Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4004

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
18/950071-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd, drie winkeldiefstallen en een fietsendiefstal in verenging heeft gepleegd en veroordeelt verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren met algemene en bijzondere voorwaarden, en een taakstraf voor de duur van 220 uren. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950071-15

ter berechting gevoegd parketnummer 18/050037-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 17 oktober 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

3 oktober 2017.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. K. Valkeneers, advocaat te Sittard, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 18/950071-15

1.

hij op of omstreeks 24 oktober 2015 te Assen openlijk, te weten op of aan en/of zichtbaar vanaf de openbare weg(en), de [straatnaam] en/of de [straatnaam], in elk geval op of aan en/of zichtbaar vanaf een openbare weg, en/of op een openbare plaats, te weten een flatgebouw aan/nabij de [straatnaam], in elk geval zichtbaar voor het publiek, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit

- het schoppen, stompen en/of slaan van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of

- het met een metalen staaf, althans een zwaar en/of hard voorwerp, slaan van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of

- het in gevecht gaan met die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2];

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 oktober 2015 te Assen opzettelijk heeft deelgenomen aan een vechterij waarin onderscheiden personen, te weten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] waren gewikkeld, terwijl die vechterij zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

2.

hij op of omstreeks 26 maart 2016 te Assen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de winkelvoorraad van na te noemen rechthebbende(n) heeft weggenomen een fles wodka, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

3.

hij op of omstreeks 13 mei 2016 te Assen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de winkelvoorraad van na te noemen rechthebbende(n) heeft weggenomen een fles whisky, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

4.

hij op of omstreeks 17 mei 2016 te Assen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de winkelvoorraad van na te noemen rechthebbende(n) heeft weggenomen een of meer blikjes drinken/mixdrank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Ten aanzien van parketnummer 18/050037-17

hij op of omstreeks 7 mei 2016 te Assen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een afgesloten

(achter)tuin van perceel [straatnaam] heeft weggenomen twee fietsen (een omafiets en/of een Gazelle), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen dat/die fiets(en) onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van parketnummer 18/950071-15 veroordeling voor het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde gevorderd. Zij heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat alle medeverdachten tezamen en in vereniging geweld hebben gebruikt en dat ook verdachte hieraan een significante bijdrage heeft geleverd. De officier van justitie heeft tevens ten aanzien van het onder parketnummer 18/050037-17 ten laste gelegde veroordeling gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van parketnummer 18/950071-15 met betrekking tot het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde en ten aanzien van parketnummer 18/050037-17 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde onder parketnummer 18/950071-15 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen significante bijdrage heeft geleverd aan het door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gepleegde geweld.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 18/950071-15, feit 1 primair

De rechtbank acht feit 1, primair bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 24 oktober 2015, opgenomen op pagina 127 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016012045 d.d. 25 januari 2016, inhoudende als verklaring van [getuige]:

Op 24 oktober 2015 zag ik in totaal vier of vijf mensen bij de portiek aan de [straatnaam]. Ik zag die mensen in het trappenhuis van de flat. Ineens zag ik iemand van de trap van de portiek vallen. Ik zag dat die persoon bleef liggen. Vervolgens zag ik drie mensen van de trap af komen. Ik zag dat die mensen op die persoon op de grond in begonnen te slaan en te schoppen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 27 oktober 2015, opgenomen op pagina 209 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

Ik zag dat [medeverdachte 2] met volle vuisten op [slachtoffer 2] aan het inslaan was.[medeverdachte 2] pakte toen de stang van [slachtoffer 2] af. Ik heb [slachtoffer 2] ook nog vastgehouden om hem weg te duwen. Ik zag dat [slachtoffer 1] en [verdachte] ook aan het worstelen waren. Ik zag dat [verdachte] meerdere keren [slachtoffer 1] met zijn vuisten sloeg. Hij stond op [slachtoffer 1] te rossen. Ik zag dat [slachtoffer 1] naar beneden kwam. Ik gaf hem toen een trap. Ik zag dat [slachtoffer 1] toen op de grond viel. Ik zag dat [slachtoffer 1] probeerde op te staan. Ik zag dat hij iets omhoog kwam. Ik zag toen dat [medeverdachte 2] de ijzeren staaf met beide handen vasthield. Hij sloeg [slachtoffer 1] met deze staaf. Hij hield de staaf boven zijn hoofd en maakte een slaande beweging naar [slachtoffer 1]. Ik zag dat [slachtoffer 1] werd geraakt op zijn hoofd. Ik zag dat [slachtoffer 1] toen op de grond viel.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 24 oktober 2015, opgenomen op pagina 222 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2]:

[medeverdachte 1] en [verdachte] gingen de trap omhoog. Ik zag dat twee jongens met [medeverdachte 1] en [verdachte] aan het vechten waren. Al vechtend kon ik die stang vastpakken. We waren toen allemaal aan het vechten en ik heb hem (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) toen geslagen met die stang.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 24 oktober 2015, opgenomen op pagina 241 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

[slachtoffer 1] heeft een geschil met [medeverdachte 1] over een boot. [slachtoffer 1] krijgt nog 600 euro van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] belde die avond [slachtoffer 1] op. [medeverdachte 1] praatte heel hard dus kon ik het verstaan. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] zei dat als [slachtoffer 1] zich niet gedeisd hield, hij wel langs kwam met een paar man. We zagen een taxi aankomen en zijn toen achter de bosjes gaan zitten. Wij zagen dat er drie man uit stapten. Ik zag dat [medeverdachte 1] met een donkere jongen het portiek in liep. De andere donkere jongen loopt ook achter hen aan naar binnen. [medeverdachte 2] pakte de ijzeren staaf van mij af. [medeverdachte 2] begint mij direct te slaan met de ijzeren staaf. Hij heeft mij meerdere keren geraakt met de staaf.

De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Door de verdediging is betoogd dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, aangezien de verdachte geen significante bijdrage heeft geleverd aan de door de groep gepleegde geweldshandelingen.

De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Op 24 oktober 2015 was er sprake van een fysieke confrontatie tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enerzijds en verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] anderzijds. De aanleiding hiervan was een geschil tussen [slachtoffer 1] en medeverdachte [medeverdachte 1] over de verkoop en betaling van een boot. Die bewuste avond stuurde [slachtoffer 1] een sms naar medeverdachte [medeverdachte 1] met het doel hem aan te sporen tot betaling van de verschuldigde gelden. Medeverdachte [medeverdachte 1] nam daarop telefonisch contact op met [slachtoffer 1] en reageerde door te zeggen dat hij wel even langs zou komen met een paar vrienden. Medeverdachte [medeverdachte 1] sprak dusdanig luid, dat de bij [slachtoffer 1] aanwezige [slachtoffer 2] dit kon verstaan. Vervolgens hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich voorzien van verschillende wapens/voorwerpen, te weten twee messen, een gitaar en een ijzeren staaf. Zij zijn vanuit de woning van verdachte naar buiten gegaan en hebben zich verdekt opgesteld in de bosschage, in afwachting van de komst van medeverdachte [medeverdachte 1] en zijn gevolg. Deze laatstgenoemden komen enige tijd later met een taxi ter plaatse, waarna medeverdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] de trap in de richting van de woningen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beklimmen, op de voet gevolgd door medeverdachte [medeverdachte 2]. Vervolgens begeeft [slachtoffer 1] zich in de richting van deze groep, met in zijn handen de gitaar en ijzeren staaf. [slachtoffer 2] voegt zich als laatste bij de groep, die zich op dat moment in het trappenhuis van de flat bevindt. Er volgt een handgemeen, waarbij over en weer geweldshandelingen worden verricht. Zo pakt medeverdachte [medeverdachte 2] de ijzeren staaf, waarmee hij inslaat op [slachtoffer 2], terwijl verdachte in gevecht gaat met [slachtoffer 1] die hij slaat/stompt. Het handgemeen start in het trappenhuis/de portiek van de flat en eindigt op straat, waar [slachtoffer 1] - terwijl hij op de grond ligt - nog wordt geschopt waarna hij gewond wordt achtergelaten.

De rechtbank stelt vast dat er door alle betrokkenen geweld is gebruikt, ook door verdachte. Verdachte heeft immers met [slachtoffer 1] met zijn vuisten geslagen. Tevens is verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] meegelopen naar de woning van [slachtoffer 1], waarmee hij ervoor gekozen heeft de confrontatie aan te gaan. Daarnaast blijkt uit de verklaring van een onafhankelijke getuige dat een persoon van de trap viel, deze persoon bleef liggen en dat vervolgens drie mensen op die persoon op de grond in begonnen te slaan en te schoppen. Uit deze verklaring leidt de rechtbank af dat zowel verdachte, als medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een weerloos persoon, te weten [slachtoffer 1], hebben geschopt en geslagen.

Op grond hiervan staat voor de rechtbank vast dat de verdachte door te handelen als hiervoor vermeld, opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante bijdrage heeft geleverd. Daarmee is het verweer verworpen en komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Ten aanzien van parketnummer 18/950071-15, feit 2, 3 en 4

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Ten aanzien van feit 2 en 3 luidt deze opgave als volgt:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 mei 2016, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016148478 d.d. 23 mei 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4], namens [naam bedrijf];

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 mei 2016, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5], namens [naam bedrijf];

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 mei 2016, opgenomen op pagina 16 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 18 mei 2016, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte.

Ten aanzien van feit 4 luidt deze opgave als volgt:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 mei 2016, opgenomen op pagina 2 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016179918 d.d. 22 juni 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6], namens [naam bedrijf];

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 17 juni 2016, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte.

Ten aanzien van parketnummer 18/050037-17

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 mei 2016, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016130712 d.d. 17 maart 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3];

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 1 februari 2017, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van parketnummer 18/950071-15

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1, primair

hij op 24 oktober 2015 te Assen openlijk, te weten op en zichtbaar vanaf de openbare weg, de [straatnaam] en op een openbare plaats, te weten een flatgebouw aan de [straatnaam], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit

- het schoppen, stompen en slaan van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en

- het met een metalen staaf slaan van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en

- het in gevecht gaan met die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2].

2.

hij op 26 maart 2016 te Assen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de winkelvoorraad van na te noemen rechthebbende heeft weggenomen een fles wodka, toebehorende aan [naam bedrijf].

3.

hij op 13 mei 2016 te Assen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de winkelvoorraad van na te noemen rechthebbende heeft weggenomen een fles whisky, toebehorende aan [naam bedrijf].

4.

hij op 17 mei 2016 te Assen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de winkelvoorraad van na te noemen rechthebbende heeft weggenomen blikjes drinken/mixdrank, toebehorende aan [naam bedrijf].

Ten aanzien van parketnummer 18/050037-17

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 7 mei 2016 te Assen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een achtertuin van perceel [straatnaam] heeft weggenomen twee fietsen (een omafiets en/of een Gazelle), toebehorende aan [slachtoffer 3].

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 18/950071-15

1, primair Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

2. Diefstal

3. Diefstal

4. Diefstal

Ten aanzien van parketnummer 18/050037-17

Diefstal in vereniging

Noodweer ten aanzien van parketnummer 18/950071-15, feit 1 primair

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer niet kan slagen.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een belangrijk aandeel hebben gehad in het ontstaan van de latere openlijke geweldpleging. Verdachte is samen met medeverdachte [medeverdachte 1] naar de woning van [slachtoffer 1] gelopen, nadat medeverdachte [medeverdachte 1] aan [slachtoffer 1] had laten weten met vrienden langs te zullen komen. Door zo te handelen heeft verdachte de confrontatie met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gezocht en een - mogelijk ook met geweldshandelingen gepaard gaande - reactie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitgelokt.

Het geweld dat daadwerkelijk is gevolgd en dat hen is overkomen is naar het oordeel van de rechtbank een reactie op het zoeken van de confrontatie en geenszins een rechtvaardiging voor de verdediging van het eigen of eens anders lijf. De noodzaak tot verdediging daarvan ontbreekt dan ook.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 van parketnummer 18/950071-15 ten laste gelegde en ter zake van het onder parketnummer 18/050037-17 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 220 uren, te vervangen door 110 dagen hechtenis, indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht. Daarnaast heeft zij gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandelverplichting en verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een taakstraf, maar heeft daarbij opgemerkt dat het kleinere aandeel in het geweld moet worden verdisconteerd in de hoogte van die taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op 24 oktober 2015 samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld. Samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Het onderhavige feit vond plaats op de openbare weg/een openbare plaats. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, in het bijzonder bij hen die daarvan slachtoffer of ongewild getuige zijn.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan drie winkeldiefstallen en diefstal van twee fietsen in vereniging met een ander gepleegd. Diefstal is een ergerlijk feit, dat schade veroorzaakt en in het algemeen bij de benadeelde gevoelens van onrust en onveiligheid meebrengt.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de rol die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gespeeld bij het escaleren van de situatie door zich, voorzien van wapens, te verschansen in de bosschage, in afwachting van de komst van medeverdachte [medeverdachte 1] en diens kompanen, onder wie verdachte. De rechtbank stelt ook vast dat verdachte tezamen met zijn medeverdachten vervolgens grof en buitenproportioneel geweld heeft gepleegd ten opzichte van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], hetgeen ook naar voren komt in de letselrapportages die zijn uitgebracht.

Hoewel de ernst van met name het onder 1 van parketnummer 18/950071-15 bewezenverklaarde in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, is de rechtbank van oordeel dat er omstandigheden zijn om in dit geval in aanzienlijke mate hiervan af te wijken.

De rechtbank stelt voorts vast dat, hoewel de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM niet is overschreden, het een oud feit betreft. De rechtbank houdt rekening met het tijdsverloop bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor winkeldiefstal, doch niet voor een geweldsmisdrijf. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf ook rekening gehouden met de veroordeling van verdachte door de politierechter te Assen bij vonnis d.d. 18 januari 2016.

Gelet op de ernst van het feit en om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van een strafbaar feit acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf, passend en geboden. De rechtbank zal daarbij bijzondere voorwaarden opleggen van een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting bij VNN en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van aanzienlijke duur opleggen.

Benadeelde partij ten aanzien van parketnummer 18/950071-15 onder feit 1

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.975,20 ter vergoeding van materiële schade en € 8.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw deelt het standpunt van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1, primair van parketnummer 18/950071-15 bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten twee batterijen merk Samsung, een batterij merk LG, een telefoontoestel merk LG kleur wit, een telefoontoestel merk Samsung kleur zwart, een simkaart merk Lebera, een kaart, een wit t-shirt met bloedvlek en een gele trui met bloedsporen, moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een paar Timberland schoenen, moet worden bewaard ten behoeve van de tot nu toe onbekend gebleven rechthebbende.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 141, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummer 18/950071-15, onder 1 primair, 2, 3 en 4 en het onder parketnummer 18/050037-17 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Reclassering Leger des Heils Noord-Nederland, Damsterdiep 271 te Groningen;

2. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van VNN, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten Vast en Verder, of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

een taakstraf voor de duur van 220 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 110 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Benadeelde partij ten aanzien van 18/950071-15, feit 1 primair

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    2x Batterij, merk Samsung;

  • -

    Batterij, merk LG;

  • -

    Telefoontoestel, merk LG, kleur wit;

  • -

    Telefoontoestel, merk Samsung, kleur zwart;

  • -

    Simkaart, merk Lebera;

  • -

    Kaart;

  • -

    Wit t-shirt met bloedvlek;

  • -

    Gele trui met bloedsporen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- Timberland schoenen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A Fransen, voorzitter, mr. R. Depping en

mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. W. Braaksma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 oktober 2017.

Mr. C. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.