Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3984

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
20-10-2017
Zaaknummer
LEE 17-3130
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kapvergunning populieren Sibrandaheerd. Weging deskundigenadviezen. Bomenbeheerplan. Eerder verleende Ffw-ontheffing voor het gehele project in het kader van het Bomenbeheerplan. Dringende reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5439
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: LEE 17/3130

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 oktober 2017 in de zaak tussen

[verzoeker], te [plaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

(gemachtigde: mr. H. Brink).

Procesverloop

Bij primair besluit van 6 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de gemeente Groningen (hierna: de vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van 15 bomen en het knotten van drie bomen aan de Sibrandaheerd en omgeving, deel Zuidwending.

Tegen dit besluit heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker op

5 september 2017 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 10 oktober 2017.

Verzoeker is in persoon verschenen, vergezeld door zijn partner [betrokkene] en bijgestaan door [betrokkene], adviseur. Verder zijn als deskundigen verschenen H.E. van der Lans, bomendeskundige en C. Nienhuys, secretaris van de Vleermuiswerkgroep Groningen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, G. Demandt,

D. Dolstra en K. Kok.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

Voorgeschiedenis

Op 9 december 2014 heeft verweerder het beheerplan “bomen Beijum” (hierna: het beheerplan) vastgesteld. In dit beheerplan is onder meer aangegeven dat bij de bouw van de wijk Beijum in de jaren tachtig veel snelgroeiende bomen, voornamelijk wilgen en populieren, zijn aangeplant als ‘wijker’. Om de langzamer groeiende bomen , de ‘blijvers’, ruimte te geven, zouden de ‘wijkers’ na een aantal jaren gekapt worden. Doordat dit veelal niet is gebeurd, zorgen veel wilgen en populieren door hun omvang, standplaats en afnemende vitaliteit thans voor problemen en overlast in de wijk. Om de problematiek gefaseerd te kunnen aanpakken, is dit beheerplan opgesteld. Het beheerplan houdt onder meer in dat een groot deel van de wilgen en de populieren in een tijdsbestek van tien jaar zal worden gekapt.

1.1.

Bij besluit van 26 oktober 2015 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken aan verweerder een ontheffing, als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet (Ffw), verleend voor het realiseren van het project ‘Bomenbeheerplan Beijum’, gelegen te Groningen.

1.2.

Vergunninghouder heeft op 30 mei 2017 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het vellen van 15 bomen en het knotten van drie bomen aan de Sibrandaheerd en omgeving, deel Zuidwending, bij verweerder ingediend.

1.3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevings-vergunning verleend voor het vellen van 15 bomen en het knotten van drie bomen aan de Sibrandaheerd en omgeving, deel Zuidwending.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.18 van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

2.2.

De in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo bedoelde gemeentelijke verordening is de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2009 (APVG).

Ingevolge artikel 4:9, eerste lid, van de APVG is het verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4:11, eerste lid, van de APVG verleent het bevoegd gezag in beginsel geen omgevingsvergunningen anders dan na een zorgvuldige belangenafweging op basis van de criteria “waardering”, “overlast”, “kwaliteit” en “dringende redenen”.

Ingevolge artikel 4:11, tweede lid, van de APVG kan het college met betrekking tot de in het vorige lid genoemde criteria en de te maken afweging beleidsregels vaststellen.

Ingevolge artikel 4:15, eerste lid, van de APVG kan tot aan de vergunning te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

2.3.

Op 26 november 2013 heeft verweerder de Beleidsregels ‘vellen van een houtopstand’ (hierna: de beleidsregels) vastgesteld.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de beleidsregels toetst verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning op het belang voor het behoud van de houtopstand en op het belang voor het verwijderen van de houtopstand. Hierbij toetst verweerder op de criteria ‘waardering’, ‘overlast’, ‘kwaliteit’ en ‘dringende reden’.

Een ruimtelijke ontwikkeling kan een dringende reden zijn.

Overwegingen

3. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1.

Aangezien vergunninghouder een aanvang kan nemen met de kapwerkzaamheden, acht voorzieningenrechter het spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker in dit geval gegeven.

4. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de kwaliteit van de bomen slecht is en dat de kans op herstel nihil is. Daarbij komt dat de kans op tak- of stambreuk groot is met gevaar voor de omgeving. Aan deze bevindingen heeft verweerder een boomonderhoudsrapport ten grondslag gelegd. Het verwijderen van de bomen is bovendien opgenomen in het beheerplan.

4.1.

Verzoeker betoogt dat onduidelijk is op welke bomen de verleende omgevings-vergunning betrekking heeft en om hoeveel bomen het exact gaat. In dit verband wijst verzoeker erop dat uit het door verweerder ingediende kaartmateriaal niet valt af te leiden of de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft op de kap van 15, 19 of 26 bomen. Gelet op deze onduidelijkheid is verzoeker van mening dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat van het bestreden besluit een gekenmerkte kaart deel uitmaakt, waarop de te kappen bomen en de te knotten wilgen rood omcirkeld zijn. Uit het bestreden besluit en de daarvan deel uitmakende kaart valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter af te leiden dat de omgevingsvergunning betrekking heeft op de kap van 15 bomen en het knotten van drie wilgen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om verzoeker te volgen in zijn stelling dat de omgevingsvergunning voor het kappen van bomen en het knotten van wilgen in dit geval zodanig onduidelijk is dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Deze grond van verzoeker slaagt niet.

5.1.

Verzoeker betoogt dat de kwalificatie ‘sterk verminderd’ voor wat betreft de kwaliteit van de bomen met zich brengt dat herstel mogelijk is door structureel onderhoud. Daarbij verwijst verzoeker naar een rapportage van 2 oktober 2017 van boomdeskundige drs. H.E. van der Lans, werkzaam bij Ecoplan Natuurontwikkeling. Dat de conditie ‘sterk verminderd’ op zich geen reden is tot kappen, volgt volgens verzoeker uit het gegeven dat de vier Italiaanse populieren met dezelfde conditie vooralsnog mogen blijven staan. Verder betoogt verzoeker dat verweerder ten onrechte stelt dat de kans op herstel van de bomen nihil is. In dit verband wijst verzoeker erop dat dit niet klopt met de praktijk. Volgens verzoeker zijn alle populieren na de grondige snoeibeurt van februari 2016 sneller dan ooit uitgelopen. Er vormden zich overal in de kroon en lager op de stam zeer snel nieuwe loten die ook na de eerste groeispurt niet zijn afgestorven. Deze nieuwe loten zijn inmiddels uitgegroeid tot takken en de bladeren tonen geen spoor van vroegtijdige verkleuring of verdorring. Daarnaast betoogt verzoeker dat verweerder ten onrechte stelt dat de kans op tak- of stambreuk groot is, met gevaar voor de omgeving. Naar de mening van verzoeker is van gevaarlijke takbreuk, zelfs tijdens de zware zomerstormen van de afgelopen jaren, niets gebleken. Een grote kans op stambreuk aanvoeren als kapargument is in de visie van verzoeker onjuist. In dit verband wijst verzoeker erop dat de populieren in het plantsoen aantoonbaar dezelfde conditie hebben als de tientallen populieren die langs de Zuidwending staan en waarvan verwacht wordt dat die de komende zeven jaar veilig zijn. Aangezien de populieren aan de Zuidwending nog zo’n zeven jaar veilig zijn, geldt dat naar de mening van verzoeker ook voor de populieren in het plantsoen.

5.2.

Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar een rapportage van 31 oktober 2016 van boomdeskundige L. Rademaker, werkzaam bij Alles over Groenbeheer, op het standpunt dat de eerdere bevindingen voor wat betreft de (sterk) verminderde vitaliteit van de populieren van de gespecialiseerde medewerkers van de gemeente Groningen in dit geval worden onderschreven. Anders dan door de door verzoeker ingeschakelde boomdeskundige naar voren is gebracht, is er naar de mening van verweerder geen sprake geweest van ondeskundige snoei en kunnen de betreffende populieren niet behouden blijven door onderhoud.

5.3.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 4.11, eerste lid, van de APVG een discretionaire bevoegdheid betreft van verweerder. De uitoefening van deze bevoegdheid dient door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. De bestuursrechter dient zich daarbij te beperken tot de vraag of verweerders besluit in strijd is met het recht of dat het, gelet op de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging, kennelijk onredelijk is.

5.3.2.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de door verweerder vastgestelde beleidsregels de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaan.

5.4.1.

In een rapportage van 2 oktober 2017 heeft boomdeskundige drs. H.E. van der Lans onder meer aangegeven dat de te kappen bomen vitaal zijn en nog jaren gezond ouder kunnen worden. Aangezien de bomen vitaal zijn en flink groeien, is er onder het fietspad vanzelfsprekend sprake van enige wortelopdruk. Naar de mening van deze boomdeskundige is de bovengrondse groei in evenwicht met de ontwikkeling van de ondergrondse wortelmassa. Daarbij valt de schade mee en valt dit onder te verwachten onderhoud. Volgens deze boomdeskundige kunnen de bomen bij een juist beheer nog zeker enkele tientallen jaren mee. Door de bomen omlaag te snoeien, door in alle bomen, een, enkele of meerdere zware kruintakken te verwijderen, wordt het zwaartepunt verlaagd en zal de boom reageren met het uitgroeien van lager aangehechte takken. Daarnaast wijst deze boomdeskundige erop dat oudere bomen, en ook de onderhavige populieren en wilgen, een reële kans op takbreuk geven. Wanneer deze op risicovolle plaatsen staan, hetgeen hier het geval is, zal daarom vanuit deze gevaarzetting voor kap of preventief snoeien moeten worden gekozen.

5.4.2.

In een rapportage van 31 oktober 2016 heeft boomdeskundige L. Rademaker onder meer aangegeven dat als het pad langs de bomen niet meer toegankelijk is, deze bomen vanuit veiligheidsoogpunt zouden kunnen blijven staan. Echter de intensief gebruikte gebieden nabij boom 5, 11 en ook 12, 13 en 14 kunnen niet worden afgesloten. Deze bomen

dienen daarom vanuit het oogpunt van gevaarzetting te worden geveld. Om deze plannen verder vorm te geven dient langs de bomen 15, 16 en 17 een nieuw voet- en fietspad te worden aangebracht. Dit veroorzaakt dusdanige schade bij de graafwerkzaamheden in het wortelpakket, dat deze populieren extra in conditie achteruit gaan en een verhoogd risico op windworp krijgen. Om deze reden dienen deze bomen geveld te worden. De eventueel te behouden bomen (6 tot en met 10) hebben een sterk verminderde vitaliteit waarbij (rekening houdend met de boomsoort en leeftijd) herstel uitgesloten is. De bomen staan circa zeven tot acht meter uit elkaar. De boomkronen zijn gesloten en in elkaar gegroeid. Daardoor ontstaat er aan de binnenzijde van deze kronen een opener takstructuur met meer afgestorven hout. De binnenzijde van deze kronen zal, door het vellen van bomen uit de groep, ‘anders in de wind komen te staan’. Hierdoor zal een gewijzigde windbelasting ontstaan, waardoor extra kans op takbreuk zal ontstaan. Herstel van de kronen is uitgesloten. De populieren gaan daardoor in conditie versneld achteruit.

5.4.3.

Dat de door verzoeker ingeschakelde boomdeskundige een andere waardering geeft met betrekking tot de vitaliteit van de betreffende populieren en dat die door onderhoud en een andere wijze van snoeien mogelijk behouden zouden kunnen blijven, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer met zich dat verweerder de bevindingen van de in deze materie gespecialiseerde medewerkers, die bovendien worden onderschreven door de door verweerder ingeschakelde boomdeskundige L. Rademaker en het eerdere faseringsadvies van Grontmij, niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat er tussen de deskundigen geen verschil van mening bestaat over de geconstateerde worteldruk van de populieren en over het feit dat takbreuk bij de onderhavige, oude populieren voorkomt. Verder bestaat er tussen de deskundigen geen verschil van mening dat takbreuk bij de onderhavige populieren, gelet op de situering in de onmiddellijke nabijheid van intensief gebruikte gebieden en een voet- en fietspad, tot gevaarzetting kan leiden. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder de bevindingen van de gespecialiseerde medewerkers, onderschreven door de door verweerder ingeschakelde externe boomdeskundige, aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Van een onzorgvuldig tot stand gekomen of inhoudelijk onjuist rapport van boomdeskundige L. Rademaker is de voorzieningenrechter niet gebleken. Dat de door verzoeker ingeschakelde boomdeskundige drs. H.E. van der Lans een andere kijk heeft op het onderhoud en de wijze van snoeien van de populieren maakt dit niet anders.

5.5.

Gelet op de bevindingen van de gespecialiseerde medewerkers voor wat betreft de vitaliteit van de populieren, de geconstateerde worteldruk en takbreuk alsmede voormelde rapportage van boomdeskundige L. Rademaker heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter het verwijderingsbelang kunnen laten prevaleren boven het belang van het behoud van de populieren. Niet gezegd kan worden dat de uitkomst van de door verweerder verrichte belangenafweging in dit geval kennelijk onredelijk is. Deze grond van verzoeker slaagt niet.

6.1.

Verzoeker betoogt dat verweerder een onjuiste indruk geeft voor wat betreft de uitvoering van het beheerplan. In dit verband wijst verzoeker erop dat in lijn met het collegevoorstel van 9 december 2014 verweerder afspraken heeft gemaakt met de omwonenden van de Sibrandaheerd. De eerste afspraak is dat het meest westelijke deel van de Zuidwending voortaan deel uitmaakt van het plantsoen Sibrandaheerd. Volgens verzoeker betekent dit dat de voetgangersbrug Toppingaheerd nu de grens is tussen de Zuidwending en plantsoen Sibrandaheerd. De tweede afspraak is dat de bomen in het plantsoen zullen blijven staan, totdat er een plan ligt dat de goedkeuring heeft van verzoeker en de andere omwonenden. In de visie van verzoeker zijn voormelde afspraken tijdens het omwonenden-overleg in 2016 genegeerd dan wel aan de kant geschoven, hetgeen volgens hem in essentie contractbreuk is. In zoverre doet verzoeker een beroep op het vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing daarvan wijst verzoeker op een e-mailbericht van 1 oktober 2015 van de ambtelijk medewerker P. Homan, waarin wordt aangegeven dat de bomen in het plantsoen blijven staan totdat er een plan ligt dat de goedkeuring van verzoeker en zijn buren heeft.

6.2.1.

Voor zover verzoeker zich in dit geval beroept op het vertrouwensbeginsel, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

6.2.2.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2016:30, volgt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

6.2.3.

In het door verzoeker aangehaalde e-mailbericht van 1 oktober 2015 heeft de ambtelijk medewerker P. Homan onder meer aangegeven dat toegezegd is om met verzoeker in overleg te gaan om de wensen en opmerkingen die aanwonenden hebben gemaakt, te bespreken en tot een acceptabel plan te komen. Verder is in dit e-mailbericht aangegeven dat het de bedoeling is om op basis van een gesprek tussen ambtelijk medewerker L. Dijkstra en verzoeker met een voorstel te komen dat besproken kan worden met verzoeker en zijn buren. Daarbij is in het e-mailbericht aangegeven dat dit concreet betekent dat de bomen in het plantsoentje, die in eerste instantie aangemerkt waren om te worden gekapt, blijven staan, totdat er een plan ligt dat de goedkeuring van verzoeker en zijn buren heeft.

6.2.4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de context van voormeld e-mailbericht dient te worden afgeleid dat de omwonenden bij het besluitvormingsproces zouden worden betrokken en hun voorkeur met betrekking tot het inrichtingsplan naar voren konden brengen. In de visie van verweerder zijn de omwonenden in dit geval betrokken in het besluitvormingsproces en heeft het merendeel van de omwonenden ingestemd met het definitieve inrichtingsplan, waarna de omgevingsvergunning is verleend.

6.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit kappen, berust bij verweerder. De voorzieningenrechter overweegt verder dat, hoewel de formulering van de tekst in voormeld e-mailbericht stellig is, een redelijke uitleg daarvan, mede gezien in de context en de strekking van het e-mailbericht, met zich brengt dat het de bedoeling is (geweest) dat verzoeker en de andere omwonenden zullen worden betrokken bij de totstandkoming van het definitieve inrichtingsplan en het besluitvormingsproces rond de te verlenen omgevingsvergunning. Gelet hierop volgt de voorzieningenrechter niet de verstrekkende uitleg van verzoeker dat uit voormeld e-mailbericht valt af te leiden dat alle omwonenden met het definitieve inrichtingsplan moeten instemmen, alvorens een omgevingsvergunning door verweerder kon worden verleend. Uit het voorgaande volgt dat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake is van een concrete, ondubbelzinnige toezegging waaraan verzoeker rechtens de te honoreren verwachting kon ontlenen dat nimmer een omgevingsvergunning voor het kappen van de populieren aan de Sibrandaheerd en omgeving, deel Zuidwending, zou worden verleend zonder zijn instemming. Gelet hierop behoeft de vraag of voormeld e-mailbericht van de ambtelijk medewerker P. Homan verweerder in dit concrete geval bindt thans geen bespreking meer. Deze grond van verzoeker slaagt niet.

7. Voor zover verzoeker betoogt dat de Wet natuurbescherming (Wnb) aan de geplande bomenkap aan de Zuidwending en omgeving in de weg staat vanwege de gevolgen voor de vleermuizen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat de aan verweerder verleende – en nog steeds geldende – ontheffing op grond van artikel 75 van de Ffw betrekking heeft op het project “bomenbeheerplan Beijum”, waarvan de onderhavige omgevingsvergunning voor het kappen van 15 bomen en het knotten van drie wilgen deel uitmaakt. Gelet op de verleende ontheffing en de daaraan ten grondslag gelegde rapportages (activiteitenplan bomen Zuidwending Groningen en kap en herplant bomen Zuidwending Groningen) van 26 juni 2015 van de Grontmij ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om verzoeker te volgen in zijn stelling dat in dit geval niet is voldaan aan het bepaalde in de Wnb. Hieruit volgt dat er thans geen aanleiding bestaat om vanwege de door verzoeker gestelde overtreding van bepalingen van de Wnb het bestreden besluit op voorhand onrechtmatig te achten. Deze grond van verzoeker slaagt niet.

8. Gelet op de voorgaande overwegingen moet de houdbaarheid van het bestreden besluit in de bezwaarfase als overwegend positief worden ingeschat. Hieruit volgt dat er geen aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.

De griffier De voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: