Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3740

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
18/830107-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een taakstraf van 20 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830107-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

7 augustus 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.R. Stoeten, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 juni 2016, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een motorfiets, merk: Honda, kenteken [nummer], daarmede rijdende over de Winschoterweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met het door hem bestuurde/bereden motorrijtuig, in een in genoemde weg gelegen (flauwe) bocht naar rechts, een voor hem, verdachte rijdende vrachtauto in te halen en daartoe/daarbij op de rijstrook, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gaan rijden, terwijl toen aldaar uit de

tegenovergestelde richting een personenauto, merk Toyota, bestuurd door [slachtoffer 1] reed en hem, verdachte, (reeds) dicht was genaderd, tengevolge waarvan een aanrijding/botsing is ontstaan tussen het door verdachte motorrijtuig en de personenauto, bestuurd door [slachtoffer 1], waardoor [slachtoffer 2], inzittende van de personenauto, merk Toyota) zwaar

lichamelijk letsel, te weten een verbrijzelde/gebroken (rechter-)voet, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 juni 2016, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, als bestuurder van een voertuig (een motorfiets, merk: Honda), daarmee rijdende op de weg, Winschoterweg, in een in genoemde weg gelegen (flauwe) bocht naar rechts, een voor hem, verdachte rijdende vrachtauto heeft ingehaald en daartoe/daarbij op de rijstrook, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gaan rijden, terwijl toen aldaar uit de

tegenovergestelde richting een personenauto, merk Toyota, bestuurd door [slachtoffer 1] reed en hem, verdachte, (reeds) dicht was genaderd, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde (waarbij sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag) gevorderd.

Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte bij het inhalen van een vrachtwagen een bijzondere manoeuvre heeft verricht in een lange flauwe bocht naar rechts waardoor hij onvoldoende zicht op de weg voor hem had. Daardoor is een aanrijding ontstaan met een personenauto, die verdachte klaarblijkelijk niet heeft zien aankomen. [slachtoffer 2] heeft als één van de inzittenden van die personenauto zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Onder de gegeven omstandigheden is met het begaan van één verkeersfout sprake van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte vanuit zijn positie in de bocht naar rechts goed zicht had op de weg. Verdachte is pas gaan inhalen nadat hij rechts van de vrachtwagen had gekeken en zich ervan had vergewist dat er geen tegenliggers naderden. Nadat hij toen nog een aantal seconden had gewacht op mogelijke tegenliggers die zich konden bevinden op het deel van de weg dat voor hem door de vrachtwagen aan het zicht was onttrokken, is hij gaan inhalen. Hij heeft daarmee een overwogen beslissing genomen en heeft allerminst onvoorzichtig gehandeld. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ter zake de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt op grond van de (hierna opgenomen) bewijsmiddelen vast dat verdachte op 17 juni 2016 met zijn motorfiets over de Winschoterweg reed. In een bocht naar rechts ving hij aan met het inhalen van een vrachtauto. Hij stuurde daartoe naar de voor het tegemoet komend verkeer bestemde weghelft. Op deze weghelft kwam hem de personenauto, bestuurd door [slachtoffer 1], tegemoet. Verdachte kon deze auto niet meer ontwijken waardoor een aanrijding ontstond. De bijrijdster van de personenauto, [slachtoffer 2], liep bij het ongeval zwaar lichamelijk letsel op.

Bij de beoordeling van de vraag of in deze zaak bewezen kan worden dat door de gedragingen van de verdachte sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet dienen deze gedragingen aangemerkt te kunnen worden als zeer, dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend. Het maken van één enkele verkeersfout is daarvoor onvoldoende en het komt daarbij aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank heeft in dit geval het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft verklaard dat hij vanuit zijn positie, voor de lange flauwe bocht naar rechts, een goed zicht had op de weg die zich voor de vrachtwagen bevond, doordat hij rechts langs de vrachtwagen heen kon kijken. Deze verklaring wordt ondersteund door de foto's 9 en 13 die zijn opgenomen in de bijlage bij het hierna te noemen proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse. Voorts heeft verdachte, zo heeft hij verklaard, nog enige seconden gewacht om zich ervan te vergewissen dat zich geen tegenliggers bevonden op het weggedeelte die door de vrachtwagen aan zijn zicht mogelijk werden onttrokken. Pas toen hij, naar later bleek ten onrechte, dacht dat de weg vrij was, is hij de vrachtwagen gaan inhalen. Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de beoordelingsfout van verdachte, die heeft geleid tot ernstige gevolgen voor het slachtoffer [slachtoffer 2], niet een gedraging betreft die kan worden aangemerkt als zeer, dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde wegens het ontbreken van schuld in de hiervoor bedoelde zin.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 augustus 2017;

2. een proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, nummer 17062015.1600.2393 d.d. 4 juli 2016, inhoudende het relaas van verbalisant.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 17 juni 2016 te Groningen, als bestuurder van een voertuig (een motorfiets, merk: Honda), daarmee rijdende op de weg, Winschoterweg, in een in genoemde weg gelegen flauwe bocht naar rechts, een voor hem, verdachte, rijdende vrachtauto heeft ingehaald en daartoe/daarbij op de rijstrook, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gaan rijden, terwijl toen aldaar uit de tegenovergestelde richting een personenauto, merk Toyota, bestuurd door [slachtoffer 1] reed en hem, verdachte, (reeds) dicht was genaderd, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van hetgeen zij te bewijzen acht tot het volgende wordt veroordeeld:

- een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis;

- een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft door te handelen als bewezenverklaard gevaar op de weg veroorzaakt waardoor een aanrijding is ontstaan met een personenauto waarin zich het slachtoffer bevond. Het slachtoffer heeft ten gevolge van dit ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring die namens haar ter terechtzitting is voorgelezen, heeft het ongeval een grote impact op haar leven gehad en zal zij van het letsel dat zij hierbij heeft opgelopen mogelijk de rest van haar leven lichamelijke beperkingen ondervinden.

Gelet op de aard en ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, acht de rechtbank een taakstraf passend.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank gelet op de jonge leeftijd van verdachte, de omstandigheid dat hij ook zelf zwaar door het ongeval is getroffen en dat hij volledige verantwoordelijkheid voor het feit heeft genomen.

Nu de rechtbank geen reden heeft om aan te nemen dat er bij verdachte sprake is van recidivegevaar, ziet zij geen aanleiding om over te gaan tot de oplegging van een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, zoals gevorderd door de officier van justitie.

Een volledig voorwaardelijke strafafdoening als bepleit door de raadsman van verdachte doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van het feit en dan met name de gevolgen daarvan voor het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 20 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, voorzitter, mr. F.J. Agema en mr. E.C.M. Wolfert, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 augustus 2017.

Mr. Wolfert is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.