Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3741

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
18/143983-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake een bedreiging en wederspanningheid veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 188, geldigheid: 2002-04-01
Wetboek van Strafrecht 285, geldigheid: 2010-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/143983-16

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/123171-16

vorderingen na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 18/830325-14, 18/840106-13

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 september 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

14 september 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.E. Eenhoorn, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 18/143983-16

1.

hij op of omstreeks 10 november 2015 te [pleegplaats 1], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, omstreeks 05.16 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op een besloten erf gelegen aan [straatnaam], alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten en/of tegen de wil van de rechthebbende

bevond(en), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

sigarettenmaker (merk Mascotte), een doos shag (merk Mascotte), een schroevendraaier, een klokje, een sleutel en/of een of meerdere zaklamp(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond uit

- het zich met kracht lostrekken/losrukken uit de greep van die [slachtoffer 1] en/of

- het meermalen, althans eenmaal slaan (met een zaklamp) tegen het schouder, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het bijten in het schouder, althans het lichaam van die [slachtoffer 1];

2.

hij op of omstreeks 10 november 2015 te [pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, omstreeks 05.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op een besloten erf gelegen aan [straatnaam], alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans één boormachine(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

in de zaak met parketnummer 18/123171-16

3.

hij op of omstreeks 13 juni 2016, te [pleegplaats 2], gemeente Pekela [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd:

"ik maak je dood, ik gooi je in het kanaal met een stuk beton aan je been", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of maakte hij, in de richting van [slachtoffer 3], een snijdende beweging met zijn vinger langs zijn keel.

4.

hij op of omstreeks 13 juni 2016, te [pleegplaats 2], gemeente Pekela, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen de ambtenaren, [naam] en [naam], werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten brigadier van politie

Eenheid Noord-Nederland en agent van politie Eenheid Noord-Nederland, doordat hij met veel kracht zijn armen heeft gebogen en voor zijn lichaam heeft gebracht en constant zijn lichaam in een andere richting heeft gebracht ten einde het boeien van zijn handen te voorkomen terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig

lichamelijk letsel, te weten een bloedende wond op het rechterscheenbeen en een wond in de linkerhandpalm bij die [naam] ten gevolge heeft gehad en een pijnlijke rug bij die

[naam] ten gevolge heeft gehad.

De rechtbank heeft ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis de onder de verschillende parketnummers aangebrachte feiten doorlopend genummerd. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gevorderd het ten laste gelegde bewezen te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft hij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hij heeft daarbij aangevoerd dat verdachte aangever slechts verbaal heeft bedreigd, vervolgens zelf hulp heeft ingeroepen en dat daarna de situatie uit de hand is gelopen.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hierbij dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende blijkt van betrokkenheid van verdachte ter zake de ten laste gelegde feiten. Verdachte zal daarom van beide feiten worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De verdachte heeft van het hem onder 3 ten laste gelegde niet duidelijk en ondubbelzinnig bekend dat hij in de richting van de aangever een snijdende beweging met zijn vinger langs zijn keel heeft gemaakt. De rechtbank acht op grond van na te noemen bewijsmiddelen dit gedeelte van het onder 3 tenlastegelegde evenwel wettig en overtuigend bewezen.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juni 2016, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016171205 d.d. 16 juni 2016 inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3]:

[verdachte] maakte met zijn vinger een snijbeweging langs zijn hals. Door de snijbeweging, het schelden en de agressieve blik voelde ik mij bedreigd door [verdachte].

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juni 2016, opgenomen op pagina 18 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant:

Getuige [getuige] verklaarde: Ik zag dat [verdachte] met zijn vinger langs zijn keel ging. Ik zag dat de buurman van [verdachte] ([slachtoffer 3]) probeerde om oogcontact tussen hem en [verdachte] te voorkomen.

Voor het overige volstaat de rechtbank ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde, met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte dit bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 september 2017;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juni 2016, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016171205 d.d. 16 juni 2016 inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3].

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 4 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 september 2017;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juni 2016, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL01000-2016171205 d.d. 16 juni 2016, inhoudende de relatering van verbalisanten.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen d.d. 14 juni 2016, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/123171-16

3.

hij op 13 juni 2016 te [pleegplaats 2] [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "ik maak je dood, ik gooi je in het kanaal met een stuk beton aan je been", en maakte hij, in de richting van [slachtoffer 3], een snijdende beweging met zijn vinger langs zijn keel;

4.

hij op 13 juni 2016 te [pleegplaats 2] zich met geweld heeft verzet tegen de ambtenaren,

[naam] en [naam], werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en agent van politie Eenheid Noord-Nederland, doordat hij met veel kracht zijn armen heeft gebogen en voor zijn lichaam heeft gebracht en constant zijn lichaam in een andere richting heeft gebracht ten einde het boeien van zijn handen te voorkomen terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een bloedende wond op het rechterscheenbeen en een wond in de linkerhandpalm bij die [naam] ten gevolge heeft gehad en een pijnlijke rug bij die [naam] ten gevolge heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

4. wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde toezicht door Verslavingszorg Noord-Nederland hetgeen uitgevoerd wordt door Overstag Uitvoering.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat hij zich kan vinden in de strafeis van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn buurman, zowel verbaal als door het maken van een snijbeweging langs de keel. Bij het slachtoffer zijn hierdoor angstgevoelens veroorzaakt. Verdachte heeft zich vervolgens, nadat hij was aangehouden, verzet tegen twee opsporingsambtenaren, ten gevolge waarvan beide opsporingsambtenaren enig lichamelijk letsel hebben opgelopen. Zodoende heeft verdachte de opsporingsambtenaren gehinderd in de uitoefening van hun taken, pijn en/of letsel bij hen veroorzaakt en blijk gegeven van minachting voor de dienstdoende ambtenaren en het wettig gezag.

De rechtbank rekent dit verdachte aan en overweegt dat dergelijke feiten het opleggen van een substantiële straf zonder meer rechtvaardigen.

De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 augustus 2017, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (andersoortige) strafbare feiten. Daar komt bij dat verdachte zich tijdens het plegen van de bewezen verklaarde feiten in de proeftijd van twee voorwaardelijke veroordelingen bevond.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport d.d. 2 september 2016.

Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte te kampen heeft met psychische problemen en verslavingsproblematiek. Daarnaast is ook sprake van aanverwante problematiek op verschillende leefgebieden. Door de jaren heen heeft verdachte verbleven in verschillende (psychiatrische) instellingen. Tevens heeft hij begeleiding gehad van Overstag Uitvoering. Ondanks deze hulpverlening heeft verdachte wederom strafbare feiten gepleegd. Er is sprake van complexe problematiek. De reguliere hulpverleningsmogelijkheden zijn momenteel niet voldoende om gedragsverandering teweeg te brengen, zodat forensische zorg de meest voor de hand liggende vervolgstap zou zijn. Nader Pro Justitia onderzoek is mogelijk geïndiceerd, echter dit zou enkel kunnen slagen vanuit een gesloten setting, waarvoor verdachte niet openstaat. De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het trajectconsult d.d. 10 november 2016 waaruit blijkt dat de psychiater geen advies heeft kunnen geven ten aanzien van een Pro Justitia rapportage omdat verdachte niet op de uitnodiging is verschenen.

Na het uitbrengen van het reclasseringsrapport en trajectconsult is enige tijd verstreken. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zijn verblijf in de penitentiaire inrichting, dat in de tussengelegen tijd heeft plaatsgevonden, hem goed heeft gedaan. De heer [getuige], betrokken hulpverlener van Overstag Uitvoering, heeft ter terechtzitting de huidige situatie van verdachte toegelicht. Hij heeft bevestigd dat verdachte op dit moment positiever in het leven staat dan ten tijde van de gepleegde strafbare feiten en niet meer excessief middelen gebruikt. Verdachte wil vooruit, heeft daar stappen in gemaakt en probeert zijn verleden achter zich te laten. De heer [getuige] heeft aangegeven dat wanneer verdachte zijn eerder opgelegde taakstraf heeft volbracht, Overstag Uitvoering mogelijkheden ziet om verdachte wederom te begeleiden. In eerste instantie zal de nadruk dan liggen op het zoeken naar werk voor verdachte. Uit het verleden is gebleken dat wanneer verdachte werk heeft, hij stabieler is en beter functioneert. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven mee te willen werken aan de hulpverlening en begeleiding door Overstag Uitvoering.

Het voorgaande in aanmerking nemend ziet de rechtbank aanleiding met het oog op het voorkomen van recidive, verdachte als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf begeleiding door de reclassering op te leggen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met oplegging van de navolgende voorwaardelijke gevangenisstraf met, daaraan gekoppeld de na te noemen voorwaarden.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu hij het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen acht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, nu hij voor vrijspraak heeft gepleit, betoogd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 25 augustus 2014 (parketnummer 18/840106-13), gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland locatie Groningen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 9 september 2014. De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 14 juli 2016 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 16 april 2015 (parketnummer 18/830325-14), gewezen door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland locatie Groningen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 177 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 1 mei 2015. De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 14 juli 2016 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd beide vorderingen na voorwaardelijke veroordeling af te wijzen.

De rechtbank overweegt dat de hiervoor onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten door verdachte zijn begaan voor het einde van de bij voormelde vonnissen gestelde proeftijden.

De rechtbank is van oordeel dat, nu veroordeelde de in voormelde vonnissen gestelde algemene voorwaarden niet heeft nageleefd, in beginsel tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straffen. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, acht de rechtbank het echter niet opportuun tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen te gelasten, zodat de schriftelijke vorderingen worden afgewezen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 188 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

1. dat veroordeelde zich binnen 14 dagen volgend op het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de reclassering van Verslavingszorg Noord-Nederland aan de Canadalaan 1 te Groningen, 050-5225700. Hierna moet veroordeelde zich gedurende de proeftijd blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde dient zich hierbij te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft ook als dat inhoudt medewerking te verlenen aan hulpverlening en begeleiding door Overstag Uitvoering.

Draagt de reclassering van Verslavingszorg Noord-Nederland op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/840106-13:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter te rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 25 augustus 2014.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/830325-14:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen

d.d. 16 april 2015.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Tapper-Wessels, voorzitter, mr. M.J. Oostveen en mr. M. Haisma, rechters, bijgestaan door mr. M.C. Nijboer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 september 2017.

Mr. M.J. Oostveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.