Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3720

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
120271
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:8760, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:8800, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing ernstig ziek kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaakgegevens : C/19/120271 / JE RK 17-383

datum uitspraak: 21 september 2017

beschikking (ondertoezichtstelling en) machtiging uithuisplaatsing

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Groningen,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats] , [land] , hierna te noemen [minderjarige] .

De rechtbank merkt voorts als belanghebbenden aan:

[vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te Emmen,

[moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te Emmen,

Stichting Nidos, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),

gevestigd te Utrecht.

Het verdere procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 7 september 2017, ingekomen bij de griffie op 7 september 2017;

- de beschikking van deze rechtbank van 7 september 2017;

- het schrijven van mr. E.C.Weijsenfeld van 7 september 2017 met producties;

- het schrijven van mr. J. Breeveld van 19 september 2017 met producties;

- het schrijven van de Raad met bijlage van 21 september 2017;

- het pleidooi van mr. J. Breeveld, overgelegd ter zitting.

Op 20 september 2017 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder en de vader, bijgestaan door mr. J. Breeveld, die de zaak heeft overgenomen van

mr. E.C. Weijsenfeld,

- mevrouw [XX] , namens de Raad,

- mevrouw [YY] en mevrouw [ZZ] , namens de GI,

- de opeenvolgende tolken: de heer R. Avak, de heer A. Maghsoudi, de heer D. Madjlessi en mevrouw F. Wassa.

Het standpunt van verzoeker

Het gezin bestaat uit vader, moeder, [zus] , [minderjarige] en [broer] . Ouders hebben een verblijfsstatus op basis van de medische problematiek van hun zoon [minderjarige] . Hij heeft de stofwisselingsziekte Fucosidose. Deze (zeldzame) aandoening heeft geestelijke en lichamelijke achteruitgang tot gevolg en leidt uiteindelijk tot de dood. [minderjarige] heeft hierdoor steeds meer zorg en toezicht nodig.

Op 31 augustus 2017 heeft het COA, de huisarts, het Scheperziekenhuis te Emmen en Icare aan Veilig Thuis Drenthe laten weten dat moeder met de twee andere kinderen al vijf weken niet in beeld is. Vader had alleen de zorg voor [minderjarige] . Hulpverleners stelden vast dat de gezondheid en verzorging van [minderjarige] achteruit was gegaan.

De zorgen van de Raad betreffen de volgende punten.

  • -

    De sonde heeft in een periode van een maand tweemaal verstopt gezeten, terwijl dit bij juist gebruik maar eenmaal in enkele maanden behoort te zijn. De indruk bestaat dat de sonde niet goed wordt doorgespoeld. [minderjarige] gewicht neemt af.

  • -

    Icare heeft gezien dat de medicatie een dag niet aanwezig was, omdat vader dit niet had bijbesteld. Vader zoekt geen hulp om de juiste medicatie toe te dienen.

  • -

    COA en Icare hebben vastgesteld dat vader [minderjarige] liggend op de achterbank vervoert, terwijl [minderjarige] in zijn aangepaste rolstoel behoort te worden vervoerd. De auto van ouders is hiervoor niet geschikt. Meerdere malen is gezien dat vader [minderjarige] op voorgaande wijze vervoert. Vader heeft geen geldig rijbewijs, de auto staat niet op zijn naam en is mogelijk niet verzekerd.

  • -

    COA, Icare en huisarts zien dat ouders thuis geen gebruik maken van de medische voorzieningen, waaronder speciale kussens en tillift. [minderjarige] wordt dan niet adequaat ondersteund.

  • -

    De woning is aangepast. Ouders maken echter geen gebruik van deze aanpassingen. Zo slaapt het gezin bij elkaar in één ruimte, terwijl [minderjarige] ook in zijn eigen slaapkamer kan liggen waar hij zijn eigen medische voorzieningen heeft. De ruimtes worden niet geventileerd. De verstrekte tillift kan door vloerkleden op de grond niet worden gebruikt.

  • -

    De hygiëne in de woning is matig, terwijl dit voor de gezondheid van [minderjarige] belangrijk is. Ondanks bespreking met ouders hierover treedt er geen verbetering op.

  • -

    Ouders nemen geen regie en verantwoordelijkheid: instanties worden niet geïnformeerd als er even geen zorg nodig is, het kinderdagverblijf wordt dan niet afgebeld. Ouders laten [minderjarige] met koorts naar het kinderdagverblijf gaan en ouders moeten er telkens op attent gemaakt worden om de medische hulpmiddelen en medicijnen te bestellen. Het feit dat ouders niet kunnen lezen en de Nederlandse taal niet machtig zijn, heeft een sterk nadelig effect hierop, de juiste medicatiedosering kan daardoor door ouders ook niet worden afgelezen.

  • -

    Vader heeft de samenwerking met de huisarts opgezegd. Meerdere huisartsen zijn afgewezen, tot op heden heeft vader nog geen nieuwe huisarts.

  • -

    Op 31 augustus 2017 wordt duidelijk dat een ziekenhuisopname voor [minderjarige] noodzakelijk is, gelet op toenemende benauwdheid bij [minderjarige] . Toen [minderjarige] werd opgehaald, bleek hij in een andere woning te zijn, vader was niet in de buurt.

  • -

    Alles wat door hulpverleners wordt aangedragen, wordt door vader ter discussie gesteld. De communicatie verloopt mede daardoor zeer moeizaam. Door het telkens ontstaan van conflicten kan er niet op de inhoud worden ingegaan. Het COA en de huisarts kunnen door deze omstandigheden niet meer de zorg voor [minderjarige] garanderen vanuit de thuissituatie.

Na een ziekenhuisopname van [minderjarige] op 31 augustus wordt de Raad er op 7 september 2017 van op de hoogte gebracht dat [minderjarige] het ziekenhuis dient te verlaten. De Raad heeft op 5 september 2017 na intern overleg geconcludeerd dat de thuissituatie voor [minderjarige] onhoudbaar en onveilig is wanneer blijkt dat alleen vader aanwezig is. Voorgezet verblijf thuis brengt dan onaanvaardbare risico’s met zich mee voor de gezondheid en levensverwachting van [minderjarige] . Door de VTD wordt daarnaast gesteld dat de wijze waarop [minderjarige] momenteel wordt verzorgd, zijn ziekteproces versnelt ten gevolge waarvan hij eerder kan komen te overlijden. De VTD is met de betrokken hulpverlening van mening dat er geen enkele basis bestaat waaronder [minderjarige] op veilige en verantwoorde wijze naar huis kan.

Op 5 september 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen VTD en moeder over de zorgen die er zijn en welke mogelijkheden er nog zijn om een uithuisplaatsing van [minderjarige] te voorkomen. Moeder heeft aangegeven er alles aan te willen doen om te zorgen dat [minderjarige] wel naar huis kan. Er wordt een vervolgafspraak gemaakt met beide ouders om veiligheidsafspraken en bodemeisen te stellen om te bezien of een terugplaatsing van [minderjarige] uit het ziekenhuis mogelijk is.

Op 6 september 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de ouders en VTD en de Toegang. Tijdens dit gesprek blijkt dat er geen enkele afspraak kan worden vastgelegd en dat ouders aangeven niet te zullen meewerken aan een plaatsing in een instelling voor kinderen met medische problemen, dat VTD via de Trans voorhanden heeft. Na intern overleg komt de Raad tot de conclusie dat al het mogelijke is geprobeerd om een veilige situatie voor [minderjarige] te creëren. De houding van beide ouders maakt iedere samenwerking echter onmogelijk. Vast staat dat de directe verzorging en gezondheid van [minderjarige] sterk te lijden heeft onder de opstelling van vader c.q. ouders. Bij [minderjarige] is sprake van gewichtsafname door gebrekkige verzorging en een ziekenhuisopname door benauwdheidsklachten.

Samenwerking met de hulpverlening binnen het vrijwillig kader blijkt op geen enkele wijze mogelijk te zijn. Nu ouders bovendien geen medewerking verlenen aan het plaatsen van [minderjarige] binnen de beschikbare voorziening vanuit De Trans, acht de Raad in het belang van [minderjarige] acuut ingrijpen noodzakelijk.

De Raad heeft ter zitting gepersisteerd bij haar verzoek. De ziekenhuisopname was nodig in de periode dat vader de verzorging van [minderjarige] alleen moest dragen tijdens de wekenlange afwezigheid van moeder, die op vakantie was met de andere twee kinderen.

De Raad vindt het belangrijk dat er regievoering komt om de belangen van [minderjarige] te behartigen. Het is tot nu toe niet gelukt om veiligheidsafspraken te maken met ouders. De eerste twee dagen na de uithuisplaatsing van [minderjarige] waren ouders onbereikbaar. De zorg wordt door ouders niet altijd erkend. De samenwerking met moeder is goed, maar vader is vaak in conflict met de hulpverlening en ouders volgen de adviezen niet altijd op. Een huisarts ontbreekt, terwijl er een huisarts moet zijn die [minderjarige] twee maal per week ziet.

Er moet zo snel mogelijk zicht komen op wat er voor nodig is om [minderjarige] weer thuis te kunnen laten zijn en onderzocht moet worden of het mogelijk is dat [minderjarige] weer thuis woont.

Inmiddels hebben ouders twee maal omgang gehad met [minderjarige] en dat is belangrijk.

Het standpunt van de GI

De GI vindt dat er sprake is van een schrijnende situatie.

De verzorging van [minderjarige] thuis is niet voldoende gebleken en zijn gezondheid ging flink achteruit. Ouders hebben hier een andere visie op dan de professionals.

De GI is aan het onderzoeken wat de mogelijkheden zijn, zodat [minderjarige] zo spoedig mogelijk herenigd kan worden met zijn ouders, zus en broertje. Medische instanties onderschrijven dat het belangrijk is dat ouders en [minderjarige] herenigd worden.

In de instelling is gebleken dat de zorg voor [minderjarige] zeer intensief is. Hij heeft een zorg-zwaartepakket van 8+ en dat is heel hoog. Extra uren worden in de instelling ingezet. Dit maakt dat zorgvuldig gekeken moet worden of terugkeer naar huis medisch haalbaar is. Daarbij is het nodig dat een medisch team, bestaande uit een huisarts, een avg-arts en kinderthuiszorg ouders gaan ondersteunen. Met de kinderthuiszorg heeft de GI al contact gehad en deze is bereid om mee te werken in de zorg, als de organisatie waar hij nu verblijft, op papier zet wat nodig is voor hun om op te schalen.

De GI heeft met ouders gesproken en de opdracht gegeven een huisarts te zoeken. Deze huisarts moet op beperkte afstand van het AZC wonen. Ouders hebben zelf contact met “Dokters van de Wereld”. Ouders hebben een arts van het AZC afgewezen omdat zij vonden dat deze arts aan de kant van het COA stond.

De zorgverzekeraar heeft al toegezegd dat de intensieve kinderzorg ingezet kan worden. De GI zal gaan kijken met de kinderzorginstelling naar de medische haalbaarheid van een terugplaatsing in de thuissituatie. Daar kan de GI nu nog geen toezegging in doen. Een andere mogelijkheid is een opname in een medisch zorgcentrum, zoals Van Boeyenoord in Assen. Daar kan de medische zorg optimaal worden geleverd. Als ouders zouden verhuizen naar het AZC in Assen, kunnen zij veel contact hebben met [minderjarige] . Ouders hebben tot nu toe aangegeven hier niet open voor te staan.

Duidelijk is geworden dat de noodzakelijke zorg die in de instelling wordt verleend, veel groter is dan de zorg die hij thuis kreeg. In principe zou zorg-zwaartepakket 10, in plaats van 8 + nodig zijn, maar dat bestaat niet. Er moet een vertaalslag worden gemaakt naar de thuissituatie. Enerzijds is er de dagelijkse zorg en daarnaast is er de zorg van huisarts, avg-arts en kinderzorginstantie die geleverd moet worden. De GI heeft stukken gekregen van de arts van de instelling waar [minderjarige] verblijft, waarop staat welke zorg noodzakelijk is voor [minderjarige] . De GI heeft hierover contact met de kinderzorginstantie en bekeken wordt of het mogelijk is de intensieve zorg ook thuis te verlenen.

De medische situatie van [minderjarige] is nog kwetsbaar. Hij is nog niet hersteld van zijn terugval. De inschatting van de avg-arts, werkzaam in de instelling waar [minderjarige] nu is, is dat hij voldoende op krachten zal komen, zodat hij weer naar het medisch kinderdagverblijf kan. Dat is nu nog niet het geval. Dezelfde thuiszorginstelling die intensieve kinderhulp biedt kan mogelijk ook de begeleiding van ouders op zich nemen en ouders begeleiden en ondersteunen in de laatste levensfase van [minderjarige] . De avg- arts heeft tegen de GI gezegd dat de laatste levensfase van nu tot een jaar kan zijn, als optimale zorg wordt geboden.

De kans van slagen van wonen in de thuissituatie is er alleen als ouders bereid zijn samen te werken en in openheid te handelen.

De situatie van [minderjarige] zal, inherent aan zijn ziekte, steeds slechter worden en er zal steeds meer zorg geboden moeten worden om die laatste fase zo goed mogelijk te laten verlopen.

Het standpunt van ouders

Ouders stellen zich op het standpunt dat aan het vereiste van artikel 1:265 b BW niet is voldaan. De maatregel van de Raad om tot uithuisplaatsing over te gaan is een zeer verstrekkend en zelfs schadelijk middel voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] . De rechten van het kind zoals neergelegd in het IVRK en het recht op family life ex art. 8 EVRM wordt ernstig geschonden. Ouders voeren geen verweer tegen de voorlopige ondertoezichtstelling.

[minderjarige] is uitbehandeld. Hij zal niet beter worden. Hij zal sterven. De laatste periode van zijn leven moet hij met zijn eigen familie doorbrengen, die hem liefde geeft en hem doet opbloeien ondanks zijn vreselijke ziekte.

De opvoedvaardigheden van ouders zijn niet de kern van de zaak. Dit blijkt ook uit de overgelegde stukken. Het gaat om het ontbreken van adequate faciliteiten en huisvesting. Het gaat niet om het niet meewerken aan hulp, daar is geen sprake van want ouders hebben juist steeds om hulp gevraagd. Ouders zijn bereid om ambulant alle mogelijke hulpverlening te aanvaarden. Ouders willen wel graag hulp en willen ook meewerken aan het verbeteren van de situatie. Zij willen echter wel dat [minderjarige] bij hen blijft wonen.

[minderjarige] moet heel erg snel met zijn familie samen in een adequate woning worden geplaatst, met reguliere zorg in de Nederlandse maatschappij. Zo kan aan hem en zijn familie een humaan leefniveau geboden worden en wordt zijn situatie draaglijk. Hem scheiden van zijn ouders is niet in het belang van [minderjarige] . Hem nu gedwongen uithuisplaatsen in een instelling is onrechtmatig.

De achteruitgang van de gezondheid van [minderjarige] eind augustus had te maken met de besmetting met het Noro-virus dat [minderjarige] had opgelopen in het kinderdagverblijf. Hierdoor hoestte hij veel. [minderjarige] is hierom opgenomen geweest in het ziekenhuis nadat de huisarts hem hiervoor had aangemeld in het bijzijn van vader.

Ouders hebben duidelijk aangegeven dat als [minderjarige] hulp of zorg nodig heeft, zij dat accepteren. Ouders stemmen in met een ziekenhuisopname als artsen dat aanbevelen.

Ouders hebben inmiddels een huisarts gevonden, dokter Hogervorst, gevestigd dichtbij het AZC in Emmen. Zij hebben aanstaande vrijdag een afspraak met hem.

Mr. Breeveld vraagt zich af waar de GI haar uitlatingen op baseert, nu er geen medische stukken zijn overgelegd.

Het is niet noodzakelijk om in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid over te gaan. Immers de gespecialiseerde artsen hebben al vastgesteld dat [minderjarige] uitbehandeld is. Er is de afgelopen jaren veelvuldig onderzoek gedaan. Het toekomstperspectief van [minderjarige] is helaas duidelijk en in zijn laatste levensfase dient hij zo goed mogelijk verzorgd te worden. De ouders kunnen dat, met behulp van zorgverleners op de wijze die zij gewend zijn in de afgelopen jaren, wel zelf. Deze zorg is specialistisch, één-op-één en volledig gericht op [minderjarige] .

Mr. Breeveld wil tenslotte nog inhaken op de gezagspositie van ouders. In artikel 265e,

boek 1, BW staat dat indien het gaat om medische kwesties daarvoor een speciaal verzoek moet worden ingediend door de GI. Zij vraagt de rechtbank dit artikel in acht te nemen.

Mr. Breeveld verzoekt de uithuisplaatsing per direct te beëindigen. Er is een goed georganiseerd systeem. Het ging goed voor 31 augustus 2017. Nu moeder terug is, er een groot netwerk beschikbaar is en nu ouders willen samenwerken, kan [minderjarige] meteen terug naar ouders.

Het is tenslotte van cruciaal belang voor [minderjarige] dat er omgang is. [minderjarige] heeft zijn familie altijd om zich heen gehad. Hij moet nu de aanwezigheid, de zorg en de structuur van het vertrouwde thuis missen. Het gevoel van vertrouwdheid, de geur en de taal van zijn familie en het veilige gevoel van liefde en geborgenheid thuis bij zijn ouders. Voor [minderjarige] dienen deze punten zeer zwaar mee te wegen omdat hij lichamelijk en geestelijk beperkt is en functioneert op het niveau van een baby. Hij kan niet middels taal communiceren maar wordt goed begrepen door zijn ouders, zus en broertje.

Vader heeft ter zitting nog een groot vel getoond waarop handtekeningen staan van mensen die ouders ondersteunen in hun wens [minderjarige] weer thuis te hebben.

De verdere beoordeling


Bij beschikking van 7 september 2017 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 7 december 2017. Ook is [minderjarige voor] de duur van 4 weken uit huis geplaatst in een 24-uurs opvang voorziening en is de beslissing voor het overige aangehouden.

Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de bij beschikking van 7 september 2017 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing op juiste gronden is verleend. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Op 31 augustus 2017 was er sprake van een situatie waarin de zorg voor [minderjarige] ontoereikend was en zijn gezondheid ernstig was verslechterd. Vader stond er al enkele weken alleen voor, vanwege de afwezigheid van moeder, die met de twee andere kinderen op vakantie was. De gezondheid van [minderjarige] was in deze weken sterk afgenomen en er was sprake van een toenemende benauwdheid. Dit maakte een ziekenhuisopname noodzakelijk.

Ondanks dat moeder op 5 september 2017 was teruggekeerd achtten de betrokken hulpinstanties de thuissituatie bij ouders in het Asielzoekerscentrum niet voldoende om [minderjarige] de zorg te kunnen bieden die hij op dat moment nog nodig had. Het was niet mogelijk om met ouders veiligheidsafspraken te maken voor een terugplaatsing van [minderjarige] uit het ziekenhuis. Details van de ontstane zorgen konden niet worden besproken omdat vader over ieder zorgpunt in discussie ging en deze ontkende.

Voordat [minderjarige] weer bij ouders kan wonen moet duidelijk zijn wat in die situatie voor [minderjarige] nodig is zodat hij een leven kan leiden in voor hem optimale omstandigheden waarin de noodzakelijke zorg geboden kan worden. De GI moet de tijd worden gegeven om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn.

Het is belangrijk dat de gezinsvoogd hierin voortvarend te werk gaat, maar de rechtbank heeft wel de indruk gekregen dat dit reeds het geval is. De GI heeft ter zitting aangegeven dat zij inmiddels stukken heeft ontvangen van de arts van de huidige instelling van [minderjarige] waarin is aangegeven waaruit de noodzakelijke zorg dient te bestaan en dit zal zij op zeer korte termijn gaan bespreken van de kinder-thuiszorginstantie.

Door de advocaat van ouders is aangevoerd dat geen stukken ter onderbouwing van het door de avg-arts gestelde, zijn overgelegd. De rechtbank ziet echter geen reden tot twijfel aan het standpunt van de betrokken hulpverlening dat voor een verantwoord verblijf van [minderjarige] in de thuissituatie aan drie primair gestelde eisen dient te zijn voldaan, te weten: een huisarts, een betrokken avg-arts, alsmede de inzet van kinderthuiszorg.

Daarnaast moet duidelijk zijn dat de voor [minderjarige] noodzakelijke medische zorg ook daadwerkelijk in de thuissituatie kan worden verstrekt, en dat ouders deze zorg onvoorwaardelijk accepteren. Op dit moment ontbreekt die duidelijkheid echter nog.

Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging van [minderjarige] , zoals bedoeld in artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

De rechtbank zal daarom de beschikking van 7 september 2017 bekrachtigen en aansluitend de machtiging verlenen voor de duur van een maand en aanhouden voor het overige deel.

De GI wordt verzocht uiterlijk 25 oktober 2017 te rapporteren omtrent de stand van zaken en in het verlengde daarvan aan te geven of het nodig is dat het restant van het verzoek wordt toegewezen.

Ten aanzien van het door de advocaat gestelde over het ontbreken van een verzoek van de GI op grond van artikel 265e, boek 1, BW betreffende medische kwesties, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat ouders hun toestemming weigeren of hebben geweigerd aangaande beslissingen omtrent [minderjarige] op het medische vlak. Ouders hebben het beste voor met [minderjarige] en de rechtbank verwacht dat ouders, indien een behandeling noodzakelijk wordt geacht door een medicus, hiervoor - zoals zij ter zitting ook hebben toegezegd - hun toestemming verlenen, wat maakt dat het niet nodig is dat de GI hiervoor om vervangende toestemming vraagt aan de rechtbank. Een verzoek of beslissing op grond van artikel 265e, boek 1, BW is daarom niet aan de orde.

De rechtbank heeft er voldoende vertrouwen in dat de gezinsvoogd er alles aan doet om het mogelijk te maken dat [minderjarige] weer zo snel mogelijk bij zijn ouders thuis kan zijn, ook in de laatste maanden van zijn leven. Als het echter vanwege ernstige benauwdheid of anderszins niet mogelijk is dat [minderjarige] in de thuissituatie verblijft, en een opname in een ziekenhuis- of verpleeghuis meer geïndiceerd is (naar het oordeel van medici) dan een verblijf thuis, dan zullen ouders dit ook moeten accepteren. Het belang van [minderjarige] staat hierbij voorop. Onnodig lijden dient ten alle tijden te worden voorkomen, hoe begrijpelijk de wens van ouders ook is om [minderjarige] bij zich te willen hebben.

Voor zover van de zijde van ouders in dit verband een beroep is gedaan op artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank dat het recht op family-life in sommige gevallen dient te wijken als het belang van het kind daarom vraagt.

Door ouders is verzocht om gedurende de (eventuele resterende) uithuisplaatsing een dagelijkse omgangsregeling vast te stellen bij gebrek aan het nemen van een beslissing hierover door de GI. In het kader van de onderhavige procedure is het echter niet mogelijk een omgangsregeling vast te stellen.

De rechtbank vindt het evenwel triest om te horen dat ouders in de afgelopen twee weken [minderjarige] slechts twee maal hebben mogen bezoeken. De rechtbank wil daarom hierbij benadrukken het van het grootste belang te achten dat ouders in de gelegenheid worden gesteld om [minderjarige] zo mogelijk dagelijks te bezoeken.

De beslissing


De rechtbank:

bekrachtigt de op 7 september 2017 gegeven beschikking;

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een 24 uurs opvang-voorziening, tot uiterlijk 5 november 2017;

houdt iedere verdere beslissing met betrekking tot de uithuisplaatsing na 5 november 2017 aan in afwachting van nadere informatie van de GI en verzoekt de GI uiterlijk op 25 oktober 2017 te berichten over het verzoek met betrekking tot de uithuisplaatsing na 5 november 2017;

bepaalt dat - voor zover de GI een uithuisplaatsing van [minderjarige] ook na 5 november 2017 nog noodzakelijk acht - de Raad, GI en ouders, bijgestaan door tolk en advocaat, zullen worden gehoord ter zitting van woensdag 1 november 2017 te 13.30 uur, welke zitting zal worden gehouden in het gerechtsgebouw te Assen, Brinkstraat 4;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.R. Eising, voorzitter, mr. J.S. Bartstra en mr. A.S. Venema-Dietvorst, rechters, in tegenwoordigheid van G. Tapper als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden