Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3918

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
18/730177-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden voor het aanwezig hebben, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van speed, GHB en XTC.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730177-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 oktober 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 september 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.A. de Boer, advocaat te Sneek.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 oktober 2016 tot en met 1 juni 2017, te of bij Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (GHB) en/of

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA (XTC),

zijnde amfetamine en/of 4-hydroxyboterzuur en/of MDMA (3,4-methyleendioxy-methamfetamine) (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 2 juni 2017 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ( in totaal) ongeveer 6,83 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of

- ( in totaal) ongeveer 101,27 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (GHB) en/of

- ( in totaal) ongeveer 14,72 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine),

zijnde amfetamine en/of 4-hydroxyboterzuur en/of MDMA (3,4-methyleendioxy-methamfetamine) (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 1 mei 2017 te Drachten, (althans in de gemeente Smallingerland, opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ( in totaal) ongeveer 18,33 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of

- ( in totaal) ongeveer 26,91 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (GHB) en/of

- ( in totaal) ongeveer 5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine),

zijnde amfetamine en/of 4-hydroxyboterzuur en/of MDMA (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde heeft zij zich op het standpunt gesteld dat op basis van de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 3] wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte speed, GHB en XTC heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd in de periode van januari 2017 tot en met 1 juni 2017.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 2. en 3. ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen en dat ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde feit kan worden bewezen dat verdachte in enige mate heeft gedeald in harddrugs in de maanden april en mei 2017. De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde voor zover dit de periode vóór april 2017 betreft. Hij heeft daartoe aangevoerd dat slechts één getuige spreekt over oktober 2016 en één getuige over januari 2017.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft duidelijk en ondubbelzinnig bekend dat hij in de periode van april 2017 tot en met 1 juni 2017 speed, GHB en XTC heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd. Ook de onder 2. en 3. ten laste gelegde feiten heeft verdachte duidelijk en ondubbelzinnig bekend. Daarom volstaat de rechtbank ten aanzien van het gedeelte van het onder 1. ten laste gelegde dat de periode van april 2017 tot en met 1 juni 2017 betreft en ten aanzien van het onder 2. en 3. ten laste gelegde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 september 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 2 mei 2017, opgenomen op pagina 54 en verder van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 3 juni 2017, opgenomen op pagina 131 en verder van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juni 2017, opgenomen op pagina 29 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [naam] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen d.d. 26 mei 2017, opgenomen op pagina 38 en verder van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten [naam] en [naam] ;

6. een kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL0100-2017142982-13, opgenomen op pagina 66 en verder van voornoemd dossier;

7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verdovende middelen d.d. 20 juni 2017, opgenomen op pagina 85 en verder van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten [naam] en [naam] ;

8. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.06.23.263, d.d. 3 juli 2017 opgemaakt door ing. [naam] , op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, inhoudende haar verklaring;

9. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 8 juni 2017, opgenomen op pagina 105 en verder van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam] ;

10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 4 juni 2017, opgenomen op pagina 122 en verder van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] .

Verdachte heeft niet duidelijk en ondubbelzinnig bekend dat hij speed, GHB en XTC heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd in de periode van 20 oktober 2016 tot en met maart 2017. De rechtbank acht dit gedeelte (van de periode) van het onder 1. tenlastegelegde evenwel wettig en overtuigend bewezen op grond van na te noemen bewijsmiddelen.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 1 mei 2017, opgenomen op pagina 43 en verder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017142982 d.d. 25 juli 2017, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Ik heb één à twee keer eerder GHB van [verdachte] gekocht. In januari 2017 heb ik voor het eerst van hem gekocht. De GHB werkt goed. Het geeft mij een gevoel van dronken zijn, zonder de nadelen. Ik heb één à twee keer speed gekocht van [verdachte] . De uitwerking was goed.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 3 juni 2017, opgenomen op pagina 118 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

Ik heb van oktober 2016 tot en met april 2017 mijn speed gekocht bij [verdachte] . Ik kocht in deze periode twee keer per maand bij [verdachte] . Ik werd helder/fitter van deze speed. Ook haalde ik wel eens speed voor een ander bij [verdachte] , dit is in deze periode ongeveer vijf keer voorgevallen. Ik heb ook wel eens een XTC-pilletje van [verdachte] gekocht. Dit is in deze periode drie keer gebeurd. Ik heb wel eens GHB geprobeerd. Ik vond dit helemaal niets. Ik werd hier een beetje duf van. Ik kreeg dit toen van [verdachte] . Dit was ongeveer drie maanden geleden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 20 oktober 2016 tot en met 1 juni 2017 te Drachten meermalen opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd,

- hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en

- hoeveelheden van materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (GHB) en

- hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA (XTC),

zijnde amfetamine, 4-hydroxyboterzuur en MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 2 juni 2017 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- in totaal ongeveer 6,38 gram van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en

- in totaal ongeveer 101,27 gram van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (GHB) en

- in totaal ongeveer 7,74 gram van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxy-methamfetamine),

zijnde amfetamine, 4-hydroxyboterzuur en MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 1 mei 2017 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- in totaal ongeveer 18,33 gram van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en

- in totaal ongeveer 26,91 gram van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (GHB) en

- in totaal ongeveer 5 gram van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxy-methamfetamine),

zijnde amfetamine, 4-hydroxyboterzuur en MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

ten aanzien van het verkopen en afleveren

de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het verstrekken en vervoeren

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

3.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de tijd die verdachte tot de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft hij gepleit voor het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten, dat de periode waarin verdachte harddrugs heeft verkocht en verstrekt slechts twee maanden heeft geduurd, dat de handel in harddrugs weinig intensief was, dat verdachte niet het opzet heeft gehad harddrugs te verkopen aan minderjarigen, dat de reclassering positief is over verdachte en dat verdachte gemotiveerd is om zijn leven te veranderen en uit het drugsmilieu te geraken.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim zeven maanden gehandeld in speed, GHB en XTC. Daarnaast heeft hij tweemaal een relatief grote hoeveelheid van deze harddrugs in zijn bezit gehad. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte harddrugs verkocht om te kunnen voorzien in zijn eigen drugsgebruik en dat hij daar geen groot financieel voordeel van heeft gehad. Door zo te handelen heeft verdachte echter de gezondheid van zijn afnemers ernstig in gevaar gebracht. Daarbij komt dat drugsgebruikers het geld dat zij nodig hebben om de drugs te kopen veelal verkrijgen door middel van diefstal of ander crimineel handelen, waardoor de samenleving aanzienlijke schade wordt toegebracht. De rechtbank houdt verdachte hiervoor mede verantwoordelijk.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank voorts mee dat hij harddrugs heeft verkocht aan minderjarigen. In verdachtes voordeel weegt de rechtbank mee dat verdachte, uitgaande van de beschikbare bewijsmiddelen, gedurende het grootste deel van bewezenverklaarde periode slechts één of twee afnemers had en dat de omvang van de handel in harddrugs in die periode beperkt was.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte vóór de bewezenverklaarde periode niet eerder is veroordeeld voor overtredingen van de Opiumwet.

Uit het rapport van de reclassering blijkt dat verdachte gedurende het afgelopen jaar is afgegleden ten gevolge van de verbreking van zijn relatie en het verliezen van zijn baan. Verdachte heeft al meerdere trajecten doorlopen bij Verslavingszorg Noord Nederland (hierna: VNN), maar is steeds weer teruggevallen in het gebruik van harddrugs. Het lukt hem niet om zijn leven zelfstandig op orde te krijgen, wat waarschijnlijk een gevolg is van zijn drugsgebruik. Het is onduidelijk of bij verdachte sprake is van bijkomende of achterliggende psychische problematiek. Er zijn problemen ten aanzien van de woonsituatie, de dagbesteding, het sociale netwerk, de omgang met de ex-partner en dochter en het drugsgebruik. Vanuit reclasseringsoogpunt is het van belang dat binnen een duidelijk en verplicht kader wordt ingezet op hulp voor verdachte op meerdere leefgebieden. De reclassering acht de kans op recidive hoog gemiddeld als er niets verandert in verdachtes situatie. De reclassering heeft geadviseerd verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij het Leger des Heils, de verplichting mee te werken aan een intake en een behandeltraject bij VNN, de verplichting om zich te houden aan de aanwijzingen die in het kader van die behandeling worden gegeven, ook als dit inhoudt dat verdachte meewerkt aan urinecontroles, en de verplichting om mee te werken aan verdiepingsdiagnostiek.

Op grond van de door de rechtbank gehanteerde landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is het uitgangspunt dat voor het met enige regelmaat verkopen, afleveren en verstrekken van gebruikershoeveelheden harddrugs op straat gedurende een periode van meer dan drie maanden, doch minder dan zes maanden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden wordt opgelegd.

De rechtbank acht deze straf in het geval van verdachte passend. De rechtbank is echter van oordeel dat het met het oog op de toekomst van verdachte en het voorkomen van recidive wenselijk is dat verdachte wordt begeleid en behandeld, zoals is geadviseerd door de reclassering, en dat hier op korte termijn mee kan worden begonnen. Daarom zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een langere gevangenisstraf dan in de oriëntatiepunten is vermeld, maar zal zij de helft daarvan voorwaardelijk opleggen. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 56, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijf maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij de reclassering van het Leger des Heils, op het adres Floris Versterstraat 2 te Leeuwarden, en dat hij zich daarna blijft melden zolang en zo frequent als de reclassering dit gedurende de proeftijd van twee jaren noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde meewerkt aan een intake bij VNN en dat hij zich onder behandeling zal stellen van VNN of een soortgelijke door de reclassering te bepalen instelling voor (forensische) verslavingszorg, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, en dat hij zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van deze behandeling door of namens deze instelling worden gegeven, ook als deze inhouden dat hij meewerkt aan urinecontroles, zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd van twee jaren noodzakelijk acht;

3. dat de veroordeelde meewerkt aan verdiepingsdiagnostiek, uit te voeren door VNN, de polikliniek Forensische Psychiatrie of een andere door de reclassering aan te wijzen instelling.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober 2017.