2016, inhoudende als verklaring van verdachte:

[slachtoffer 1] heeft luchtwapens. Ik heb die wapens gezien in de woning te [pleegplaats] . We zaten op een avond in de woning van [medeverdachte 2] . In de woning van [medeverdachte 2] werd gesproken over [slachtoffer 1] en dat er wapens lagen in zijn woning. Toen werd besproken om naar de woning van [slachtoffer 1] te gaan om daar de wapens weg te halen. We gingen uiteindelijk met z'n vieren weg in de auto. [medeverdachte 1] bestuurde de auto. [naam] zat rechts voorin. Ik zat rechts achterin en links achterin naast mij zat [medeverdachte 2] . We reden naar dat vissersdorpje boven Dokkum. [slachtoffer 1] had daar een kleine eengezinswoning. De auto werd vlak voor de deur van [slachtoffer 1] neergezet en even later werd de auto in een zijstraatje, een doodlopende weg geparkeerd. [medeverdachte 2] ging naar de woning en brak een deur open. Ik ben wel uit de auto geweest en ik ben ook bij de woning geweest maar ik ben niet binnen geweest. Het was [medeverdachte 2] die naar binnen ging. Ik zag dat [medeverdachte 2] later met die twee wapens aan kwam lopen en deze in de auto legde. We reden terug naar Leeuwarden met de wapens in de auto.

1.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juni 2015, opgenomen op pagina 9 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 25 juni kwam ik bij mijn woning aan de [straatnaam] te [pleegplaats] , gemeente Dongeradeel. Ik ben drie dagen bij mijn vriendin geweest. Ik ben op 23 juni in de middag nog bij mijn woning geweest. Alles was toen nog in orde. Nadat ik via de voordeur de woonkamer binnenkwam, zag ik dat van de achterdeur het thermopane ruit stuk was. Ik zag dat er een groot gat in het ruit zat. Ik zag dat er diverse beschadigingen zaten op het kozijn en de voordeur. Ik zag dat de beschadigingen ter hoogte van de deurkruk zaten. Ook zag ik dat van de achterdeur het houtwerk beschadigd was. In de woonkamer zag ik dat een deur van een opbergruimte van het dressoir open stond. Ik weet dat ik in die opbergruimte twee airsoftwapens had liggen. Ik zag dat beide airsoftwapens niet meer in de opbergruimte lagen. Ik kan u vertellen dat drie personen konden weten dat ik airsoftwapens in mijn woning had liggen, onder wie [verdachte] . [verdachte] heeft vorige week gezien dat de wapens in de opbergruimte van het dressoir lagen.

1.4.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 26 juni 2015, opgenomen op pagina 13 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

Op 24 juni 2015, omstreeks 06:30 uur, stond ik buiten te wachten ter hoogte van mijn garage. De garage komt uit op de [straatnaam] te [pleegplaats] . Het viel mij op dat op het fietspad aan het einde van de [straatnaam] een mij onbekende zilvergrijze Volkswagen stond geparkeerd. Ineens zag ik twee mij onbekende manspersonen bij de seniorenwoningen vandaan komen. Ik zag dat zij naar de auto liepen. Ik zag dat toen zij bij de auto waren, er iemand uit de auto stapte vanaf de bestuurdersplaats. Ik zag dat er geen kenteken op de auto zat.

1.5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 7 juni 2016, opgenomen op pagina 77 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :

[verdachte] kwam met het idee om in te breken bij [slachtoffer 1] in [pleegplaats] . [verdachte] wist waar [slachtoffer 1] woonde en dat [slachtoffer 1] wapens in huis had. [verdachte] , [medeverdachte 2] , [naam] en ikzelf zijn toen in een grijze Polo naar [pleegplaats] gereden. Ik bestuurde de auto. Ik parkeerde de auto in het dorp. Ik ben daar in de auto achter het stuur blijven zitten. [naam] bleef ook in de auto zitten. [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn toen lopend weggegaan. Zij kwamen eerst nog een keer terug bij de auto omdat het kennelijk niet lukte om in die woning van [slachtoffer 1] binnen te komen. Daarna zij [medeverdachte 2] en [verdachte] weer naar die woning gegaan en kort daarna hoorde ik glasgerinkel en weer korte tijd later kwamen [medeverdachte 2] en [verdachte] weer bij de auto en hadden ze twee wapens bij zich. Dit waren airsoftwapens. Vervolgens zijn we met z'n vieren teruggereden naar Leeuwarden.

1.6.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 7 juni 2016, opgenomen op pagina 94 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] :

Ik weet nog dat ik op enig moment bij [medeverdachte 2] in huis was. De volgende personen waren aanwezig: ikzelf, [medeverdachte 1] , [verdachte] en mijn broer [naam] . Het is vrij lang geleden en ik weet de datum niet meer, maar wanneer u zegt dat dit in juni vorig jaar was, zou dit kunnen. [verdachte] kwam met het idee om in te breken bij [slachtoffer 1] in [pleegplaats] . [verdachte] wist dat daar een wapen lag. Hij had dat zelf gezien. Het zijn airsoftguns. Ik ben naar huis gegaan. De volgende ochtend kwam ik weer bij [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] zat te pronken met een airsoftgun. [verdachte] was daar ook. [medeverdachte 1] zat ook in dat huis. Ik heb toen ook nog een tweede wapen gezien. Ze hebben gezamenlijk het verhaal gedaan over hoe ze de inbraak hadden gepleegd. Ze waren in de auto daar naartoe gegaan. Ik denk dat [medeverdachte 1] reed. [verdachte] , mijn broer [naam] en [medeverdachte 2] waren mee geweest. [medeverdachte 2] vertelde mij dat hij het raam uit de achterdeur van de woning van [slachtoffer 1] had geslagen.

Ten aanzien van het betoog van de verdediging dat geen sprake is van medeplegen van de inbraak door verdachte overweegt de rechtbank het volgende.

De betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden gekwalificeerd indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte het volgende af.

Verdachte is enige tijd voor de inbraak in de woning van de aangever te [pleegplaats] geweest en hij heeft daar gezien dat de aangever wapens had. Ook heeft hij toen gezien waar de aangever deze wapens bewaarde. In de nacht en/of de vroege ochtend direct voor de inbraak heeft verdachte in de woning van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) te Leeuwarden het idee geopperd om te gaan inbreken in de woning van de aangever. Vervolgens is verdachte in de vroege ochtend van 24 juni 2015 samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [naam] (hierna: [naam] ) in een grijze Volkswagen Polo naar [pleegplaats] gereden. [medeverdachte 1] heeft de auto dicht bij de woning van de aangever geparkeerd. Verdachte en [medeverdachte 2] zijn uitgestapt en naar de woning van de aangever gelopen. [medeverdachte 2] heeft een ruit van de achterdeur van die woning ingeslagen, is de woning binnengegaan en heeft twee airsoftwapens uit de woning gehaald. Vervolgens is verdachte samen met [medeverdachte 2] teruggelopen naar de auto, waarin [medeverdachte 1] en [naam] zaten te wachten. Daarna zijn de wapens in de auto gelegd en zijn zij met zijn vieren teruggereden naar Leeuwarden.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte(n) is komen vast te staan. Hoewel de rol van verdachte in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Verdachte heeft een grote rol gehad in de voorbereiding, aangezien hij degene was die wist waar de aangever woonde en waar de wapens lagen, en hij met het plan is gekomen om te gaan inbreken. Uit de bewijsmiddelen blijkt weliswaar niet dat verdachte met [medeverdachte 2] de woning binnen is gegaan, maar verdachte is wel met hem meegelopen naar de woning en - na het plegen van de inbraak - met hem teruggelopen naar de auto. Ook is hij met de anderen teruggereden naar Leeuwarden, met medeneming van de bij de inbraak weggenomen wapens. Hieruit volgt dat verdachte zich niet op een daartoe geëigend tijdstip heeft teruggetrokken. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde niet overtuigend bewezen. Daartoe overweegt zij het volgende. Verdachte heeft consequent ontkend dat hij de aangever heeft mishandeld en bedreigd en diens televisie heeft gestolen. De verklaringen van de aangever en [getuige 1] , de enige getuige die een verklaring heeft afgelegd, lopen in grote mate uiteen ten aanzien van het geweld dat verdachte zou hebben gepleegd en de bedreigingen die verdachte zou hebben geuit. Deze verklaringen komen alleen overeen voor wat betreft de vuistslagen die verdachte de aangever zou hebben gegeven en het wegnemen van de televisie. Daarnaast heeft de aangever verklaard dat verdachte een peuk heeft uitgedrukt op zijn hand, dat verdachte heeft gedreigd hem te (laten) vermoorden, dat verdachte met een mes zes à zeven stekende bewegingen richting zijn hals heeft gemaakt, dat verdachte een stekende beweging naar zijn hond heeft gemaakt en dat verdachte hem een harde trap in zijn kruis heeft gegeven. [getuige 1] heeft geen van deze handelingen in zijn verklaring genoemd, terwijl hij op dat tijdstip wel aanwezig was. De rechtbank acht het met name opmerkelijk dat [getuige 1] niets heeft verklaard over het maken van stekende bewegingen, te meer omdat de aangever heeft verklaard dat hij letsel alleen heeft kunnen voorkomen door het mes met zijn handen af te weren. Het is ook opmerkelijk dat de aangever hierdoor geen enkel letsel heeft opgelopen aan zijn handen. Daarbij komt dat [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte een knietje keihard in het gezicht van de aangever heeft gezet. Hierover heeft de aangever zelf echter niets verklaard. Ten slotte acht de rechtbank van belang dat [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), de vierde persoon die volgens aangever en [getuige 1] bij het voorval aanwezig is geweest, niet door de politie is gehoord, omdat deze volgens de aangever geen verklaring heeft willen afleggen. Dit zou mogelijk kunnen worden verklaard doordat [getuige 2] bang is voor verdachte. Dit blijkt echter niet uit het dossier. Daardoor blijft de mogelijkheid bestaan dat de aangever niet wilde dat [getuige 2] een verklaring aflegde of dat [getuige 2] een andere reden had om geen verklaring te willen afleggen. Uit de in het dossier gevoegde foto's kan worden afgeleid dat de aangever is mishandeld, maar daaruit blijkt niet dat verdachte degene is geweest die hem heeft mishandeld. Dit alles maakt dat de rechtbank er niet van overtuigd is dat verdachte de geweldshandelingen heeft verricht, de bedreigingen heeft geuit en de diefstal van de televisie heeft gepleegd. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 2. ten laste gelegde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Deze opgave luidt als volgt:

2.1.

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 oktober 2017;

2.2.

een formulier proces-verbaal aangifte, op 17 september 2016 ingevuld door [slachtoffer 5] namens benadeelde [naam bedrijf 1] [straatnaam] te Leeuwarden, opgenomen op pagina 57 en 58 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016274675 d.d. 25 november 2016, inhoudende diens verklaring;

2.3.

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 september 2016, opgenomen op pagina 59 en 60 van het voormelde dossier, inhoudende de verklaring van de verbalisanten [naam] en [naam] .

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 3. ten laste gelegde past de rechtbank de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

3.1.

De door verdachte op de terechtzitting van 5 oktober 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was op 20 oktober 2016, rond 19:00 uur, in de [naam bedrijf 2] aan het [straatnaam] te Leeuwarden. Ik had twee blikjes tonijn in een kartonnen tray gedaan. In die tray zaten ook enkele blikjes bier. Ik heb de blikjes bier betaald.

3.2.

Een formulier proces-verbaal aangifte, op 20 oktober 2016 ingevuld door [slachtoffer 6] namens benadeelde [naam bedrijf 2] [straatnaam] te Leeuwarden, opgenomen op pagina 82 en verder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016274675 d.d. 25 november 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Op 20 oktober 2016, omstreeks 19:00 uur, heb ik gezien dat een persoon twee blikjes tonijn, merk West, niet afrekende en zonder de goederen te hebben betaald de kassa's passeerde en zich begaf in de richting van de uitgang. Bij de persoon zijn twee blikjes tonijn (West) van de [naam bedrijf 2] aan het [straatnaam] te Leeuwarden aangetroffen. De persoon gaf op te zijn [verdachte] . Deze persoon, alsmede de goederen, zijn aan de politie overgedragen.

3.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 oktober 2016, opgenomen op pagina 85 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4] :

Ik ben werkzaam in de [naam bedrijf 2] aan het [straatnaam] te Leeuwarden. Op 20 oktober 2016 vroeg een man rond 18:30 uur of ik wist waar de blikjes tonijn lagen. Ik wees hem de blikjes aan en bleef hem wat in de gaten houden, aangezien ik hem niet vertrouwde. Op een gegeven moment zag ik dezelfde man met vier blikjes bier lopen. De blikjes vervoerde hij in een kartonnen tree. Ik zag dat de man, naast de vier blikjes bier, nog twee blikjes tonijn in dezelfde tree vervoerde. Ik zag dat de man naar de kassa liep en één blikje bier ter betaling aanbood. Ik hoorde dat hij tegen de kassière zei dat hij vier blikjes bier had. Ik zag ook dat

hij de vier blikjes bier afrekende. Ik zag vervolgens dat hij de kassa passeerde zonder de twee blikjes tonijn af te rekenen. Ik heb vervolgens de beveiliging van de [naam bedrijf 2] gewaarschuwd en samen hebben wij de man aangesproken en hem gevraagd met ons mee te lopen naar het kantoor. Hierop is de politie gebeld en meneer vervolgens aangehouden

3.4.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 23 november 2016, opgenomen op pagina 87 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 5] :

Ik herinner mij dat er een blanke man bij mij aan de kassa kwam die vier blikken bier ter betaling aanbood. Deze heb ik aangeslagen en afgerekend. Hij had in zijn hand een kartonnen tray met daarin de blikken bier. Deze hield hij schuin zodat ik kon zien hoeveel blikken bier er in de tray zaten. Ik zag dat hij in totaal vier blikken bier had. Wat ik niet kon zien en waar ik achteraf achter kwam is dat er in de tray ook nog twee blikjes tonijn zaten. Deze blikjes tonijn had de man niet aangeboden ter betaling. Ik kwam hier achter omdat de man hierna aangehouden werd voor winkeldiefstal.

3.5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 oktober 2016, opgenomen op pagina 92 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [naam] :

Op 20 oktober 2016, omstreeks 19:00 uur, kregen wij het verzoek te gaan naar de supermarkt [naam bedrijf 2] aan de [straatnaam] te Leeuwarden. Aldaar zouden ze een winkeldief hebben. Ter plaatse bij de [naam bedrijf 2] aan het [straatnaam] heb ik de beveiligingscamerabeelden uitgekeken. Hierop zag ik dat de aangehouden verdachte bij de kassa stond, dat de verdachte een doos vasthield en hieruit een blik bier haalde en aanbood bij de kassa. Ik hoorde van het [naam bedrijf 2] personeel, dat de verdachte aangaf totaal vier blikken bier in het doosje te hebben. Deze vier blikken werden dan ook door de verdachte afgerekend. Echter bleek dat er ook nog twee blikken tonijn van het merk West in de doos zaten. Echter bood de verdachte deze niet aan bij de kassa en liep dan ook de kassa voorbij zonder deze blikken tonijn af te rekenen. Ik zag dat de verdachte voorbij de kassa werd tegengehouden door één van het [naam bedrijf 2] personeel.

Naar aanleiding van het verweer van de verdediging, dat niet kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk had om zich de twee blikjes tonijn wederrechtelijk toe te eigenen, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de blikjes tonijn - anders dan de verdediging heeft gesteld - niet ter betaling heeft aangeboden, maar deze onzichtbaar voor de kassière in de tray heeft laten zitten, terwijl hij de blikjes bier ter betaling aanbood en betaalde. Verder blijkt uit deze bewijsmiddelen dat verdachte pas werd aangehouden nadat hij de kassa al was gepasseerd zonder de blikjes tonijn te hebben betaald. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat zich hier niet de situatie heeft voorgedaan dat verdachte niet in de gelegenheid is gesteld om de blikjes tonijn te betalen. Uit de handelwijze van verdachte leidt de rechtbank af dat hij het oogmerk had om zich de blikjes tonijn wederrechtelijk toe te eigenen.

In de zaak met parketnummer 18/730256-17 past de rechtbank de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan op de terechtzitting van 5 oktober 2017, is in het belang van de overzichtelijkheid van dit vonnis niet afzonderlijk opgenomen, maar deze is tussen haakjes en schuin gedrukt en met de aanduiding "waarneming rechtbank" opgenomen bij de foto waarop zij betrekking heeft.

4.1.

De door verdachte op de terechtzitting van 5 oktober 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben op 25 juni 2017 in de woning van [slachtoffer 3] in Leeuwarden geweest. Ik had bier op. Ik heb een kwade dronk. Ik was boos. Als ik boos ben, ben ik snel aangebrand. Ik heb de telefoon van [slachtoffer 3] uit haar handen gepakt omdat ik niet wilde dat zij de politie belde.

4.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 26 juni 2017, opgenomen op pagina 32 en verder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017166010 d.d. 28 juli 2017, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik had een relatie met [slachtoffer 3] , maar dat is een beetje uit de hand gelopen. Ik was waarschijnlijk strontvervelend. Op 25 juni 2017 ben ik via het hek zo naar binnen gegaan in de woning van [slachtoffer 3] . Ze deed niet open en ik wilde mijn spullen terug. Ik stapte naar binnen. Ik vroeg haar om mijn spullen waarop ze hysterisch werd en schreeuwde dat ik de woning uit moest. [slachtoffer 3] wilde met haar mobiel 112 bellen en toen pakte ik die af.

4.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2017, opgenomen op pagina 14 en verder van voormeld dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op 25 juni 2017 zat ik op de bank in mijn woning aan [straatnaam] te Leeuwarden. Ik zag iemand over de schutting klimmen. Ik zag dat het mijn ex vriend [verdachte] was. Hij kwam al schreeuwend binnen en vroeg waarom het zo moest. Hij doelde erop dat ik de deur niet voor hem opende. Ik rook een duidelijke alcohollucht en dacht dat hij dronken was. Ik was bang en wilde 112 bellen. Ik pakte de telefoon. [verdachte] sloeg/pakte de telefoon uit mijn handen. Hij werd kwaad en stond op. Ik voelde dat hij mij om de nek pakte met zijn linkerarm. Hij deed me erg pijn. Ik heb nu pijn aan mijn nek. Ik heb striemen in mijn nek.

4.4.

Een als bijlage bij het onder [nummer].3. genoemde proces-verbaal gevoegde foto, opgenomen op pagina 19 van voormeld dossier. (Waarneming rechtbank: Op deze foto is het bovenlichaam van een vrouw te zien. Op de foto is te zien dat de vrouw een rode plek heeft in haar hals en op de bovenzijde van haar borst en dat in deze rode plek striemen zitten.)

Naar aanleiding van het betoog van de raadsman dat niet kan worden bewezen dat verdachte de aangeefster stevig bij de keel heeft gepakt, overweegt de rechtbank het volgende.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar met zijn linkerarm om haar nek heeft gepakt. Naar het oordeel van de rechtbank vindt deze verklaring steun in de foto van het letsel en in de verklaringen die verdachte bij de politie en ter terechtzitting heeft afgelegd. Uit de omstandigheid dat de onder [nummer].[nummer]. vermelde foto is opgenomen als bijlage bij de aangifte leidt de rechtbank af dat de vrouw op deze foto de aangeefster is. Op deze foto is te zien dat de aangeefster een rode plek en striemen heeft in haar hals en op de bovenzijde van haar borst. Dit sluit aan bij haar verklaring. Uit de door verdachte afgelegde verklaringen blijkt onder meer dat hij zonder toestemming van de aangeefster is binnengekomen in haar woning, dat hij kwaad was, dat hij waarschijnlijk strontvervelend was en dat hij de telefoon van de aangeefster heeft afgepakt omdat hij niet wilde dat zij de politie belde. Naar het oordeel van de rechtbank ondersteunen deze omstandigheden de verklaring van de aangeefster. Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat zij erge pijn voelde toen verdachte zijn arm rond haar hals sloeg en dat zij daarvan ook nog pijn ondervond ten tijde van de aangifte. Hieruit leidt de rechtbank af dat de greep van verdachte krachtig was.

Op deze gronden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aangeefster heeft mishandeld door haar met kracht met een arm rond de nek/hals vast te pakken en vast te houden.

In de zaak met parketnummer 18/730214-17 past de rechtbank de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

5.1.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 juli 2017, opgenomen op pagina 21 en verder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017178817 d.d. 18 juli 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Ik ben eigenaar van een zeilboot genaamd " [naam] ". Deze zeilboot gebruik ik als woning. Deze boot is gelegen in de [straatnaam] te Leeuwarden. Vrijdagochtend 7 juli 2017 te 09:00 uur ben ik naar [naam] gegaan. Ik heb de deur van mijn schip afgesloten middels een hangslot. Verder was er een buitenboordmotor aanwezig. Ik ben vanochtend 9 juli 2017 naar mijn boot gegaan. Bij mijn boot aangekomen zag ik dat alles was verplaatst. Ik zag dat het hangslot van de deur van de boot was verbroken. Verder zag ik dat de aanhangmotor was verdwenen. Deze had ik vastgezet middels een kettingslot. Verder was een benzinetank verdwenen. Toen ik de boot opende, zag ik dat de gehele inboedel in elkaar geslagen was. Het keukenblok was stuk en laden zijn kapot getrokken. (Opmerking verbalisant: Ik laat de aangever de inbeslaggenomen laptop zien, merk Toshiba, kleur blauw, type SP2100.) De laptop die u mij laat zien is een laptop die ik op mijn schip had liggen. Deze laptop was op 7 juli 2017 nog aanwezig toen ik vertrok. Er is bloed aanwezig op deze laptop. Dit bloed is niet van mij. Deze laptop is mijn eigendom. Verder is er nog een laptop weggenomen. Er is 90 euro aan contant geld weggenomen. (Opmerking verbalisant: Ik laat de aangever een aantal papieren zien op naam van [slachtoffer 4] die wij in beslag genomen hebben bij [verdachte] .) De papieren die u mij laat zien zijn mijn eigendom. Ik had deze papieren in het afgesloten schip liggen. Verder zag ik dat de reling van mijn boot kapot getrokken was.

5.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 juli 2017, opgenomen op pagina 27 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 6] :

Op 8 juli 2017, omstreeks 07:40, liep ik over de [straatnaam] te Leeuwarden. Toen ik ter hoogte van nummer [nummer] liep, zag ik een man op een groen bootje, dat aan de overkant lag afgemeerd. Dit betreft een groen zeilbootje. De naam van het bootje is [naam] . Ik hoorde een man tegen een vrouw in de [straatnaam] schreeuwen. Ik zag hem richting verderop gelegen bosjes lopen om te plassen. De man viel op door zijn gedrag. De man zag er als volgt uit: blanke man, ongeveer 30 jaar oud, lang en slank postuur, lichte baardgroei, zwarte trainingsbroek, zwart vest met witte biezen. Toen ik omstreeks 07:45 uur de hoek om liep, de [straatnaam] op, zag ik dat de man op het groene bootje klom. Ik hoorde gekraak en zag dat de man de reling vernielde. Ik zag dat de man voorovergebogen achterop het bootje zat en bezig was met de buitenboordmotor. Hiervan maakte ik een paar foto's. Ik liep verder en maakte een klein rondje in de [straatnaam] . Toen ik een paar minuten later opnieuw langs het bootje kwam zag ik dat de buitenboordmotor miste. Ik zag dat de man op de [straatnaam] stond, ongeveer twintig meter vanaf de brug. Toen ik weer in de richting van de [straatnaam] liep zag ik dat de man de [straatnaam] overstak. Hij kwam mij tegemoet lopen, terwijl in naar de uitgang van de [straatnaam] liep. Hier sprak de man mij aan. Ik liep verder. Ik zag dat de man opnieuw de boot opklom. Terwijl ik aan de overkant liep zag ik dat hij twee grijze krukjes uit de boot haalde. Ik zag dat de man een gele plastic zak van de boot pakte. Ook zag ik dat hij iets zwarts, dat leek op een laptop, onder zijn rechterarm stak. Hierop belde ik de politie. Dit was om 07.53 uur. Ik zag de man weglopen in de richting van de [straatnaam] .

5.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juli 2017, opgenomen op pagina 31 en 32 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [naam] en [naam] :

Op 8 juli 2017, omstreeks 07:57 uur, kregen wij de melding dat een meldster had gezien dat een man vermoedelijk vernielingen aan had gepleegd op een groen zeilbootje dat in de [straatnaam] lag. De meldster had de man nog in het zicht ter hoogte van de [straatnaam] . Zij gaf daarbij het signalement door van de man. Samen met de eenheid werkzaam onder roepnummer 16.03 gingen wij ter plaatse en zochten wij naar de man. Omstreeks 08:10 uur hoorden wij via de portofoon de collega's van de 16.03 zeggen dat zij een man, die voldeed aan het opgegeven signalement, staande hadden gehouden in de [straatnaam] te Leeuwarden. Wij reden naar de [straatnaam] en zagen dat de collega's een man staande hadden gehouden. Wij herkenden de man als de ons ambtshalve bekende [verdachte] . Daarop reden wij naar de [straatnaam] alwaar het genoemde groene bootje lag. Ik, verbalisant [naam] , belde met de meldster en sprak met meldster af dat zij bij de boot zou komen. Bij de boot aangekomen zagen wij meldster. Ik, verbalisant [naam] , nam van haar een verklaring af. Meldster liet ons een foto zien die zij had genomen van de man die zij op het bootje had zien rommelen. Op de foto zagen wij dat het signalement van de man op de foto overeenkwam met het signalement van [verdachte] , die wij zojuist hadden gezien. Wij zagen dat de man op de foto dezelfde kleding droeg als [verdachte] en wij zagen op de foto dat de man voorovergebogen bij de buitenboordmotor van de boot zat. Ik, verbalisant [naam] , keek in de boot. Ik zag geen buitenboordmotor. Wij dregden achter en naast de boot. Daarbij troffen wij geen buitenboordmotor aan. Ik, verbalisant [naam] , dregde naast de boot een stuk van de reling van de boot uit het water.

5.4.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 8 juli 2017, opgenomen op pagina 9 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [naam] en [naam]:

Op 8 juli 2017, omstreeks 07.56 uur, ontvingen wij de melding om te gaan naar de [straatnaam] ter hoogte van nummer 2. Daar zou een man een boot vernielen. Hij was richting het stedelijk gymnasium gelopen. De man zou mogelijk een computer hebben meegenomen vanaf de boot. Het signalement van de man was als volgt: ongeveer 30 jaar, zwart trainingspak. Ter plaatse zagen wij op de [straatnaam] een vrouw. De vrouw zwaaide naar ons. Wij reden naar de vrouw toe en hoorden haar zeggen dat de man aan de overkant op het witte bruggetje stond. Het gaat om het witte bruggetje welke de [straatnaam] en de [straatnaam] met elkaar verbindt. Wij zagen de man staan op het witte bruggetje. Wij keerden onze auto en reden om het water heen richting de plek waar de man had gestaan. Op de [straatnaam] te Leeuwarden zagen wij de man welke wij op het witte bruggetje hadden gezien en welke was

aangewezen door de meldster als de verdachte. De man voldeed aan het signalement en was

de voor ons ambtshalve bekende [verdachte] . [verdachte] zag er als volgt uit: rond de 30 jaar, stoppelbaard, pet, donkerblauw/zwart trainingspak, witte Nike schoenen, gele plastic tas bij zich, bezweet hoofd, natte plekken op zijn broek. Omstreeks 08:15 uur heb ik, verbalisant [naam] , [verdachte] aangehouden.

5.5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juli 2017, opgenomen op pagina 37 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [naam] :

Op 8 juli 2017, omstreeks 13:34 uur, was ik bezig met een onderzoek naar een vernieling, inbraak in een boot, diefstal van een aanhangmotor gepleegd in de [straatnaam] te Leeuwarden omstreeks 07:45 uur. Een getuige zag dat de verdachte van deze feiten een laptop met zich droeg. Voor deze feiten werd [verdachte] aangehouden op de [straatnaam] te Leeuwarden nabij een brug. Op tien meter van deze brug zag ik een Notebook van het merk Toshiba, type SP2100, in de struiken liggen. Op de voorzijde van deze laptop waren duidelijk zichtbaar twee bloedvlekken.

5.6.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juli 2017, opgenomen op pagina 35 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [naam] en [naam] :

Op 8 juli 2017, omstreeks 14:30 uur, keken wij in de spullen/fouillering van de verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ). [verdachte] zat ingesloten in ophoudkamer LK 5 in het cellencomplex te Leeuwarden. Wij keken in de locker van ophoudkamer LK 5 alwaar de spullen van [verdachte] werden bewaard, die hij na zijn fouillering had afgegeven. In de fouilleringszak waarin de spullen van [verdachte] werden bewaard troffen wij onder andere aan papieren van de gemeente Leeuwarden en een dagvaarding van Justitie ten name van [slachtoffer 4] en een donkerblauw klepje. Dit donkerblauwe klepje kwam overeen met de kleur van een door ons op de [straatnaam] te Leeuwarden aangetroffen donkerblauwe laptop van het merk Toshiba. Het donkerblauwe klepje bleek te passen aan de onderzijde van de laptop ter hoogte van de batterij.

5.7.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal identificatie n.a.v. DNA-sporen, nummer PL0100-2017178817-16 d.d. 27 juli 2017, inhoudende als relaas van verbalisant [naam] :

Delictinformatie forensisch onderzoek

Datum onderzoek : 9 juli 2017

Plaats delict : [straatnaam] , Leeuwarden

Spoornummer : PL0100-2017178817-34469

SIN : AAKC8597NL

Spooromschrijving : bloed

Tijdstip veiligstellen : 9 juli 2017 te 09:00 uur

Plaats veiligstellen : op de achterdeksel van een laptop

5.8.

Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.07.18.187, d.d. 25 juli 2017 opgemaakt door ing. S. Tuinman, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Kenmerk aanvrager : PL0100-2017178817

Bijlage : DNA-profielcluster 37084

In deze zaak is DNA-onderzoek uitgevoerd. In Tabel 1 is vermeld of van het onderzochte sporenmateriaal een DNA-profiel is verkregen dat geschikt is voor een handmatige vergelijking of opname in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken. Indien een DNA-profiel is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken, is vermeld van wie het celmateriaal op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn.

Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek

SIN en omschrijving : AAKC8597NL#01, Bloed

beschrijving : DNA-profiel van een man

celmateriaal kan afkomstig zijn van : [verdachte]

matchkans : kleiner dan één op één miljard

Naar aanleiding van het betoog van de raadsman overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.

In de periode van 7 juli 2017, omstreeks 09:00 uur, tot en met 9 juli 2017, omstreeks 12:00 uur, is ingebroken in de door de aangever [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) bewoonde zeilboot " [naam] ", die op dat moment lag aangemeerd in de [straatnaam] te Leeuwarden (hierna: de zeilboot). Bij deze inbraak zijn (onder meer) weggenomen een buitenboordmotor, een benzinetank, een geldbedrag van ongeveer 90 euro, een dagvaarding ten name van [slachtoffer 4] en een blauwe laptop van het merk Toshiba, type SP2100. Bij de inbraak zijn de kettingen verbroken waarmee de deur van de zeilboot was afgesloten en waarmee de buitenboordmotor was vastgelegd. Tevens zijn in die periode een deel van de inboedel, het keukenblok en de reling van de zeilboot vernield.

De getuige Smit heeft op 8 juli 2017, omstreeks 07:45 uur, gezien dat een man van ongeveer 30 jaar met een lang en slank postuur en een lichte baardgroei, gekleed in een zwarte trainingsbroek en een zwart vest met witte biezen, op de zeilboot klom. Vervolgens zag en hoorde zij dat deze man de reling van de zeilboot vernielde en dat hij bezig was met de buitenboordmotor. Hiervan heeft zij foto's gemaakt. Toen zij een paar minuten later weer langs de zeilboot liep, zag zij dat de buitenboordmotor miste. Ook zag zij toen dat de man op de [straatnaam] stond, op een paar honderd meter afstand van de zeilboot en op ongeveer twintig meter afstand van de brug. Kort daarop zag zij dat de man opnieuw op de zeilboot klom, dat hij een gele plastic tas pakte en een zwart voorwerp, lijkend op een laptop, onder zijn arm stak. Omstreeks 07:53 uur heeft zij de politie gebeld. Zij zag de man toen weglopen in de richting van de [straatnaam] .

Toen kort daarna twee politieagenten ter plaatse kwamen, werden zij aangesproken door een vrouw die zei dat de man aan de overkant stond op het witte bruggetje dat de [straatnaam] en de [straatnaam] met elkaar verbindt. De politieagenten zagen een man staan op dit bruggetje en zij reden in die richting. Toen zij op de [straatnaam] kwamen, zagen zij daar de bewuste man staan. Deze man was verdachte. Verdachte was de politieambtenaren ambtshalve bekend, hij voldeed aan het door de meldster opgegeven signalement en hij had een gele plastic tas bij zich. Verder stelden de politieagenten vast dat verdachte natte plekken op zijn broek had. Verdachte is op 8 juli 2017, omstreeks 08:10 uur, staande gehouden. De meldster toonde twee andere politieagenten een foto die zij van de man op de zeilboot had gemaakt. Deze politieagenten stelden vast dat het signalement van de man op de foto overeenkwam met het signalement van verdachte. Zij hadden verdachte kort daarvoor gezien.

Op 8 juli 2017, omstreeks 13:34 uur, is op tien meter van de brug in de [straatnaam] in de struiken een laptop van het merk Toshiba, type SP2100, aangetroffen. Op deze laptop zijn bloedvlekken aangetroffen. Het NFI heeft vastgesteld dat het DNA in dit bloed overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte, waarbij de kans dat dit bloed van iemand anders afkomstig is, kleiner is dan één op één miljard.

Bij de fouillering van verdachte, na zijn aanhouding op 8 juli 2017, zijn een dagvaarding ten name van [slachtoffer 4] en een donkerblauw klepje aangetroffen. Dit klepje paste op de onderzijde van de aangetroffen Toshiba-laptop en kwam daarmee qua kleur overeen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft ingebroken in de zeilboot, daaruit goederen heeft weggenomen en een deel van de inboedel, het keukenblok en de reling heeft vernield. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat de meldster verdachte aan de politie heeft aangewezen, dat politieagenten verdachte hebben herkend als de persoon op de door de meldster gemaakte foto, dat verdachte ongeveer 17 minuten nadat de meldster de politie heeft gebeld is aangehouden op een afstand van een paar honderd meter van de zeilboot, dat verdachte voldeed aan het door de meldster opgegeven signalement, dat verdachte natte plekken op zijn broek had, dat de meldster heeft gezien dat de dader een gele plastic tas meenam van de zeilboot en verdachte ten tijde van de aanhouding een gele plastic tas bij zich droeg, dat de weggenomen laptop is aangetroffen op zeer korte afstand van de plek waar verdachte is aangehouden, dat op deze laptop bloed van verdachte is aangetroffen en dat bij de fouillering van verdachte een klepje van deze laptop en een dagvaarding ten name van de aangever zijn aangetroffen. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat er geen aanwijzingen zijn dat er nog iemand anders op de zeilboot is geweest.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730347-16 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 24 juni 2015 te [pleegplaats] , gemeente Dongeradeel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [straatnaam] , heeft weggenomen airsoftwapens, toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 2. en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

2.

hij op 17 september 2016 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sixpacks bier, toebehorende aan winkelbedrijf [naam bedrijf 1] , gelegen aan de [straatnaam] ;

3.

hij op 20 oktober 2016 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen blikken tonijn, toebehorende aan winkelbedrijf [naam bedrijf 2] , gelegen aan het [straatnaam] .

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730256-17 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 25 juni 2017 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan de [straatnaam] , [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] met kracht met een arm rond de nek/hals vast te pakken.

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730214-17 onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 8 juli 2017 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit/vanaf een zeilboot, genaamd " [naam] ", heeft weggenomen een buitenboordmotor, een benzinetank, een laptop, geld en een dagvaarding ten name van [slachtoffer 4] , toebehorende aan [slachtoffer 4] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en weg te nemen voornoemde goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2.

hij op 8 juli 2017 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk meerdere onderdelen van een keukenblok, een deel van de inboedel en de reling van een zeilboot, genaamd " [naam] ", toebehorende aan [slachtoffer 4] , heeft vernield.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/730347-16:

diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

in de zaak met parketnummer 18/730556-16:

2. diefstal;

3. diefstal;

in de zaak met parketnummer 18/730256-17:

mishandeling;

en in de zaak met parketnummer 18/730214-17:

1. diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18/730347-16 primair ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 1. primair, 1. subsidiair (voor wat betreft het schoppen tegen het lichaam), 2. en 3. ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 18/730256-17 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/730214-17 onder 1. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voorgesteld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast heeft hij voorgesteld verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een door de rechtbank te bepalen duur, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en de plicht om mee te werken aan urinecontroles. De raadsman heeft gesteld dat de door de officier van justitie geëiste straf te fors is, ook indien alle feiten bewezen worden verklaard. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de door de rechtbank gehanteerde oriëntatiepunten in het geval van een woninginbraak een gevangenisstraf van drie maanden tot uitgangspunt nemen en niet een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, zoals de officier van justitie heeft betoogd. Voorts heeft hij gepleit voor het verdisconteren van de door hem bepleite vrijspraken in de strafmaat. De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde van een klinische opname voor de duur van maximaal een jaar ook een langdurige vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Ook heeft hij aangevoerd dat verdachte naar zijn zeggen woonruimte en werk heeft als hij vrijkomt en dat verdachte inziet dat hij moet stoppen met het gebruik van alcohol.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in juni 2015 samen met enkele bekenden ingebroken in een woning en uit die woning twee airsoftwapens weggenomen. Verdachte is zelf niet in de woning geweest, maar hij was degene die wist dat de wapens in de woning lagen en hij heeft het plan bedacht om deze te stelen. In september en oktober 2016 heeft verdachte twee winkeldiefstallen gepleegd. In juli 2017 heeft verdachte ingebroken in een bewoonde zeilboot en van en uit die boot onder meer de buitenboordmotor, geld en een laptop weggenomen. Ook heeft hij in en aan die boot vernielingen aangericht. Verdachte heeft door het plegen van deze feiten niet alleen te kennen gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen, maar hij heeft de eigenaren van al die goederen ook veel overlast en schade bezorgd. Daarnaast heeft verdachte in juni 2017 een ex-vriendin mishandeld door haar met kracht met een arm rond de nek/hals vast te pakken. Hierdoor heeft hij haar pijn gedaan.

Volgens de reclassering is verdachte beïnvloedbaar, heeft hij in het verleden veel cocaïne en speed gebruikt, is bij hem al lange tijd sprake van alcoholafhankelijkheid en heeft hij door zijn drugs- en alcoholgebruik mogelijk cognitieve schade opgelopen. Volgens de reclassering staat verdachte erom bekend dat hij een agressieve dronk heeft. De reclassering acht een behandeling gericht op het middelengebruik geïndiceerd. De Forensische Polikliniek Kairos heeft verdiepingsdiagnostiek verricht en ziet voldoende aanwijzingen voor een verstandelijke ontwikkelingsstoornis. Volgens Kairos is verdachte niet in staat is om zelfstandig te functioneren, zelf enige structuur aan te brengen in zijn dag, om te gaan met weerstand en grenzen aan te geven. Daarom dient dit volgens Kairos extern aangebracht te worden. Kairos heeft geconcludeerd dat een opname in een kliniek met expertise op het gebied van verstandelijke beperkingen en verslaving geïndiceerd is. Volgens Kairos is in het verleden meerdere malen gebleken dat behandeltrajecten onsuccesvol zijn, wanneer verdachte niet sterk gestructureerd wordt. De reclassering acht het recidiverisico en het risico, dat verdachte zich onttrekt aan eventueel op te leggen voorwaarden, hoog. De reclassering heeft geadviseerd verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij Verslavingszorg Noord Nederland, een klinische behandeling voor de duur van maximaal twaalf maanden bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling van GGZ Friesland (hierna: FPA), een ambulante vervolgbehandeling en een opname in een instelling voor beschermd wonen. Er is een indicatiestelling afgegeven door het IFZ en verdachte is op [nummer] september 2017 aangemeld voor de FPA.

Op grond van de door de rechtbank gehanteerde landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is het uitgangspunt dat voor een woninginbraak in het geval van recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden wordt opgelegd. Uit het strafblad blijkt onder meer dat verdachte op 14 juni 2011 voor afpersing ("overval woning") is veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en dat hij in 2011, 2013 en 2014 is veroordeeld tot gevangenisstraffen voor geweldsmisdrijven. Er is dus sprake van recidive, zowel op het gebied van vermogensdelicten als op het gebied van gewelddelicten. Daarom is de rechtbank van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is en dat de door de verdediging voorgestelde onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest geen recht doet aan de ernst van de feiten.

Gelet op de adviezen van Kairos en de reclassering, acht de rechtbank het van groot belang dat verdachte klinisch wordt behandeld, dat hij aansluitend een ambulante vervolgbehandeling en woonbegeleiding krijgt en dat hij langdurig wordt begeleid door de reclassering. Daarnaast acht de rechtbank het van groot belang dat verdachte in de toekomst geen alcohol en drugs meer gebruikt. Om dit te realiseren zal de rechtbank een fors deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren verbinden, alsmede de bijzondere voorwaarde van een alcohol- en drugsverbod. De rechtbank beseft dat het voor verdachte, die nog moet worden behandeld voor zijn alcoholafhankelijkheid, moeilijk zal zijn om zich te houden aan een alcoholverbod. Daarom zal de rechtbank dit verbod alleen opleggen voor zover en voor zolang de reclassering dit nodig acht. Daarmee laat de rechtbank de reclassering enige ruimte om de gevolgen te bepalen van een eventuele overtreding van dit verbod.

De keuze voor een forsere voorwaardelijke gevangenisstraf is mede ingegeven door de omstandigheid dat ook de op te leggen klinische behandeling het bijkomende effect heeft van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende maatregel, te meer vanwege het feit dat de klinische behandeling een maximale duur kan hebben van twaalf maanden. Voorts heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat zij de in de zaak met parketnummer 18/730556-16 ten laste gelegde diefstal met geweld en bedreiging met geweld - anders dan de officier van justitie - niet bewezen acht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 63, 300, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 1. primair en onder 1. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/730347-16 primair ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 18/730556-16 onder 2. en 3. ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 18/730256-17 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/730214-17 onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot acht maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland, Oostergoweg 6 te Leeuwarden, en zich nadien blijft melden zolang en zo frequent als de reclassering dat gedurende de proeftijd van drie jaren noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich gedurende maximaal de eerste twaalf maanden van de proeftijd - aansluitend op zijn detentie - zal laten opnemen in de Forensisch Psychiatrische Afdeling van GGZ Friesland, of een soortgelijke intramurale instelling, te bepalen door het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde zich - aansluitend op de onder 2. vermelde klinische behandeling - onder ambulante behandeling zal stellen van GGZ Friesland, of een soortgelijke instelling voor ambulante zorg, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, zolang de reclassering dit gedurende het resterende deel van de proeftijd noodzakelijk acht;

[nummer]. dat de veroordeelde - aansluitend op de onder 2. vermelde klinische behandeling - zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering, en zich zal houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering zal opstellen, zolang de reclassering dit gedurende het resterende deel van de proeftijd noodzakelijk acht;

5. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van drugs en alcohol, voor zover en voor zolang als de reclassering dit gedurende de proeftijd van drie jaren noodzakelijk acht;

6. dat de veroordeelde ten behoeve van de naleving van het onder 5. vermelde verbod meewerkt aan bloed- of urineonderzoeken, zolang en zo frequent als de reclassering dat gedurende de proeftijd van drie jaren noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Bunk, voorzitter, mr. K. Post en mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 oktober 2017.

Mr. Tuinstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.