Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3755

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
18/750086-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 2 oktober 2017 een 41-jarige man veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren wegens mensenhandel ten opzichte van twee jonge vrouwen, diverse mishandelingen, twee pogingen tot zware mishandeling, meerdere verkrachtingen en witwassen. Verdachte heeft zijn vriendin vanaf het moment dat zij achttien werd onder dwang in de prostitutie laten werken en haar verdiensten aan hem laten afstaan. Haar zusje werd (vervolgens) jarenlang door hem gedwongen tegen minimale verdiensten arbeid te verrichten in een snackbar. De mishandelingen en pogingen tot zware mishandeling werden door verdachte gepleegd ten opzichte van de jonge vrouw die hij in de snackbar liet werken, alsmede ten opzichte van een derde vrouw. Beide vrouwen werden door verdachte gesneden (een van hen in het gezicht) en meermalen en zelfs dagenlang met kracht tegen het hoofd geslagen. Een andere jonge vrouw werd door verdachte (en zijn mededader) meermalen verkracht. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van een pand.

De door de officier van justitie gevorderde maatregel van TBS met dwangverpleging kon naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgelegd, daar er geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kon worden vastgesteld. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan zijn observatie in het Pieter Baan Centrum en ook op basis van overige stukken kan geen stoornis worden vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 248
Wetboek van Strafrecht 273f
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0824
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750086-16

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/730028-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 oktober 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 september 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M.S. Kappeijne van de Coppello.

Tenlastelegging

In de zaak met parketnummer 18/750086-16 is aan verdachte, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2015 te Leeuwarden en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een ander, genaamd [slachtoffer 1] , met de onder artikel 273 f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht, genoemde middelen, te weten door dwang, geweld of een andere feitelijkheid, door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie

1. heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] (artikel 273 f lid 1 sub 1) en

2. heeft gedwongen dan wel bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (artikel 273 f lid 1 sub 4) en

3. heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengsten van seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] met of voor een derde (artikel 273 f lid 1 sub 9)

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1]

(artikel 273 f sub 6)

waarbij de dwang, het geweld, de andere feitelijkheid, de dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, de afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie en/of genoemde enige handeling onder 2 heeft/hebben bestaan uit (onder meer)

- het meermalen mishandelen en bedreigen van die [slachtoffer 1]

- het vernederen en kleineren van die [slachtoffer 1] , onder meer door te zeggen dat zij een waardeloze moeder was

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] op jonge leeftijd een relatie met verdachte had, waarbij verdachte haar voorspiegelde dat hij van haar hield en dat zij samen een toekomst zouden opbouwen

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] vanaf haar 18e samenwoonde met verdachte in een woning die door verdachte en zijn familie was geregeld en/of werkte in een snackbar die door verdachte en zijn familie aan haar was overgedaan, (terwijl die [slachtoffer 1] zelf uit een onstabiele gezinssituatie kwam)

- de omstandigheid dat verdachte ondertussen een relatie onderhield met de zus van die [slachtoffer 1] en in hun onderlinge verhouding stookte

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] geen vriendinnen mocht hebben van verdachte en dat verdachte contact met haar naaste familie afhield waardoor die [slachtoffer 1] in een sociaal isolement verkeerde

en waarbij die arbeid en of diensten hebben bestaan uit

- werken in de prostitutie (tot aan de start van de werkzaamheden in de snackbar in 2005)

- een snackbar en/of pand op naam krijgen, schulden aangaan en aflossen ten behoeve van de snackbar en/of dat pand ( [straatnaam] )

- gedurende lange dagen, alle dagen van de week, werken in die snackbar

- het (onder de marktwaarde) weer verkopen van het pand;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 te Almere en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) een ander, genaamd [slachtoffer 1] , door geweld of één of meer andere feitelijkheden of door bedreiging met geweld of bedreiging met één of meer feitelijkheden heeft gedwongen of doormisbruik van uit feitelijke verhoudingen voorvloeiend overwicht of door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen toe het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die seksuele handelingen beschikbaar stelde (sub 1)

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] , met of voor een derde tegen betaling, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich onder de sub 1 genoemde omstandigheden beschikbaar heeft gesteld tot het plegen van die seksuele handelingen (sub 4)

en/of

door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft gedwongen, dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding heeft bewogen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen (sub 6)

waarbij het geweld of die andere feitelijkheid of de bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid of het misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of de misleiding heeft/hebben bestaan uit

- het meermalen mishandelen en bedreigen van die [slachtoffer 1]

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] op jonge leeftijd een relatie met verdachte had, waarbij verdachte haar voorspiegelde dat hij van haar hield en dat zij samen een toekomst zouden opbouwen

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] vanaf haar 18e samenwoonde met verdachte in een woning die door verdachte en zijn familie was geregeld, terwijl die [slachtoffer 1] zelf uit een onstabiele gezinssituatie kwam

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] geen vriendinnen mocht hebben van verdachte en dat verdachte contact met haar naaste familie afhield waardoor die [slachtoffer 1] in een sociaal isolement verkeerde;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2015 te Leeuwarden en/of elders in Nederland, meermalen, (telkens) een ander, genaamd [slachtoffer 2] , met de onder artikel 273 f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang , geweld of een andere feitelijkheid, door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie

1. heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 2] (artikel 273 f lid 1 sub 1) en

2. heeft gedwongen dan wel bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (artikel 273 f lid 1 sub 4)

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2]

(artikel 273 f sub 6)

waarbij de dwang, het geweld, de andere feitelijkheid, de dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, de afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie en/of genoemde enige handeling onder 2 heeft/hebben bestaan uit

- het meermalen mishandelen en bedreigen van die [slachtoffer 2]

- het drogeren van die [slachtoffer 2]

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 2] vanaf jonge leeftijd een heimelijke relatie met verdachte had, waarbij verdachte haar voorspiegelde dat hij van haar hield en dat zij samen een toekomst zouden opbouwen

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 2] uit een instabiele gezinssituatie kwam en vanaf haar 13/14e inwoonde bij verdachte en haar zus en voor huisvesting afhankelijk was van verdachte

- de omstandigheid dat verdachte een relatie had met de zus van die [slachtoffer 2] en in hun onderlinge verhouding stookte

en waarbij die arbeid en of diensten hebben bestaan uit

- een snackbar en/of pand op naam krijgen, schulden aangaan en aflossen ten behoeve van de snackbar en/of dat pand

- gedurende lange dagen, alle dagen van de week, werken in die snackbar

- het (onder de marktwaarde) weer verkopen / afstaan van het pand ( [straatnaam] )

- zich beschikbaar stellen voor seks met verdachte en/of met bekenden van verdachte;

4. primair

hij in of omstreeks de periode van juni 2012 tot en met 29 december 2014 te Leeuwarden, meermalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer 2] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

A) die [slachtoffer 2] met een schaar heeft gesneden in haar benen (ongeveer anderhalf jaar voorafgaand haar sprong uit het raam na mishandelingen 30/31 december 2014, parketnummer 730001-15) (blz. 586) en

B) die [slachtoffer 2] drie dagen lang (met kracht) tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft gestompt en/of met een asbak tegen het hoofd heeft geslagen en/of door een ijzeren bed heen heeft geslagen (rond de kerstdagen in 2013, blz. 552)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf telkens niet is voltooid,

terwijl hij bovenvermelde misdrijven telkens heeft begaan tegen zijn levensgezel;

4. A subsidiair

indien ter zake van het vorenstaande onder A geen veroordeling mocht volgen

hij in of omstreeks de periode van juni 2012 tot en met 29 december 2014 te Leeuwarden, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] met een schaar in haar benen heeft gesneden,

terwijl hij bovenvermelde misdrijven telkens heeft begaan tegen zijn levensgezel;

en/of

4. B subsidiair

indien ter zake van het vorenstaande onder B geen veroordeling mocht volgen

hij in of omstreeks de periode van juni 2012 tot en met 29 december 2014 te Leeuwarden, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] drie dagen lang (met kracht) tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft gestompt en/of met een asbak tegen het hoofd heeft geslagen en/of door een ijzeren bed heen heeft geslagen,

terwijl hij bovenvermelde misdrijven telkens heeft begaan tegen zijn levensgezel;

5.

hij in of omstreeks de periode van 9 februari 2016 tot en met 8 april 2016, te Leeuwarden, meermalen, opzettelijk [slachtoffer 3] heeft mishandeld, immers heeft verdachte die [slachtoffer 3]

- op of omstreeks 9 februari 2016 (met een stanleymesje) in haar gezicht gesneden en/of

- op 4 april 2016 een (harde) stomp in haar maag gegeven en/of

- op 8 april 2016 met een (mobiele) telefoon tegen haar been geslagen;

6.

hij op of omstreeks 6 juli 2016 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer 3] ,

die [slachtoffer 3] , opzettelijk, meermalen, langdurig, met kracht op en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt (met de vuist en/of met een voorwerp) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7.

hij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2015 tot en met 12 september 2016 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft verhuld wie de rechthebbende op het pand aan de [straatnaam] te Leeuwarden is, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s) bewerkstelligd dat dit pand op naam is gekomen van [slachtoffer 3] , terwijl hij, verdachte, feitelijk gebruiker van het betreffende pand was en bleef, terwijl hij wist dat dit pand (deels) middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig was.

In de zaak met parketnummer 18/730028-17 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 12 mei 2014 tot en met 24 oktober 2014 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum] 1995) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer, handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel, binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4] ,

immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader en/of alleen (onder meer) zijn penis en/of vingers en/of in de vagina en/of elders in het lichaam van die [slachtoffer 4] gebracht en bestond dat geweld of die feitelijkheid en/of de bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkheid hierin (onder meer) dat verdachte

- die [slachtoffer 4] meermalen (met kracht) heeft geslagen en/of bij de keel gepakt en/of

- die [slachtoffer 4] heeft vastgebonden aan armen en/of benen en/of

- met een mes een snijdende beweging gemaakt over de buik van die [slachtoffer 4] en/of daarbij heeft gezegd dat hij haar ging snijden en/of

- die [slachtoffer 4] heeft voorzien van drugs en (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin die [slachtoffer 4] zich bevond, doordat ze weggelopen was van huis en zich in zijn woning bevond en/of

- overwicht had op die [slachtoffer 4] door het verschil in leeftijd.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ingevolge artikel 70 lid 1 juncto artikel 273f (oud) van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering voor de ten laste gelegde feiten door verjaring na het verstrijken van twaalf jaren, ingaande op de dag na die waarop de feiten zijn gepleegd.

De verjaringstermijn wordt gestuit door elke daad van vervolging, waarna een nieuwe verjaringstermijn aanvangt. De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak als eerste daad van vervolging de aanhouding van verdachte op 12 september 2016 heeft te gelden. Voor zover de pleegdata van de ten laste gelegde feiten liggen vóór 12 september 2004 is het recht tot strafvordering door verjaring vervallen. De rechtbank zal de officier van justitie derhalve niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde gepleegd in de periode vóór 12 september 2004.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1., 2., 3., 4. primair onder B en 4. subsidiair onder A, 5., 6., 7. en het in de zaak met parketnummer 18/730028-17 ten laste gelegde gevorderd.

De onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde mensenhandel gepleegd ten opzichte van respectievelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) kan op alle sub-onderdelen worden bewezen op basis van onder meer de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Verdachte heeft gebruik gemaakt van de dwangmiddelen geweld (ten aanzien van [slachtoffer 1] enig geweld, ten aanzien van [slachtoffer 2] fors geweld), dreiging met geweld, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.

De onder 4., 5. en 6. ten laste gelegde (pogingen tot zware) mishandeling(en) gepleegd ten opzichte van respectievelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) kunnen worden bewezen gelet op de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] beide ondersteund door letselverklaringen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 4. A primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, daar het oppervlakkig snijden met een schaar in het lichaam niet kan worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling.

Het onder 7. ten laste gelegde medeplegen van witwassen van het pand aan het [straatnaam] te Leeuwarden kan worden bewezen, daar uit het dossier blijkt dat hoewel het pand sinds 2007 op naam van anderen (waaronder [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) heeft gestaan, verdachte er al die tijd woonachtig is geweest en feitelijk de eigenaar was. Het pand is gefinancierd met geld afkomstig uit (deels ten laste gelegde) misdrijven gepleegd door verdachte en derhalve van enig misdrijf afkomstig.

Het in de zaak met parketnummer 18/730028-17 ten laste gelegde medeplegen van verkrachting van [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) kan bewezen worden daar de verklaringen van [slachtoffer 4] op verschillende punten worden ondersteund door de verklaringen van [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), [getuige 2] , [getuige 3] en [slachtoffer 2] .

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde. Ten aanzien van de onder 1. en 2. ten laste gelegde mensenhandel gepleegd ten opzichte van [slachtoffer 1] is buiten de verklaringen van [slachtoffer 1] onvoldoende wettig bewijs voor uitbuiting. Bovendien is ook op basis van de (tegenstrijdige) verklaringen van [slachtoffer 1] onvoldoende gebleken dat sprake was van onvrijwilligheid. Dit laatste geldt eveneens voor de onder 3. ten laste gelegde mensenhandel gepleegd ten opzichte van [slachtoffer 2] . Lange tijd waren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tevreden met hun positie, en uit hun verklaringen blijkt dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] goed hebben geleefd van het geld dat zij verdienden met werken in de prostitutie ( [slachtoffer 1] ) en het werken in de snackbar ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ).

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat het onder A ten laste gelegde oppervlakkig snijden met een schaar niet kan worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling, zoals primair ten laste gelegd.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 6. ten laste gelegde, gelet op de aanvankelijke verklaringen van [slachtoffer 3] inhoudende dat haar verwondingen door anderen dan verdachte waren toegebracht.

Het onder 7. ten laste gelegde witwassen van het pand aan het [straatnaam] in Leeuwarden kan niet bewezen worden nu niet kan worden vastgesteld dat geld afkomstig van de uitbuiting van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] of geld afkomstig uit mogelijke Opiumwet delicten gepleegd door verdachte door hem in het pand is geïnvesteerd.

Evenmin kan worden bewezen dat de feitelijke eigendom van het pand is verhuld. [slachtoffer 3] is blijkens de koopakte de eigenaresse van het pand en verdachte heeft geen poot om op te staan als zij haar eigendom claimt.

Verdachte moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18/730028-17 ten laste gelegde (medeplegen van) verkrachting van [slachtoffer 4] . Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 4] onbetrouwbaar zijn omdat zij - kort gezegd - ten tijde van het ten laste gelegde continu onder invloed van drugs was en zich niet alles kan herinneren. Voorts worden de verklaringen van [slachtoffer 4] onvoldoende ondersteund door andere verklaringen.

Van onvrijwilligheid was geen sprake. [slachtoffer 4] was verliefd op verdachte en had zelfs een code met hem afgesproken voor als verdachte tijdens de seks te ver met haar zou gaan.

Oordeel van de rechtbank

Feiten 1, 2 en 3

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat [slachtoffer 1] in de prostitutie heeft gewerkt en dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beide in de snackbar gevestigd in het pand [straatnaam] in Leeuwarden hebben gewerkt, welke snackbar en welk pand zij op naam hebben gehad, gekocht en verkocht aan [slachtoffer 3] . Centraal staat de vraag of [slachtoffer 1] daarbij werd uitgebuit door verdachte. Bij de beantwoording van die vraag maakt de rechtbank onderscheid tussen beide vormen van arbeid.

Feiten 1 en 2: uitbuiting van [slachtoffer 1] in de prostitutie

Ten aanzien van het werken in de prostitutie geldt dat volgens de wetsgeschiedenis1 van (artikel 250a (oud) Sr, de voorloper van) artikel 273f Sr en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad2 sprake is van een uitbuitingssituatie indien het slachtoffer in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. De aard van het te verrichten werk is in deze uitleg van groot gewicht. Bij gedwongen tewerkstelling in de seksindustrie is per definitie sprake van uitbuiting, daar de lichamelijke integriteit dan altijd in het geding is. De vrijwilligheid ontbreekt indien de prostituee niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van haar relatie met de exploitant. Dit is niet anders indien de relatie aanvankelijk op vrijwillige basis werd aangegaan.

Ten aanzien van het bewijzen van de ten laste gelegde feitelijke gedragingen geldt het volgende. Het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid, Sv geldt voor de gehele tenlastelegging, niet voor elk onderdeel ervan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.3 Toepassing van dit criterium betekent in de onderhavige zaak dat in sommige gevallen op grond van de verklaring van één getuige een in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedraging wordt bewezen, indien die verklaring niet op zichzelf staat.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] op de essentiële onderdelen consistent zijn en in voldoende mate worden ondersteund door onder meer de verklaringen van [slachtoffer 2] , het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het horen van bedrijfsleidster [naam] van een kamerverhuurkantoor op [straatnaam] en

(ten aanzien van de mishandelingen) een mutatierapport en de verklaring van [getuige 4] , de moeder van [slachtoffer 1] . Uitgaand van de verklaringen van [slachtoffer 1] met betrekking tot de periode waarin ze in de prostitutie ging werken en werkte, constateert de rechtbank het volgende.
kwam uit een moeilijke gezinssituatie (haar vader was overleden toen zij 10 jaar oud was en ze had geen goede band met moeder) en kreeg op jonge leeftijd een relatie met verdachte. Vanaf haar achttiende ging ze met hem samenwonen in Almere. Verdachte spiegelde haar een mooi toekomstbeeld voor en liet haar denken dat hij van haar hield en dat hij een gezin met haar wilde. De vriendinnen van de broers van verdachte en de vorige vriendin van verdachte werkten allemaal in de prostitutie en vanaf haar achttiende verjaardag mocht [slachtoffer 1] van verdachte ook in de prostitutie werken. Verdachte betaalde de kamerhuur voor haar eerste werkdag. Gedurende de eerste periode bracht verdachte [slachtoffer 1] naar haar werkplek in Amsterdam en haalde hij haar weer op. [slachtoffer 1] kon verdachte bellen als zij Fl. 1.000,00 had verdiend, en later € 500,00 à € 600,00. Het verdiende geld werd door verdachte weggehaald. [slachtoffer 1] mocht geen contact met andere prostituees hebben en kreeg een tik van verdachte toen hij vond dat ze teveel contact met hen had. Verdachte wilde niet dat [slachtoffer 1] vriendinnen had en zette [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tegen elkaar op. Toen [slachtoffer 1] op enig moment aangaf dat ze niet wilde werken, kreeg ze klappen van verdachte. [slachtoffer 1] werd om het minste of geringste door verdachte mishandeld en op een gegeven moment ging ze niet meer tegen hem in. In 2005 ging [slachtoffer 1] werken in de snackbar in Leeuwarden en stopte ze met het werken in de prostitutie.

Voor bewezenverklaring van de aan verdachte onder 1. en 2. ten laste gelegde sub-onderdelen 1, 4, en 9 van lid 1, art. 237f Sr is vereist dat sprake is van toepassing van dwangmiddelen. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een dwangmiddel als bedoeld in artikel 273f Sr slaat de rechtbank acht op de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen in onderlinge samenhang.


De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 1] gelet op de bovenstaande feitelijke gedragingen verkeerde in een uitbuitingssituatie als gevolg van haar thuissituatie, haar door verdachte gecreëerde sociale isolement en haar relatie met verdachte waarin ze enerzijds door hem werd mishandeld en anderzijds een mooi gezamenlijk toekomstbeeld voorgespiegeld kreeg. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank aldus gebruik gemaakt van de dwangmiddelen geweld, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.

Daar [slachtoffer 1] allerminst vrij was om zelf te beslissen over (het voortduren van) haar werkzaamheden als prostituee, alsmede over de opbrengsten daarvan, kan uitbuiting bewezen worden. Dat verdachte oogmerk op uitbuiting had bij het vervoeren en huisvesten (sub-onderdeel 1) van [slachtoffer 1] , volgt uit de omstandigheid dat hij zelf degene was die haar onder zijn dwang de prostitutiewerkzaamheden liet verrichten.

De rechtbank zal bewezen verklaren dat verdachte [slachtoffer 1] met betrekking tot haar prostitutiewerkzaamheden heeft vervoerd, gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (sub-onderdeel 1), bewogen zich beschikbaar te (blijven) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub-onderdeel 4), bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengsten van haar seksuele handelingen (sub-onderdeel 9). Voorts kan bewezen worden dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1] in de prostitutie (sub-onderdeel 6).

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman inhoudende dat geen sprake was van uitbuiting omdat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat ze dit ten tijde van de ten laste gelegde periode niet zo heeft ervaren en dit pas achteraf heeft beseft. Blijkens de wetsgeschiedenis4 doet eventuele instemming van het slachtoffer van uitbuiting niet ter zake in een situatie waarin dwangmiddelen zijn gebruikt. Bovendien is het door de raadsman genoemde verschil in beleving van het slachtoffer tijdens en na de relatie juist inherent aan uitbuiting in de relationele sfeer c.q. de 'loverboyproblematiek’, waarbij het slachtoffer (aanvankelijk) is geneigd om alles voor (de liefde van) de uitbuiter te willen doen, maar naderhand het besef komt dat ze is gebruikt.

Feit 1 en 3: (arbeids)uitbuiting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met betrekking tot de snackbar

Bij de vaststelling van de feiten ter beoordeling van de vraag of sprake was van uitbuiting zal de rechtbank uitgaan van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Deze verklaringen worden ondersteund door de verklaringen van onder meer [getuige 4] , [getuige 5] en [slachtoffer 3] , alsmede door diverse processen-verbaal van bevindingen, mutatierapporten en medische stukken.

De rechtbank constateert dat - samengevat - het volgende blijkt met betrekking tot de snackbar en het pand aan de [straatnaam] in Leeuwarden.

In 2004 begon [slachtoffer 2] - op aandringen van verdachte - met werken in de snackbar. [slachtoffer 1] begon hiermee in 2005. Aanvankelijk stond de snackbar nog op naam van de broer van verdachte, maar per 2 augustus 2005 hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als vennootschap onder firma (v.o.f.). Op 7 juni 2007 kochten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de snackbar, alsmede de bovenliggende woning. [slachtoffer 1] betrok [slachtoffer 2] hierbij en regelde alles. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werkten jarenlang keihard in de snackbar. Ze maakten lange dagen en werkten gedurende de eerste jaren zeven dagen per week. [slachtoffer 1] deed de boekhouding en de betalingen aan het personeel. Verdachte verrichtte ook werkzaamheden voor de snackbar; hij deed bijvoorbeeld de inkoop en keek de boekhouding na. Afgezien van de eerste twee jaren van de v.o.f. van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] liep de snackbar goed. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] konden ervan leven en de opbrengst werd in de snackbar geïnvesteerd. [slachtoffer 2] kreeg een vast bedrag per maand. In het begin was het ongeveer €500,00 per maand, wat opbouwde tot €700,00 of €800,00 per maand. Ondanks dat [slachtoffer 1] de boekhouding deed, bepaalde verdachte hoeveel geld [slachtoffer 2] kreeg. [slachtoffer 2] mocht van hem niet meer verdienen, ook niet als dat wel mogelijk was gelet op de opbrengsten.

Verdachte kreeg geen geld uit de snackbar. Als hij geld pakte uit de kas, gaf hij het altijd binnen een paar dagen weer terug. Hij werd wel door [slachtoffer 1] onderhouden. Toen verdachte in 2011 werd gearresteerd en ongeveer anderhalf jaar vast bleef zitten, maakte [slachtoffer 1] maandelijks € 400,00 naar hem over. Toen verdachte vrijkwam, ging het niet goed met hem. Hij was aan de drugs geraakt en de relatie tussen [slachtoffer 1] en hem verslechterde. Begin 2013 ging [slachtoffer 1] bij verdachte weg en stopte ze met werken in de snackbar. [slachtoffer 2] bleef alleen achter in de snackbar, die door het vertrek van [slachtoffer 1] formeel per 21 november 2013 een eenmanszaak werd. Verdachte begon in 2013 de omzet van de snackbar weg te nemen en de rekening leeg te halen. [slachtoffer 2] kreeg om de paar weken slechts een paar tientjes uit de omzet. Verdachte werd steeds gewelddadiger naar [slachtoffer 2] en gaf [slachtoffer 2] uiteindelijk een verbod om in de zaak te komen.

Op 19 oktober 2015 werd het pand met de snackbar en bovenwoning door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verkocht aan [slachtoffer 3] , de stiefzus en tevens nieuwe partner van verdachte, voor een bedrag van € 146.000.

Dit terwijl het pand veel meer waard was en aanvankelijk een verkoopsom van € 200.000,00 de bedoeling was.

De Hoge Raad5 heeft ten aanzien van uitbuiting buiten de prostitutie geoordeeld dat niet in algemene termen is te beantwoorden wanneer sprake is van uitbuiting en dat dit antwoord sterk is verweven met de omstandigheden van het geval. Hierbij komt in elk geval betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het (economisch) voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald.

Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.

Het vorenstaande in ogenschouw genomen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van uitbuiting van [slachtoffer 1] met betrekking tot de snackbar. In de periode dat [slachtoffer 1] werkte in de snackbar profiteerde verdachte hier slechts in beperkte mate van. Dat verdachte enigszins meedeelde in de opbrengst van de snackbar acht de rechtbank niet onredelijk gelet op zijn werkzaamheden voor en investeringen in de snackbar, alsmede gelet op het feit dat [slachtoffer 1] en hij een gezamenlijke huishouding en (een) kind(eren) hadden. Onvoldoende is gebleken dat [slachtoffer 1] door verdachte werd beperkt in haar vrijheid om de snackbar al dan niet op naam te zetten, in de snackbar te werken of (in de tijd dat hij in de gevangenis verbleef) verdiensten aan verdachte over te maken. De omstandigheden dat [slachtoffer 1] lang en veel in de snackbar heeft gewerkt en dat verdachte gedurende zijn langdurige relatie met [slachtoffer 1] geweld tegen haar heeft gebruikt, maken dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

Ten aanzien van de verkoop van het pand op 19 oktober 2015 overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van [slachtoffer 1] weliswaar volgt dat zij zich gedwongen voelde het pand aan [slachtoffer 3] te verkopen, maar dat dit nog niet maakt dat sprake was van uitbuiting. De relatie tussen [slachtoffer 1] en verdachte was destijds al enige tijd voorbij en [slachtoffer 1] was ook al enige tijd “uit” de snackbar. Bij de verkoop van het pand heeft [slachtoffer 1] zich kennelijk laten beïnvloeden door verdachte, maar naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om van uitbuiting te kunnen spreken.

Naar het oordeel van de rechtbank was in het geval van [slachtoffer 2] wel sprake van uitbuiting met betrekking tot de snackbar. Zoals vastgesteld met betrekking tot de feitelijke gang van zaken bestond er verschil tussen de positie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] binnen de snackbar, alsmede in de periode waarin ze in de snackbar werkten. [slachtoffer 1] regelde de koop van het pand en betrok [slachtoffer 2] erin. De verdiensten van [slachtoffer 2] bleven beperkt tot een bepaald bedrag omdat verdachte dat wilde. In de periode dat [slachtoffer 2] alleen in de snackbar was achterbleven, werd de opbrengst van de snackbar door verdachte ingenomen en was zijn economisch voordeel derhalve aanzienlijk.

De rechtbank hecht bij de beoordeling van de beperkingen die [slachtoffer 2] ondervond naast hetgeen reeds feitelijk is vastgesteld ook veel belang aan haar persoonlijke situatie en haar relatie tot verdachte. Uit de nader opgenomen bewijsmiddelen blijkt hierover het volgende:

[slachtoffer 2] heeft op jonge leeftijd haar vader verloren en haar moeder was alcoholiste. Thuis was sprake van drugsgebruik en geweld. [slachtoffer 2] zus [slachtoffer 1] kreeg een relatie met verdachte en ging met hem in Almere wonen. [slachtoffer 2] kwam hier ook vaak. Verdachte zocht (seksuele) toenadering tot [slachtoffer 2] , hetgeen resulteerde in [slachtoffer 2] ontmaagding. Toen [slachtoffer 2] haar middelbare school had afgemaakt en ze feitelijk nog een kind (15 of 16 jaar oud) was, ging ze ook bij verdachte en [slachtoffer 1] in huis wonen. Hier stuurde verdachte op aan. Achter de rug van [slachtoffer 1] om ontstond een jarenlange heimelijke relatie c.q. affaire tussen de toen nog minderjarige [slachtoffer 2] en verdachte. Verdachte wilde niet dat [slachtoffer 2] dit aan [slachtoffer 1] vertelde en hield [slachtoffer 2] voor dat hij met haar ( [slachtoffer 2] ) wilde trouwen en een gezin wilde.

Verdachte speelde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tegen elkaar uit, door bijvoorbeeld tegen [slachtoffer 2] te zeggen dat [slachtoffer 1] haar helemaal niet in huis wilde hebben. Als [slachtoffer 2] met jongens afsprak of niet naar verdachte luisterde, kreeg ze klappen. Door de jaren heen werd [slachtoffer 2] met regelmaat door verdachte mishandeld en werden de mishandelingen steeds erger. Ook dwong verdachte [slachtoffer 2] om drugs te gebruiken, had verdachte tegen haar wil seks met hem en dwong verdachte haar om seks te hebben met andere mannen. In december 2014 mishandelde verdachte [slachtoffer 2] dusdanig dat zij uit het raam is gesprongen uit angst om door verdachte om het leven te worden gebracht6. [slachtoffer 2] belandde in het ziekenhuis en kreeg hierna een verbod van verdachte om nog in haar eigen snackbar te komen. Ondertussen trok verdachte de kas van de snackbar leeg en stapelden de schulden voor de snackbar c.q. [slachtoffer 2] zich op, zonder dat [slachtoffer 2] hier iets aan kon doen.

De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat [slachtoffer 2] toen ze nog een kind was onder de invloedssfeer van verdachte is gekomen. Verdachte mishandelde haar regelmatig (en) fors en misbruikte haar seksueel. Doordat [slachtoffer 2] voor haar huisvesting afhankelijk was van [slachtoffer 1] en verdachte en doordat verdachte een relatie (en vanaf 2008 een gezin) met haar zus had en stookte in hun onderlinge verhouding, verkeerde [slachtoffer 2] in een kwetsbare positie en had verdachte overwicht op haar. Hierdoor was [slachtoffer 2] in verregaande mate beperkt om haar eigen keuzes te maken aangaande het werken in, alsmede de aan- en verkoop van de snackbar/het pand. Met name toen [slachtoffer 1] uit de v.o.f. was gestapt, was [slachtoffer 2] alleen verantwoordelijk voor de snackbar en kon zij zich niet aan de uitbuiting onttrekken. Niet meer werken zou immers betekenen dat de snackbar; inmiddels haar eenmanszaak, failliet zou gaan en zij zich in schulden zou storten. Ten aanzien van de verkoop van het pand onder de marktprijs had [slachtoffer 2] feitelijk niets te zeggen nu [slachtoffer 1] (die zich daartoe door verdachte gedwongen voelde) reeds had ingestemd met de verkoop tegen een bedrag van € 145.000.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer 2] aldus door verdachte is uitgebuit.

Voor bewezenverklaring van de aan verdachte onder 3. ten laste gelegde sub-onderdelen 1 en 4 van lid 1, art. 237f Sr is vereist dat sprake is van toepassing van dwangmiddelen. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de dwangmiddelen geweld, dreiging met geweld, dreiging met een feitelijkheid, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie. Dat verdachte oogmerk op uitbuiting had bij het werven en huisvesten van [slachtoffer 2] (sub-onderdeel 1), volgt uit de omstandigheid dat hij zelf degene was die haar heeft geworven, gehuisvest en gedwongen te werken.

Aldus zal de rechtbank het onder 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

De rechtbank stelt vast dat de onder 4. A en B ten laste gelegde gedragingen bewezen kunnen worden op basis van de nader opgenomen verklaringen van [slachtoffer 2] in combinatie met de letselverklaring en de informatie uit het medisch dossier van [slachtoffer 2] .

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 4. A ten laste gelegde snijden met een schaar in de benen geen aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel in het leven roept, gelet op de wijze waarop is gesneden te weten bewust alleen met de punt en daardoor betrekkelijk oppervlakkig. De rechtbank zal verdachte daarom ten aanzien van de onder 4. A primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling vrijspreken en de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen verklaren.

Met betrekking tot de onder 4. B ten laste gelegde handelingen overweegt de rechtbank dat het met kracht slaan tegen het hoofd en het met een asbak tegen het hoofd slaan naar algemene ervaringsregels wel een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel in het leven roept. Nu verdachte deze kans naar uiterlijke verschijningsvorm bewust heeft aanvaard, zal de rechtbank de onder 4. B primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen verklaren.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat [slachtoffer 2] niet kan worden aangemerkt als levensgezel van verdachte in de zin van artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht. Blijkens de wetsgeschiedenis7 is bij beoordeling van de vraag doorslaggevend of sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners.

Daarvan is in het geval van [slachtoffer 2] en verdachte geen sprake, zo blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 2] . De rechtbank zal dit onderdeel van het onder 4. A subsidiair en 4. B primair ten laste gelegde dan ook niet bewezen verklaren.

Feit 6

De rechtbank stelt vast dat het onder 6. laste gelegde bewezen kan worden op basis van de nader opgenomen verklaringen van [slachtoffer 3] , in combinatie met de letselverklaring en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van [slachtoffer 3] op 5 juli 2016.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman inhoudende dat niet bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer 3] heeft mishandeld, daar zij aanvankelijk verklaarde dat niet verdachte maar twee haar onbekende andere personen haar hadden mishandeld. De rechtbank wijst er in dit verband op dat [slachtoffer 3] door verbalisanten gewond is aangetroffen in de woning van verdachte. De verbalisanten constateerden dat het in de woning een ravage was en dat op diverse plekken bloedsporen te zien waren, hetgeen past bij de uiteindelijke verklaring van [slachtoffer 3] inhoudende dat verdachte haar (in zijn woning) heeft mishandeld. Dat [slachtoffer 3] verdachte aanvankelijk niet heeft willen beschuldigen, ziet de rechtbank in het licht van de op dat moment nog bestaande (liefdes)relatie met verdachte, almede haar angst voor hem.

Feit 7

De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vast dat verdachte geld heeft geïnvesteerd in de snackbar. Uit het dossier blijkt dat verdachte in de ten laste gelegde periode geen legaal inkomen - anders dan een uitkering - heeft gehad.

Op grond van hetgeen reeds overwogen ten aanzien van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde staat vast dat verdachte geld heeft "verdiend" met de uitbuiting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ook blijkt uit het uittreksel van de justitiële documentatie dat verdachte op 15 oktober 2008 en 1 november 2011 is veroordeeld op grond van de Opiumwet.

Het voorgaande in ogenschouw genomen is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het door verdachte in het pand geïnvesteerde geld afkomstig is van enig misdrijf.

Nu verdachte zich ten aanzien van dit feit heeft beroepen op zijn zwijgrecht, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te denken. De rechtbank is aldus van oordeel dat het pand middellijk afkomstig is van enig misdrijf.

Voorts constateert de rechtbank dat [slachtoffer 3] formeel de eigenaresse van het pand is, maar dat uit het dossier blijkt dat zij kennelijk door verdachte werd belemmerd haar eigendomsrechten aangaande het pand te effectueren. De rechtbank wijst in dit verband op een getapt telefoongesprek tussen [slachtoffer 3] en haar moeder, waarin laatstgenoemde de suggestie opwerpt dat [slachtoffer 3] het pand wel kan verkopen, waarop [slachtoffer 3] reageert met de woorden "ik ga het heus toch niet te koop zetten, wil je me dood hebben".

Ook uit de verklaringen van [slachtoffer 2] blijkt zij haar eigendomsrecht met betrekking tot het pand niet heeft durven uitoefenen. Zij voelde zich gedwongen het pand conform de wil van verdachte aan [slachtoffer 3] te verkopen. Ook uit de verklaringen van [getuige 6] blijkt dat (niet [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] maar) verdachte degene was die op zoek was naar een koper voor het pand, waarbij het uitgangspunt was dat verdachte erin zou blijven wonen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte de feitelijke rechthebbende van het pand was en dat dit werd verhuld door [slachtoffer 3] het pand op haar naam te laten zetten en zal het onder 7. ten laste gelegde bewezen verklaren.

Dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met [slachtoffer 3] heeft gepleegd - zoals betoogd door de officier van justitie - kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen, nu onvoldoende is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte en [slachtoffer 3] gericht op het witwassen van het pand.

Parketnummer 18/730028-17

De rechtbank stelt voorop dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 4] . Het enkele feit dat [slachtoffer 4] heeft aangegeven dat zij continu onder invloed was in de ten laste gelegde periode en zich niet alles goed kan herinneren, maakt haar verklaringen op zichzelf niet onbetrouwbaar. Dat geldt evenmin voor de aanwezigheid van (kleine) verschillen tussen de verklaringen van [slachtoffer 4] en [getuige 1] . De verschillen kunnen immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, al dan niet versterkt onder invloed van drugs of emoties.

De rechtbank constateert dat [slachtoffer 4] - kort samengevat - het volgende heeft verklaard.

In 2014 kwam [slachtoffer 4] voor het eerst bij verdachte thuis. Zij ging erheen samen met [getuige 1] en in de woning was [medeverdachte] ook aanwezig. [slachtoffer 4] gebruikte voor het eerst basecoke, waardoor ze helemaal van de wereld was, en uiteindelijk is ze met [getuige 1] , verdachte en [medeverdachte] in bed beland. [slachtoffer 4] werd daarbij bij de keel gepakt door [medeverdachte] . [getuige 1] werd geslagen door verdachte. [slachtoffer 4] wilde geen seks met [medeverdachte] (die door haar en [getuige 1] " [medeverdachte] " werd genoemd), maar dit gebeurde toch omdat het hardhandig werd en verdachte en [medeverdachte] zo dominant waren. [slachtoffer 4] raakte verslaafd aan de basecoke en verbleef - met een onderbreking van enkele dagen - een aantal maanden bij verdachte en [medeverdachte] in de woning.

Daar kreeg ze drugs en werd ze met regelmaat verkracht door verdachte. [medeverdachte] wilde regelmatig "meedoen" als verdachte seks met [slachtoffer 4] had, maar dit werd doorgaans niet toegestaan door verdachte. De keer dat verdachte het wel toestond, werd [slachtoffer 4] door [medeverdachte] verkracht. Uiteindelijk werd [slachtoffer 4] door tussenkomst van de politie uit de woning van verdachte gehaald. Ze was toen zwaar verslaafd en zat onder de blauwe plekken.

De verklaringen van [slachtoffer 4] worden op essentiële onderdelen ondersteund door de verklaringen van [getuige 1] . [getuige 1] heeft ten aanzien van de eerste avond van [slachtoffer 4] bij verdachte en [medeverdachte] net als [slachtoffer 4] verklaard dat zij samen met [slachtoffer 4] bij verdachte en [medeverdachte] thuis is geweest en dat zij met z'n vieren seks hebben gehad. Ook heeft zij verklaard dat de seks erg hardhandig was, dat [slachtoffer 4] en zij werden geslagen en dat [slachtoffer 4] bij de keel werd gepakt. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat [slachtoffer 4] duidelijk aan verdachte en [medeverdachte] kenbaar maakte dat zij het niet leuk vond en het niet wilde, maar dat verdachte hierom lachte en gewoon doorging.

De verklaringen van [slachtoffer 4] (en [getuige 1] ) vinden bovendien steun in de verklaringen van [getuige 3] , [slachtoffer 2] en [getuige 2] . [getuige 3] heeft onder andere verklaard dat zij door verdachte ook was uitgenodigd voor "een seksfeestje" met [slachtoffer 4] , [getuige 1] , verdachte en [medeverdachte] , maar dat zij is weggegaan. Ook heeft [getuige 3] verklaard dat zij van verdachte heeft gehoord dat hij [medeverdachte] een keer naar [slachtoffer 4] heeft gestuurd om seks met haar te hebben. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ze op foto's heeft gezien dat verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer 4] aan de drugs zaten en dat ze weet dat [medeverdachte] [slachtoffer 4] "moest beseksen". [getuige 2] is de moeder van [slachtoffer 4] en heeft verklaard dat [slachtoffer 4] onder de blauwe plekken zat toen ze door de politie bij verdachte uit huis werd gehaald. [slachtoffer 4] heeft haar ook verteld dat verdachte haar, [slachtoffer 4] , wilde laten verkrachten door een ander.

Dat [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij verliefd op verdachte was en dat zij een code met hem afgesproken voor als verdachte tijdens de seks te ver met haar zou gaan, staat naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan een bewezenverklaring van verkrachting, daar dit niets zegt over de door [slachtoffer 4] beschreven momenten van onvrijwillige seks. Hierbij constateert de rechtbank dat uit de verklaringen van [slachtoffer 4] blijkt dat verdachte geen enkele boodschap had aan het gebruik van die code.

Alles overwegend verwerpt de rechtbank de gevoerde verweren en zal de rechtbank het ten laste gelegde bewezen verklaren.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 mei 2016, opgenomen op pagina 112 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRCC16016-ULWARTH d.d. 16 maart 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik kwam als 13/14 jarig meisje bij mijn zus te wonen. Thuis ging het heel slecht. Mijn ouders waren er eigenlijk niet voor mij. Vanaf mijn achtste al niet meer. Mijn moeder is een alcoholist en mijn vader is heel jong overleden.

Ik kwam bij [slachtoffer 1] te wonen en zij verzorgde mij ook en [verdachte] ook. [verdachte] was vanaf de eerste dag een hele speciale lieve man. Hij is heel lief voor vrouwen en wint je vertrouwen. Dat is al gelijk bij het eerste ogenblik dat [verdachte] probeert een hele goede warme indruk bij je achter te laten. Dat was ook gelijk al vanaf het begin het geval. Zij namen mij een beetje onder hun hoede. [verdachte] heeft daar eigenlijk toen ik nog vrij jong was, al vanaf het begin, veel misbruik van gemaakt. Van de situatie waar ik uit kwam. Ik kwam uit een huis waar ouders drank gebruikten, drugs gebruikten, geweld. (..) Dus als klein meisje werd er al veel controle op mij uitgeoefend. Ik kon niet gaan of staan waar ik wilde, eigenlijk al vanaf hele jonge leeftijd. Ik ben eigenlijk altijd zijn oogappeltje geweest zeg maar. Ik heb ook altijd gedacht dat deze man werkelijk van mij hield, maar achteraf kom je er achter: dit is helemaal geen liefde nu, want ze misbruiken je gewoon. (..) Ik had op mijn 16e een keer een hele goede vriend mee naar huis genomen en toen die jongen weer weg was werd ik letterlijk aan mijn haren naar beneden gesleurd, waar mijn zus bij stond, maar die kon ook niets doen.

Ik kreeg stiekem klappen achter de schermen als ik niet luisterde naar hem. [verdachte] had gewoon een relatie met mij naast mijn zus. Toen zij op vakantie waren, ben ik verliefd geworden op een hele goede vriend van hem. Toen ze terugkwamen heb ik het gelijk aan [verdachte] verteld. Toen heeft hij letterlijk mijn voet kapot getrapt. Had ik een gebroken voet. Ik kon helemaal niet meer lopen. Toen heeft [verdachte] mij bewust een kind willen geven omdat ik weg wou van hem. Toen kreeg ik [naam] .

In die anderhalf jaar dat hij vast zat, was het voor mij heel rustig. Toen hij los kwam, begon al het gedonder weer opnieuw. Hij begon weer met drugs. Ik was zo rustig en stabiel. En hij kwam en hij maakte alles kapot. Hij pakte mijn auto af, al mijn geld af en ik moest maar werken in de snackbar. Hij pakte me alles af, geld en ze lachen je er ook nog bij uit.

V: Hoe zat dat eigenlijk met die snackbar?

A: Ik ben op mijn 18e van Almere naar Leeuwarden gekomen. Ik en mijn zus hebben die zaak gekocht in 2005, met hypotheek en alles. Ik ben een leek op gebied van hypotheken en kopen. Mijn zus regelde alles. Zij heeft mij erin betrokken. Omdat het op mijn naam stond, zat ik vast. Ik was vast daar. Ik kon er niet meer uit. Ik wilde niet met hun werken. Ik wilde niet eens helpen in die snackbar, ik wilde er niet eens één stap zetten. Maar ja, zij zeiden: als je niet komt helpen sta je op straat. Ik woonde op dat moment bij hun in Almere. Zo hebben we dat gekocht. Mijn zus heeft alles geregeld en mij erin gestopt.

V: Hoe zat [verdachte] dan in dit verhaal met die snackbar?

A: Ja, meneer voelt zich opperhoofd he! Wij werken wel voor ons zelf, ons geld was ook voor onszelf, maar als hij komt en hij wil wat, dan krijgt hij het ook. [verdachte] heeft ook altijd gezegd: ja, het is van mij en het zijn vrouwen. Hij is een dikke bepaler, een dik opperhoofd.

A: Zij heeft mij overal bij betrokken. Zij heeft alles op touw gezet en natuurlijk zal er achter haar wel weer hem staan. Dat hun dat samen deden. [verdachte] en mijn zus waren één.

Toen ik [verdachte] confronteerde met het feit dat ik wist wat hij gedaan had met [naam] en zei dat ik niks meer met hem te maken wilde hebben, is hij bij mij boven de zaak gekomen en is hij met een riem gaan slaan, en snot op me smeren en vernederen. Ik zat gewoon alleen maar in een hoekje. Ik was bang om klappen te krijgen. Ik had geen andere keus om weg te gaan, zomaar, uit die zaak, want [verdachte] had mij vast via de zaak. Mijn zus was eigenlijk al weg uit de zaak. Die liet mij gewoon voor dood daar achter, zo zie ik dat.

Een maand later zei hij: je moet de boekhouding doen, dat moest anders zou ik in de problemen komen, want het was mijn zaak en alles komt op mij en ik krijg nog boetes en dingen. Toen ben ik naar hem toegegaan. Ik kwam binnen en toen begon het. Hij heeft tape gepakt, hij heeft mij vast gebonden, hij drukte gewoon zijn lul in mijn mond en zei: nu vind je me vies hé? Hij begon me te slaan, en aan mijn haren en te stompen... Ik heb zulke zware klappen daar gekregen. Hij gewoon helemaal op mij los, gewoon stompen, stompen, stompen. Hij stond ook voor me met een hamer: welke teen wil je kapot en dan sloeg hij er ook net naast, je wist gewoon: het gaat kapot nu. Ik ben daar mank, met blauwe plekken en bulten op het hoofd, haar uit het hoofd, weggelopen.

Twee dagen later kwam [verdachte] bij mij. En hij haat me. Hij zat tegenover mij in mijn huis en toen kwam de duct tape op tafel en zijn gereedschappen. Toen ben ik zo zwaar mishandeld.

Hij heeft me vastgebonden, naakt, helemaal naakt, tot de tape om mijn hoofd, mijn armen, mijn voeten, hij heeft een paar uur lang zitten dreigen dat hij mij zo op straat zou gooien. Ik wou ook dat hij mij op straat ging gooien, want ik wou weg, ook al was ik naakt. Toen is hij een mes of een schaar gaan pakken. En als dit dan het mes is, pakken ze zo het puntje vast zodat ze niet verder kunnen snijden dan dit. (O: aangeefster doet het voor met een pen ) Toen begon hij gewoon te snijden en te snijden en te doen .... en te schreeuwen en te slaan.

Hij wou dat ik drugs ging gebruiken. Want met mij nuchter, kan je geen kant op. Tenminste niet qua extreme seksuele handelingen en dat soort dingen. [verdachte] begon mij steeds vaker vast te binden en ik durfde niet te zeggen: ik wil dit niet. Want als je nee zegt, dan krijg je ze gewoon weer. En toen begon hij me te dwingen om te snuiven. Zo heeft hij mij eigenlijk zwaar aan de cocaïne gebracht. Van snuiven tot een plofje tot base aan toe. Toen is er zwaar misbruik van mij gemaakt. Ik kreeg gewoon overdosissen van deze man.

Met kerst 2013 had hij mij weer gedwongen om drugs te gebruiken en toen heb ik onder

die drugs dingen gezegd, toen heeft deze man mij letterlijk van één avond voor kerst tot de dag na kerst, zoveel klappen gegeven dat als hij mij al aankeek, kreeg ik ze. Stompen op het hoofd, mijn ribben, mijn hele lichaam was gewoon kapot. Ik ben toen drie dagen zo zwaar mishandeld. Ik wou gewoon dood. Ik kon niet meer. Ik had een ijzeren bed, daar heeft hij mij doorheen geslagen, alles in huis ging kapot. Asbakken op mijn hoofd. Alles ging kapot, drie dagen lang. Hij zei ook tegen mij: jij staat op mijn zwarte lijst.

En op een ochtend heeft hij mij zoveel geslagen, met breekijzers, met dingen dat ik alleen maar met mijn hoofd alleen maar kon slaan tegen de muur. Ik wou zo graag dood. Toen heeft mijn buurvrouw mijn zus gebeld en gezegd: er is hier wat aan de hand hiernaast. Mijn zus appte mij in de ochtend. Ik had al besloten als ik mijn dochtertje naar school breng, ga ik gewoon in school zitten ergens in een hoekje totdat iemand mij vindt, want praten durfde ik niet. Mijn zus vond me op school.

Op een dag zei hij: je moet mee naar de snackbar. Ik zei: ik ga niet mee. Toen heeft hij mij gewoon aan mijn haren meegenomen waar een vriendin en mijn dochter [naam] bij waren. Toen heeft [verdachte] mij boven vastgebonden met touwen. De volgende dag heb ik van vier uur tot tien uur alleen maar klappen gehad, non stop. Met priemen. Ik heb mijzelf toen opgesloten in mijn douche. Toen heeft hij alles opengebroken in bijzijn van mijn dochter. Hij zei tegen mijn dochter: Jouw mama is niet lief, jouw mama is vies. Moet jouw mama weer klappen hebben? Toen zei mijn dochtertje: ja. Want zij was zo bang. Hij zei: ik ga jou vermoorden. Ik ga jou doodmaken en ik ga die [medeverdachte] ervoor laten opdraaien. Toen ben ik naar boven gegaan. Hij was nog beneden alles aan het barricaderen. Ik zou nog een portie klappen krijgen. Ik ben gewurgd die nacht, zoveel klappen. Zoveel klappen, ik ben gewurgd naast mijn dochter, ik zag geen licht meer. Mijn lichtje ging uit en hij stopte.

Hij was de douche aan het openbreken en toen zei hij tegen [naam] : ga maar een mes halen van beneden. Toen wist ik: dit is het moment, want als ik uit de douche kom weet ik gewoon, die man gaat mij dood slaan. Toen stond ik voor het raam en toen dacht ik: ik spring uit het raam. En ik ben uit het raam gesprongen. Mijn voeten waren gelijk kapot. Mijn rug was kapot en mijn nek. Toen ben ik in het ziekenhuis terechtgekomen.

Ik kan jullie nog zoveel meer vertellen, maar het is allemaal hetzelfde, stompen, stompen, stompen, stompen. En slaan en de schaar en jou vastbinden en gewoon misbruiken tijdens de seks. Je mag gewoon geen "nee" zeggen. Je moet gewoon doen wat hij zegt. Als je zegt: Ik heb hier geen zin in, dan wordt je gewoon met klappen in de auto geslagen. Ik ging vrijwillig mee, omdat je wordt mishandeld als je niet vrijwillig mee gaat. Maar [verdachte] verklaarde mij dan altijd de liefde en dan is hij een week lief en daarna begint hij weer te slaan.
Ik had een zaakverbod van [verdachte] . Ik mocht niet in de snackbar komen. Ik kreeg om de drie weken van mijn omzet, kreeg ik gewoon twee tientjes. Hij pinde elke dag drie/vier honderd euro cash van de bank wat er dan binnen kwam en nog twee/drie honderd euro aan cash wat er werd verdiend. En dat maakte hij allemaal met [slachtoffer 4] op.

Ze bedreigen je gewoon je familie te vermoorden, je kind af te pakken. Die zaak wou hij van ons terug hebben. Terugkopen, voor het minste bedrag wat er maar bestaat en waar ik dan tien jaar voor gewerkt heb.

Eigenlijk ben ik al vanaf kleins af aan, toen ik hun leerde kennen eigenlijk al, bij deze man onder controle gekomen. Ik was veertien.

V: In hoeverre heb jij onder invloed van verdovende middelen en onder dwang van hem wel seks gehad met andere mannen?

A: Ik heb één keer een aanvaring gehad, toen wou hij dat ik een man ging bevredigen. Enne moest ik zijn geslachtsdeel in mijn mond stoppen. Ik kon het niet. Ja, ik weet niet, dan ga je nog liever dood, maar ik kon dat niet. Ik heb die man wel moeten bevredigen

V: En als we het dan over prostitutie hebben, hoe zit dat met jouw zus?

A: Heel zwaar. Ja, dat meisje is zwaar uitgebuit. Heel zwaar. Ik hoop dat ze eerlijk gaat zijn. Maar mijn zus is ook seksueel misbruikt. Ik denk dat ze dat niet eens durft te vertellen hier. Mijn zus heeft echt in de prostitutie gezeten, zwaar.

V: Je hebt al verteld dat [verdachte] verschillende dingen gebruikte om je te mishandelen zoals een schaar, tape en een mes. Zijn er nog andere dingen?

A: Een hamer, een priem heeft mij me mee geprikt en een messenslijper. Had ik zo'n snijwond langs mijn been.

Ik heb wel 100 uur staan werken in de week voor helemaal niks.

V: Over welk bedrag praten we dat je op een overige manier bent uitgebuit door [verdachte] ?

A: Reken maar 18 a 20.000 euro per maand. En ik kreeg van hem 2 à 3 tientjes om de paar weken. 2 à 3 jaar lang. [verdachte] heeft mij financieel zwaar uitgebuit. [slachtoffer 4] woonde toen gewoon in mijn huis samen met hem. Hij pakte elke dag de omzet pakte van wel 600 à 700 euro. Soms wel 1000 euro. Hij pakte alles.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 24 mei 2016, opgenomen op pagina 134 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Toen ik dertien was, zijn [slachtoffer 1] en ik en [verdachte] op vakantie gegaan en toen begon hij mij te

versieren en aan te raken, en ja, moest ik zijn geslachtsdeel aanraken en zo. Vroeg hij mij steeds kusjes en zo begon het. Begon hij mij te betasten terwijl ik dat helemaal niet wou, maar ik was zo jong. Ik was dertien en ik was ook wel veel niet bij hun omdat ik nog op school zat. Als ik dan bij ze was, dan begon hij aan mij te zitten. Het ging steeds verder, een beetje seksueel contact, dat ik aan zijn geslachtsdeel zat en zo. Op een gegeven moment werd het wel orale bevredigingen. Toen ik vijftien/zestien was heeft hij mij ontmaagd.

V: Waar was [slachtoffer 1] dan?

A: [slachtoffer 1] was naar haar werk, of gewoon op bed of gewoon boven of beneden. Zij was er gewoon. Ik was alleen de vakanties daar omdat ik nog op school zat. Ik heb mijn school eerst

afgemaakt en mijn diploma gehaald en toen ik vijftien/zestien was begon hij wel verder te gaan. Hij gaf me wel het gevoel dat ik speciaal was, dat ik heel goed was, waardoor je je eigenlijk heel vereerd gaat voelen. Want hij laat je heel goed voelen.

V: Maar, [verdachte] heeft dan een relatie met [slachtoffer 1] . En dan doet hij zulke dingen met jou. Hoe kon jij dat met [slachtoffer 1] , of hoe was het voor jou?

A: Zwaar. Geestelijk zwaar. Ik durfde dat niet te vertellen, ook niet te laten merken.

Want toen ik nog jong was en een jongen van het werk die ik heel leuk vond meenam, werd ik al zwaar mishandeld en aan mijn haren gesleept door [verdachte] .

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 22 juni 2016, opgenomen op pagina 576 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

[verdachte] speelde ons uit. Zodat [slachtoffer 1] en ik niet onder één hoedje kwamen. Zodat [slachtoffer 1] en ik geen zussen waren, maar meer vijanden. Dat deed hij heel bewust.

V: Hoe deed hij dat dan?

A: Als hij heel lief voor mij was vond mijn zus dat heel moeilijk en andersom als hij dan heel lief was. Dat deed hij ook bijvoorbeeld tussen mijn broer en mij en mijn zus en mijn broer. Zodat wij niet hecht werden. Dat moet erbij, want hij heeft vroeger tussen mijn zus en mij alles kapot gemaakt, zodat we niet goed waren. Bijvoorbeeld ook slechte dingen zeggen zoals: [slachtoffer 1] wil jou helemaal hier niet en door mij ben je hier, zodat je denkt: mijn zus wil me hier niet. Daardoor was de band tussen mij en haar in die tijd zo, dat ik haar niet ging vertrouwen, zodat ik haar niet dingen ging vertellen. Daar werd heel duidelijk op ingespeeld van: jou zus wil je hier niet en dan kreeg ik van hem bijvoorbeeld wel geld en cadeautjes en dan deed hij van zij wil dit niet.

Toen hij gepakt werd in verband met de hennepkwekerij zei [verdachte] tegen [slachtoffer 1] ook: ik zet 60.000 euro op het hoofd van je broer [naam] . [verdachte] heeft die jongens ook laten denken dat het door mijn broer is opgerold omdat mijn broer boetes had.
V: Dat zei [verdachte] ? 60.000 euro op zijn hoofd?

A: Ja, en dat heeft hij ook tegen mijn zus gezegd en toen werd mijn zus zo boos. Toen is hij haar gaan wurgen en slaan waar allemaal mensen bij waren.

Toen [slachtoffer 1] uit de snackbar is gegaan, hield ik de zaak omhoog. En toen kwam de klap met [naam] . Toen ging ik eraan onderdoor en werd ik de zaak uit gezet.

V: En dan vervolgens werd de zaak verkocht.

A: Ja, dat is echt onder pure dwang en afpersing gegaan.

V: Hoe zit het dan toen de zaak failliet ging? Dan is er iemand die de belangen behartigt?

A: Ja, een curator. Want ik had de zaak nooit en te nimmer verkocht aan hem. Nooit. Niet zonder mijn schulden en mijn boetes erbij.

V: Hoe is het dan gegaan?

A: [slachtoffer 1] hield contact met [verdachte] , ook de afgelopen maanden. Ik kon al anderhalf jaar niet komen, want [verdachte] kwam daar gewoon. Hij had haar gewoon nog erg onder de duim. Zij wilde het ook persé weer aan hem verkopen.

V: Wat voor rol heeft die curator gespeeld?

A: Die stond voor de [naam bedrijf] , de schuldeisers. Het is voor het minste wat er is verkocht. Voor 145.000 terwijl het meer dan twee ton waard is.

Wij moesten het pand verkopen terug aan [verdachte] . Anders zouden we eraan gaan.

V: Waarom dan voor zo'n laag bedrag?

A: [verdachte] wil het voor het minste hebben. Het minste wat er maar is. Mijn curator heeft daar

toestemming voor gegeven, voor het minste bedrag. En [slachtoffer 1] heeft er ook toestemming voor gegeven. De curator was er heel snel en ik had helemaal niks meer te vertellen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 23 augustus 2016, opgenomen op pagina 585 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

O: Aangeefster geeft aan dat ze 2 grote littekens heeft van een mishandeling en daarmee naar de huisarts is geweest. Dat ze tegen de huisarts had gezegd dat ze gevallen was op een hekje. Ook heeft ze allemaal littekens op het been over gehouden van mishandeling met een schaar en een litteken op haar billen, waarmee ze niet mee naar de dokter is geweest.

V: De beschadigingen aan jouw been zijn eigenlijk allemaal door die ene keer gekomen?

Toen je getapet bent?

A: Ja, deze, deze en deze en deze zijn later toegebracht. (0: Aangeefster wijst de littekens aan) Die dag dat ik uit het raam ben gesprongen, heeft hij me met een priem gestoken.

V: En die littekens aan het been met die schaar, was dat ervoor?

A: Ongeveer anderhalf jaar vanaf het moment dat ik uit het raam sprong.

V: Je bent in januari 2014 uit het raam gesprongen. Dan zou het half 2012 zijn geweest.

A: En toen kwam ook die Kerst er aan en toen heeft ie mij helemaal bont en blauw geslagen. Helemaal kapot was ik in die 3 dagen. Hij is gewoon non stop daarmee door gegaan. En het jaar daarna, ben ik uit het raam gesprongen. Dat was in 2014, op 31 december. Dan was het in 2013 dat ik dit heb opgelopen en niet in het jaar 2012.

V: Je spreekt eigenlijk over de mishandeling 2013/2014.

A: Ja, dat extreme.

V: Toen ging het echt extreem hè, met vastbinden, tape en dat allemaal.

A: Ja en drugs.

V: En daarvoor, ben je ook mishandeld, maar niet zo extreem als toen.

A: Juist.

Toen [slachtoffer 1] uit de v.o.f. was geschreven, was de snackbar was een eenmanszaak geworden.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor door de rechter-commissaris d.d. 13 juni 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

U vraagt mij waarom mijn thuissituatie slecht was. Er was veel geweld. Mijn ouders waren verslaafd aan alcohol en drugs. [verdachte] wist daarvan.

Toen ik had afgesproken met een broertje van [verdachte] , kwam [verdachte] erachter. Hij heeft mij opgehaald en heeft mij geslagen. [verdachte] wilde het niet hebben.

U vraagt mij waarom ik bij [slachtoffer 1] en [verdachte] ben gaan wonen. Dat was op aandringen van

[verdachte] . [verdachte] heeft daar veel moeite voor gedaan.

[verdachte] probeerde mij constant over te halen om te gaan werken in de snackbar. Hij haalde mij op een gegeven moment over om één week in mijn vakantie te helpen in de snackbar. Daar heb ik mee ingestemd maar [verdachte] en [slachtoffer 1] hebben mij nooit teruggebracht naar Almere. Als ik terug wilde dan zei [verdachte] dingen zoals: nee, dat kan niet want je kan de huur niet betalen. En zo bleef ik bij hen boven de snackbar wonen. Dat was in 2004.

[slachtoffer 1] haalde mij over om samen de snackbar te kopen. [verdachte] was het brein, dat was voor mij overduidelijk. Ik heb [slachtoffer 1] en [verdachte] daar zelf over horen spreken. Ik weet alleen nog dat zij bespraken dat de snackbar gekocht moest worden. Ik woonde bij hen dus ik zat daarbij als het besproken werd. Als ik mee zou doen dan zou ik onder andere meer loon en vakantiegeld krijgen en ik zou voor 1/3 eigenaar worden. [verdachte] beloofde mij van alles. Ik was er wat sceptisch over, ik was jong en het ging om enorme bedragen. Ik vond het eng om zulke investeringen te doen en zulke leningen aan te gaan. Ik voelde mij daar niet prettig bij. U vraagt mij waarom ik niet als vennoot zelf mijn salaris en vakantiegeld bepaalde. [verdachte] bepaalde dat en als ik er wat van zei dan zei [verdachte] dat ik ook verantwoordelijkheid moest nemen en mij moest realiseren dat ik gratis woonde en at bij hun.

Het heeft jaren geduurd voordat ik beschikking had over de bankrekening van de v.o.f. Ik heb jaren voor €400,- per maand gewerkt. Ik werkte wel 80 uren in de week. Op een gegeven moment werd ik opstandig en eiste ik meer geld. U vraagt mij per jaar te vertellen over de omzet van de snackbar, de gewerkte uren en het eventuele financiële voordeel van [verdachte] .

[verdachte] begon in januari 2013 met alle winst te pakken van de snackbar. Hij heeft toen een grote wietkwekerij opgezet en daar ging al het geld heen. Toen die kwekerij werd opgerold in maart 2013 werd het alleen maar erger omdat hij niet alleen de winst pakte maar de hele omzet. Daardoor konden de rekeningen van de snackbar niet meer betaald worden. Hij zou het elke keer terug betalen maar dat deed hij niet en dat lukte hem ook niet meer omdat de kwekerij was opgerold. Volgens mij heeft [verdachte] een jaar lang de omzet van de snackbar gepakt. Later werd de omzet minder omdat [verdachte] de boel liet versloffen.

U vraagt waarom ik toeliet dat [verdachte] mijn geld pakte. Ik werd gruwelijk door hem mishandeld.

Ik weet dat het pand €200.000,00 waard was omdat ik zelf een taxatie heb aangevraagd (voordat ik uit het raam sprong). [verdachte] wilde toen dat de zaak terug ging naar zijn familie. De zaak zou dan voor €200.000,00 verkocht worden en de winst zou verdeeld worden.

6. Een geneeskundige verklaring, op 5 september 2016 opgemaakt en ondertekend door C. Oostdam, forensisch arts KNMG, opgenomen op pagina 56 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, als verklaring:

Medische informatie betreffend: [slachtoffer 2]

Omschrijving van de toedracht: Betrokkene verklaart diverse malen met een schaar gestoken/ gekrast te zijn waarbij verdachte zijn vingers om de punt geklemd had zodat hij niet diep zou kunnen steken. De letsels zijn destijds behandeld (getapet) door haar huisarts.

Beschrijving van de letsels:

Linker bil litteken schuin verlopend met lengte van 5 cm, met forensisch licht 15 cm lengte.

Lateraal linker bovenbeen 2 schuin verlopende littekens met elk een lengte van 4,5 cm, liggend in elkaars verlengde (foto 1).

Achterzijde linker bovenbeen litteken met 4 cm.

Linker bovenbeen laterale zijde knieschijf litteken horizontaal verlopend met lengte 3 cm.

Laterale zijde linker onderbeen litteken schuin verlopend met een lengte van 1,5 cm.

Voorzijde linker onderbeen litteken verticaal verlopend met een lengte van 1,5 cm (foto 2).

Knieholte rechts laterale zijde litteken met een lengte 1 cm.

Rechter bil horizontaal verlopend litteken lengte 15 cm, alleen met lichtbron zichtbaar.

Heup links horizontaal verlopend litteken met een lengte van 3 cm.

Lies rechts horizontaal verlopend litteken met een lengte van 4 cm.

Heup rechts horizontaal verlopend litteken met een lengte van 1 cm.

Borstkas voorzijde ter hoogte van parasternaal lijn rechts ter hoogte van ribbeboog schuin

verlopend litteken met lengte van 4 cm.

Linker wang verticaal verlopend litteken, lengte van 4 cm, alleen met lichtbron zichtbaar.

De breedte van alle littekens is minimaal 3 mm, maximaal 5 mm.

Conclusie: Er zijn verspreid over het lichaam diverse littekens zichtbaar met hetzelfde aspect bij forensisch lichtbron onderzoek. Gezien de breedte van de littekens is er voor de genezing waarschijnlijk sprake geweest van diepe wonden. Gezien de volledige genezing van de littekens zijn deze waarschijnlijk ouder dan 1 jaar. Het letsel zou kunnen passen bij de opgegeven toedracht, namelijk het op verschillende plekken gestoken/gekrast te zijn met een schaar of ander scherp voorwerp, met een interval van waarschijnlijk langer dan 1 jaar geleden.

7. Een schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai uit het medische dossier betreffende [slachtoffer 2] , opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

29 aug. 2007 gisteravond een smakker gemaakt met li. voet tegen deur. Nu zwelling en pijn. hematoom metacarpale 5 links. met drukpijn en asdrukpijn.

7 okt. 2013 vanmorgen in de bosjes gevallen. diepe schrammen en last van het hoofd

diepe schaafplekken, schaafplekken.

31 dec. 2013 vorige week van de trap gevallen, veel pijn in de li-flank. drukpijn li-flank

contusie rib.

28 dec. 2013 Telefonisch consult via assistente: gevallen, vraagt recept; is 2 dg geleden gevallen, op haar hoofd en rug, vanaf de trap. Hoofd en nek geen klachten. Met name pijn in de rug. straalt uit naar bil, rechterkant. Heeft meerdere treden gevoeld in de rug. Heeft een blauwe plek op rug. Geen uitval, kan alles goed bewegen. Bij aanraken veel pijn. Heeft geen tintelingen, plassen gaat goed. Heeft tot nu toe pctrn gebruikt, van moeder Ibuprofen gehad, dit gaf verlichting.

1. [naam] . 2015 voorbericht van ontslag. Diagnose bij ontslag: st. (?) val v 3 mtr hoogte bij poging mishandeling te voorkomen. Advies aan huisarts: graag uw zorg/begeleiding v. gezin; pte met dochter 6 jr en vriend nu in gevangenis.

5 [naam] . 2015 Onderzoek: RADIOL.OND. VOET Status na trauma hematomen voetzool.

18 sept. 2014 Het gaat niet goed, al een jaar niet, veel stress persoonlijk en prive alleenstaande moeder, dochter van 6, moe, geen eetlust en veel gew verlies. Nu nog maar 44kg, woog 56. Heeft eigen zaak, cafetaria, wil het verkopen. Slaapt veel, teleurgesteld in mensen, alleen ouders zijn er voor haar. Gew. 44 kg, ondergewicht.

8. Een schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai uit het medische dossier betreffende [slachtoffer 2] , los in het dossier opgenomen, voor zover inhoudende:

9 nov 2013: gisteren metalen buis van dakraam op linkervoet gevallen, direct pijnlijk. lopen gaat erg moeizaam. hematoom aan boven- en onderzijde.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 4 mei 2016, opgenomen op pagina 142 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik was 17 jaar toen ik [verdachte] leerde kennen. Vanaf mijn achttiende zijn wij direct gaan samenwonen in Almere.

V: Wat weet jij wat er allemaal met [slachtoffer 2] gebeurd is?

A: Ik heb gewoon wel gezien dat hij haar af en toe sloeg. Ik heb gezien dat hij haar aan haar haren trok bijvoorbeeld, omdat zij een vriendje had. Of dat hij haar telefoon kapot maakte. Hij was sowieso altijd wel wat agressief.

V: Vanaf welk moment ben jij gaan werken?

A: De dag toen ik achttien werd. Als verjaardagscadeautje (van [verdachte]) mocht ik geld gaan verdienen.

V: Waar ben je toen gaan werken?

A: In Amsterdam. Zes jaar. Ja, van mijn achttiende tot mijn vierentwintigste,

V: Wat heb je daarna gedaan?

A: Toen zijn we naar Leeuwarden gekomen en ben ik gaan werken in de cafetaria. Dat was in 2005. De familie [naam] had deze cafetaria al in handen. Mijn zusje en ik zijn daar toen ook gaan werken. Ik woonde toen nog in Almere en reisde heen en weer. Ik hielp dan een paar dagen in de cafetaria en ging dan weer terug naar Almere. Uiteindelijk zijn wij daar dus beiden gaan werken. [slachtoffer 2] en ik wilden graag werken en kijken wat wij ervan konden maken. Toen zijn wij v.o.f. geworden en was het onze zaak.

Ik deed het financiële gedeelte daar allemaal.

V: Oké. Hoe is dat later gegaan met de cafetaria?

A: Ik ben weg gegaan op een gegeven moment. Toen ik bij hem weg ging ben ik ook uit de cafetaria gegaan. Dat was in 2013. Ik had zoiets van: Dan ga ik ook niet meer werken. En hij wou dat ook niet. [verdachte] pakte alle papieren van mij af. Hij dwong het ook wel een beetje af.

Omdat ie de baas wou zijn. De baas wilde spelen. Hij beslist wat er gebeurt. Je hebt gewoon niks te zeggen. [slachtoffer 2] is gebleven. Dat kon ook niet anders. Het was zij of ik.

Ik ben daar weggegaan en ook niet meer terug gekomen. [slachtoffer 2] was er en heeft het toen wel heel zwaar gehad. Dat heb ik weer van haar gehoord. Ik weet dat hij altijd het geld pakte. Zij kon niet heersen over hem. Ik kon dat in bepaalde zin dan weer wel, omdat ik altijd al de financiële dingen deed. Dus hij kwam daar gewoon niet aan. Toen ik weg was .... Voor haar had hij helemaal geen ontzag of zoiets. Wat ik weet pakte ie gewoon alles.

De omzetten van de dag en wat er binnenkwam van de pin. Dat pakte hij gewoon en daardoor heeft [slachtoffer 2] nu ook heel veel schulden. De zaak stond dus niet meer mede op mijn naam maar het pand nog wel natuurlijk. Ik was wel samen met [slachtoffer 2] eigenaar van het pand. Wij zijn eigenaar gebleven tot vorig jaar oktober, want toen is het verkocht.

V: Konden jullie quitte spelen of bleven er nog schulden over na verkoop?

A: We hadden eigenlijk afgesproken dat we het zouden verkopen voor een bepaald bedrag aan de familie [naam] , De curator had ook nog tegen [slachtoffer 2] gezegd, dat het pand gewoon voor veel meer geld verkocht kon worden, maar dan moest het wel aan iemand anders en niet aan de familie [naam] . Dan had ik gewoon winst kunnen pakken en dan waren [slachtoffer 2] haar schulden in principe weg geweest. We hebben het verkocht aan [slachtoffer 3] , de halfzus van [verdachte] , voor 146.000 euro. Dat was het bedrag van de hypotheek.

V: En is de curator daarmee akkoord gegaan?

A: Ja. Die curator had wel door dat wij gewoon bang waren om het aan anderen te verkopen. Dat mocht niet. Het moest van de familie blijven.

V: Wie bepaalde dat?

A: [verdachte] . [verdachte] bepaalt alles.

V: Wat gebeurde er met het geld dat je verdiende met werken in de prostitutie in Amsterdam?

A: Dat werd weggehaald. Als er genoeg lag, dan werd dat gewoon weggepakt. Ik kon hem bellen als ik 1000 gulden had en dan haalde hij mij op.

Ik vond het wel erg en heb heel vaak gevraagd: Ik wil ermee stoppen. Ik wil het gewoon niet.

Maar je mocht ook niet stoppen. Want het moest omdat ik verantwoordelijkheden had. Ik moest huur betalen en zo en dat lag gewoon allemaal bij mij.

V: Waarom niet bij hem?

A: Ja, waarom niet. Dat weet ik niet. Ik was ook heel jong.

V: Hoe zat het met wat je per dag moest opbrengen in de Eurotijd?

A: Dan was het toch gewoon 500 euro! Het wordt één, twee of drie keer gezegd, dat je dat moet doen en vervolgens blijf je het gewoon doen. Dus dan weet je dat als je ongeveer 5 á 600 euro hebt verdiend je naar huis kunt. In het begin bracht en haalde hij mij weer op. Het werk in Amsterdam stopte omdat ik toen naar de cafetaria ging.

V: Wat gebeurde er verder waar je achteraf spijt van hebt?

A: Ja, dat je seks moest hebben met anderen. Dat vond ik erg. Of in het bijzijn van anderen.

Dat moest van [verdachte] . Ik moest wel eens met hem mee en dan zei [verdachte] dat ik Engels moest spreken.

V: Weet je nog waar je bent geweest?

A: Eén keer in een dorp en ook een keertje in Leeuwarden. Ik weet zo ongeveer waar dat was. Ik werd gewoon misleid, zodat ik niet door had waar we naar toe gingen. Ik kwam dan bijvoorbeeld binnen met hem bij een man waar ik dan seks mee moest hebben.

V: In hoeverre heeft [verdachte] jou wel eens geslagen?

A: Ja... hij kan gewoon slaan. Hij heeft wel een paar keer mijn keel echt dichtgeknepen. Hij gaat ook wel stompen op je. Dat gebeurde vooral de laatste tijd wel, maar in het begin ook wel eens. Hij heeft mij ook een keer een stomp in mijn gezicht heeft gegeven terwijl mijn kinderen daar bij waren. Dat soort dingen hoorde er gewoon bij.

De laatste jaren was het geweld gewoon heel erg, echt eng.

V: Wie was erbij toen je een kamer ging zoeken in Amsterdam?

A: [verdachte] en ook één van die broers en een vriend.

O: Je vertelde dat toen je bij hem kwam hij al een vriendin had die dat werk ook deed.

A: Alle vriendinnen van al zijn broers deden dat werk. Ik keek dan wel tegen die meisjes op.

V: Zijn er ook momenten geweest dat je echt niet wilde?

A: Ja, natuurlijk wel. Maar dan kregen we ruzie. Ik weet niet hoe en wat. Maar ik kan mij nog wel herinneren dat ik zei: ik kan niet meer, ik wil niet meer. Op dat moment begon hij agressief te worden. Ik werd snel stil en wilde het dan echt wel laten. Tegen hem zeggen was geen optie, want na twee of drie keer werd hij boos. Ik zei dan ook maar niets meer en wilde hem vooral niet boos maken. Ik weet nog wel dat toen wij nog maar kort samen waren, ik hem gevraagd heb: alsjeblieft, wanneer mag ik hiermee stoppen? Hij heeft toen gezegd: als je 100.000 gulden verdiend hebt. Ik ben toen zo hard gaan werken dat ik dat geld snel bij elkaar had. We zijn op vakantie gegaan en daarna mocht ik nog harder gaan werken. Stoppen was geen optie meer. Ik moest gewoon door. Er mocht gewoon niet over gesproken worden. Je kunt dat dan wel één of twee keer zeggen, dat je niet meer wilt, maar als er dan agressief op wordt gereageerd dan ga je gewoon door. Het is nooit vrijwillig geweest dat kan ik sowieso wel zeggen.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 9 juni 2016, opgenomen op pagina 156 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

[verdachte] heeft [slachtoffer 2] en mij wel tegen elkaar opgezet. Gewoon geen antwoorden geven op vragen. Op het laatst had ik wel vragen, omdat er over hun ( [verdachte] en [slachtoffer 2] ) veel vragen kwamen. Hij wilde gewoon geen antwoord geven op vragen en dat is gewoon het uitspelen van hem. Hoe hij dat met haar heeft gedaan weet ik niet, maar naar mij toe gewoon geen antwoord willen geven op de vragen die ik hem stelde. Ik kreeg alleen maar een klap en ik moest stil zijn.

Toen ik in Amsterdam aan het werk was heb ik me heel eenzaam en alleen gevoeld. Je moest geïsoleerd worden, dat vooral.

V: Mocht je wel met andere prostituees praten dan?

A: Ik heb er ook wel een tik om gehad, zo van: niet te veel. Het mocht wel, maar ook weer niet. Eigenlijk mocht het niet.

V: Je hebt eerder aangegeven dat je mocht stoppen met werken als je 100.000 gulden bij elkaar had verdiend. Wanneer had je dat geld bij elkaar verdiend?

A: Ik denk binnen 4 a 5 maanden, misschien nog wel sneller. Ik verdiende 1000 gulden per dag, soms wel meer. Ik werkte 6 dagen per week.

Hij bracht mij en haalde mij weer op toen in die tijd. Ik kan mij nog herinneren dat ik een poos later, toen hij mij had opgehaald en ik bij hem in de auto zat, dat ik tegen hem zei: ik kan niet meer en ik wil ook niet meer. Er kwam toen zo'n agressie, dat het daarna ook nooit meer is gezegd dat ik het niet wilde. Het was allemaal om hem te pleasen. Hij moest maar blij zijn.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 augustus 2016, opgenomen op pagina 590 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik doe aangifte van uitbuiting. Van geestelijke en lichamelijke mishandeling. Met betrekking tot het uitbuiten spreek ik over geld, dat ik achter het raam heb moeten staan. Dat ik dingen heb moeten doen met mannen die ik niet wilde. Er is altijd door [verdachte] gezegd, dat waar wij ook mee bezig zijn we dat doen voor de toekomst van onze kinderen. Nu jaren later is daar niets meer van over.

V: Wanneer kwam de kentering er in, dat het minder goed ging met de zaak?

A: Toen ik weg ging. Ik heb daar altijd alles gedaan van boekhouding tot van wat je maar kan verzinnen. Toen is [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijp: [slachtoffer 2]) wel gebleven, maar [slachtoffer 2] had geen zeggenschap over [verdachte] in iets. [slachtoffer 2] heeft ook, wat ik weet van haar, op een gegeven moment een verbod gekregen van [verdachte] . Ze mocht niet meer komen en toen kwam alles bij [verdachte] terecht. De boekhouding, het geld en daardoor ging het helemaal mis.

Op mijn 18e verjaardag bracht [verdachte] mij naar Amsterdam om te gaan werken. Hij bracht en haalde mij ook weer op. Hij heeft ook altijd, tot het eind van Almere, al het geld van mij gepakt, altijd alles gepakt. Ik kon wel boodschappen doen, maar dat deed ik meer van het geld dat was verdiend. Er was een plekje daar legde ik mijn geld neer. Dat ging gewoon weg, dat is al die jaren zo gegaan.

V: De eerste 2 jaar, dan bracht ie je en dan haalde ie je ook weer op. Hij bleef dan in jouw buurt in Amsterdam.

A: Ja. Ik leefde heel geïsoleerd. Ik ging naar mijn werk en ik ging naar huis. [verdachte] vond het ook niet goed dat ik contacten had. Ik heb geen vriendinnen of zo overgehouden. Ik heb daar met geen meisjes een band opgebouwd. Maar dat mocht ook niet.

V: Wie heeft die eerste keer de kamer betaald?

A: Dat kreeg ik al van hem. Dat is maar één keer. Want ik verdien dan zoveel, daarna betaal je dat gewoon zelf.

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 22 september 2016, opgenomen op pagina 600 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

V: Naar aanleiding van een vorige verklaring zijn wij ook naar Amsterdam geweest. Wij hebben daar onder andere met een [naam] gesproken. Weet jij ook nog hoe zij eruit zag?

A: Zij had zwart haar, was klein en had een Indonesisch uiterlijk.

V: In hoeverre hebben wij het gehad over [naam bedrijf] .

A: Ja, dat is waarvoor [naam] werkt.

V: Wat hebben jullie in het pand aan het [straatnaam] verbouwd toen jullie er in kwamen?

A: Echt letterlijk alles. De keuken en de badkamer heb ik uitgekozen, de vloeren, de trappen, de schuifdeur naar het plat dak, het dakterras.
V: Hoe is de verbouwing betaald?

A: Dat regelde [verdachte] . Ik heb nooit iets betaald.

V: Werd dat betaald uit de inkomsten van de cafetaria?

A: Nee. Ik heb uiteindelijk getekend voor de verkoop. [slachtoffer 2] wou niet tekenen en omdat ik wel heb getekend.. Als ik dit allemaal had geweten, had ik natuurlijk nooit getekend, dan was ik gaan vechten voor de zaak.

13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 november 2016, opgenomen op pagina 608 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

O: Je hebt verklaard dat je op de Wallen in Amsterdam hebt gewerkt. Je hebt daar geld verdiend met prostitutie achter het raam. Dit heb je gedaan vanaf de dag dat je 18 werd tot je 24e jaar. Op 11 maart 1999 ben je 18 geworden.

A: Dat klopt.

V: Wanneer precies ben je hiermee gestopt?

A: Zeg maar augustus 2005. Toen zijn we de VOF begonnen, dus laten we zeggen augustus 2005. Daarvoor ging ik nog wel eens op en neer.

V: Wanneer ben je precies in de cafetaria gaan werken?

A: Augustus 2005.

V: Wanneer ben je precies weggegaan uit de cafetaria?

A: 1 januari 2013.

V: Wie heeft het geregeld om het pand te kopen?

A: [verdachte] . Nou, het idee. Het regelen moesten [slachtoffer 2] en ik natuurlijk doen omdat wij daar

eigenaar zijn, maar alle instructies kwam van hem. Het was niet ons idee of zo om te kopen.

O: Jullie moesten in 2015 het pand verkopen. Je hebt hier ook over verklaard. Nou hebben wij een koopovereenkomst aangetroffen welke we je tonen.

A: In eerste instantie zou het verkocht worden aan [naam] , een broertje van verdachte, en later kwam [slachtoffer 3] in het spel.

V: Er is door ons ook een niet ondertekende koopovereenkomst aangetroffen welke we je tonen. Wat kun je hierover verklaren?

A: Dit was de eerste. Het zou naar de ouders. Deze hebben wij niet ondertekend. Het zou voor 200.000 en dan zouden wij ook wat winst hebben en dan zouden [slachtoffer 2] en ik ook wat geld krijgen.

V: Wat voor werk heeft [verdachte] in die jaren gedaan?

A: Nog nooit iets. Ja, wel iets, maar niet eerlijk werk. Hij heeft nog nooit een baan gehad.

14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor door de rechter-commissaris d.d. 27 juni 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Het rommelde tussen mij en mijn moeder en daarom ben ik bij mijn tante gaan wonen. In het begin van mijn relatie met [verdachte] woonde ik bij een vriend van hem in Leeuwarden. Toen ik 18 jaar werd, werd mij 'aangeboden’ om in Amsterdam te gaan werken. In januari 1999, toen ik nog 17 jaar was, ben ik met een vriend van [verdachte] in de bus naar Spanje gegaan. Daar ben ik voor het eerst in aanraking gekomen met prostitutiewerkzaamheden. [verdachte] en ik hadden ruzie gehad en hij zei dat als ik mee naar Spanje zou gaan dat het dan weer goed zou zijn tussen ons. [verdachte] haalde mij telefonisch over om die werkzaamheden te doen omdat er geen geld zou zijn. Ik had het gevoel dat ik mijzelf moest bewijzen. Ik had het nooit gedaan als hij er niet zo op had aangedrongen.

De thuissituatie van [slachtoffer 2] was niet stabiel. Er was veel geweld en ruzie tussen onze ouders. Mijn thuissituatie was ook niet goed. Ik had het idee dat ik er alleen voor stond, mijn stiefvader en moeder hadden veel ruzie en er was geweld tussen hen. Er was ook sprake van alcoholproblematiek.

Ik vond het wel heel moeilijk maar ik moest een knop omzetten omdat ik voor mijn gevoel geen andere keus had. Ik liet dan gebeuren wat er gebeurde. Aan het begin ging [verdachte] met mij mee naar mijn werk en haalde mij op. Op een gegeven moment ging ik zelf met de trein naar Amsterdam en kon ik op eigen houtje dat werk doen. Het was niet zo dat [verdachte] dan niet in de buurt was. Ik heb meerdere keren aan [verdachte] gevraagd of ik met het werk mocht stoppen. Ik wist dat als ik terug naar huis ging en ik zou zeggen dat ik niet meer wilde dat we dan ruzie zouden hebben. Voor mijn gevoel kon ik geen kant op en zat ik vast in deze situatie. In het begin werd ik heel vaak geslagen door [verdachte] . Ik weet nog dat ik een keer zei dat ik niet wilde gaan werken en dat hij mij vervolgens ging slaan. [verdachte] heeft altijd losse handjes gehad, ook al voordat ik naar Amsterdam ging. [verdachte] was ook heel manipulatief Op een gegeven moment ging ik niet meer tegen hem in.

Ik ben niet gestopt met de werkzaamheden toen ik op eigen houtje naar Amsterdam ging omdat dat niet kon en mocht. Het was geen optie om te stoppen omdat ik dan bij hem weg zou moeten. Ik heb het een aantal keer gevraagd aan [verdachte] en dan liep liet zo uit de hand. Ik wilde hem niet kwijt en daarom bleef ik in die situatie. Voor mij was het alsof ik geen keuze had. Ik ben altijd gek op [verdachte] gebleven.

Toen we in de snackbar werkten, kreeg [slachtoffer 2] volgens mij een vast bedrag per maand. Volgens mij kreeg ze in het begin iets van €500,- per maand, dit bouwde zich wel op tot €700,- of €800,- per maand. Over de hoogte van het bedrag had ik niks te zeggen, zij moest altijd aan [verdachte] vragen of ze meer geld mocht hebben. In de beginjaren kon er ook niet meer aan haar betaald worden. Op een gegeven moment had ze wel meer kunnen krijgen omdat de cafetaria goed liep, maar dat mocht niet van [verdachte] . Ik deed de boekhouding maar [verdachte] keek de boekhouding altijd na.

U vraagt mij hoe het kwam dat [slachtoffer 2] in de cafetaria kwam werken. Dat gebeurde op

initiatief van [verdachte] . Zij moest gewoon naar de zaak komen om met mij te gaan werken. Dat

manipuleren kon hij heel goed. [verdachte] praatte met mij en dan ging ik weer met [slachtoffer 2]

praten. Het ging allemaal op initiatief van hem.

Ik heb wel eens gezien dat [slachtoffer 2] werd mishandeld. Ik hoorde haar wel eens huilen en

dan hoorde ik gestommel. Als ik er bij was dan deed hij niks meer. Ik hoorde het wel. Ik heb één keer gezien dat hij haar aan haar haren van het bed heeft getrokken en één keer dat zij op haar knieën werd geslagen. Ik heb het wel vaker gehoord, maar als ik er dan bij kwam dan deed zij net alsof er niks aan de hand was. Dat moest vast van [verdachte] , want dat moest ik ook van hem, ik moest normaal doen.

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 september 2016, opgenomen op pagina 500 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Naar aanleiding van de verklaringen van getuige/aangeefster [slachtoffer 1] werd een nader

onderzoek ingesteld naar de door haar genoemde bedrijfsleiders " [naam] " en " [naam] ", in het prostitutiegebied " De Wallen " in Amsterdam waar zij over een periode van zes jaar achter de ramen heeft gewerkt. Door een coördinator van de Nationale Politie, regio Amsterdam werd desgevraagd verteld, dat dit zou moeten gaan om [naam] , bedrijfsleidster van " [naam bedrijf] ". Dit bedrijf zou meerdere kamers exploiteren in het raamprostitutiegebied " De Wallen " van Amsterdam.

Op 24 augustus 2016 hebben wij een gesprek gehad met [naam] . Zij gaf aan dat zij al langere tijd bedrijfsleidster is van kamerverhuur exploitant " [naam bedrijf] ". Dat zij in het jaar 1999 (jaar dat [slachtoffer 1] 18 jaar werd) ook al daar werkzaam was. Dat zij de enige is met een Indonesisch uiterlijk. Verder deelde [naam] mede dat er in het verleden een mannelijke collega bij " [naam bedrijf] " heeft gewerkt met de naam [naam] .

16. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 augustus 2016, opgenomen op pagina 671 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 5] :

Ze was heel mager en toen zag ik ook al die littekens wel op haar benen. Ik heb haar wel

gevraagd hoe ze daar aan gekomen was. Eerst was dat allemaal niks, maar later vertelde ze wel dat [verdachte] dat allemaal had gedaan.

Als [verdachte] er was dan hield [slachtoffer 2] wat de boot af. [slachtoffer 2] was bang voor [verdachte] , dat kon ik duidelijk merken.

Hij heeft ook wel eens gedreigd om [slachtoffer 2] te vermoorden. Toen belde hij terug en dan liet hij [slachtoffer 2] haar stem horen. Nou ja, zulke dingen.

V: Hij had gedreigd om [slachtoffer 2] te vermoorden?

A: Ja, sommige dingen... hij wilde de hele familie wel vermoorden. Ik stond ook boven aan de lijst, maar ik vond dat niet erg.

V: Hoe is het nu met [slachtoffer 2] ? Zien jullie verschil?

A: Ja, tuurlijk. Ze is meer open. Kijk nou komt de familie weer bij haar. Toen ze met [verdachte] was kwam er niemand van de familie. Dat werd niet toegelaten.

17. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 augustus 2016, opgenomen op pagina 678 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4] :

Ik heb [slachtoffer 2] geregeld met blauwe ogen gezien, kreupel lopen en de laatste keer was dat ze uit het raam was gesprongen. Ik zag ook altijd angst. Alleen maar angst en niet binnen laten. Ze had vaak verwondingen, maar ze droeg ook vaak een boerka, dus je zag niks. Ik zag wel dat ze soms grijs in haar gezicht was en heel mager. Dan weer blauw en dan weer 14 dagen niet op haar voet kunnen lopen. [slachtoffer 1] heeft wel eens een heel erg blauw oog gehad en een dikke lip. Ze vertelde dan wel dat zij ruzie had gehad met [verdachte] .

18. Een schriftelijk bescheid, te weten een mutatierapport, opgenomen op pagina 724 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

Op het adres [straatnaam] , troffen wij op 2 augustus 2014 meldster [slachtoffer 2] aan, die volledig in paniek was. Ze stond samen met haar zus in de deuropening. Ze gaf aan dat ze op straat liep en daar was bedreigd door een voor haar onbekende man met een mes. [slachtoffer 2] was volledig overstuur en wij kregen de indruk dat ze mogelijk onder invloed was van verdovende middelen. Uiteindelijk is verdachte aangehouden, welke zich schuil hield in de bosjes. Voldeed volledig aan het signalement. Bleek te gaan om [verdachte] . Tijdens het overbrengen verklaarde verdachte dat hij geblowd had en cocaïne had gebruikt.

19. Een schriftelijk bescheid, te weten een mutatierapport, opgenomen op pagina 727 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

Op 31 december 2014 hoorden wij de melding om te gaan naar de [straatnaam] te Leeuwarden. [slachtoffer 2] vertelde ons dat ze 31 december 2014 vanaf omstreeks 07:00 uur mishandeld werd door haar vriend [verdachte] . Ze zou geslagen zijn boven haar neus, tegen haar arm en tegen haar benen. In paniek was ze uiteindelijk uit het raam gesprongen van dele verdieping. Vervolgens was ze naar haar ouders gerend voor hulp. Ten tijde dat [slachtoffer 2] mishandeld werd door [verdachte] was haar dochter [naam] (6 jaar) daarvan getuige in de woning. Zonder haar zelf vragen te stellen vertelde [naam] ons dat ze had gezien dat haar papa haar moeder had geslagen en dat dit vaak zou gebeuren. Ze zei ook gezien te hebben dat haar moeder uit het raam sprong.

De kinderen van [slachtoffer 1] hadden [verdachte] in de woning gelaten. [slachtoffer 1] wilde dat [verdachte] de woning verliet, dit weigerde hij. Vervolgens kwam een broer ( [naam] ) van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de woning. [verdachte] wilde zijn kinderen nog even gedag zeggen. [slachtoffer 1] wilde dat niet en toen ze hem achterna liep de trap omhoog zou [verdachte] haar een vuistslag tegen haar wang hebben gegeven. De twee kinderen zouden hiervan getuige zijn geweest.

[naam] kwam vervolgens de woning binnen en deelde ons mede dat [slachtoffer 1] door [verdachte] was geslagen, vlak voordat hij was aangehouden. Hij had de mishandeling niet gezien maar had [slachtoffer 1] horen roepen: "au au". [slachtoffer 1] bevestigde dat ze een vuistslag tegen haar wang had ontvangen van [verdachte] en dat haar kinderen daar getuige van waren. Ze gaf aan geen aangifte te willen doen. [slachtoffer 1] gaf aan in de macht van [verdachte] te zitten en bang voor hem te zijn.

Ik werd aangesproken door buren van de [straatnaam] . De buren gaven aan dat ze omstreeks 08:00 uur uit de woning een vrouwenstem hoorden roepen "hou op je doet me pijn". Er werd zo hard geschreeuwd dat ze er wakker van werden.

20. Een schriftelijk bescheid, te weten een koopovereenkomst, opgenomen op pagina 246 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

De ondergetekenden:

1. a. mevrouw [slachtoffer 1] ;

b. mevrouw [slachtoffer 2]

tezamen hierna te noemen: Verkoper;

2. mevrouw [slachtoffer 3] ;

tezamen hierna te noemen: Koper;

komen overeen:

Verkoper verkoopt aan Koper, die van Verkoper koopt:

HET BEDRIJFSPAND MET BOVENWONING, ONDERGROND, ERF EN VERDER

ALLE AAN- EN BIJBEHOREN TE LEEUWARDEN, PLAATSELIJK BEKEND

[plaats] , [straatnaam] ; hierna te noemen: Verkochte.

De koopprijs bedraagt voor het Verkochte: € 146.000,00.

21. Een schriftelijk bescheid, te weten een taxatierapport [straatnaam] te Leeuwarden, los opgenomen in het dossier, voor zover inhoudende:

Datum opdracht: 4 november 2009

Het pand is per opnamedatum getaxeerd op:

- onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik: € 195.000,00

- onderhandse vrije verkoopwaarde na verbouw: € 220.000,00

22. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 april 2016, opgenomen op pagina 897 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 7] :

Vandaag 8 april 2016 was ik aan het werk in Leeuwarden. Ik zag een vrouw het pand binnenstormen. Ik zag dat de vrouw in een hoek van het gebouw buiten het zicht van de ramen in elkaar kroop. Ik hoorde haar zeggen dat ze vluchtte en dat ze in gevaar was. Ik hoorde haar zeggen dat iemand achter haar aan zat.

Ik vroeg of de betrokken man haar had geslagen of dat hij andere dingen deed. Ik wilde graag inschatten hoe gevaarlijk hij was. Ik zag dat ze vervolgens haar hoofd draaide en ze met haar hand haar haar aan de kant deed. Hierdoor werd een litteken van ongeveer 15 centimeter op haar wang zichtbaar.

23. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 april 2016, opgenomen op pagina 904 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 8] :

Op 8 april 2016 zag ik dat [slachtoffer 3] bloed op een van haar benen had. Ik hoorde dat [slachtoffer 3] zei: “hij heeft mij geslagen met een telefoon”. Die plekken zaten op haar scheenbeen.

Ik vroeg wie ze met hem bedoelde, of dat haar ex was, ik hoorde [slachtoffer 3] zeggen: “nee hij is mijn half broer”.

24. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juli 2016, opgenomen op pagina 981 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):
Op 5 juli 2016 zag ik dat [slachtoffer 3] bovenaan de trap stond in de woning aan het [straatnaam] in Leeuwarden. Ik zag meteen aan het gezicht van [slachtoffer 3] dat zij gewond was. Ik zag namelijk dat haar beide ogen en jukbenen opgezwollen waren. Ik zag dat [slachtoffer 3] blauwe plekken had onder haar beide ogen. Later hoorde ik van de ambulancebroeders dat zij zagen dat er bloed uit een oor van [slachtoffer 3] kwam en dat zij [slachtoffer 3] mee gingen nemen naar het Medisch Centrum Leeuwarden.
Ik zag dat er veel goederen in de woning overhoop lagen. Ik zag op een wit bankstel in de woning bloedsporen. Boven in de kledingkast zag ik ook bloedsporen. Ik hoorde van de collega’s dat [slachtoffer 3] zwaar letsel had en mogelijk een schedelbasisfractuur.
Ik zag dat op de trui van [verdachte] vlekken met een licht oranje/rode kleur zaten. Ook in het vest zag ik rode vlekken aan de binnenzijde.

25. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2016, los in het dossier opgenomen, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Op maandag 4 april 2016 hoorde ik dat mijn collega [naam] zei: Die vent slaat die vrouw!? Ik ben achter [naam] aan gelopen het bureau uit naar buiten. Ik zag dat [naam] de man aansprak. Ik confronteerde de vrouw met het feit dat mijn collega zojuist had gezien dat zij was geslagen door de man. Ik hoorde dat de vrouw zei dat de man haar broer was en dat er echt niets aan de hand was. Ik hoorde dat de vrouw opgaf te zijn: [slachtoffer 3] . Ik hoorde dat [naam] zei dat hij had gezien dat de man de vrouw met gebalde vuist, met kracht in haar maagstreek had geslagen. Betrokkene: [verdachte] .

26. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 mei 2016, los opgenomen in het dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

V: Jouw familierelatie is omgeslagen in een liefdesrelatie?

A: Ja, met [verdachte] ja. Zo is het verder gegaan en zo kwamen de mishandelingen.

V: Kan jij je je eerste klap nog herinneren?

A: Ja. Op [straatnaam] . Omdat ik bijdehand was. Ja, eigenlijk wel ja. Het was ook niet een klap hé, het was bijna net zo erg als de laatste keer. Mijn hele hoofd was net zo erg als de laatste keer. Ik heb heel veel klappen op mijn hoofd gehad.

V: Je hebt er aardig wat schade aan overgehouden toch [slachtoffer 3] ?

A: Ja, ik moet nog naar het ziekenhuis voor onderzoek, maar ik durf het niet. Ik weet dat er heel veel aan de hand is. Ik voel dat mijn netvlies los zit.

V: Een aantal keren is er politie bij geweest, zelfs hier voor het politiebureau in Leeuwarden nog.

A: Ja, ook nog ja.

V: Er waren collega's die hebben gezien dat jij geslagen werd. Toen was jouw dochter erbij?

A: Ja.

V: Wij denken dat jij besodemieterd bent en wel het huis op naam hebt, maar dat de [verdachte] de macht er over heeft, zoals hij ook de macht over jou had.

A: Ik ben ook besodemieterd. En nu heeft hij die macht niet meer. Dat was toen ook niet zo geweest, dus vandaar die mishandelingen.

V: Het gaat ook niet om jouw intentie, maar hoe jij gebruikt bent en dat zag jij niet.

A: Nee oke. Dat zie ik nu wel in. Maar kijk, zij (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) hebben contracten moeten ondertekenen hé. Hun mochten niet het huis verkopen dit en dat, zonder zijn toestemming, daar zijn hele contracten van. Zo'n contract heb ik nooit ondertekend. Hij heeft wel die contracten willen maken met mij, maar ik heb dat nooit ondertekend.

Ik heb hier ook een litteken gekregen. (aangeefster wijst van haar linker oor tot aan haar kin)

V: Dat heeft [verdachte] ook gedaan?

A: Ja. Met een stanleymes. Toen kon ik niet direct naar het ziekenhuis, want ik moest eerst een verhaal bedenken waar hij niet aan gelinkt kon worden. Toen heb ik maar het één of ander SM-verhaal bedacht.

V: Dus als jij niet luisterde of niet deed zoals hij het wilde, dan was het boem?

A: Ja

27. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juni 2016, los opgenomen in het dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

V: We hebben natuurlijk ook een aantal mutaties gevonden. Er was er eentje bij daar ben jij een kantoor ingelopen. Hoe is dat gegaan?

A: Hoe is dat gegaan, ja toen hadden we ook een ruzie en toen ben ik wel het huis uit gevlucht en toen ben ik daarheen gerend. Dat zijn deze littekens, van die telefoon.

(O: aangeefster wijst op de littekens op haar onderbeen.)

V: Maar hoe is dat gegaan dan?

A: Hij heeft gewoon keihard met die telefoon op mijn scheenbeen geslagen!

V: Wat was de aanleiding?

A: Nou, ik probeerde hem toen eh ... Ik zat steeds al te bedenken dat ik bij hem weg wilde.

V: Je bent in ieder geval gevlucht en toen ben je dat kantoor ingelopen.

A: Ja. Toen weet ik dat ik heel bang was. Dat weet ik wel ja ...

V: Dan weten we wanneer dat was. 6 april 2016 (de rechtbank begrijpt: 8 april 2016).

A: Ja.

28. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 juni 2016, los opgenomen in het dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Die meisjes die zaten daar (de rechtbank begrijpt: bij verdachte en [medeverdachte] in de woning) gewoon en ze gingen gewoon van die domme spelletjes doen, seksspelletjes. Dat ene meisje woonde daar achter eerst (de rechtbank begrijpt: [getuige 1]). En dat ene meisje die waar hij echt ook een relatie mee heeft gehad, [slachtoffer 4] . En [getuige 3] was er.

V: Je hebt verteld dat jij op een gegeven moment wel 4x in de week werd mishandeld.

A: Op het laatst sowieso wel ja. Ik ben ook altijd op mijn hoofd geslagen.

V: Op een gegeven moment zijn de collega's aan de deur geweest en die hebben de deur opengebroken.

A: Het was zo erg, hij was eerst weggegaan toen doe ambulance was gekomen. Het was echt zo erg. Hij had mij dus ook opgesloten, ik had niet weg kunnen gaan. En ik durfde dat ook niet uit te proberen want ik was bang dat hij aan de overkant zou kijken wat ik ga doen. Toen was hij dus boodschappen gaan doen en toen kwam de politie aan de deur. En ik was blij, maar ik was boven dus ik was naar beneden gegaan, strompelend. En toen was ik beneden en toen gingen ze weg. Toen zijn ze weer terug gekomen en wilden ze mij zien. Toen is meteen de ambulance gebeld.

29. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor door de rechter-commissaris d.d. 11 juli 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

In oktober 2015 heb ik het huis op het [straatnaam] gekocht. Ik ben altijd blijven pendelen tussen de twee huizen. Het klopt dat [verdachte] niet zelf de woning kon kopen, hij leefde van een uitkering. [verdachte] wilde er blijven wonen en dat was ook logisch omdat we in een relatie zaten. [verdachte] wilde gewoon de macht uitoefenen. Als hij zijn zin niet kreeg, flipte hij.

Als ik iets niet wilde, werd ik mishandeld.

30. Een geneeskundige verklaring, op 26 mei 2017 opgemaakt en ondertekend door Drs. E.I. Hofstra, forensisch arts FMGC, los opgenomen in het dossier, voor zover inhoudende, als verklaring:

Op 5 juli 2016 is mevrouw zeer ernstig mishandeld door haar partner, waaronder slagen op het hoofd, die tot ‘gaten’ in het hoofd hadden geleid. Hierop werd ze opgenomen in het ziekenhuis MCL te Leeuwarden. Toen had ze naar eigen zeggen een schedelbasisfractuur, netvliesloslating in het linker oog en zat onder de blauwe plekken.

Ongeveer een jaar geleden is ze met een stanleymes in het gezicht gesneden, van het linker oor richting de mondhoek. Deze wond is vervolgens gehecht door een arts in het ziekenhuis.

Littekens op het rechter onderbeen zijn ontstaan door slaan met de punt van een mobiele telefoon tegen het scheenbeen.

Uit opgevraagde medische correspondentie blijkt het volgende:

MCL-ziekenhuis, spoedeisende hulp, consult op 9-2-2016 door P.N. Domerchie, chirurgie: Snijwond op linkerwang van ca. 6 cm lengte, richting het oor, tot in het onderhuidse vet, zonder beschadiging van onderliggende structuren. De wond zou zijn ontstaan door iets te ruige SM-bezigheden. De wond werd gehecht onderhuids en in huidniveau.

MCL-ziekenhuis, spoedeisende hulp, consult op 5-7-2016 door C. Boersma, arts-ass. Chirurgie, aansluitend opname van 5-7 tot 8-7-2016:

Reden van opname: mishandeling, waarbij na uitgebreid onderzoek werd vastgesteld: meerdere kneuzingen, hersenschudding en een oude fractuur van het neusbot en een achterste glasvochtloslating in het linker oog, waardoor stoornissen in het gezichtsvermogen.

Onderbeen rechts: aan de voorzijde, iets onder de helft van het scheenbeen, in een gebied van 4x6cm, 4 bruine verkleuringen van 4-8mm doorsnede, deels met een minimaal verdieps aspect (ahw een kuiltje). Deze letsels zijn passend bij oude, genezen littekens van onduidelijke origine, mogelijk door inwerking van stomp stotend geweld, dan wel door brandwonden.

Conclusie: De aangetroffen letsels passen goed bij de opgegeven toedracht en de in de toedracht aangegeven termijn.

31. Een schriftelijk bescheid, te weten de uitwerking van getapte telefoongesprekken van [slachtoffer 3] , opgenomen op pagina 82 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

Gesprek 5 september 2016 [slachtoffer 3] belt moeder

[slachtoffer 3] : Oke en op wiens naam had je dat gesteld. op mijn naam of op [verdachte] 's naam?

Moeder: Op jouw naam

[slachtoffer 3] : ok, ik zat te denken dat het beter is op zijn naam te doen

Moeder: en waarom

[slachtoffer 3] : nou ja omdat het in principe ook zo is begonnen. Dat denk ik zelf want het gaat eigenlijk alleen om. ja hij ook.

[slachtoffer 3] : ja, ik dacht ook aan hem dat je het ook aan hem had geleend

Moeder: oke zo is het gegaan het was voor zijn huis dat hij er ook kon blijven wonen

Gesprek 18 september 2016 [slachtoffer 3] belt moeder

[slachtoffer 3] : [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden toen het contract. Kijk [verdachte] heeft altijd heeft nooit contracten met mij gedaan maar wel met hun he. Met mij is dat niet zo hoor maar dat zegt [verdachte] altijd tegen mij. In dat contract stond altijd als hun het gingen verkopen dat ze een schuld van zeventig duizend hadden bij hem. Hij zegt tegen mij dat ik dat overgenomen heb van hun maar volgens mij is dat helemaal niet zo. Dat moet ik even uitzoeken ook.

Moeder: Jij moet gewoon zorgen dat dat huis gewoon wegkomt.

[slachtoffer 3] : Mamma dat weet ik nog niet hoor, als ik dat verkoop. Dat kan ik niet verkopen nu. Dan moet ik dat bekijken dan moet ik dat verkopen zonder toestemming, dat ga ik ook niet doen, dat ga ik niet verkopen, ik wil het eigenlijk niet verkopen. Als er en andere oplossing is dan ga ik dat doen.

Moeder: En wat voor oplossing wil je dat dan?

[slachtoffer 3] : Nou ja ,dat weet ik nog niet, mar dat zien we dan wel maar ik ga het heus toch niet te koop zetten, wil je me dood hebben?

32. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 22 december 2016, opgenomen op pagina 709 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 9] :

[verdachte] wilde zijn huis houden. [verdachte] wilde dat ik de hypotheek van zijn huis op mijn naam zou zetten. Korte tijd later moesten wij een keer bij [verdachte] komen. [verdachte] had toen alle papieren van de woning bij zich zei hij. [verdachte] wilde die avond dat ik de hypotheek op mijn naam zou zetten. [naam] en ik zijn daar toen niet naar toegegaan. Ik wilde dit helemaal niet. [verdachte] reageerde hier niet leuk op. [verdachte] heeft toen met [naam] gebeld en hij was heel boos omdat ik de hypotheek niet op mijn naam wilde zetten.

Parketnummer 18/730028-17:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 september 2016, opgenomen op pagina 799 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRCC16016-ULWARTH d.d. 16 maart 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

[getuige 1] en ik zijn toen naar een feestje gegaan bij [verdachte] in de woning. Er waren drugs op dat feestje. Dat feestje is geëindigd met dat wij met zijn vieren in bed beland zijn. Dit waren [verdachte] , [getuige 1] , [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) en ik. Ik gebruikte op dat moment zelf ook drugs maar ik gebruikte tot dat moment geen basecoke. Mijn situatie was op dat moment niet heel stabiel. Als je voor de eerste keer basecoke gebruikt, ben je helemaal van de wereld.

Wij zijn die hele nacht doorgegaan, tot de volgende dag ‘s middags of misschien wel ‘s avonds laat. Ik ben uiteindelijk wel 2, 3 of 4 maanden bij [verdachte] geweest. Wij gebruikten de hele tijd drugs en we hadden regelmatig seks. Ik ging steeds drugs gebruiken om alles

maar te vergeten. [verdachte] had altijd losse handjes. Ik heb ook wel seks met [verdachte] gehad tegen mijn wil maar als ik nee zei dan ging [verdachte] gewoon door. [verdachte] bond mijn benen ook wel vast op bed. Ik had in die tijd wel blauwe plekken op mijn borst van hem. Wij gebruikten wel altijd drugs. Meestal gebruikten wij base-coke. Wij baseden heel veel in die tijd.

[verdachte] ging een keer met een mes over mijn buik. Hij heeft mij toen niet daadwerkelijk gesneden maar hij maakte met dit mes snijdende bewegingen boven mijn buik. Hij zei hierbij: "Ik ga in je snijden".

Ik wilde niet vastgebonden worden maar dit gebeurde toch. Ik heb ook meerdere keren seks tegen mijn wil met die [medeverdachte] gehad. Ik had niet altijd seks met hem maar hij raakte mij wel altijd aan. Als [verdachte] en ik seks hadden dan kwam die [medeverdachte] daar heel vaak bij in de slaapkamer. Ik moest dan ook wel seks met die [medeverdachte] hebben maar ik wilde dat niet.

De ene keer deed [verdachte] alsof hij aan mijn kant stond en zei dan dat die [medeverdachte] weg

moest gaan omdat hij toch wel kon zien dat ik geen seks met hem wilde. Een andere keer wilde [verdachte] dat ik seks mei die [medeverdachte] had of hij stond dit gewoon toe.

Nadat ik bij [verdachte] weg was, was ik gewoon een levend lijk. Ik was een junk.

Al die dingen die [verdachte] met mij gedaan heeft zou ik mij nooit hebben laten gebeuren als ik in normale doen was geweest. Ik zou mij nooit hebben laten vast binden en slaan en zeker niet zo'n lange tijd. [verdachte] pakte mij tijdens de seks wel bij mijn keel. Ook sloeg [verdachte] mij vaak op mijn wangen tijdens de seks. [verdachte] heeft mij heel erg beïnvloed. Ik was heel erg bang voor [verdachte] en daarom liet ik het maar gebeuren want ik was bang dat er anders nog ergere dingen zouden gebeuren. Als [verdachte] mij tijdens de seks bij de keel pakte dan voelde ik mij bedreigd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 november 2016, opgenomen op pagina 804 van voornoemd het dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Ik was toen niet echt gelukkig en een makkelijk doelwit. Ik had een jaar bij mijn zus gewoond omdat ik voor die tijd wel eens aan de drugs zat en mijn moeder daarachter was gekomen. (..)

[medeverdachte] probeerde mij ook elke keer... hij heeft mij ook een keer verkracht. Hij kwam er steeds bij. Hij wou gewoon meedoen. De ene keer zei [verdachte] :" Ja kom maar" en de andere keer niet. Hij heeft mij gewoon helemaal psychisch gemanipuleerd.

V: Wie deed dat?

A: [verdachte] en voor die [medeverdachte] was ik bang. Daar durfde ik bijna niks.... voor [verdachte] was ik ook bang, die sloeg mij ook, maar die [medeverdachte] was heel onberekenbaar.

V: Die [medeverdachte] , die is er dan ook bij betrokken en je zegt: hij heeft mij op een gegeven moment ook verkracht. Hoe is dat gegaan?

A: Nou [verdachte] ging op de wc zitten en we hadden een code. Mijn ex heette [naam] . Ik moest " [naam] I love you" zeggen als het echt verkeerd ging, want dan kwam hij eraan. Maar hij deed net alsof hij er niet was en hij kwam maar niet en ik maar schreeuwen van: help, help, ik wil niet. Nou ja, zo is dat gebeurd.

V: Maar wat gebeurde er dan dat jij het code woord riep?

A: Die [medeverdachte] wou wat met mij doen. Ik zat in de kamer en die [medeverdachte] kwam eraan en ging mij op bed vast pakken en zat aan plaatsen waar hij niet aan hoort te komen. En hij likt onder mijn oksel heel vreemd en hij deed heel eng.

V: Hoe ver is die [medeverdachte] gegaan?

A: Met verkrachten? Hij heeft alles wel gedaan tegen mijn wil. Hij pakte me gewoon vast en begon gewoon. Hij ging eerst onder mijn oksel likken. Nou en toen ging hij mij vingeren en zo en toen ging hij door en ja, hoe zeg je dat. Hij had dus ook seks met mij. Ik zei de hele tijd: ik ga naar het toilet en kom wel terug. Nee, nee.

V: Op welk moment heb jij het code woord geroepen?

A: Meteen al. Ik riep: "help, help" en ik riep [verdachte] en toen later dacht ik: [naam] I love you, toen heb ik dat geroepen.

Ik was er toen al een tijdje hé. Ik was alleen maar onder invloed, elke dag. De hele dag door.

V: Nou, [medeverdachte] komt bij jou in de slaapkamer en jij hebt een trainingsbroek aan en een hemdje. Wie trekt dat uit?

A: Ja, ik niet. Ik wou niet. Dat heb ik niet zelf uitgetrokken. Hij heeft dat uitgetrokken.

Hij begon, trok mijn kleren uit, begon onder mijn oksel te likken, begon mij te vingeren en toen wou hij seks met mij. Ik stribbelde een beetje tegen van "ik wil niet" en "nee" en ik begon te roepen van "help [verdachte] ", maar toen begon hij toch, toen hadden we toch seks tegen mijn wil. Ik lag op mijn rug en hij lag erboven op. De piemel in de vagina.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor door de rechter-commissaris d.d. 12 juli 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Het vond volgens mij allemaal plaats in 2014. Het kwam die eerste keer meteen van seks, tussen ons vieren; [verdachte] , [medeverdachte] , [getuige 1] en mij. Er werd ook van partner gewisseld. Dat wilde ik eigenlijk niet. [getuige 1] en ik gingen allebei voor [verdachte] . Ik wilde dus wel met [verdachte] , maar niet met [medeverdachte] . Hij deed heel vreemd en ik voelde me niet tot hem aangetrokken. Ik was toen onder invloed van drugs, volgens mij had ik wiet en voor het eerst basecoke gehad. Aan basecoke raak je eigenlijk meteen verslaafd. U vraagt mij waarom ik het toch met [medeverdachte] heb gedaan. Het werd wel een beetje hardhandig allemaal. Ik bedoel dat [verdachte] en [medeverdachte] wel heel dominant waren. Toen [verdachte] met [getuige 1] was, sloeg hij haar steeds op haar hoofd. [medeverdachte] pakte mij steeds bij de keel.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 16 maart 2017, opgenomen op pagina 4 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

In oktober 2014 heeft het Mensenhandel Interventie Team een onderzoek ingesteld naar [slachtoffer 4] . Zij was door haar moeder als vermist opgegeven en het vermoeden bestond dat zij bij [verdachte] verbleef. Er werd een "instap" in de woning van [verdachte] gedaan, waarbij [slachtoffer 4] werd aangetroffen. Zij verkeerde duidelijk onder invloed van verdovende middelen. In de woning werd tevens [medeverdachte] aangetroffen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 oktober 2014, opgenomen op pagina 488 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Op maandag 6 oktober 2014 spraken verbalisanten met [naam] . Tijdens deze verklaring gaf zij aan dat zij enige weken a maanden geleden tegen haar wil seks heeft gehad met een man die zij kent als [naam] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]). Ook gaf de getuige aan dat zij onder andere op 30 augustus 2014 onder invloed van drugs tegen haar wil seksuele handelingen had gedaan. Zij had die dag samen met [slachtoffer 4] seksuele handelingen verricht.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 24 januari 2017, opgenomen op pagina 528 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

V:Wat gebruikte jullie dan?

A: Coke. Snuiven, roken, basen.

V: Wat heb jij gezien wat die [medeverdachte] en [verdachte] met [slachtoffer 4] hebben gedaan?

A: Ja, alles. Ik heb gezien dat ze werd geslagen met een riem, die [medeverdachte] volgens mij.

Dat is heel vernederend. Heel grof, ik kan dat niet uitleggen.

V: Wat is die [medeverdachte] voor man?

A: Die spoort niet, die is echt niet lekker. In het begin was hij wel normaal, maar dat kwam van die rotzooi waar hij aan zat. Hij is echt niet goed.

V: Gewelddadig?

A: Ja.

V: En wat ie met [slachtoffer 4] gedaan heeft, is dat één keer gebeurd of wel vaker?

A: Eén keer was het wel erg.

V: Erger dan andere keren?

A: Ja. Op seksgebied. Toen sloeg ie haar met een riem. Daar was ik bij.

V: [slachtoffer 4] vertelde dat één van de eerste keren dat zij met jou bij hun was, zijn jullie aan de drugs gegaan en toen is er ook seks geweest, met z'n vieren, daar was die [medeverdachte] ook bij.

A: Ja, dat was toen.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor door de rechter-commissaris d.d. 12 juli 2017, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Ik heb wel gezien dat [verdachte] [slachtoffer 4] stevig aanpakte, zowel tijdens de seks als buiten de seks om. Hij sloeg [slachtoffer 4] dan. Dat was in haar gezicht, maar eigenlijk overal. Dat heb ik gezien. Ik heb ook gezien dat [slachtoffer 4] blauwe plekken had op haar borst. [verdachte] was zowel gewelddadig tijdens de seks als ook buiten de seks om. Ik heb alleen tijdens die ene keer dat wij met zijn vieren seks hadden, gezien dat [verdachte] en [slachtoffer 4] seks met elkaar hadden. Dat was niet helemaal tegen haar zin. Ik bedoel daarmee dat ik zag dat het in het begin niet tegen de zin van [slachtoffer 4] was, maar later zag ik wel dat [slachtoffer 4] het niet meer leuk vond. Dat zei [slachtoffer 4] tegen [verdachte] en ik hoorde dat. Zij zei dan dat ze het zé niet leuk vond. Dat had te maken met de manier waarop [verdachte] seks met haar had. Ik bedoel daarmee: de hardhandige seks. De officier van justitie vraagt hoe [verdachte] daarop reageerde. Hij lachte daar om. Ik kreeg de indruk dat het hem niet zoveel uitmaakte. De manier waarop hij seks met haar had, werd dan niet anders. Het ging gewoon door. Ik zag wel dat [slachtoffer 4] dat écht niet leuk vond. [slachtoffer 4] heeft dat aan [verdachte] heel duidelijk aangegeven. U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat de seks één keer heel erg was voor [slachtoffer 4] . Dat was de keer toen wij seks met zijn vieren hadden. Ik heb toen gezien dat [medeverdachte] [slachtoffer 4] sloeg met een riem.

De raadsvrouw vraagt mij of ik heb gezien dat [verdachte] [slachtoffer 4] buiten de seks om sloeg. Ik heb

gezien dat hij haar met de vlakke hand sloeg. Hij kneep haar ook hardhandig. De

raadsvrouw vraagt mij op welk moment [slachtoffer 4] tegen [verdachte] tijdens de seks vroeg om op te

houden. Dat was die ene keer toen wij met zijn vieren seks hadden. Dat heeft ongeveer een

hele dag of een hele nacht of een hele dag en een nacht geduurd. Toen heeft [verdachte] [slachtoffer 4]

meerdere keren bij haar keel gegrepen. [slachtoffer 4] heeft aangegeven dat zij dat niet wilde. Zij zei

dan letterlijk: “Dit wil ik niet”.

Op het moment dat [medeverdachte] [slachtoffer 4] met een riem sloeg, heeft [slachtoffer 4] ook aangegeven

dat zij dat niet wilde. [slachtoffer 4] zei dit tijdens de klappen met de riem die zij kreeg.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2016, opgenomen op pagina 538 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

[getuige 3] deelde mede:

Dat er een meisje genaamd [slachtoffer 4] en een [getuige 1] bij [verdachte] thuis kwamen;

Dat met name [slachtoffer 4] heel erg verliefd op [verdachte] was en hem ook erg claimde;

Dat [verdachte] onder andere die [slachtoffer 4] aan de crackpijp heeft geholpen;

Dat [verdachte] samen met [medeverdachte] , [getuige 1] en [slachtoffer 4] een seksfeestje had;

Dat [verdachte] haar vroeg om ook mee te doen maar dat zij dit niet wilde en weg is gegaan;

Dat [verdachte] [medeverdachte] een keer naar [slachtoffer 4] had gestuurd om seks met [slachtoffer 4] te hebben;

Dat die [medeverdachte] met elke vrouw daar in huis wel seks wilde en ook daarvoor benaderde.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor door de rechter-commissaris d.d. 12 juli 2017, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

[verdachte] gaf [slachtoffer 4] een klap met de vlakke hand in haar gezicht. Zij deed niets terug.

[slachtoffer 4] was echt verliefd op hem. Hij had haar helemaal in de tang. Hij zette haar aan de crack. Ik heb gezien dat hij [slachtoffer 4] een crackpijp aanbood en dat zij toen ging roken. [verdachte] vertelde mij dat [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) [slachtoffer 4] had weggebracht en dat ze seks hadden gehad. Ik begreep dat [medeverdachte] aan [verdachte] had gevraagd om seks te hebben met [slachtoffer 4] als tegenprestatie voor het feit dat hij haar weg moest brengen.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 mei 2016, opgenomen op pagina 112 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

[slachtoffer 4] was helemaal in de ban van [verdachte] . Ik weet dat hij dat meisje ook gewoon eh.. ik weet dat die [medeverdachte] ook gewoon haar moest be-seksen zeg maar. Ik heb wel foto's gezien van hen dat ze samen aan de drugs zaten. Toen begon hij ook met die drugs bij mij, na die [slachtoffer 4] . Volgens mij heeft hij dat ook met haar gedaan en toen begon hij echt met die zware drugs. Met roken en basen en dat soort dingen. Plofjes enzo. Ik zag ook op foto's dat zij dat deden.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 september 2016, opgenomen op pagina 694 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 10] :

Ik heb [slachtoffer 4] Bij [verdachte] weggehaald. [slachtoffer 4] zat daar zo stoned als een garnaal en hij was ook gewoon niet fris. Daarna is die inval bij [verdachte] geweest. Toen had ik [slachtoffer 4] ook weer terug. [slachtoffer 4] zat onder de blauwe plekken, dat had ik wel gezien en was heel erg dun. Laatst heeft ze me verteld dat [verdachte] haar zo had geslagen op haar borst. En dat hij haar wou laten verkrachten en nog veel meer.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2., 3., 4. A subsidiair en 4. B primair, 5., 6. en 7. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 augustus 2015 in Nederland, meermalen een ander, genaamd [slachtoffer 1] , met de onder artikel 273 f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht, genoemde middelen, te weten door geweld, misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie

1. heeft vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] (artikel 273 f lid 1 sub 1) en

2. heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (artikel 273 f lid 1 sub 4) en

3. heeft bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengsten van seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] met een derde (artikel 273 f lid 1 sub 9)

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1]

(artikel 273 f sub 6)

waarbij de dwang, het geweld, het misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, het misbruik van een kwetsbare positie en/of genoemde enige handeling onder 2 hebben bestaan uit

- het meermalen mishandelen van die [slachtoffer 1]

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] op jonge leeftijd een relatie met verdachte had, waarbij verdachte haar voorspiegelde dat hij van haar hield en dat zij samen een toekomst zouden opbouwen

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] vanaf haar 18e samenwoonde met verdachte, terwijl die [slachtoffer 1] zelf uit een onstabiele gezinssituatie kwam

- de omstandigheid dat verdachte ondertussen een relatie onderhield met de zus van die [slachtoffer 1] en in hun onderlinge verhouding stookte

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] geen vriendinnen mocht hebben van verdachte waardoor die [slachtoffer 1] in een sociaal isolement verkeerde

en waarbij die arbeid en/of diensten hebben bestaan uit

- werken in de prostitutie tot aan de start van de werkzaamheden in de snackbar in 2005;

2.

hij in de periode van 12 september 2004 tot en met 31 december 2004 in Nederland, meermalen, een ander, genaamd [slachtoffer 1] , door geweld en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voorvloeiend overwicht en door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling (sub 1)

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] , met een derde tegen betaling, terwijl hij wist dat die [slachtoffer 1] zich onder de sub 1 genoemde omstandigheden beschikbaar heeft gesteld tot het plegen van die seksuele handelingen (sub 4)

en

door geweld en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding heeft bewogen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen (sub 6),

waarbij het geweld en het misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en de misleiding hebben bestaan uit

- het meermalen mishandelen van die [slachtoffer 1]

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] op jonge leeftijd een relatie met verdachte had, waarbij verdachte haar voorspiegelde dat hij van haar hield en dat zij samen een toekomst zouden opbouwen

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] vanaf haar 18e samenwoonde met verdachte, terwijl die [slachtoffer 1] zelf uit een onstabiele gezinssituatie kwam

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] geen vriendinnen mocht hebben van verdachte waardoor die [slachtoffer 1] in een sociaal isolement verkeerde;

3.

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2015 te Leeuwarden, meermalen, een ander, genaamd [slachtoffer 2] , met de onder artikel 273 f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang, geweld en een andere feitelijkheid, door dreiging met geweld en een andere feitelijkheid, door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie

1. heeft geworven, vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 2] (artikel 273 f lid 1 sub 1) en

2. heeft gedwongen dan wel bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (artikel 273 f lid 1 sub 4)

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2]

(artikel 273 f sub 6)

waarbij de dwang, het geweld, de andere feitelijkheid, de dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, de misleiding, het misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en het misbruik van een kwetsbare positie hebben bestaan uit

- het meermalen mishandelen en bedreigen van die [slachtoffer 2]

- het drogeren van die [slachtoffer 2]

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 2] vanaf jonge leeftijd een heimelijke relatie met verdachte had, waarbij verdachte haar voorspiegelde dat hij van haar hield en dat zij samen een toekomst zouden opbouwen

- de omstandigheid dat die [slachtoffer 2] uit een instabiele gezinssituatie kwam en vanaf haar 14e inwoonde bij verdachte en haar zus en voor huisvesting afhankelijk was van verdachte

- de omstandigheid dat verdachte een relatie had met de zus van die [slachtoffer 2] en in hun onderlinge verhouding stookte

en waarbij die arbeid en diensten hebben bestaan uit

- een snackbar en pand op naam krijgen, schulden aangaan en aflossen ten behoeve van de snackbar en dat pand

- gedurende lange dagen, alle dagen van de week, werken in die snackbar

- het onder de marktwaarde weer verkopen / afstaan van het pand [straatnaam]

- zich beschikbaar stellen voor seks met verdachte en met bekenden van verdachte;

4. B primair

hij in de maand december 2013 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] drie dagen lang tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft gestompt en met een asbak tegen het hoofd heeft geslagen en door een ijzeren bed heen heeft geslagen rond de kerstdagen in 2013, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

4. A subsidiair

hij in de periode van juni 2012 tot en met 29 december 2014 te Leeuwarden, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] met een schaar in haar benen heeft gesneden.

5.

hij in de periode van 9 februari 2016 tot en met 8 april 2016, te Leeuwarden, meermalen, opzettelijk [slachtoffer 3] heeft mishandeld, immers heeft verdachte die [slachtoffer 3]

- op 9 februari 2016 met een stanleymesje in haar gezicht gesneden en

- op 4 april 2016 een (harde) stomp in haar maag gegeven en

- op 8 april 2016 met een (mobiele) telefoon tegen haar been geslagen;

6.

hij omstreeks 6 juli 2016 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer 3] , die [slachtoffer 3] , opzettelijk, meermalen, langdurig, met kracht tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7.

hij in de periode van 19 oktober 2015 tot en met 12 september 2016 te Leeuwarden opzettelijk heeft verhuld wie de rechthebbende op het pand aan de [straatnaam] te Leeuwarden is, immers heeft verdachte bewerkstelligd dat dit pand op naam is gekomen van [slachtoffer 3] , terwijl hij, verdachte, feitelijk gebruiker van het betreffende pand was en bleef, terwijl hij wist dat dit pand deels middellijk van misdrijf afkomstig was.

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730028-17 ten laste wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 12 mei 2014 tot en met 24 oktober 2014 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, en alleen, meermalen, door geweld en een andere feitelijkheid en bedreiging met geweld, [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum] 1995, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4] ,

immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader en alleen, meermalen, zijn penis en vingers in de vagina en/of heeft zijn mededader zijn penis en vingers in de vagina van die [slachtoffer 4] gebracht en bestond dat geweld en die andere feitelijkheid en de bedreiging met geweld hierin dat verdachte

- die [slachtoffer 4] meermalen met kracht heeft geslagen en bij de keel heeft gepakt en

- die [slachtoffer 4] vast heeft gebonden aan armen en benen en

- met een mes een snijdende beweging heeft gemaakt over de buik van die [slachtoffer 4] en daarbij heeft gezegd dat hij haar ging snijden en

- die [slachtoffer 4] heeft voorzien van drugs en daarbij gebruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin die [slachtoffer 4] zich bevond, doordat ze weggelopen was van huis en zich in zijn woning bevond en

- overwicht had op die [slachtoffer 4] door het verschil in leeftijd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert in de zaak met parketnummer 18/750086-16 op:

1. Mensenhandel, meermalen gepleegd

2. Mensenhandel, meermalen gepleegd

3. Mensenhandel, meermalen gepleegd

4. B primair Poging tot zware mishandeling

4. A subsidiair Mishandeling

5. Mishandeling, meermalen gepleegd

6. Poging tot zware mishandeling

7. Witwassen.

Het bewezen verklaarde levert in de zaak met parketnummer 18/730028-17 op:

Medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd,

en

Verkrachting, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het onder 1., 2., 3., 4. A subsidiair en 4. B primair, 5., 6. 7. en het in de zaak met parketnummer 18/730028-17 ten laste gelegde wordt opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Weliswaar hebben de deskundigen geen harde conclusies kunnen trekken ten aanzien van het bestaan van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte, maar op basis van het rapport van het Pieter Baan Centrum in combinatie met de te bewijzen feiten is het voldoende aannemelijk dat bij verdachte enige stoornis bestond ten tijde van de feiten.

In het geval dat de rechtbank de oplegging van deze maatregel niet mogelijk dan wel niet aangewezen acht, vordert de officier van justitie oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de maatregel van terbeschikkingstelling slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden opgelegd zonder dat een deskundige - kort gezegd - een stoornis heeft vastgesteld. Van zo'n uitzonderlijk geval is in de onderhavige zaak geen sprake. Er zijn onvoldoende handvatten om een stoornis bij verdachte te kunnen vaststellen en er is evenmin sprake van een evident gevaar voor herhaling. Het valt bovendien niet uit te sluiten dat verdachte in het geval van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf bereid is mee te werken aan een behandeling in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling indien nodig.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 24 augustus 2017, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 juni 2017, het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel ten opzichte van twee jonge vrouwen, diverse mishandelingen, twee pogingen tot zware mishandeling, meerdere verkrachtingen en witwassen. Verdachte heeft zijn vriendin vanaf het moment dat zij achttien werd onder dwang in de prostitutie laten werken en haar verdiensten aan hem laten afstaan. Haar zusje werd (vervolgens) jarenlang door hem gedwongen tegen minimale verdiensten arbeid te verrichten in een snackbar. Beide vrouwen werden door verdachte misleid en mishandeld, en verdachte maakte misbruik van de kwetsbare positie waarin zij zich bevonden en van het overwicht dat hij op hen had. De bewezen verklaarde mishandelingen en pogingen tot zware mishandeling werden door verdachte gepleegd ten opzichte van de jonge vrouw die hij in de snackbar liet werken, alsmede ten opzichte van een derde vrouw. Beide vrouwen werden door verdachte gesneden (een van hen in het gezicht) en meermalen en zelfs dagenlang met kracht tegen het hoofd geslagen. De vrouwen hebben daarbij doodsangsten uitgestaan.

Een andere jonge vrouw werd door verdachte (en zijn mededader) meermalen verkracht gedurende de periode van enkele maanden waarin zij - weggelopen van huis - bij hem in de woning verbleef en aan base-coke verslaafd raakte. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van een pand.

Dit zijn ernstige strafbare feiten die de rechtbank verdachte zwaar aanrekent. Verdachte heeft door zijn gedragingen, zowel de uitbuiting, de verkrachtingen als de verschillende mishandelingen, op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun levens - naar het nu, jaren later, lijkt - voorgoed getekend. Verdachte heeft zich bij de uitbuiting enkel laten leiden door zijn zucht naar macht en geldelijk gewin.

Uit het uittreksel van de justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor uiteenlopende delicten, waaronder huiselijk geweld.

De rechtbank constateert dat verdachte met alle vier genoemde vrouwen enige vorm van een (seksuele) relatie heeft gehad, waarbinnen de uitbuiting, mishandeling dan wel verkrachting plaatsvond. Dat verdachte - al dan niet onder invloed van (hard)drugs - in staat is gebleken om dusdanig respectloos en gewelddadig op te treden tegen (juist) deze vrouwen, baart de rechtbank ernstig zorgen. Verdachte heeft zich grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen en heeft geen blijk gegeven van inzicht in (het kwalijke van) zijn gedrag. Teneinde meer inzicht in zijn geestesgesteldheid te krijgen is verdachte ter observatie opgenomen in het Pieter Baan Centrum (PBC). Aldaar heeft verdachte geen medewerking aan onderzoeken verleend, zodat hij als een weigerende observandus moet worden aangemerkt. Uit het door het PBC opgemaakte rapport blijkt dat er weliswaar aanwijzingen zijn voor een “hoge mate van psychopathie”, maar dat de deskundigen geen harde conclusies hebben kunnen trekken ten aanzien van het bestaan van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte.

De officier van justitie heeft oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging geëist. Daarvoor is conform artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (onder meer) vereist dat bij een verdachte ten tijde van het plegen van een strafbaar feit sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Bij de vaststelling van het bestaan daarvan dient de rechter acht te slaan op de over de verdachte opgemaakte multidisciplinaire rapportage. Ook indien de verdachte weigert om mee te werken aan het opstellen van een dergelijke rapportage waardoor de deskundigen geen advies hebben kunnen geven, kan de rechter overgaan tot het opleggen van TBS. De vaststelling van het bestaan van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kan dan geschieden op basis van oudere rapportages, aanwijzingen uit het strafdossier of verdere informatie omtrent de geestesgesteldheid van de verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het PBC-rapport niet de conclusie kan worden getrokken dat er sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte. In het dossier bevinden zich evenmin andere rapporten of aanknopingspunten om tot een dergelijke conclusie te kunnen komen. Oplegging van een TBS-maatregel kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan de orde zijn, hoe wenselijk een behandeling van verdachte ook lijkt. Gelet op de ernst van de feiten, de lange pleegperiode en de gevolgen voor de slachtoffers rest de rechtbank niets anders dan aan verdachte een langdurige gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank acht de subsidiair door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van negen jaren passend en geboden en zal verdachte hiertoe veroordelen.

Inbeslaggenomen goed

De rechtbank is van oordeel dat het pand aan het [straatnaam] te Leeuwarden waarop beslag rust, dient te worden vrijgegeven ten behoeve van de rechthebbende, te weten [slachtoffer 3] . De rechtbank constateert dat het pand formeel gezien haar eigendom is. Dat zij haar eigendomsrecht de afgelopen jaren niet heeft geëffectueerd (zoals overwogen met betrekking tot het onder 7. bewezen verklaarde), maakt dit geenszins anders.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

( [slachtoffer 1] ) heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 643.911,61 ter vergoeding van materiële schade en € 25.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair toewijzing van de vordering tot een bedrag van

€ 668.911,61 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Subsidiair heeft de officier van justitie toewijzing van € 100.000,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd en meest subsidiair enkel de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van € 100.000,00.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair afwijzing van de vordering bepleit, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij bepleit, daar de gevorderde schade onvoldoende vast kan worden gesteld gelet op de beperkte onderbouwing en aanhouding van de behandeling een onevenredige belasting voor het strafgeding zou betekenen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat de benadeelde partij schade heeft gevorderd waarvan wordt gesteld dat deze is ontstaan buiten de bewezenverklaarde periode, te weten reeds vanaf 1999. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering voor zover het gaat om de periode van 11 maart 1999 tot en met 11 september 2004, daar deze schade onvoldoende rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 1. en 2. bewezen verklaarde. De rechtbank acht de in het rapport schadeberekening d.d. 3 januari 2017 gehanteerde maatstaven redelijk en zal deze nemen als uitgangspunt voor de bepaling van hoogte van de geleden materiële schade. Deze maatstaven leveren toegepast op de bewezenverklaarde periode de volgende berekening op.

Gemiddelde verdiensten per dag Fl. 1.000,00 x € 0,45378 = € 453,78

Aftrek gemiddelde kosten levensonderhoud:

- voeding per persoon per dag € 5,68

- GWL per gezin per maand € 121,50 / 2 personen/ 30 dagen = € 2,02

- overige uitgaven per maand € 400 / 30 dagen = € 13,33 +

----------------

€ 21,03 - -----------------------

Overgebleven verdiensten per dag € 432,75

Periode gewerkt: 46 weken x 5 dagen per week = 230 dagen x

---------------

Totale afgenomen verdiensten € 99.532,50

De rechtbank stelt de geleden materiële schade derhalve vast op een bedrag van € 99.532,50.

De rechtbank zal met betrekking tot het gevorderde bedrag ter vergoeding van de geleden immateriële schade gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek en de schade vaststellen op € 17.500,00.

Het totaal toe te wijzen bedrag bedraagt derhalve € 117.032,50, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

( [slachtoffer 2] ) heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 363.165,44 ter vergoeding van materiële schade en € 60.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft afwijzing van de vordering bepleit, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman matiging van het toe te wijzen bedrag bepleit. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 2] inhoudende dat verdachte vanaf 2013 alle omzet van de snackbar heeft weggenomen, kan niet juist zijn omdat de rekeningen en het personeel dan niet langer betaald hadden kunnen worden en de snackbar niet had kunnen blijven voortbestaan. Voorts is er geen onderbouwing van de gestelde psychische klachten van [slachtoffer 2] .

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 3. en 4. bewezen verklaarde.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag matigen, daar zij met de raadsman van oordeel is dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat verdachte alle dagomzetten vanaf 1 april 2013 heeft weggenomen. De rechtbank zal gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de weggenomen omzet vaststellen op € 30.000,00.
Het gevorderde bedrag (€ 74.000,00) betreffende verschil in aankoopwaarde van het pand en de marktwaarde van het pand inclusief inventaris zal de rechtbank eveneens matigen. De rechtbank overweegt in dit verband dat onvoldoende is gebleken dat het pand het getaxeerde bedrag daadwerkelijk zou hebben opgeleverd en dat de overwaarde bovendien door [slachtoffer 2] zou moeten worden gedeeld met [slachtoffer 1] als mede-eigenaresse. Gebruik makend van haar schattingsbevoegdheid stelt de rechtbank deze schadepost op € 20.000,00.

Aangaande de gevorderde reiskosten à € 497,44, de gevorderde kosten van het opmaken van een PTSS verklaring à € 250,00 en het gevorderde eigen risico à € 385,00 is geen verweer gevoerd. De rechtbank acht deze kosten voldoende onderbouwd en zal deze bedragen toewijzen.

De rechtbank stelt de geleden materiële schade derhalve vast op een totaalbedrag van € 51.132,44.

De rechtbank zal het gevorderde bedrag ter vergoeding van de geleden immateriële schade schatten en vaststellen op € 25.000,00. Het totaal toe te wijzen bedrag bedraagt derhalve € 76.132,44, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

( [slachtoffer 3] ) heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 385.000,00 ter vergoeding van materiële schade en € 60.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schade gevorderd. Voor het overige heeft de officier van justitie niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij gevorderd, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft afwijzing van de vordering bepleit, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden ten gevolge van het onder 5. en 6. bewezen verklaarde. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid.

De hoogte van de schade wordt geschat op € 10.000,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen.

Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard. De gevorderde schade is in het geheel niet onderbouwd en ook op overige wijze is onvoldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 5. en 6. bewezen verklaarde.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de vordering.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het in de zaak met parketnummer 18/730028-17 bewezen verklaarde. De rechtbank slaat er acht op dat de schade is ontstaan gedurende een periode van een aantal maanden waarin [slachtoffer 4] bij verdachte in de woning heeft verbleven en met regelmaat door hem en tweemaal (mede) door de medeverdachte werd verkracht. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 5.000,00 passend gelet op hetgeen [slachtoffer 4] in deze periode heeft moeten meemaken en zal de vordering derhalve toewijzen.

De rechtbank is van oordeel dat het aandeel van verdachte in het ontstaan van de schade bij [slachtoffer 4] groter is dan het aandeel van de medeverdachte. De rechtbank zal daarom de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 oktober 2014. Voor de overige

€ 3.000,00 acht de rechtbank (alleen) verdachte aansprakelijk.

Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63, 242, 248, 273f, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 4. A primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1., 2., 3., 4. B primair en 4. A subsidiair, 5., 6. en 7. en het in de zaak met parketnummer 18/730028-17 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende ( [slachtoffer 3] ) van het in beslag genomen pand [straatnaam] te Leeuwarden.

Ten aanzien van feit 1 en 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 117.032,50 (zegge: honderdzeventienduizendtweeëndertig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2005.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 117.032,50 (zegge: honderdzeventienduizendtweeëndertig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2005, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 130 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Dit bedrag bestaat uit € 99.532,50 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.


Ten aanzien van feit 3 en 4:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 76.132,44 (zegge: zesenzeventigduizendhonderdtweeëndertig euro en vierenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2015.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 76.132,44 (zegge: zesenzeventigduizendhonderdtweeëndertig euro en vierenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2015, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 110 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Dit bedrag bestaat uit € 51.132,44 aan materiële schade en € 25.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 5 en 6:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 75 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van parketnummer 18/730028-17:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2014, in dier voege, dat indien een gedeelte van € 2.000 van dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien een gedeelte van € 2.000 van dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 oktober 2017.

Mr. Nolta is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Kamerstukken II, 1988-1989, 21 027, nr. 5.

2 HR 5 februari 2002, LJN: AD5235.

3 ECLI:NL:HR:2012:BQ6144.

4 Kamerstukken II, 2003-2004, 29 291, nr. 3.

5 HR 27 oktober 2009, LJN BI7097.

6 Verdachte is hiervoor op 20 februari 2015 veroordeeld door de rechtbank Noord-Nederland.

7 Kamerstukken II, 2002/03, 28484, nr. 5, p. 5.