Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3992

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
20-10-2017
Zaaknummer
18/830346-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geslaagd noodweer-exces verweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830346-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 oktober 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

volgens eigen opgave thans wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

5 oktober 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.W. van der Zee, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 13 maart 2016 te Groningen, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te

beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een

(scherp) voorwerp, in de (linker)flank, althans de buik, althans het (boven)lichaam,

en/of in de (linker)arm heeft gestoken/gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 13 maart 2016 te Groningen, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans

eenmaal, met een mes, althans een (scherp) voorwerp, in de (linker)flank,

althans de buik, althans het (boven)lichaam, en/of in de (linker)arm

heeft gestoken/gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 13 maart 2016 te Groningen, opzettelijk [slachtoffer] heeft

mishandeld, bestaande die mishandeling uit het (meermalen) steken/snijden in

de (linker)flank, althans de buik, althans het (boven)lichaam,

en/of in de (linker)arm van voornoemde [slachtoffer] , waardoor

voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2.

zij op of omstreeks 13 maart 2016 te Groningen een busje pepperspray, zijnde

een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of

verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de

categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde. Verder heeft de officier van justitie betoogd dat het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich niet willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans op het veroorzaken van de dood danwel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Nadere informatie over de plek van de verwonding, de diepte en de kracht waarmee deze is toegebracht is er niet. Verdachte was ten tijde van haar (strafbare) gedraging onderhevig aan hevige emoties van angst en woede. Als gevolg van deze heftige emoties was er bij haar, zo concludeert de psycholoog in zijn rapport van 14 september 2017, sprake van een impulsdoorbraak. Dit betekent dat zij de aanmerkelijke kans dat de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel zou worden veroorzaakt niet bewust heeft aanvaard c.q. op de koop toe heeft genomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 oktober 2017:

In de nacht van 12 op 13 maart 2016 zijn [slachtoffer] en ik meegegaan naar het huis van [naam] . Daar ontstond een ruzie tussen [naam] en zijn vriendin [naam] . Ik ben haar gaan troosten. [slachtoffer] was daarna erg boos op mij omdat ik het voor haar had opgenomen.

Hij schreeuwde hard tegen mij. Ik kan me herinneren dat ik op de bank zat en dat hij voor me over mij heen gebogen stond te schreeuwen. Hij had schuim op zijn mond staan. Ik kreeg een soort flashback van een eerdere mishandeling door hem. Hij had toen allemaal haar uit mijn hoofd getrokken. Ik voelde me angstig en boos tegelijkertijd. Ik kon niet wegkomen want hij drukte me weer op de bank. Ik kan me herinneren dat ik het mes in mijn handen had. Het klopt dat het mes van mij was en dat ik dat bij mij had. Ik had het altijd bij mij.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 13 maart 2016, opgenomen op pagina 76 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2016072155, inhoudende als verklaring van verdachte;

We kregen ruzie en tijdens die woordenwisseling bleef hij doorgaan met snuiven en schold mij uit weer voor kankerhoer en zo. Toen kreeg ik een flashback van vorige keren dat hij mij heeft mishandeld. Hij had weer schuim op zijn mond. Hij sloeg mij ook. Hij zei ook tegen mij: Nu ben je ook weer bang. Kennelijk heb ik toen een mes getrokken. Ik herinner me nog dat hij tegen over mij stond te schreeuwen en mij aanraakte en het volgende moment staat hij tegenover mij en zegt dat ik hem gestoken heb.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 april 2016, opgenomen op pagina 91 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2016072155, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op een gegeven moment kregen [naam] en zijn vriendin woorden. [verdachte] bemoeide zich met die ruzie. Ik zei tegen haar dat zij zich er beter niet mee kon bemoeien en dat ze beter kon gaan zitten. [verdachte] luisterde niet echt naar me maar ze ging wel zitten.

Ik dacht dat ik een stoot kreeg van [verdachte] . Maar opeens voelde ik iets warms lopen langs mijn lijf en ik trok mijn shirt omhoog. Ik zag dat ik een gapend gat had in mijn linkerzij.

[verdachte] stak met het mes in mijn linker bovenarm vlak onder mijn schouder. Ik voelde pijn. [verdachte] draagt het mes altijd bij zich in haar jaszak.

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 13 maart 2016, opgenomen op pagina 66 e.v. van genoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] :

Bij mij thuis kregen [verdachte] en [slachtoffer] binnen een half uur woorden. Daarna ontstond tussen hen een worsteling. Ze waren aan het duwen, trekken, slaan en krabben.

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 september 2017, afgelegd bij de rechter-commissaris, inhoudende de verklaring van

[naam] :

In de nacht van 12 op 13 maart 2016 waren [verdachte] en [slachtoffer] bij mij thuis. Mijn vriendin en ik kregen op een gegeven moment woorden met elkaar.

[verdachte] en [slachtoffer] kregen daarna ruzie. [slachtoffer] ging helemaal uit zijn dak. Hij begon flink te schreeuwen tegen [verdachte] . Hij stond met opgeheven hand tegen [verdachte] te schreeuwen terwijl zij als een bang vogeltje op die bank zat.

[slachtoffer] heeft mij verteld dat hij had staan schreeuwen met opgeheven hand in de richting van [verdachte] . Hij vertelde ook dat [verdachte] een bange indruk had gemaakt en dat hij plotseling een mes in zijn buik gestoken had gekregen. Hij heeft mij ook verteld dat [verdachte] dat mes in zijn arm had gestoken.

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2016, opgenomen op pagina 100-101 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [naam] , brigadier van politie Noord-Nederland en [naam] , hoofdagent van politie Noord-Nederland:

Op de buik van de man, aan de linkerzijde, zat een bloedende steekverwonding. Deze steekverwonding was ongeveer 3 à 4 centimeter groot. De man had op zijn linkerschouder een forse snee.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op de – uit de bewijsmiddelen blijkende – feitelijke omstandigheden dat verdachte altijd een mes bij zich droeg en zelf heeft gezien dat zij het mes in haar handen had op het moment dat verdachte tegen haar zei dat zij hem had gestoken, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte de steek- en snijverwondingen in respectievelijk de buikstreek en de linker(boven)arm van aangever heeft veroorzaakt.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair tenlastegelegde poging doodslag kan worden gekomen, nu er in het dossier te weinig informatie over zowel het wapen als de verwonding aanwezig is, waaruit kan blijken dat er een aanmerkelijke kans is geweest dat aangever aan de verwonding in de buikstreek zou komen te overlijden. De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijspreken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte met haar handelen heeft gepoogd aangever opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Immers, het zittend vanaf de bank in het wilde weg steken met een mes in de richting van iemand die op dat moment voor en over je heen gebogen staat, levert naar zijn aard een gedraging op waarin het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, of het pogen daartoe, besloten ligt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gedraging van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel waarvan in het onderhavig geval niet is gebleken, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Dat verdachte heeft gehandeld in een impulsdoorbraak betekent niet dat niet aan een bewezenverklaring van het “bewust aanvaarden” zou kunnen worden toegekomen. Dit wil immers niet zeggen dat zij op het moment van handelen kampte met een totaal gebrek aan bewustzijn, doch enkel dat zij onder invloed van hevige emoties heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair is ten laste gelegd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 oktober 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 13 maart 2016, opgenomen op pagina 6 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten [naam], hoofdagent van politie Noord-Nederland en [naam], brigadier van politie Noord-Nederland;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 21 april 2016, opgenomen op pagina 18-27, inhoudende het relaas van verbalisant [naam] , brigadier van politie Noord-Nederland.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

zij op 13 maart 2016 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes in de (linker)flank en in de (linker)arm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij op 13 maart 2016 te Groningen een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Poging tot zware mishandeling.

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde bepleit dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer(-exces). Het strafbare handelen van verdachte, het steken, was geboden door de noodzakelijke verdediging van haar eigen lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Zij kon zich niet aan deze aanranding onttrekken en was aangever, die helemaal uit zijn dak ging, niet fysiek de baas. Verdachte is eerder door aangever mishandeld, misbruikt en gemanipuleerd, en kreeg een flashback betrekking hebbend op deze ervaringen.

Gelet op deze omstandigheden heeft zij mogen handelen zoals zij heeft gehandeld en komt haar een geslaagd beroep op noodweer toe.

Voor zover moet worden aangenomen dat niet is voldaan aan de proportionaliteit, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte als onmiddellijk gevolg van een hevige door de (dreigende) aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder is gegaan dan geboden was, zodat er sprake is geweest van een noodweerexces-situatie.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voorafgaand aan het incident sprake was van een door aangever veroorzaakte noodweersituatie waartegen verdachte zichzelf weliswaar mocht verdedigen, maar dat zij daarin wel te ver is gegaan. Omdat verdachte door het gedrag van aangever echter zeer angstig was geworden, kon van haar niet gevergd worden dat ze de grenzen van proportionaliteit zou bewaken. Haar verdedigend handelen is het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging waarin zij op dat moment verkeerde en kan haar derhalve niet worden aangerekend. Daarom komt verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toe.

Oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) moet allereerst de vraag worden beantwoord of er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor en vervolgens of de door verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was (anders gezegd: of aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan). Tenslotte moet worden beoordeeld of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was (oftewel: of aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan).

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is ten aanzien van de feiten gebleken dat er op enig moment in de nacht van 12 op 13 maart 2016 in de woning van getuige [naam] tussen verdachte en aangever ruzie is ontstaan. Aangever ging hierbij volledig uit zijn dak. Hij stond woedend, met schuim op de mond, hard schreeuwend en scheldend en met opgeheven hand over verdachte, die volgens getuige [naam] als “een bang vogeltje” op de bank in elkaar gedoken zat, heen gebogen. Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Er was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar dat verdachte door aangever ogenblikkelijk en wederrechtelijk zou worden aangerand en zij had geen reële en redelijke mogelijkheid om zich aan deze dreigende aanranding te onttrekken. Zij heeft zich hier naar het oordeel van de rechtbank dan ook tegen mogen verdedigen.

Door aangever, die ongewapend was, vervolgens zonder waarschuwing met een mes te lijf te gaan, is verdachte naar het oordeel van de rechtbank echter te ver gegaan in deze verdediging. De rechtbank acht evenwel aannemelijk dat deze disproportionele reactie van de verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige bij haar op dat moment ontstane gemoedstoestand van angst en woede die van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging, te weten het steken door verdachte. De rechtbank houdt daarbij rekening met de rapportage van GZ psycholoog H. Scharft d.d. 14 september 2017, waaruit naar voren komt dat verdachte plotseling werd overvallen door heftige gevoelens van angst en woede, welke emoties zij normaliter afweert en daardoor zelden bewust ervaart. Hierdoor heeft zij nooit geleerd om dergelijke emoties op adequate wijze te reguleren. Verdachte heeft gehandeld vanuit een impulsdoorbraak.

De rechtbank is van oordeel dat de hevige gemoedstoestand bij verdachte is veroorzaakt door de dreigende houding en het agressieve gedrag van aangever op dat moment. Hierbij is mede van invloed geweest dat verdachte eerder door aangever op niet mis te verstane wijze zou zijn mishandeld en bedreigd.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep op noodweerexces slaagt en dat de verdachte niet strafbaar is. Zij zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

Voor het onder 2 tenlastegelegde is verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de eis van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over haar opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van pepperspray, zijnde een verboden wapen op grond van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Gelet hierop zal de rechtbank de eis van de officier van justitie volgen en aan verdachte een vrijheidsstraf opleggen die gelijk is aan het aantal dagen dat zij in voorarrest heeft doorgebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren zoals voormeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart verdachte voor het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Tapper-Wessels, voorzitter, mr. M.J. Oostveen en mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door mr. K.A. de Groot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 oktober 2017.