Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3752

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
18/730060-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De destijds 36-jarige verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met een minderjarige. De verdachte en de destijds 15-jarige minderjarige hadden gedurende zes maanden een affectieve relatie. Binnen deze (buitenechtelijke) relatie hadden zij ook meermalen seks met elkaar. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van het bestanddeel ‘buiten echt’ in de tenlastelegging een kennelijke omissie vormt. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om het bestanddeel ‘buiten echt’ in te lezen in het ten laste gelegde.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het onttrekken van de minderjarige aan het over haar gestelde gezag.

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2016-07-01
Wetboek van Strafrecht 245, geldigheid: 2002-10-01
Wetboek van Strafrecht 279, geldigheid: 2002-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/730060-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 september 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats],

wonende [straatnaam] te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 september 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.C.L. Crozier, advocaat te Sneek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2015 tot 19 december 2015, te Drachten, dan wel in Nederland, meermalen althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1999), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte (telkens) haar vaginaal gepenetreerd met zijn penis en/of vinger(s) en/of heeft hij (telkens) zijn penis in haar mond gebracht.

2.

hij op of omstreeks 08 mei 2016, te Drachten en/of te Zoetermeer, een minderjarige, genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1999), heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen is, gelet op de verklaring van [slachtoffer] en de bekennende verklaring van verdachte.

Feit 2.

De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen is, gelet op de aangifte van [moeder] en de bekennende verklaring van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde.

Feit 2.

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit, aangezien bij verdachte het opzet ontbrak op het onttrekken aan het wettig gezag. Daarbij komt dat het initiatief bij [slachtoffer] lag om met verdachte mee te gaan vanuit Drachten naar Zoetermeer.

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Uit de verklaring van [slachtoffer]2 en de bekennende verklaringen van verdachte3 blijkt genoegzaam dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde op de wijze zoals hierna blijkt onder het kopje ‘bewezenverklaring’.

Uit de tekst van de tenlastelegging blijkt zonder meer dat is bedoeld aan verdachte ten laste te leggen het overtreden van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht. Ter zitting is niet gebleken dat bij verdachte enig moment onzekerheid heeft bestaan over het strafrechtelijk gesanctioneerde verwijt. De rechtbank heeft evenwel geconstateerd dat het delictsbestanddeel ‘buiten echt’ in de tenlastelegging ontbreekt. Uit de stukken blijkt dat [slachtoffer] en verdachte niet gehuwd waren ten tijde van het ten laste gelegde, hetgeen ter terechtzitting door de verdachte is bevestigd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ontbreken van voornoemd bestanddeel een kennelijke omissie vormt. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om het bestanddeel ‘buiten echt’ in te lezen in het ten laste gelegde.

Feit 2.

Uit de aangifte van [moeder] (verder: aangeefster) blijkt dat zij en [vader] het ouderlijk gezag hebben over hun dochter [slachtoffer] (verder: [slachtoffer]), geboren op [geboortedatum] 19994. Zij wonen gezamenlijk in Drachten.5 Op 8 mei 2016 verneemt zij om 10.15 uur dat [slachtoffer] niet meer thuis is en ook haar tas, portemonnee, identificatiekaart en kleding zijn weg.6 Vervolgens belt aangeefster met de politie om melding te doen van de vermissing van [slachtoffer].

[slachtoffer] heeft op 31 mei 2016 verklaard dat verdachte haar op 8 mei 2016 om 01.00 uur appte en in Drachten heeft opgehaald en dat zij met hem is meegegaan naar Zoetermeer. Voorts heeft zij verklaard dat zij van verdachte moest zeggen dat zij met de trein naar Zoetermeer was gekomen.7

Ook nadien op 13 juni 2016 blijft [slachtoffer] bij de eerder door haar afgelegde verklaring dat zij door verdachte op 8 mei 2016 thuis is opgehaald en naar Zoetermeer is gebracht. Zij moest van verdachte zeggen dat zij met de trein naar Zoetermeer was gekomen.8 Ten slotte heeft [slachtoffer] gehoord dat verdachte met haar ouders belde en dat verdachte zei dat hij niet wist waar zij was, maar dat hij haar terug zou brengen als hij haar had gevonden.9

Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verbalisanten [naam] en [naam] op 8 mei 2016 bij de woning van verdachte in Zoetermeer gaan kijken naar aanleiding van de melding van de ouders van [slachtoffer] dat zij vermist is en mogelijk bij verdachte verblijft. Verdachte verklaart tegenover verbalisant [naam] dat hij niet weet waar [slachtoffer] is en dat hij met de vader van [slachtoffer] heeft afgesproken dat als [slachtoffer] naar Zoetermeer kwam hij haar persoonlijk terug brengt. Daarna verklaart verdachte dat [slachtoffer] in Zoetermeer is gearriveerd met de trein uit Friesland. [slachtoffer] is in de woning van verdachte aangetroffen en verklaart dat zij met de trein in Zoetermeer was aangekomen en dat verdachte niets van haar komst wist.10

Verdachte heeft verklaard dat hij naar Drachten is gereden, omdat [slachtoffer] weg wilde lopen. Op 8 mei 2016 heeft hij [slachtoffer] om 04.30 uur meegenomen naar Zoetermeer. Daarna heeft verdachte gesproken met de ouders van [slachtoffer] en aan hen verklaart hij dat hij niet wist waar [slachtoffer] was, dat hij haar zou zoeken en hen zou bellen als hij iets wist.11

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat voorafgaand aan het ten laste gelegde hij contact met de ouders van [slachtoffer] heeft gehad en zij te kennen gaven dat zij niet wilden dat verdachte en [slachtoffer] contact hadden. Op 8 mei 2016 heeft hij [slachtoffer] meegenomen vanuit Drachten naar Zoetermeer. Nadien heeft hij tegenover zowel de ouders van [slachtoffer] als de politie verklaard dat hij niet wist waar [slachtoffer] was. Voorts heeft verdachte bekend dat hij aanvankelijk [slachtoffer] instrueerde om te zeggen dat zij zelf met de trein naar Zoetermeer was gereisd.12

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde van belang is dat verdachte beslissende invloed heeft gehad op het onttrekken van de minderjarige (i.c. [slachtoffer]).

Uit voornoemde bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding van de minderjarige [slachtoffer] en haar met het gezag belaste ouders. Verdachte heeft immers het vervoer van [slachtoffer] geregeld naar Zoetermeer en haar daar onderdak geboden. Voorts blijkt dat verdachte tegenover de ouders van [slachtoffer] en de politie bewust heeft gezwegen over zijn wetenschap omtrent de verblijfplaats van [slachtoffer]. Daarbij komt ook dat verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] uit eigen beweging met de trein naar Zoetermeer is gereisd en haar heeft geïnstrueerd te verklaren dat zij met de trein naar Zoetermeer is gereisd, hetgeen [slachtoffer] daadwerkelijk in eerste instantie tegenover de politie heeft gedaan.

Gelet op de bewijsmiddelen en overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte in zodanige mate heeft bijgedragen aan de scheiding tussen de minderjarige en haar ouders, dat zij buiten het gezag van haar ouders kwam te verkeren, dat sprake is van onttrekking aan het gezag in de zin van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Eventuele goede bedoelingen van verdachte doen aan voorgaande conclusies niets af. De relatief korte duur van de onttrekking doet hieraan eveneens niet aan af, aangezien verdachte actief heeft belet dat de met wettig gezag belaste ouders en de politie de verblijfplaats van [slachtoffer] zouden ontdekken. Tevens is niet van belang wie het initiatief heeft genomen. Het verweer van de raadsman dat de wil van [slachtoffer] aan een bewezenverklaring in de weg staat treft geen doel, gelet op voorgaande overwegingen omtrent het geven van instructies aan [slachtoffer] en het verzwijgen van de wetenschap omtrent haar verblijfplaats.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 juni 2015 tot 19 december 2015, te Drachten, meermalen telkens met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1999, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte haar vaginaal gepenetreerd met zijn penis en/of vinger(s) en/of heeft hij zijn penis in haar mond gebracht.

2.

hij op 8 mei 2016, te Drachten en te Zoetermeer, een minderjarige, genaamd [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1999, heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

2. Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit een straf op te leggen conform het reclasseringsadvies, te weten een taakstraf voor de duur van 100 uur, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf. Er is geen noodzaak voor het opleggen van bijzondere voorwaarden, aangezien een meldplicht de werkzaamheden van verdachte zal doorkruisen, er al een jaar geen contact met het slachtoffer is geweest en een behandeling onnodig is omdat verdachte stelt dat hij niet wederom dezelfde fout zal maken.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De destijds 36-jarige verdachte en de destijds 15-jarige minderjarige [slachtoffer] hadden gedurende zes maanden een affectieve relatie. Binnen deze (buitenechtelijke) relatie hadden zij ook meermalen seks met elkaar. De wetgever heeft minderjarigen in bescherming willen nemen door seks met personen onder de 16 jaar ongeclausuleerd strafbaar te stellen. Hoewel het voor de strafbaarheid van dit feit niet relevant is of verdachte wetenschap heeft van de leeftijd van [slachtoffer], betrekt de rechtbank bij de strafmaat wel dat verdachte - zoals hij zelf toegeeft - op enig moment zeker wist dat [slachtoffer] 15 jaar oud was. Haar jeugdige leeftijd heeft verdachte er niet van weerhouden haar ertoe te bewegen diverse seksuele handelingen met hem te verrichten en zelf te ondergaan. Dergelijke ervaringen vormen een zeer ongewenste beïnvloeding van de algemene en seksuele ontwikkeling van jonge meisjes. Verdachte heeft met zijn handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, persoonlijke levenssfeer en mogelijk ook op de seksuele ontwikkeling van [slachtoffer]. De ervaring leert immers dat veel slachtoffers van dit soort feiten zich, vanwege hun jonge leeftijd, pas op latere leeftijd realiseren wat er daadwerkelijk is gebeurd en daarvan tot in lengte van jaren nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Dat [slachtoffer] de handelingen vrijwillig heeft verricht dan wel ondergaan en of het initiatief daartoe al dan niet van haar is uitgegaan doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake. Een dergelijk door de verdachte ingenomen standpunt geeft blijk van gebrek aan inzicht in het laakbare van zijn handelen. Verdachte heeft geprofiteerd van de gelegenheid die zich voordeed voor zijn eigen gerief zonder zich af te vragen of [slachtoffer] door zijn handelen ernstig kon worden beschadigd en zonder verantwoordelijkheid te nemen voor de mogelijke consequenties van zijn handelen.

De rechtbank neemt tevens in overweging dat het misbruik zich heeft voorgedaan in een fase in het leven van [slachtoffer] waarin sprake is van een ontluikende seksualiteit, waarin de seksuele beleving en ervaring zich stapsgewijs zouden moeten kunnen ontwikkelen met een gelijkwaardige partner. Dat is ook de achtergrond van de door verdachte overtreden strafbepaling.

De ernst van het handelen van verdachte is voorts mede bepaald door de jonge leeftijd van [slachtoffer], de duur van de periode, het aantal keren dat sprake was van (onveilige) seks en de plaatsen waar dit zich heeft voorgedaan. Tevens houdt de rechtbank rekening met de voor [slachtoffer] verstrekkende gevolgen van voornoemd handelen.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het onttrekken van [slachtoffer] aan het over haar gestelde gezag. Door aldus te handelen heeft verdachte het voor de ouders onmogelijk gemaakt hun taak als diegenen die met het gezag zijn belast uit te voeren, hetgeen de minderjarige dient te beschermen tegen derden.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 31 juli 2017, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.

Uit het reclasseringsadvies d.d. 30 augustus 2017 opgesteld door [naam], reclasseringswerker van de Reclassering Nederland blijkt onder meer dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft bekend, maar een groot deel van de verantwoordelijkheid buiten zichzelf legt. De reclassering acht het van belang dat er tijdens een toezicht en een behandeling bij een forensische polikliniek aandacht is voor risicofactoren zoals relaties en seksualiteit, denkpatronen, vaardigheden, houding en dat verdachte zich nieuwe oplossingsvaardigheden eigen maakt die hem in staat stellen beter met deze risicofactoren om te gaan. Tevens dient aandacht te zijn voor alcoholgebruik. Het recidiverisico is matig/laag ingeschat. Geadviseerd is de oplegging van een deels voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer. Bovendien is geadviseerd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Ingevolge artikel 22b Sr is een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf aangewezen. Dit doet ook recht aan de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde.

De rechtbank zal een deel van deze vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte er van te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen en om oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd mogelijk te maken, aangezien behandeling van de problematiek van verdachte noodzakelijk is. De rechtbank ziet af van de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer], aangezien niet blijkt dat zij thans contact hebben en niet blijkt dat dit door het slachtoffer gewenst is.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd. De rechtbank dient bij de vaststelling van de duur hiervan ten behoeve van een uniforme straftoemeting, die voortvloeit uit het gelijkheidsbeginsel, rekening te houden met de hoogte van de straffen die in de regel voor dit soort feiten wordt opgelegd.
Dit brengt de rechtbank ertoe verdachte een lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles tezamen acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Inbeslaggenomen goederen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen de teruggave aan verdachte van de onder hem in beslag genomen mobiele telefoon (merk: Samsung S6, kleur: zwart).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich onthouden van een standpunt omtrent de in beslag genomen voorwerpen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen voorwerp, te weten mobiele telefoon (merk: Samsung S6, kleur: zwart), moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 245 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, de hierna te noemen algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich meldt bij Reclassering Nederland, Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag, zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal laten behandelen bij De Waag, of soortelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven

mobiele telefoon (merk: Samsung S6, kleur: zwart).

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. A.W. Wassink, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 september 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL0100-2016135333, doorgenummerd 1 tot en met 166.

2 Pagina’s 45, 47 en 48.

3 Pagina’s 82, 83, 88, 89 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 september 2017.

4 Pagina’s 32 en 41.

5 Pagina 32.

6 Pagina 33.

7 Pagina 42.

8 Pagina 49.

9 Pagina 50.

10 Pagina 96.

11 Pagina 92.

12 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 september 2017.