Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3881

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
C/17/143834 / HA ZA 15-267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid tussenpersoon na beëindiging AVB-verzekering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/143834 / HA ZA 15-267

Vonnis in vrijwaring van 11 oktober 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. O.J. Klabou te Sneek,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOELAARS & LAMBERT GROEP B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. O.B. Zwijnenberg te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [X] en Boelaart & Lambert genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Bij dagvaarding van 27 maart 2017 heeft Achmea Schadeverzekeringen N.V. [X] gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, sector civiel, locatie Leeuwarden. Deze procedure is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer C/17/140959 HA ZA 15-91. Bij conclusie voor alle weren heeft [X] gevorderd om Boelaars & Lambert , en daarnaast nog twee andere partijen, in vrijwaring te mogen oproepen. Bij incidenteel vonnis van 22 juli 2015 heeft de rechtbank deze vordering toegewezen.

1.2.

Twee van de toegewezen vrijwaringsvorderingen hebben geleid tot oproeping in vrijwaring. In de zaak met zaaknummer C/17/143807/HAZA 15-265 word heden tezamen met de hoofdzaak vonnis gewezen. In de onderhavige zaak wordt heden eveneens vonnis gewezen.

1.3.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek, tevens akte tot wijziging van eis

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[X] exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met werkzaamheden betreffende het mixen en pompen van mest, het reinigen van mestsilo's en het verrichten van onderhoud en reparaties aan mestopslagen. De directeur van [X] is [X] . Boelaars & Lamberts is een assurantiemakelaar en zij adviseert en bemiddelt bij de totstandkoming van verzekeringsovereenkomsten.

2.2.

Vanaf medio 2009 beheerde Boelaars & Lambert de verzekeringsportefeuille van [X] . De contactpersoon van Boelaars & Lambert voor [X] was de heer [M] .

Tot de verzekeringen van [X] behoorde een bij ASR Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ASR) afgesloten bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering, een zogenaamde AVB-polis. De dekking van deze verzekering betrof een algemene aansprakelijkheid (dekking 1) en een werkgeversaansprakelijkheid (dekking 2).

2.3.

Bij brief van 25 juli 2012 heeft ASR, voor zover van belang, het navolgende aan [X] bericht:

"U heeft bij ons (…) een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven en beroepen lopen.

Vanwege het schadeverloop wensen wij deze verzekering niet langer voort te zetten. Wij maken gebruik van het (…) recht om deze verzekering op te zeggen.

De verzekering eindigt op 16-04-2013 (contractsvervaldatum) of eerder bij de eerstvolgende schademelding. Vanaf deze datum zal er geen polisdekking meer zijn. (…)"

2.4.

Boelaars & Lambert heeft op 25 juli 2012 een aantal verzekeraars, te weten Allianz, HDI-Gerling en Amlin, benaderd met de vraag of zij bereid waren om een AVB-polis aan [X] aan te bieden. Vanwege de bedrijfsactiviteiten van en het aanzienlijke schadeverloop bij [X] wilden Allianz en Amlin geen dekking verlenen. HDI-Gerling heeft ook gewezen op het schadeverloop bij [X] en aangegeven dat er meer risico-informatie over het bedrijf van [X] nodig zou zijn.

2.5.

Contactpersoon [M] heeft [X] op 24 augustus 2012, 27 februari 2013 en 22 maart 2013 bezocht en van die bezoeken rapporten opgesteld, gedateerd respectievelijk 4 september 2012, 1 maart 2013 en 27 maart 2013. In het bezoekrapport van 4 september 2012 staat onder meer vermeld:

"Met de aangetekende brief d.d. 25.07.2012 heeft ASR vanwege het schadeverloop de polis (…) opgezegd. (…)ASR heeft aangegeven (…) geen nieuwe aanbieding te willen doen, zodat wij de markt zullen moeten onderzoeken naar eventuele nieuwe aanbiedingen. Daartoe hebben wij een volledig ingevuld en ondertekend Aanvraagformulier nodig. Belangrijk onderdeel van het AVF is de RI & E rapportage. Dhr. [N] is al een tijd met deze rapportage bezig en verzekerde verwacht dat de rapportage in de loop van september 20102 gereed zal zijn. (…)."

In het bezoekrapport van 1 maart 2013 staat onder meer:

"Het RI & E onderzoek is nog volop gaande, probleem is hier om de opsteller van de RI & E rapportage op de diverse dagelijkse werkzaamheden in te plannen. (…)

Hierbij aangegeven dat de datum van 16-04-2013 nu snel nadert en dat wij ook tijd nodig hebben om na ontvangst van het AVF + RI & E rapport een aanbieder in de markt te vinden. (…)"

2.6.

Het aanvraagformulier (AVF) voor een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven voor [X] is ingevuld en ondertekend door [M] en [X] op 22 maart 2013.

2.7.

Tussen [M] en [X] is in het voorjaar van 2013 per sms informatie uitgewisseld over de aanvraag van de aansprakelijkheidsverzekering. Daarbij is door [M] onder meer het navolgende bericht:

op 19 april 2013:

"(…) ik heb nog geen uitsluitsel van de AVB collega. Is nog in bespreking met diverse verzekeraars welke niet van enthousiasme staan te juichen (…)",

op 23 april 2013:

"(…) over de AVB Wij zijn met meerdere verzekeraars in gesprek een aantal hebben afgehaakt vanwege het werkgeversrisico (…)",

op 26 april 2013:

"(…) avb besprekingen lopen nog steeds (…)",

op 8 mei 2013:

"(…) betr. de AVB Wij hebben inmiddels een voorlopige dekking kunnen regelen met uitzondering van het werkgeversrisico. (…)",

op 24 mei 2013:

"(…) betr. avb het sluiten van het werkgeversrisico blijft problematisch. (…)",

en op 31 mei 2013:

"Wij zijn nog niet verder ben je woensdag op de zaak om eea te bespreken".

2.8.

Op 8 mei 2013 heeft Boelaars & Lambers met ingang van 16 april 2013 een voorlopige dekking voor bedrijfsaansprakelijkheid voor [X] geregeld, met uitsluiting van werkgeversaansprakelijkheid. In het rapport van een bezoek van [M] aan [X] op 12 juni 2013 is het navolgende vermeld:

"In aansluiting op ons bezoekrapport van 1 maart jl. en met referte aan de diverse contacten met verzekerde over het mogelijk opnieuw afsluiten van deze polis de actuele situatie besproken. Voor het "gewone" aansprakelijkheidsrisico is voorlopige dekking verkregen, helaas ligt het voor het gedeelte werkgeversaansprakelijkheid nog steeds anders. Het ongeval op 404-04-2011 in Luttelgeest wordt zwaar gewogen. Bovendien is uit de RI&E rapportage gebleken dat niet volgens de optimale veiligheidsregels wordt gewerkt. Zonder dekking voor de werkgeversaansprakelijkheid doorgaan met de werkzaamheden is voor verzekerde bijzonder riskant. Verzekerde neemt alle zorg en voorzorg in acht, maar dat is strikt genomen niet voldoende. (…)"

2.9.

Een medewerker verzekeringen van de Rabobank Sneek-Zuidwest Friesland heeft [M] op 14 juni 2013 het navolgende per email bericht:

"In aansluiting op ons telefonisch contact hedenmiddag waarin de verzekeringsportefeuille en met name de opzegging AVB door ASR verzekeringen aan de orde is geweest gaarne uw aandacht voor het volgende.

Relatie [X] heeft ons vandaag te kennen gegeven dat de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering bij ASR in april is opgezegd ivm het schadeverloop en u nog niet in de gelegenheid bent geweest elders verzekeringsdekking te realiseren. (…)"

2.10.

Op 19 juni 2013 zijn bij een ongeval twee personen om het leven gekomen, terwijl zij namens [X] bezig waren met het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden in een mestsilo bij een agrarisch bedrijf. Een van de slachtoffers, de heer [B] , was door [X] ingeleend van uitzendbureau Job Connect. De erven van [B] hebben zowel Job Connect als [X] aansprakelijk gesteld op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW. Achmea Schadeverzekeringen (hierna: Achmea) heeft namens Job Connect de afwikkeling van de aansprakelijkheidsstelling ter hand genomen en is tot uitkering aan de erven [B] overgegaan. Achmea heeft [X] als in de rechten van Job Connect gesubrogeerde verzekeraar vervolgens aansprakelijk gesteld voor de door haar te vergoeden schade. Dit heeft geleid tot de hiervoor onder 1.1. genoemde procedure.

3 Het geschil

3.1.

[X] vordert, na wijziging van eis,

primair

1) te verklaren voor recht dat Boelaars & Lambert jegens [X] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, althans onrechtmatig jegens [X] heeft gehandeld;

2) te bepalen dat Boelaars & Lambert jegens haar verplicht is aan haar te betalen alle bedragen die [X] krachtens vonnis in de hoofdprocedure aan Achmea dient te voldoen onder veroordeling van Boelaars & Lambert tot betaling, althans een in goede justitie te bepalen gedeelte daarvan;

3) althans Boelaars & Lambert te veroordelen tot betaling van schadevergoeding bestaande uit alle bedragen die [X] krachtens vonnis in de hoofdprocedure aan Achmea dient te voldoen;

4) Boelaars & Lambert te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke handelsrente met

ingang van de dag dat [X] de door haar aan Achmea verschuldigde bedragen heeft voldaan, zulks tot aan de dag der algehele voldoening door Boelaars & Lambert ;

subsidiair

5) Boelaars & Lambert te veroordelen tot een billijke bijdrage aan de schadevergoeding indien en voor zover [X] die krachtens vonnis in de hoofdprocedure aan Achmea dient te voldoen;

primair en subsidiair

6) met veroordeling van Boelaars & Lambert in de kosten van de vrijwaringsprocedure;

7) een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

Boelaars & Lambert voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[X] heeft bij conclusie van eis haar vordering vermeerderd in die zin dat zij ten opzichte van de bij dagvaarding geformuleerde vordering aan het onder 2) gevorderde het slot: "althans een in goede justitie te bepalen gedeelte ervan" heeft toegevoegd, alsmede heeft toegevoegd het subsidiair onder 5 gevorderde. Boelaars & Lambers heeft tegen deze eiswijziging als zodanig geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtbank zal uitgaan van de vordering zoals die luidt na vermeerdering van eis.

4.2.

[X] houdt Boelaars & Lambert aansprakelijk voor de schade die zij zal lijden als gevolg van het ongeval van [B] . [X] verwijt Boelaars & Lambert dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de verplichtingen die op haar rustten om de belangen van [X] zorgvuldig te behartigen. Meer concreet stelt [X] , kort samengevat, dat Boelaars & Lambert zich niet, althans onvoldoende actief heeft opgesteld bij het verkrijgen van een herverzekering na de opzegging door ASR, dat Boelaars & Lambert geen passende verzekering heeft afgesloten, dat Boelaars & Lambert [X] niet, althans onvoldoende heeft geïnformeerd over de uitgesloten werkgeversaansprakelijkheid en haar ook niet heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van deze uitsluiting.

4.3.

Op grond van hetgeen door Boelaars & Lambert gemotiveerd is aangevoerd in reactie op de stellingname van [X] omtrent de in acht te nemen zorgplicht als assurantietussenpersoon kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geoordeeld dat Boelaars & Lambert daarin tekort is geschoten. Daartoe is het navolgende redengevend. De rechtsverhouding tussen partijen kan worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht. Binnen deze verhouding is het de taak van de assurantietussenpersoon om te waken voor de belangen van de verzekeringnemer bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen (HR 9 januari 1998, ECHL:NL:HR:1998: ZC2537). Een verzekeringstussenpersoon dient tegenover diens opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht (HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1720).

4.4.

Boelaars & Lambert heeft bij haar verweer gesteld dat zij direct na de opzegging door ASR tot actie is overgegaan teneinde een andere verzekering voor [X] te vinden, dat zij daarover ook met [X] heeft gecommuniceerd en deze ook heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van het vervallen van de dekking per 16 april 2013. Zij heeft daartoe onder meer verwezen naar de bezoekrapportages van contactpersoon [M] en diens sms-berichten, die hiervoor onder 2.7 zijn aangehaald. Volgens Boelaars & Lambert is op 28 augustus 2012 gesproken over de noodzaak van een zogenoemde RI&E-rapportage. Dit betreft een risico inventarisatie en evaluatie, waarbij kortgezegd de bedrijfsrisico's in kaart worden gebracht. Deze RI&E-rapportage is pas op 20 maart 2013 door [X] aan Boelaars & Lambert overhandigd. Tussendoor is er volgens Boelaars & Lambert nog diverse malen contact geweest tussen haar en [X] , waarbij [X] steeds is gevraagd naar de voortgang van de RI&E-rapportage. In de sms berichten van april 2013 heeft [M] volgens Boelaars & Lambert met [X] gecommuniceerd dat de AVB-verzekering nog niet rond was en op 3 mei 2013 is daarover volgens haar telefonisch contact geweest tussen [M] en [X] . Bij sms van 8 mei 2013 heeft [M] aan [X] bericht dat er een voorlopige AVB-dekking met uitzondering van het werkgeversrisico was geregeld en op 24 mei 2013 en 31 mei 2013 heeft [M] bericht dat het nog niet was gelukt om het werkgeversrisico te dekken. Op 12 juni 2013 heeft er volgens Boelaars & Lambert weer een overleg plaatsgevonden waarbij [M] heeft laten weten dat er een voorlopige AVB-dekking zonder dekking van het werkgeversrisico was verkregen en dat het [X] vrij stond om te proberen om via een andere tussenpersoon een werkgeversaansprakelijkheidsdekking te verkrijgen.

4.5.

[X] stelt zich niet te kunnen herinneren dat de opzeggingsbrief van ASR per aangetekende post aan haar is gezonden en kan zich ook niet herinneren dat het bezoekrapport van [M] van 4 september 2012 aan haar is gezonden. Uit het rapport blijkt volgens [X] ook niet dat [M] haar heeft geïnformeerd over de mogelijkheden en risico's met betrekking tot de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. Als er na augustus 2012 contact is geweest moet dat geweest zijn met de administrateur van [X] , maar dat contact zag niet op de stand van zaken van de aansprakelijkheidsverzekering. [X] stelt verder dat [X] de enige aangewezen persoon was om besprekingen mee te voeren. Volgens [X] blijkt verder uit de gesprekverslagen van [M] van 27 februari 2013 en 27 maart 2013 dat [X] niet is gewaarschuwd voor de gevolgen van het eindigen van de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering en dat [X] niet is geadviseerd om de werkzaamheden te staken. Dat geldt ook ten aanzien van de sms-berichten. In deze berichten werd [X] volgens haar voornamelijk aan het lijntje gehouden ter zake van het afsluiten van de nieuwe verzekering en waren ze geschreven in verzekeringsjargon dat [X] niet begreep. Sms-berichten zijn volgens [X] ook geen deugdelijk communicatiemiddel.

[X] stelt dat zij pas op 12 juni 2013 volledig door Boelaars & Lambert is geïnformeerd dat er geen volledige bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering kon worden afgesloten. Daarop heeft [X] contact gezocht met de Rabobank.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende vast staat dat [X] de opzeggingsbrief van ASR van 25 juli 2012 heeft ontvangen. Zij heeft dit immers bij dagvaarding erkend (randnummer 3) en haar stelling bij conclusie van repliek, waarbij zij ontkent dat deze brief haar per aangetekende post zou zijn verstuurd, komt de rechtbank in dat licht dan ook niet aannemelijk voor, alhoewel daarin strikt genomen nog geen betwisting van de ontvangst in behoeft te worden gelezen. Hoe dan ook, [X] kon uit deze brief opmaken dat de AVB-verzekering en de daarop gebaseerde dekking per 16 april 2013 zou eindigen. De tekst van deze brief, zoals die hiervoor onder 2.3. is weergegeven, laat daarover geen misverstand bestaan.

4.7.

Ten aanzien van mededelingen van de zijde van Boelaars & Lambert met betrekking tot het eindigen van de dekking van de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering en de gevolgen daarvan, en dan in het bijzonder de dekking van de werkgeversaansprakelijk-heid, waar het in dit geval om gaat, is de rechtbank van oordeel dat uit de door Boelaars & Lambert overgelegde rapportages van 4 september 2012, 1 maart 2013 en 27 maart 2013 van bezoeken van [M] aan Boelaars & Lambert op 24 augustus 2012 (en niet 28 augustus 2012 en 4 september 2012, zoals partijen stellen), 27 februari 2013 en 22 maart 2013, kan worden afgeleid dat het eindigen van de AVB-verzekering van ASR per 16 april 2013 en het vinden van een nieuwe verzekeraar onderwerp van gesprek is geweest. [X] heeft hetgeen daaromtrent in die rapportages staat vermeld niet betwist. Uit de inhoud van de sms-berichten waarnaar Boelaars & Lambert heeft verwezen en waarvan de ontvangst door [X] niet is betwist, blijkt het nog niet hebben kunnen afsluiten van een nieuwe bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering naar het oordeel van de rechtbank duidelijk. De rechtbank verwijst in verband hiermee naar de hiervoor onder 2.7 weergegeven passages.

4.8.

Alhoewel uit de hiervoor aangehaalde berichtgeving niet blijkt dat [X] specifiek is gewezen op de risico's vanaf 16 april 2013 van de beëindiging van de verzekering, blijkt daaruit naar het oordeel van de rechtbank wel dat [X] er mee bekend was dat de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering bij ASR per 16 april 2013 eindigde, dat er per die datum geen enkele aansprakelijkheidsdekking meer was en dat vanaf 8 mei 2013 met terugwerkende kracht een verzekering met gedeeltelijke dekking was afgesloten. De door Boelaars & Lambert aangehaalde reactie van [X] van 26 april 2013: "We doen heel voorzichtig." bevestigt naar het oordeel van de rechtbank deze wetenschap bij [X] .

Dat, zoals door [X] is gesteld, voor dit soort gevallen de sms niet het geëigende communicatiemiddel is, doet, wat daarvan ook zij, aan de inhoud en de begrijpelijkheid van de verzonden berichten niet af. Dat er in de berichten sprake zou zijn van niet begrijpelijk jargon omdat [X] de term 'AVB' niet zou hebben begrepen is gelet op het doorlopende onderwerp van de communicatie tussen partijen niet geloofwaardig. De rechtbank weegt daarbij voorts mee dat uit de onder 2.9. hiervoor aangehaalde e-mail van de Rabobank van 14 juni 2013 blijkt dat [X] bekend was met het eindigen van de verzekering in april 2013.

4.9.

[X] heeft zich nog beroepen op een op 20 februari 2013 door ASR aan haar uitgegeven polisblad, waarop bij de einddatum staat: "16 april 2013 (met automatische verlenging van telkens 12 maanden)" en heeft gesteld dat zij er op grond daarvan van uit ging dat de aansprakelijkheid nog was gedekt. De rechtbank is gelet op de eerdere opzegging door ASR van de verzekering en de hiervoor beschreven communicatie die na

20 februari 2013 tussen partijen plaatsvond over dit onderwerp, van oordeel dat dit argument dient te falen. Het standpunt van [X] dat zij niet wist dat de dekking per

16 april 2013 zou vervallen, kan gelet op het voorgaande geen stand houden.

4.10.

Samenvattend is de rechtbank dan ook van oordeel dat [X] gelet op alle aan haar gerichte mededelingen wist, dan wel had kunnen en moeten weten, dat er per 16 april 2013 voor werkgeversaansprakelijkheid geen dekking meer was. [X] is een zich in het zakelijke verkeer bewegende professionele partij en de zorgplicht van Boelaars & Lambert jegens haar gaat naar het oordeel niet zo ver dat zij [X] uitdrukkelijk had moeten waarschuwen voor de gevolgen van het eindigen van de verzekering en had moeten adviseren om haar activiteiten te staken.

4.11.

Uit hetgeen door Boelaars & Lambert is aangevoerd en met overlegging van producties is onderbouwd, kan voorts worden afgeleid dat zij direct na de opzegging van de verzekering door ASR contact heeft gelegd met een aantal andere verzekeraars om een vervangende AVB-verzekering voor [X] te verkrijgen. Verder blijkt uit het bezoekrapport van 4 september 2012 dat het eindigen van de ASR-verzekering en het trachten te vinden van een vervangende een nieuwe verzekering met [X] is besproken, waarbij Boelaars & Lambert heeft gewezen op het belang van een RI&E-rapportage. Gelet op de door haar overgelegde reactie van HDI-Gerling van 31 juli 2012 op een eerder verzoek van Boelaars & Lambert om een offerte, waarin om meer risico-informatie wordt gevraagd, en de weigering van een tweetal andere verzekeraars vanwege het schaderisico van [X] , heeft Boelaars & Lambert dit naar het oordeel van de rechtbank terecht onder de aandacht van [X] gebracht.

Uit de verder overgelegde bezoekverslagen blijkt dat Boelaars & Lambert [X] daarna nog enkele malen heeft gevraagd om de voortgang van de RI&E-rapportage. Dat deze rapportage pas in maart 2013 beschikbaar is gekomen kan Boelaars & Lambert niet worden verweten en dat zij mogelijk tot dat moment heeft gewacht met het verder zoeken naar een vervangende verzekeraar kan, gelet op de reacties van benaderde verzekeraars tot dan toe, naar het oordeel van de rechtbank niet als onnodig afwachtend worden aangemerkt. De rechtbank merkt daarbij op dat Boelaars & Lambert blijkens het verslag van 1 maart 2013 heeft gewaarschuwd dat 16 april 2013 snel naderde en dat zij na de ontvangst van het RI&E-rapport nog tijd nodig zou hebben om een verzekeraar te vinden.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit hetgeen door Boelaars & Lambert is aangevoerd en door [X] onvoldoende is weersproken dat zij [X] voldoende heeft geïnformeerd over het eindigen van de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering en verder ook voldoende pogingen heeft ondernomen om het afsluiten van een vervangende verzekering te bewerkstelligen. Dat zij hierin niet volledig is geslaagd kan haar naar het oordeel van de rechtbank niet worden verweten, [X] heeft daartoe althans onvoldoende gesteld. Daarbij betrekt de rechtbank dat Boelaars & Lambert terecht heeft gesteld dat ten aanzien van het vinden van een vervangende verzekeraar op haar geen resultaats-, maar een inspannings-verplichting rust.

Dat een andere tussenpersoon er eind 2014 wel in is geslaagd om een AVB-verzekering met dekking van werkgeversaansprakelijkheid te vinden doet aan het voorgaande niet af. Dit is, zoals ook door Boelaars & Lambert is gesteld, ruimschoots na de periode rond en voorafgaande aan 16 april 2013, waarbij de omstandigheden gelet op de gewijzigde werkwijze van [X] niet meer volledig vergelijkbaar waren. De rechtbank merkt in dit kader verder nog op dat het de Rabobank, die [X] op 14 juni 2013 heeft benaderd, toen kennelijk ook niet is gelukt om een verzekeraar te vinden.

Hetgeen door [X] nog is gesteld omtrent mogelijke alternatieve werkgeversaansprake-lijkheidsverzekeringen is door Boelaars & Lambert onder verwijzing naar de desbetreffende polisvoorwaarden voldoende gemotiveerd weersproken met haar stellingname dat deze verzekeringen de werkgeversaansprakelijkheid waarom het in deze procedure gaat niet dekken.

4.13.

De rechtbank is afrondende van oordeel dat Boelaars & Lambers niet te kort is geschoten in de verplichtingen die zij jegens [X] had op grond van de rechtsverhouding zoals die tussen hen bestond. De leidt er toe dat de daarop gebaseerde vorderingen van [X] als ongegrond zullen worden afgewezen. Hetgeen partijen nog hebben aangevoerd met betrekking tot causaal verband tussen het tekortschieten van Boelaars & Lambert en eigen schuld van [X] , in het geval zou worden geoordeeld dat Boelaars & Lambert tekort zou zijn geschoten, behoeft gelet op het voorgaande geen beoordeling.

4.14.

Ten aanzien van de proceskosten heeft Boelaars & Lambert gesteld dat deze niet conform het liquidatietarief moeten worden vastgesteld, maar dat deze kosten moeten worden begroot op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Zij stelt daartoe dat [X] met de onderhavige procedure misbruik van procesrecht heeft gemaakt dan wel onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. [X] heeft volgens haar de feiten onvolledig en verdraaid naar voren gebracht. De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt. In beginsel worden de kosten van het salaris van de advocaat van de winnende partij vastgesteld op forfaitaire basis volgens het zogenoemde liquidatietarief. Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 ECLI:NL:HR:2012:BV7828, waarnaar door Boelaars & Lambert is verwezen, volgt dat voor een vergoeding van volledige proceskosten alleen ruimte is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. De Hoge Raad heeft dit nog eens bevestigd in het arrest van 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366. Er geldt dus een zware toets. Van een zodanige situatie, waarbij het instellen van een vordering door [X] achterwege had moeten blijven gelet op de evidente ongegrondheid ervan is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake. De rechtbank gaat er, aan de hand van de feiten zoals die in rechte zijn komen vast te staan, evenwel niet van uit gaat dat bij [X] de gerechtvaardigde verwachting bestond dat zij deze procedure succesvol zou afronden. De proceskosten zullen ten aanzien van het salaris voor de advocaat daarom worden vastgesteld conform het liquidatietarief. Als salaris advocaat zal worden toegewezen een bedrag van € 904,00 (tarief II, 2 punten, waarde per punt € 452,00), te vermeerderen € 1.909,00 aan griffierecht en met de nakosten zoals hierna in het dictum zal worden vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [X] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Boelaars & Lambert vastgesteld op € 2.813,00;

5.3.

veroordeelt [X] , indien niet binnen 14 dagen na vandaag vrijwillig volledig aan dit vonnis wordt voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat,
- te vermeerderen, indien [X] niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Boelaars & Lambert aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Giltay, mr. J.A. Werkema en mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.1

1 type: 439