Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3968

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
C/17/151309 / HA ZA 16-266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

artikel 3:180 BW. Schuldeiser vordert verdeling van nalatenschappen teneinde zich op het aandeel van de schuldenaar daarin te kunnen verhalen.

Geen misbruik van bevoegdheid. Eiser dient de andere erfgenaam op te roepen ex artikel 118 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0233
JERF 2017/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/151309 / HA ZA 16-266

Vonnis van 18 oktober 2017

in de zaak van

[X] ,

wonende te [plaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. F.M. Schmitz te Arnhem,

tegen

[Y] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. B.P. van der Togt te Drachten.

Partijen zullen hierna [X] en [Y] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 januari 2017

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 7 april 2017, en de ter gelegenheid van de zitting door [X] in het geding gebrachte producties 6 tot en met 8 en de door [Y] in het geding gebrachte producties 26 en 27

  • -

    het B16-formulier van 31 mei 2017 van mr. Van der Togt en de brief van 9 juni 2017 van mr. Schmitz naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie

  • -

    de akte houdende wijziging eis van [X]

  • -

    de (aangepaste) antwoordakte in conventie van [Y]

  • -

    de brief van 12 juli 2017 van mr. Schmitz, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de (aangepaste) antwoordakte in conventie van [Y] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Gelet op de gevoerde correspondentie naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie overweegt de rechtbank dat het proces-verbaal correctie behoeft. Op pagina 4, 3e alinea dient in plaats van "Op deze overeenkomst is tevens hoofdelijkheid van toepassing", te worden gelezen "Op deze overeenkomst is geen hoofdelijkheid van toepassing". Voor het overige blijft het proces-verbaal in stand.

2 De feiten

2.1.

[Y] en haar broer, de heer [A] , zijn de gezamenlijke erfgenamen van hun in 2014 respectievelijk 1999 overleden ouders, de heer [naam vader] en mevrouw [naam moeder] (hierna: de erflaters). De nalatenschappen van de erflaters zijn tot op heden onverdeeld.

2.2.

[Y] is tot 28 september 2016 op huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest met de heer [B] (hierna: [B] ).

2.3.

Bij particuliere hypotheek akte van 4 december 2005 heeft [Y] tot een bedrag van € 617.500,00 inclusief rente en kosten een recht van hypotheek aan [X] verleend op haar woning te [postcode] [plaats] aan de [adres] "tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser [opm. rechtbank: bedoeld wordt [X] ] blijkens zijn administratie van hen (…) [opm. rechtbank: bedoeld worden [Y] en [B] ], zowel van hen tezamen als van ieder van hen afzonderlijk te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken andere hoofde ook".

2.4.

[X] heeft uit hoofde van diverse overeenkomsten van geldlening de navolgende bedragen aan [Y] respectievelijk aan [Y] en [B] gezamenlijk ter beschikking gesteld:

- de overeenkomst d.d. 29 juni 2010: € 150.000,00 (tegen 8% rente per jaar)

- de overeenkomst d.d. 31 maart 2011: € 150.000,00 (tegen 6% rente per jaar)

voor de terugbetaling waarvan [B] zich mede verantwoordelijk/aansprakelijk heeft gesteld, en

- de overeenkomst d.d. 1 mei 2012: € 180.000,00 (tegen 5% rente per jaar)

- de overeenkomst d.d. 4 december 2012: € 75.000,00 (tegen 5% rente per jaar)

welke leningen aan [Y] en [B] gezamenlijk - zonder dat ter zake daarvan hoofdelijkheid is overeengekomen - zijn verstrekt.

2.5.

Bij hypotheek akte van 29 juni 2010 heeft [Y] tot een bedrag van € 210.000,00 inclusief rente en kosten een recht van hypotheek aan [X] verleend op de woning te [plaats en adresgegevens] tot zekerheid van de terugbetaling van een hoofdsom van € 150.000,00 uit hoofde van een geldlening (tegen 6% rente per jaar), welke hoofdsom [Y] en [B] in diezelfde akte erkennen aan [X] schuldig te zijn.

2.6.

Bij brief van 20 maart 2015, gericht aan [Y] , heeft [X] (onder meer) voornoemde overeenkomsten van geldlening opgezegd en per direct opgeëist.

2.7.

De woning te [plaats] is in 2015, nadat [X] kenbaar had gemaakt het daarop ten gunste van hem gevestigde recht van hypotheek te zullen gaan uitwinnen, onderhands verkocht. Van de verkoopopbrengst is een bedrag van € 330.000,00 aan [X] afgelost.

2.8.

[X] heeft op 11 oktober 2016 ten laste van [Y] conservatoir beslag gelegd op haar onverdeelde aandelen in de nalatenschappen van de erflaters.

2.9.

Bij exploot van 25 januari 2017 heeft de deurwaarder op verzoek van [X] aangezegd dat zal worden overgegaan tot executie van het recht van hypotheek op de woning te [plaats] . Blijkens een taxatierapport van 27 december 2016 van Hellema Makelaars bedraagt de marktwaarde van de woning te [plaats] € 135.000,00 en de executiewaarde daarvan € 120.000,00.

3 De vordering in conventie

3.1.

[X] vordert - na wijziging van eis - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat:

- [Y] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [X] te betalen een bedrag van € 397.500,00 te vermeerderen met de overeengekomen rente zoals vermeld in de in de dagvaarding vermelde overeenkomsten van geldlening vanaf de diverse data van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening, alsmede [Y] veroordeelt in de kosten van deze procedure, de kosten van beslaglegging daaronder begrepen;

- [Y] veroordeelt om mee te werken aan de verdeling van de nalatenschappen van de erflaters;

- mr. C. Krijger, notaris te Leeuwarden, benoemt als notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van verdeling van voormelde zullen geschieden;

- bepaalt dat [Y] voor genoemde notaris dient te verschijnen op door deze te bepalen tijd en plaats;

- mr. T.E. Heslinga, advocaat te Leeuwarden, als onzijdig persoon benoemt.

3.2.

[Y] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De vordering in reconventie

4.1.

[Y] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, opheft het op 11 oktober 2016 op verzoek van [X] gelegde conservatoir (verhaals)beslag op de onverdeelde aandelen in de nalatenschappen van de erflaters, waartoe onder andere [Y] als deelgenoot gerechtigd is, dan wel [X] veroordeelt om het hiervoor vermelde conservatoir beslag binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis opheft, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag (een dagdeel daaronder begrepen) indien [X] nalatig blijft aan de veroordeling tot opheffing van het beslag te voldoen, met een maximum van € 25.000,00 aan de te verbeuren dwangsommen, alles met veroordeling van [X] in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten, welke te begroten zijn op € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening.

4.2.

[X] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 Het geschil en de beoordeling daarvan

in conventie

5.1.

Bij akte wijziging eis heeft [X] zijn eis gewijzigd/vermeerderd. Aangezien [Y] geen bezwaar tegen heeft gemaakt tegen de wijziging van eis en de rechtbank ambtshalve geen aanleiding ziet om deze wijziging van eis buiten beschouwing te laten wegens strijd met de regels van een goede procesorde, zal recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

5.2.

In het bezwaar van [X] tegen de (aangepaste) antwoordakte in conventie van [Y] heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om - zoals mr. Schmitz heeft verzocht in zijn brief van 12 juli 2017 - het betreffende processtuk te weigeren. Het staat [Y] vrij om bij antwoordakte ook (enkel) in materiële zin te reageren op de wijzigingen van eis. Wel zal de rechtbank bij de beoordeling het onder punt 5 van deze antwoordakte gestelde (ter zake van de gevorderde rente) buiten beschouwing laten, omdat de vordering op dat punt niet gewijzigd is.

5.3.

[X] legt - samengevat - het volgende aan de vordering ten grondslag. [X] vordert terugbetaling van de uit hoofde van overeenkomsten van geldlening aan (onder andere) [Y] ter leen verstrekte geldbedragen, op grond waarvan [Y] volgens hem per saldo nog € 397.500,00 in hoofdsom verschuldigd is. Naast de hiervoor onder 2.4 genoemde overeenkomsten van geldlening, is er volgens [X] ook sprake geweest van een mondelinge overeenkomst van geldlening van 14 december 2005 ten bedrage van € 420.000,00, waarop in 2007 een aflossing van € 120.000,00 is gedaan zodat een bedrag van € 300.000,00 resteert. Ter comparitie heeft [X] nader toegelicht dat hij op grond van die mondelinge overeenkomst gelden heeft verstrekt ten behoeve van de financiering van de aankoop van de woning te [plaats] . Hiertoe heeft hij een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij op boekdatum 2 november 2005 een bedrag van € 445.125,81 naar het notariskantoor Detmar en Troost heeft overgemaakt onder vermelding van [plaats en adresgegevens] . Verder is er volgens hem in 2007 een bedrag van € 200.000,00 terugbetaald, waarvan een gedeelte groot € 120.000,00 op de betreffende hoofdsom in mindering is gebracht. Hiertoe heeft hij een maandoverzicht van zijn bankrekening overgelegd waaruit blijkt dat hij op boekdatum 17 februari 2007 een bedrag van € 200.000,00 heeft ontvangen van Driespan B.V. te Zurich onder vermelding van "bekend". Volgens [X] heeft hij de afspraken weliswaar met [B] gemaakt, maar moet [Y] als schuldenaar worden aangemerkt omdat de woning te [plaats] op haar naam is gezet. [X] vordert op grond van artikel 3:180 lid 1 BW dat de nalatenschappen van de erflaters verdeeld worden, opdat hij zich op de aandelen van [Y] daarin kan verhalen.

5.4.

[Y] stelt zich - samengevat - op het standpunt dat [X] misbruik van bevoegdheid maakt door verdeling van de nalatenschappen van de erflaters te vorderen, omdat de woning te [plaats] bij de aangezegde executie voldoende zal opbrengen om hetgeen zij aan hem verschuldigd is - volgens haar een bedrag van ten hoogste € 37.750,00 - te voldoen. Ook stelt [Y] zich op het standpunt dat haar broer, [A] , ten onrechte niet in deze procedure is betrokken.

5.5.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld wat [Y] uit hoofde van de diverse overeenkomsten van geldlening aan [X] verschuldigd is. In dat verband heeft [Y] om te beginnen het bestaan van de door [X] gestelde mondelinge overeenkomst van 14 december 2005 betwist. Ter comparitie heeft zij nader toegelicht dat haar weliswaar intussen gebleken is dat [X] het geld voor de woning te [plaats] heeft overgemaakt, maar stelt zij zich op het standpunt dat niet zij maar [B] daarover met [X] een overeenkomst gesloten heeft.

5.6.

De rechtbank stelt voorop dat het aan [X] is om, ter voldoening aan zijn stelplicht, zijn vordering met voldoende feiten en omstandigheden te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat [X] dit heeft nagelaten, waartoe het volgende wordt overwogen. Vast staat dat de woning te [plaats] is gefinancierd met gelden die afkomstig zijn van [X] en dat daarover tussen partijen geen contact is geweest. Gesteld noch gebleken is dat [B] (mede) namens [Y] afspraken heeft gemaakt over de terugbetaling van die door [X] verstrekte gelden, nog daargelaten de vraag of hij daartoe wel bevoegd was. Het enkele feit dat de woning te [plaats] is aangekocht met gelden die [X] heeft verstrekt en vervolgens door [Y] in eigendom is verkregen, acht de rechtbank onvoldoende om haar als schuldenaar aan te merken. In de particuliere hypotheek akte van 4 december 2015, waarnaar [X] in dit verband verwijst, is niet gespecificeerd tot zekerheid van welke geldleningen en/of kredieten het recht van hypotheek door [Y] aan [X] is verleend; die akte vormt daarom geen bewijs van het bestaan van de gestelde mondelinge overeenkomst. Hierbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat uit de door [Y] bij de conclusie van antwoord in conventie overgelegde producties kan worden opgemaakt dat [X] ook gelden verstrekt heeft aan [B] c.q. de besloten vennootschap Driespan B.V., zonder dat [Y] daarbij contractspartij was. Tot slot zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat [Y] zich op enig moment als schuldenaar van [X] heeft gedragen. In dat verband heeft [Y] onweersproken gesteld dat zij nooit rente heeft betaald en/of aflossingen heeft gedaan aan [X] in verband met de financiering van de woning te [plaats] . De aflossing die volgens [X] in 2007 heeft plaatsgevonden is blijkens het door hem overgelegde afschrift afkomstig van Driespan B.V.; daaruit valt niet op te maken dat de aflossing (mede) namens [Y] heeft plaatsgevonden. De slotsom is dat de stellingen van [X] onvoldoende onderbouwd zijn, zodat aan het door hem gedane (algemene) bewijsaanbod voorbij zal worden gegaan.

5.7.

Daarmee is niet vast komen te staan dat er sprake is van een tussen partijen gesloten mondelinge overeenkomst van 14 december 2005, zodat de tot betaling strekkende vordering van [X] voor het betreffende gedeelte - een bedrag van € 300.000,00 in hoofdsom te vermeerderen met rente - voor afwijzing gereed ligt. Gelet hierop hoeven de (meer) subsidiaire verweren van [Y] , die kort gezegd een beroep op verjaring en rechtsverwerking behelzen, geen bespreking.

5.8.

Het bestaan van de hiervoor onder 2.4 genoemde overeenkomsten van geldlening is wel door [Y] erkend. Zij stelt zich echter op het standpunt dat naast het afgeloste bedrag van € 330.000,00, nog een bedrag van in totaal € 59.750,00 in mindering moet worden gebracht in verband met diverse betalingen die in de jaren 2010 tot en met 2015 aan [X] zijn gedaan. Ter comparitie heeft [X] in reactie hierop aangevoerd dat het om rentebetalingen gaat, hetgeen [Y] op haar beurt bevestigd heeft. Aangezien de vordering ook betrekking heeft op de overeengekomen rente uit hoofde van de onder 2.4 genoemde overeenkomsten van geldlening, zal toepassing moeten worden gegeven aan het bepaalde in artikel 6:44 lid 1 BW, op grond waarvan betalingen eerst in mindering strekken van de kosten en de rente. Daarbij zal tot uitgangspunt worden genomen dat alle betalingen betrekking hebben op de hiervoor onder 2.4 genoemde overeenkomsten, nu het tegendeel daarvan gesteld noch gebleken is.

5.9.

Ter zake van de overeengekomen rente vordert [X] betaling vanaf "de diverse data van opeisbaarheid", zonder deze data nader te concretiseren. De rechtbank zal gelet hierop uitgaan van datum waarop [X] per brief (onder meer) de onderhavige overeenkomsten van geldlening heeft opgezegd en opgeëist, namelijk 20 maart 2015.

5.10.

Gelet op het voorgaande is [Y] het volgende aan [X] verschuldigd, en zal de tot betaling strekkende vordering, te zijner tijd bij eindvonnis, worden toegewezen als volgt:

- uit hoofde van de overeenkomst d.d. 29 juni 2010: € 150.000,00, te vermeerderen met 8% rente daarover vanaf 20 maart 2015,

- uit hoofde van de overeenkomst d.d. 31 maart 2011: € 150.000,00, te vermeerderen met 6% rente daarover vanaf 20 maart 2015,

- uit hoofde van de overeenkomst d.d. 1 mei 2012: het deel waarvoor [Y] verbonden is ten bedrage van € 90.000,00, te vermeerderen met 5% rente daarover vanaf 20 maart 2015,

- uit hoofde van de overeenkomst d.d. 4 december 2012: het deel waarvoor [Y] verbonden is ten bedrage van € 37.500,00, te vermeerderen met 5% rente daarover vanaf 20 maart 2015,

- waarop in mindering dienen te worden gebracht de betalingen van een bedrag van € 330.000,00 en de betalingen van bedragen van in totaal € 59.750,00, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 lid 1 BW en uitgaande van de verschillende data waarop die betreffende betalingen hebben plaatsgevonden.

5.11.

Daarmee komt de rechtbank thans toe aan beantwoording van de vraag of, zoals [Y] stelt, [X] misbruik van bevoegdheid maakt door verdeling van de nalatenschappen van de erflaters te vorderen. Hiervan kan slechts onder bijzondere omstandigheden sprake zijn. Misbruik van recht kan onder meer worden aangenomen als [X] geen redelijk te respecteren belang heeft bij het vorderen van verdeling, mede gelet op de belangen aan de zijde van [Y] die daardoor zullen worden geschaad, of als er aan de zijde van [Y] een noodsituatie zou ontstaan. Ook kan hiervan sprake zijn als [X] het recht uitoefent met geen ander doel dan het schaden van [Y] , of als hij zijn recht uitoefent met een ander doel dan waarvoor het is verleend. Van dit alles is niet gebleken. Het enkele feit dat [X] een ander zekerheidsrecht kan uitoefenen, wat voldoende zou kunnen opbrengen om het totale verschuldigde bedrag te voldoen, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. Daarbij wordt opgemerkt dat uit de stellingen van partijen blijkt dat de hypotheek akte van 29 juni 2010 alleen betrekking heeft op de overeenkomst van diezelfde datum, zodat [X] zich bij executie van de woning te [plaats] alleen voor dat gedeelte van de vordering zal kunnen verhalen. Om dezelfde redenen als hier vermeld, gaat ook het beroep van [Y] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet op.

5.12.

Er kan kortom op grond van artikel 3:180 lid 1 BW verdeling van de nalatenschappen van de erflaters worden gevorderd, doch niet verder dan nodig is voor het verhaal van de vordering van [X] op [Y] . [Y] heeft verder nog ten verwere aangevoerd dat ten onrechte haar broer, [A] , niet in deze procedure is betrokken. De rechtbank oordeel hierover als volgt. Een vordering tot verdeling van een nalatenschap betreft in beginsel een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding). Dat betekent dat de rechter de beslissing over die verdeling slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt (vgl. o.m. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411). Aangezien [X] uitdrukkelijk heeft verzocht om [A] op te mogen roepen en [Y] ter comparitie kenbaar heeft gemaakt zich daartegen niet te verzetten, zal [X] alsnog in de gelegenheid worden gesteld om een exploot op de voet van artikel 118 Rv uit te brengen. Nu volgens [Y] haar broer zich in Brazilië bevindt, zal de rechtbank een termijn van vier maanden bepalen waarbinnen de oproeping dient te hebben plaatsgevonden.

5.13.

In afwachting daarvan zal iedere verdere beslissing in conventie worden aangehouden.

in reconventie

5.14.

[Y] stelt zich - samengevat - op het standpunt dat [X] ten onrechte beslag heeft gelegd op haar aandelen in de onverdeelde nalatenschappen van de erflaters, waartoe zij verwijst naar hetgeen zij in conventie tot haar verweer tegen de vordering heeft aangevoerd. Gelet op het in conventie gegeven oordeel, in het bijzonder het oordeel dat [X] de andere deelgenoot in de nalatenschappen van de erflaters alsnog dient op te oproepen, zal ook iedere verdere beslissing in reconventie worden aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

staat [X] toe om [A] alsnog op voet van artikel 118 Rv als partij in het geding op te roepen en aan hem het procesdossier te betekenen;

6.2.

verwijst de zaak naar de rol van 21 februari 2018 om [X] in de gelegenheid te stellen het exploot waarmee [A] wordt opgeroepen ter griffie in te dienen en op de rol te laten inschrijven;

voorts in conventie en in reconventie

6.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 18 oktober 2017.1

1 588