Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3787

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
18/232691-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring poging tot doodslag en overtreding van art. 5 WVW.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel verdachte op het moment van het incident leed aan een psychotische depressie die zijn handelen beïnvloedde en waardoor hij ernstig beperkt werd in zijn keuzevrijheid, niet gezegd kan worden dat daaruit afgeleid kan worden dat bij verdachte geen enkel inzicht aanwezig was in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan heeft hij, op zijn minst genomen, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster het leven zou laten. De rechtbank acht voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer bewezen.

De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. Geen oplegging van straf of maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/232691-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 oktober 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 september 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.A. de Boer, advocaat te Sneek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.A. van der Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 juni 2015 in de gemeente Súdwest-Fryslân en/of gemeente

De Fryske Marren, althans in Nederland, op de snelweg A7 ter hoogte van hectometerpaal 125.7, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer]

van het leven te beroven, met dat opzet, terwijl voornoemde [slachtoffer] als bestuurder in de personenauto met hoge snelheid over de snelweg A7 reed en verdachte als passagier op de bijrijdersstoel in de personenauto bij voornoemde [slachtoffer] zat, het stuur van die personenauto heeft vastgepakt en/of (vervolgens) een ruk aan dat stuur heeft gegeven en/of naar rechts gestuurd, waardoor althans mede waardoor de personenauto naar rechts is gereden en/of waardoor althans mede waardoor die personenauto in de berm rechts van die

snelweg is gekomen en/of vervolgens in de sloot rechts van de snelweg is beland, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 19 juni 2015, in de gemeente Súdwest-Fryslân en/of gemeente De Fryske Marren, in elk geval in Nederland, op de weg, de snelweg A7 ter hoogte van hectometerpaal 125.7, terwijl voornoemde [slachtoffer] als bestuurder in de personenauto met hoge snelheid over de snelweg A7 reed en verdachte als passagier op de bijrijdersstoel in de personenauto bij voornoemde [slachtoffer] zat, het stuur van die personenauto heeft vastgepakt en/of (vervolgens) een ruk aan dat stuur heeft gegeven en/of naar rechts gestuurd, waardoor althans mede waardoor de personenauto naar rechts is gereden en/of waardoor althans mede waardoor die personenauto in de berm rechts van die snelweg is gekomen en/of vervolgens in de sloot rechts van de snelweg is beland, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring van het onder 1. en 2. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe, onder verwijzing naar het rapport van psychiatrisch onderzoek van 9 juni 2017, aangevoerd dat verdachte bij zijn poging om zichzelf van het leven te beroven niet het besef heeft gehad dat hij door een ruk aan het stuur van de op de snelweg rijdende auto te geven, ook een einde zou hebben kunnen maken aan het leven van het slachtoffer, te weten de bestuurster van de auto, en dat verdachte derhalve geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 19 september 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben op 19 juni 2017 bij mevrouw [slachtoffer] in de auto gestapt. Wij gingen van Sneek naar Heerenveen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juni 2015, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2015175663 d.d. 13 oktober 2015, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Op 19 juni 2015 was ik werkzaam als Sociaal psychiatrisch verpleegkundige bij het Fact+ Sneek. Er was een cliënt die met proefverlof was, welke teruggebracht moest worden naar de GGZ in Heerenveen. Dit betreft dhr. [verdachte]. Op een gegeven moment reden wij op de A7, ik was nog snelheid aan het maken omdat we net het stuk hadden gehad waar stadsrondweg overgaat in de snelweg. Ik reed op de rechterrijbaan. Plotseling zag ik dat [verdachte], vanuit het niets, mijn stuur vastpakte en ik voelde dat hij met kracht een ruk naar rechts gaf. Ik voelde dat hij het stuur vasthield in deze positie. Ik probeerde uit alle macht om het stuur terug te draaien naar links. Echter [verdachte] hield met kennelijke opzet en kracht het stuur vast. Ik had te weinig kracht om het stuur weer terug te draaien. Tegelijkertijd heb ik uit alle macht geremd. Ik zag en voelde dat wij vervolgens in de berm aan de rechterzijde raakten en de sloot inreden. In de sloot kwamen wij tot stilstand. Ik schat dat de snelheid 90 à 100 km per uur was.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 23 september 2015, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]:

Ik wilde suïcide plegen. Het kwam in een opwelling en een flits. Ik had een ruk aan het stuur gegeven en ben uit de auto gestapt. Dit was in een flits. Wij hadden een vrij normaal gesprek maar op een gegeven moment was het mij toch teveel en ik zag een kans om suïcide te plegen. Ik wilde zelf dood. Ik wilde die mevrouw niet meenemen, maar ik kon op dat moment niet meer logisch denken. Ik dacht op dat moment dood is dood.

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer overweegt de rechtbank als volgt. Voor de beoordeling van een verweer als het onderhavige waarbij met een beroep op een ernstige geestelijke stoornis bij verdachte het opzet wordt bestreden, moet - naar vaste jurisprudentie - voorop worden gesteld dat een dergelijke stoornis alleen dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat wanneer bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn. Ontoerekeningsvatbaarheid sluit niet uit dat een verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

In de pro justitia rapportage van 9 juni 2017 van R. Dijkstra, psychiater, en T.S. van der Veer psychiater/supervisor, wordt het volgende geconcludeerd. Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde ernstig suïcidaal vanuit een psychotische depressie. Hij heeft vanuit een impuls, voortvloeiend uit de ernstige psychiatrische ontregeling op dat moment, gehandeld door als bijrijder aan het stuur te trekken waardoor de auto uiteindelijk in de sloot belandde. In zeer aanzienlijke mate beïnvloedde de psychotische depressie het handelen van verdachte. Zijn keuzemogelijkheden op dat moment werden ernstig beperkt door de aanwezige psychotische depressie en de hiermee samenhangende hoge mate van suïcidaliteit. Geadviseerd wordt om verdachte ontoerekeningsvatbaar te verklaren ten aanzien van het ten laste gelegde.

Met betrekking tot de gedragingen van verdachte is de rechtbank het volgende gebleken uit de stukken en uit het onderzoek ter terechtzitting.

Op 19 juni 2015 bevond verdachte zich als bijrijder in de auto van aangeefster [slachtoffer] op de A7. Verdachte heeft verklaard dat hij een vrij normaal gesprek had met aangeefster maar dat het hem op een gegeven moment teveel was en dat hij een kans zag om suïcide te plegen. Verdachte heeft terwijl de auto een snelheid van 90 á 100 kilometer per uur had het stuur vastgepakt, een ruk aan het stuur gegeven naar rechts en dit stuur in die positie vastgehouden. Aangeefster heeft uit alle macht geprobeerd het stuur terug te draaien naar links, maar verdachte hield het stuur met kracht vast. Verdachte heeft aangeefster nog horen roepen. De auto is, ondanks dat het slachtoffer heeft getracht tegen te sturen en dat zij hard heeft geremd, in de sloot aan de rechterkant van de snelweg beland. Verdachte heeft verklaard dat hij een einde aan zijn eigen leven wilde maken en daarbij niet heeft nagedacht over het leven van aangeefster maar dat het niet zijn bedoeling was dat hij haar van het leven zou beroven. Hij dacht op dat moment: dood is dood.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel verdachte op het moment van het incident leed aan een psychotische depressie die zijn handelen beïnvloedde en waardoor hij ernstig beperkt werd in zijn keuzevrijheid, niet gezegd kan worden dat daaruit afgeleid kan worden dat bij verdachte geen enkel inzicht aanwezig was in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan. Uit de gedragingen van verdachte en zijn verklaringen blijkt dat hij bewust aan het stuur getrokken heeft en dat stuur vastgehouden heeft met het doel zichzelf van het leven te beroven toen hij daartoe een kans zag. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat het niet de bedoeling was aangeefster van het leven te beroven maar hij was zich zonder meer bewust van haar aanwezigheid in de auto.

Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan heeft hij, op zijn minst genomen, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster het leven zou laten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voorwaardelijk opzet op de dood van aangeefster wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 19 juni 2015 in de gemeente Súdwest-Fryslân en/of gemeente De Fryske Marren, op de snelweg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, terwijl voornoemde [slachtoffer] als bestuurder in de personenauto met hoge snelheid over de snelweg A7 reed en verdachte als passagier op de bijrijdersstoel in de personenauto bij voornoemde [slachtoffer] zat, het stuur van die personenauto heeft vastgepakt en vervolgens een ruk aan dat stuur heeft gegeven en naar rechts gestuurd, waardoor de personenauto naar rechts is gereden en waardoor die personenauto in de berm rechts van die snelweg is gekomen en vervolgens in de sloot rechts van de snelweg is beland, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 19 juni 2015, in de gemeente Súdwest-Fryslân en/of gemeente De Fryske Marren, op de weg, terwijl voornoemde [slachtoffer] als bestuurder in de personenauto met hoge snelheid over de snelweg reed en verdachte als passagier op de bijrijdersstoel in de personenauto bij voornoemde [slachtoffer] zat, het stuur van die personenauto heeft vastgepakt en vervolgens een ruk aan dat stuur heeft gegeven en naar rechts gestuurd, waardoor de personenauto naar rechts is gereden en waardoor die personenauto in de berm rechts van die snelweg is gekomen en vervolgens in de sloot rechts van de snelweg is beland, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. poging tot doodslag;

2. overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder 1. en 2. ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de feiten.

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte bij een bewezenverklaring zowel ten aanzien van het onder 1. als onder 2. ten laste gelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op voornoemd psychiatrisch onderzoeksrapport d.d. 9 juni 2017, opgemaakt door R. Dijkstra, psychiater en T.S. van der veer, psychiater-supervisor.

De rechtbank kan zich met de conclusies van de deskundigen verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 1. en 2. bewezenverklaarde.

Straf of maatregel

Bij een ontslag van alle rechtsvervolging kan aan verdachte geen straf worden opgelegd. Indien het gaat om een verdachte aan wie het bewezenverklaarde wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogen niet kan worden toegerekend, kan wel een maatregel worden opgelegd als voorzien in artikel 37, 37a, 37b of 77s van het Wetboek van Strafrecht (Sr), indien de wettelijke voorwaarden daarvoor zijn vervuld.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het opleggen van een maatregel als hiervoor bedoeld. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de deskundigen in hun rapport van 9 juni 2017 hebben aangegeven dat er geen redenen zijn voor een maatregel op grond van artikel 37 Sr, omdat verdachte psychiatrisch stabiel is, hij (vrijwillig) voldoende zorg ontvangt en het recidiverisico gering is.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

De rechtbank zal verdachte geen straf of maatregel opleggen en evenmin schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar acht verdachte daarvoor niet strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde.

Vordering van de benadeelde partij:
Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door C. Veenstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober 2017.