Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3697

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
LEE 17/2870, 17/2872 en 17/2874
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom in verband met geurhinder. Voor invulling van de niet concrete norm voor wat betreft geurhinder heeft verweerder aansluiting mogen zoeken bij het Geurhinderbeleid van de provincie Groningen. Rekening gehouden met bestaande rechten. Hoogte dwangsom niet onevenredig. Invorderingsbesluit niet deugdelijk gemotiveerd voor wat betreft de daadwerkelijke geurhinder.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/230 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummers: LEE 17/2870, 17/2872 en 17/2874

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 september 2017 in de zaken tussen

[verzoekster] , gevestigd te [plaats], verzoekster,

(gemachtigde: mr. P.P.A. Bodden),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam, verweerder,

(gemachtigde: mr. W.R. van der Velde).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [betrokkenen], te [plaats], derde-belanghebbenden.

Procesverloop

Inzake LEE 17/2872 en 17/2874

Bij besluit van 20 juli 2016 (het primaire besluit I), verzonden op 25 juli 2016, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd in verband met de overschrijding van een aanvaardbaar geurhinderniveau.

Bij besluit van 1 augustus 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoekster ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit I heeft verzoekster beroep ingesteld. Tevens heeft verzoekster op 15 augustus 2017 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Inzake LEE 17/2870

Bij besluit van 1 augustus 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder besloten tot invordering van de door verzoekster verbeurde dwangsom van € 25.000,--.

Tegen het bestreden besluit II heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoekster op 15 augustus 2017 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld met het verzoek onder het procedurenummer LEE 17/2871 op de zitting van 12 september 2017.

Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, P.F. van Benthem en M.J.G.M. Dankers (directeur).

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. M. Pama en

R. Boonackers.

Derde-belanghebbenden zijn in persoon verschenen.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoekster drijft een agrarische inrichting (akkerbouwbedrijf) met mestvergisting van dierlijke mest en toevoegingen en een warmtekrachtinstallatie met een maximale capaciteit van minder dan 25.000 mᶾ op het perceel [adres] te [plaats].

1.2. Verweerder heeft bij besluit van 3 oktober 2005 aan verzoekster een milieuvergunning onder voorschriften ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) verleend voor voormelde inrichting.

1.3. Op 25 november 2005 heeft verzoekster een melding verandering inrichting ingevolge artikel 8.19 van de Wm bij verweerder ingediend. Deze melding heeft betrekking op de uitbreiding van de inrichting met een digestaatbassin voor de opslag van digestaat, afkomstig van de binnen de inrichting te bouwen co-vergistingsinstallatie.

Op 19 april 2006 heeft verzoekster een melding verandering inrichting ingevolge artikel 8.19 van de Wm bij verweerder ingediend. Deze melding heeft betrekking op de vervanging van twee mestbassins in drie betonnen mestsilo’s.

Op 27 juni 2008 heeft verzoekster een melding verandering inrichting ingevolge artikel 8.19 van de Wm bij verweerder ingediend. Deze melding heeft betrekking op een uitbreiding van de biogasinstallatie met een installatie voor de nabehandeling van digestaat.

1.4. Op 22 september 2010 heeft verzoekster een aanvraag om milieuvergunning voor het veranderen van de inrichting bij verweerder ingediend. Deze aanvraag heeft betrekking op de opslag van glycerine (maximaal 2.500 mᶾ) in een silo en het drogen van ingedikt digestaat in een droger en de opslag ervan.

Verweerder heeft bij besluit van 31 januari 2011 aan verzoekster een milieuvergunning onder voorschriften verleend voor het veranderen van de inrichting in voormelde zin.

1.5. Op 29 april 2012 heeft verzoekster een aanvraag om omgevingsvergunning ten behoeve van een veranderingsvergunning voor de inrichting bij verweerder ingediend. Deze aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een opslagsilo voor co-substraten tot vergistersilo op het perceel [adres] te [plaats].

1.6. Verweerder heeft bij besluit van 29 oktober 2012 aan verzoekster een omgevings-vergunning onder voorschriften verleend voor het veranderen van het akkerbouwbedrijf met vergisters op het perceel [adres] te [plaats].

Aan deze omgevingsvergunning is onder meer een voorschrift met betrekking tot geur verbonden.

Het voorschrift 1.6 luidt als volgt:

‘Lid 1. Degene die de inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

Lid 2. Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

g. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.’

1.7. Op 13 januari 2014 heeft verweerder een verzoek om handhaving van enkele omwonenden met betrekking tot (onder meer) geur- en geluidshinder door de bedrijfsactiviteiten van verzoekster ontvangen. De ervaren geluidshinder is met name gerelateerd aan het aantal vervoersbewegingen.

1.8. Op 28 november 2014 heeft het adviesbureau Witteveen en Bos (hierna: het adviesbureau) een plan van onderzoek met betrekking tot de geursituatie rond de inrichting van verzoekster bij verweerder ingediend.

1.9. Bij e-mailbericht van 26 november 2015 hebben derde-belanghebbenden verweerder verzocht handhavend op te treden jegens de inrichting van verzoekster.

1.10. Op 17 februari 2016 heeft het adviesbureau een rapportage van het onderzoek met betrekking tot de geursituatie rond de inrichting van verzoekster bij verweerder ingediend.

1.11. In de raadsvergadering van 4 april 2016 heeft de gemeenteraad van Veendam (hierna: de raad) een motie aangenomen van de raadsfracties van de Partij van de Arbeid (PvdA) en de Socialistische Partij (SP), inhoudende dat verweerder opgedragen wordt:

- per direct een besluit te nemen omtrent het verzoek om handhaving;

- het ontstane milieuprobleem zo snel mogelijk uit de wereld te helpen;

- activiteiten te ontwikkelen die erop gericht zijn de samenlevingsproblemen uit de wereld te helpen;

- de raad regelmatig te rapporteren omtrent de voortgang.

1.12. Verweerder heeft bij brief van 20 april 2016 aan verzoekster medegedeeld voornemens te zijn om handhavend op te treden indien een aanvaardbaar geurhinderniveau wordt overschreden.

Verder heeft verweerder verzoekster met deze brief in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekening van deze brief mondeling of schriftelijk een zienswijze in te dienen.

1.13. Verzoekster heeft bij brief van 3 mei 2016 een zienswijze bij verweerder ingediend.

1.14. Bij primair besluit I van 20 juli 2016, verzonden op 25 juli 2016, heeft verweerder onder weerlegging van de zienswijze van verzoekster, een last onder dwangsom aan verzoekster opgelegd. De last houdt in dat verzoekster de overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau voor 1 november 2016 moet beëindigen en in overeenstemming moet brengen met de geurnormen, zoals die zijn geformuleerd in voormelde rapportage van het adviesbureau, bij gebreke waarvan verzoekster een dwangsom van € 25.000,-- per overtreding verbeurt, met een maximum van € 100.000,--.

1.13. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 1 september 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

1.14. Op 8 februari 2017 heeft het adviesbureau een rapportage met betrekking tot de geursituatie van de inrichting van verzoekster in november 2016 bij verweerder ingediend.

1.15. Verzoekster heeft de gronden van bezwaar bij brief van 12 mei 2017 aangevuld.

1.16. Verweerder heeft bij brief van 7 juni 2017 aan verzoekster medegedeeld voornemens te zijn om de verbeurde dwangsom van € 25.000,-- in te vorderen vanwege de overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau.

Verder heeft verweerder verzoekster met deze brief in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekening van deze brief mondeling of schriftelijk een zienswijze in te dienen.

1.17. Verzoekster heeft bij brief van 20 juni 2017 een zienswijze bij verweerder ingediend.

1.18. Verzoekster heeft het bezwaarschrift mondeling toegelicht tijdens de hoorzitting van 13 juli 2017 van de Commissie voor bezwaarschriften en klachten van de gemeente Veendam (hierna: de commissie). Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

1.19. De commissie heeft verweerder bij een ongedateerde brief van juli 2017 geadviseerd het bezwaarschrift van verzoekster ongegrond te verklaren.

1.20. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoekster ongegrond verklaard en het primaire besluit I gehandhaafd.

1.21. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder besloten tot invordering van de door verzoekster verbeurde dwangsom van € 25.000,--.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het bestuur uitvoert.

2.2. Ingevolge artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt in deze wet verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen.

Ingevolge artikel 5:32b, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.

Ingevolge artikel 5:32b, derde lid, van de Awb staan de bedragen in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

Ingevolge artikel 5:33 van de Awb wordt een verbeurde dwangsom betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Ingevolge artikel 5:35 van de Awb verjaart de bevoegdheid tot in invordering van een verbeurde dwangsom, in afwijking van artikel 4:104, door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

2.3. Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op: activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e.

2.4. Ingevolge artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit voorkomt degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder g, van het Activiteitenbesluit wordt onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu, als bedoeld in het eerste lid, verstaan: het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.

Ingevolge artikel 2.7a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit wordt, indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is, de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.

Ingevolge artikel 2.7a, derde lid, van het Activiteitenbesluit wordt bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:

a. de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;

b. de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;

c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting;

d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking tot geurhinder;

e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en

f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.

Ingevolge artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau overschrijdt, bij maatwerkvoorschrift:

a. geuremissiewaarden vaststellen;

b. bepalen dat bepaalde geurbelastingen ter plaatse van die objecten niet worden overschreden, of

c. bepalen dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

Ingevolge artikel 2.8a van het Activiteitenbesluit worden voor een inrichting type C waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo in werking en onherroepelijk was, de geurvoorschriften van die vergunning in afwijking van artikel 6.1, eerste lid, na het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting, tot 1 januari 2021 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de geurvoorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.

2.5. Op grond van artikel 3 van het Geurhinderbeleid industriële geurbronnen van de provincie Groningen (hierna: het Geurhinderbeleid) is, voor zover thans van belang, dit beleid niet van toepassing op situaties waarop algemeen bindende afspraken, regels en richtlijnen van toepassing zijn ten aanzien van geuremissies:

- bijzondere regelingen Nederlandse Emissierichtlijn (NeR);

- Wet geurhinder en veehouderij (Wgv);

- bedrijven waarvoor in het kader van de milieuwetgeving de gemeente het bevoegd gezag is. Het Geurhinderbeleid geldt echter wel voor bedrijven waarvoor de provincie volledig Wabo-bevoegd gezag is en voor bedrijven waarvoor de provincie deelbevoegd gezag is (zogenaamde vvgb-bedrijven).

Op grond van artikel 7 van het Geurhinderbeleid beoordelen Gedeputeerde Staten bij de toetsing van geurhinder de volgende aspecten:

- de (mogelijke) tijdsduur van de geurbelasting;

- de uurgemiddelde concentratie van de geur;

- de (mogelijke) hinderlijkheid van de geur (hedonische waarde);

- onderscheid tussen hoog en laag beschermingsniveau van geurgevoelige objecten;

- onderscheid tussen bestaande en nieuwe situaties;

- omvang van bestaande geurbelasting conform artikel 9 van dit beleid.

Criteria bij de geurconcentratie

A-waarde voor objecten met een hoog beschermingsniveau:

- in nieuwe situaties: de concentratie die behoort bij een hedonische waarde van -0,5;

- in bestaande situaties: de concentratie die behoort bij een hedonische waarde van -1.

B-waarde voor objecten met een laag beschermingsniveau:

- in nieuwe situaties: de concentratie die behoort bij een hedonische waarde van -1;

- in bestaande situaties: de concentratie die behoort bij een hedonische waarde van -2;

C-waarde (maximumbelasting te beschermen objecten):

- in nieuwe situaties: de concentratie die behoort bij een hedonische waarde van -2.

Overwegingen

3. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1. Aangezien verweerder heeft besloten tot invordering van de door verzoekster verbeurde dwangsom, acht de voorzieningenrechter het spoedeisende belang aan haar zijde in dit geval gegeven.

Dwangsombesluit

4. Aan het bestreden besluit I heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit het door het adviesbureau uitgevoerde onderzoek naar voren komt dat meer dan 2% van de tijd geur waarneembaar is bij de woonbebouwing, de geur in een concentratie is die (enigszins) onaangenaam wordt gevonden, er geen andere relevante oorzaken voor geurhinder in de omgeving zijn gevonden, de klachten consistent zijn met de windrichting (noord-oost tot zuid-oost) en de meeste geur afkomstig is uit de proceshal, de bunker en de tussenopslag. Bij het vaststellen van een aanvaardbaar geurhinderniveau heeft verweerder beleidsruimte. Voor de normstelling heeft verweerder aansluiting gezocht bij het Geurhinderbeleid. Dit betekent echter niet dat dit Geurhinderbeleid in dit geval één op één is overgenomen.

4.1. Verzoekster betoogt dat het primaire besluit van 20 juli 2016 onbevoegd is genomen. In dit verband wijst verzoekster erop dat het verweerder niet is toegestaan om in een dwangsombeschikking als de onderhavige geurvoorschriften op te leggen. Naar de mening van verzoekster biedt artikel 125 van de Gemeentewet noch artikel 5:32 van de Awb daarvoor een wettelijke basis.

4.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet ongebruikelijk is dat aan een omgevingsvergunning voorschriften zijn verbonden, die nader gekwantificeerd moeten worden. Volgens verweerder geldt dit ook voor het aan de omgevingsvergunning van

29 oktober 2012 verbonden voorschrift 1.6, eerste en tweede lid, aanhef en onder g. In de visie van verweerder bevat dit voorschrift een norm, ook al is deze niet nader gekwantificeerd. Die norm houdt in dat geurhinder in ieder geval tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Dit betekent volgens verweerder dat bij twijfel over de aanvaardbaarheid, moet worden vastgesteld wat aanvaardbaar is. Vanwege de vele klachten over geurhinder, afkomstig van de activiteiten van verzoekster, had verweerder in zijn visie reden om aan te nemen dat er sprake was van een overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau. Dit was aanleiding voor het laten uitvoeren van een geuronderzoek door het adviesbureau. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek heeft verweerder een aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld, waarbij aansluiting is gezocht bij het Geurhinderbleid. Vervolgens is in het bestreden besluit I vastgelegd wat in dit concrete geval moet worden verstaan onder een aanvaardbaar geurhinderniveau.

4.3. In het primaire besluit I van 20 juli 2016 heeft verweerder geurnormen voor een door verweerder aanvaardbaar geacht geurhinderniveau opgelegd. Die geurnormen houden het volgende in:

- eenmaal de geurconcentratie van H = -1 als 98,0 percentiel;

- tweemaal de geurconcentratie van H = -1 als 99,5 percentiel;

- driemaal de geurconcentratie van H = -1 als 99,9 percentiel.

4.4.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat de in het primaire besluit I opgelegde geurnormen, voortvloeiend uit de rapportage van 17 februari 2016 van het adviesbureau, niet zijn opgenomen in de aan verzoekster verleende vergunningen. Verder dient te worden vastgesteld dat in de aanvragen om vergunning onder meer gesteld is dat de oorspronkelijk aanwezige geurbelasting (emissie van de mestopslag) sterk wordt gereduceerd en dat bijvoorbeeld door het afdekken van de kuil met de organische stoffen en door het afsluiten van de deuren naar de opslagruimte de geurhinder niet relevant is. Hierin heeft verweerder geen aanleiding gezien om nadere regels te bepalen. Wel is aan de verleende omgevings-vergunning van 29 oktober 2012 het voorschrift 1.6, eerste en tweede lid, aanhef en onder g, verbonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de in vergunningvoorschrift 1.6, tweede lid, aanhef en onder g, neergelegde norm niet gekwantificeerd is. Ter invulling van de in vergunningvoorschrift 1.6, tweede lid, aanhef en onder g, bedoelde norm heeft verweerder op basis van voormelde rapportage van het adviesbureau de in rechtsoverweging 4.3. bedoelde geurnormen opgenomen in het bestreden besluit I. Daarbij heeft verweerder aansluiting gezocht bij het Geurhinderbeleid.

4.4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat tegen de omgevingsvergunning van

29 oktober 2012 en het daaraan verbonden voorschrift 1.6, eerste en tweede lid, aanhef en onder g, geen rechtsmiddelen zijn aangewend, zodat die rechtens onaantastbaar zijn geworden. Voorts constateert de voorzieningenrechter dat dit voorschrift op grond van artikel 2.8a van het Activiteitenbesluit heeft te gelden als maatwerkvoorschrift. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat de in voormeld voorschrift neergelegde zorgplichtbepaling in dit geval van toepassing is.

4.4.3. Gelet op rechtsoverweging 4.4.2. dient in het kader van de handhaving van deze zorgplichtbepaling de vraag beantwoord te worden welke norm heeft te gelden. In dit kader overweegt de voorzieningenrechter dat uit de overgelegde gedingstukken valt af te leiden dat er activiteiten van verzoekster zijn vergund, maar dat verzoekster in het kader van die activiteiten geen geurruimte heeft aangevraagd en dat die om die reden in dit geval ook niet is vergund. Tegen die achtergrond dient het voormelde voorschrift te worden geïnterpreteerd, hetgeen zich in dit geval toespitst op de vraag wat aanvaardbaar is aan geurhinder. De door verweerder gehanteerde invulling van die norm met een nadere normering is, anders dan door verzoekster gesteld, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het stellen van voorschriften, maar slechts een aanvulling van hetgeen in deze context als aanvaardbare geurhinder dient te worden begrepen. Voor wat betreft die normering heeft verweerder aansluiting gezocht bij het Geurhinderbeleid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de door verweerder gekozen invulling van de norm, tegen de achtergrond dat in dit geval geen geurruimte is vergund, zeker niet als onredelijk worden beschouwd. Dat niet het gehele beleid door verweerder is overgenomen, maar slechts de geurnormering, brengt met zich dat de door verzoekster aangevoerde gronden ten aanzien van een saneringssituatie thans geen bespreking behoeven. Voor zover de door verzoekster naar voren gebrachte gronden moet worden begrepen in die zin dat de geurnormen als zodanig, los van het Geurhinderbeleid, in dit geval ontoereikend zijn, acht de voorzieningenrechter die gronden in dit geval onvoldoende onderbouwd door verzoekster. Deze grond van verzoekster slaagt niet.

5.1. Verzoekster betoogt dat verweerder in dit geval het feit dat er sprake is van bestaande rechten over het hoofd heeft gezien. In dit verband wijst verzoekster erop dat reeds bij de vergunningverlening voor de activiteiten de geuremissie nadrukkelijk in de beoordeling is betrokken.

5.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in dit geval geen sprake is van vergunde rechten. In dit verband wijst verweerder erop dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) volgt dat bestaande rechten uitsluitend aan de vergunde activiteiten kunnen worden ontleend. Dit brengt volgens verweerder met zich dat niet de mogelijke milieugevolgen zijn vergund, maar de reeds vergunde activiteiten als bestaande rechten kunnen worden beschouwd. Naar de mening van verweerder zien vergunde rechten slechts op de omvang van de bedrijfsactiviteiten, en niet op de milieubelasting die dit (mogelijk) oplevert.

5.3.1. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2008: BC8487, volgt dat bestaande rechten slechts op eerder vergunde activiteiten kunnen worden gebaseerd, en niet op de eerder vergunde milieubelasting.

5.3.2. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om af te wijken van de vaste jurisprudentie van de AbRvS. Dit brengt met zich dat verweerder zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door verzoekster gestelde bestaande rechten slechts betrekking hebben op de (eerder) vergunde activiteiten, en niet op de milieubelasting die de activiteiten van verzoekster oplevert. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verweerder, naar gesteld, in dit geval de bestaande rechten over het hoofd heeft gezien. Deze grond van verzoekster slaagt niet.

6.1. Gelet op de voorgaande overwegingen is er sprake van een overtreding van een wettelijk voorschrift, zodat verweerder in dit geval bevoegd was tot handhavend optreden.

6.2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2011:BT8612, volgt dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

7.1. Verzoekster betoogt dat de hoogte van de opgelegde dwangsom niet in verhouding staat tot de aard en de ernst van de overtreding. Bovendien is het onduidelijk waar de verhoging ten opzichte van de eerdere last onder dwangsom vandaan komt. Verzoekster heeft het vermoeden dat verweerder bezig is met een inhaalslag omdat eerdere dwangsommen niet zijn geïnd.

7.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de eerder opgelegde (en ingetrokken) last onder dwangsom aan verzoekster een onvoldoende prikkel is gebleken om de onaanvaard-bare geurhinder te beëindigen. Gelet op de passieve houding van verzoekster heeft verweerder de hoogte van de dwangsom verhoogd.

7.3.1. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2011: BP7135, dient te worden afgeleid dat de opgelegde dwangsom in een redelijke verhouding dient te staan tot enerzijds de zwaarte van het door de overtreding van het wettelijk voorschrift geschonden belang en anderzijds de beoogde effectieve werking van de dwangsomoplegging.

7.3.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van een dwangsom beoordelingsvrijheid toekomt, zodat de rechterlijke toets in zoverre terughoudend dient te zijn. De voorzieningenrechter overweegt dat een dwangsom tot doel heeft de aangeschrevene tot naleving van de opgelegde last te bewegen. Daarbij mag de dwangsom zo hoog zijn, als naar verwachting nodig is om die naleving daadwerkelijk te bewerkstelligen. Verweerder heeft aangegeven dat bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom rekening is gehouden met onder meer de beoogde werking van de last onder dwangsom en het feit dat een eerder opgelegde last onder dwangsom een onvoldoende prikkel is gebleken voor verzoekster om de geurhinder vanwege de activiteiten in haar inrichting te beëindigen. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet heeft onderkend dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot het belang van de beëindiging van de overtreding. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vastgestelde dwangsom niet onevenredig hoog is. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de hoogte van de dwangsom niet behoeft te worden gerelateerd aan de financiële voordelen van verzoekster in verband met de kostenbesparing van al dan niet aanvullende (bron)maatregelen (vgl. AbRvS, 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3978). Deze grond van verzoekster slaagt niet.

8.1. Hoewel de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven bezwaar te hebben tegen kortsluiting vanwege het feit dat verweerder nog niet de gelegenheid heeft gehad een verweerschrift in te dienen, ziet de voorzieningenrechter daarin evenwel geen aanleiding om niet gebruik te maken van de aan hem ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb toekomende bevoegdheid om ook op het beroep te beslissen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de gemachtigde van verweerder kennis heeft kunnen nemen van de aanvullende gronden van beroep en de nadere stukken van verzoekster en daarop inhoudelijk heeft kunnen reageren en de inhoudelijke vragen van de voorzieningenrechter heeft kunnen beantwoorden. Nu de gemachtigde van verzoekster ter zitting te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen kortsluiting en verweerder niet in zijn belangen is geschaad, bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen aanleiding om niet gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid.

8.2. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van verzoekster, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, ongegrond. Om die reden bestaat er in zoverre geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Invorderingsbesluit

9.1. Aan het bestreden besluit II heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit een nadere rapportage van 8 februari 2017 van het adviesbureau met betrekking tot de geursituatie van de inrichting van verzoekster in november 2016 is gebleken dat het aanvaardbare geurhinder- niveau is overschreden, omdat de betreffende geurcontouren een aantal gevoelige objecten bevatten. Dit betekent volgens verweerder dat verzoekster in strijd handelt met voorschrift 1.6, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder g, van de verleende omgevingsvergunning van 29 oktober 2012, hetgeen met zich brengt dat de overtreding van artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo niet is beëindigd. Verweerder wijst erop dat de uitkomsten van het onderzoek van het adviesbureau zijn bevestigd door de Omgevingsdienst Groningen (hierna: de omgevingsdienst).

9.2. Verzoekster betoogt dat de onderliggende dwangsom van 20 juli 2016 onrechtmatig is. In dit verband wijst verzoekster erop dat het verweerder niet is toegestaan om in een dwangsombeschikking als de onderhavige geurvoorschriften op te leggen. Naar de mening van verzoekster biedt artikel 125 van de Gemeentewet noch artikel 5:32 van de Awb daarvoor een wettelijke basis.

9.3. Uit rechtsoverweging 4.4.3. volgt dat de door verweerder gehanteerde invulling van de norm met een nadere normering dient te worden beschouwd als een aanvulling van hetgeen in deze context als aanvaardbare geurhinder dient te worden begrepen, en niet als het stellen van voorschriften. Gelet hierop volgt de voorzieningenrechter niet het betoog van verzoekster dat de onderliggende dwangsom onrechtmatig is vanwege het feit dat daarin geurvoorschriften aan verzoekster zijn opgelegd. Deze grond van verzoekster slaagt niet.

10.3.1. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2013:BZ7562, volgt dat bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

10.3.2. Verder dient uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI: NL:RVS:2014:2899 en ECLI:NL:RVS:2015:1412, te worden afgeleid dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag dient te liggen. Dit brengt onder meer met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld en of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, dient een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen. Een schriftelijke rapportage dient voorts in beginsel te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening. Aan het ontbreken van een ondertekening kan worden voorbijgegaan, indien op andere wijze kan worden vastgesteld of waargenomen en wanneer die vaststelling of waarneming heeft plaatsgevonden.

10.4. Uit rechtsoverweging 8.3.2. volgt dat het aan verweerder is om op een deugdelijke en controleerbare wijze aannemelijk te maken dat er sprake is van een overtreding van het gestelde in de last onder dwangsom. In dit verband stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder aan het bestreden besluit II een rapportage van 17 februari 2016 van het adviesbureau ten grondslag heeft gelegd. Uit voormelde rapportage volgt dat het aanvaardbare geurhinderniveau is overschreden, omdat de betreffende geurcontouren een aantal gevoelige objecten bevatten.

10.5. Verzoekster betoogt, onder verwijzing naar de rapportage van 8 september 2017 van BMD-advies, dat het door verweerder aan het bestreden besluit II ten grondslag gelegde geuronderzoek van Witteveen+Bos onjuist is. In dit verband wijst verzoekster erop dat uit voormelde rapportage dient te worden afgeleid dat in het door Witteveen+Bos uitgevoerde geuronderzoek voor wat betreft de capaciteit van de ventilatoren voor de biologische luchtwasser ten onrechte geen rekening is gehouden met de eventuele weerstand die door de biologische luchtwasser wordt gegenereerd waardoor het werkelijke debiet lager is. Verder wijst verzoekster erop dat uit voormelde rapportage volgt dat in het geuronderzoek van Witteveen+Bos dat de geur uit de WKK-ruimte geen nieuwe geurbron is, maar een herintroductie van reeds aanwezige geur uit de omgevingslucht.

10.6. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aan de hand van het geuronderzoek van Witteveen+Bos aangegeven dat in de WKK-ruimte een geurbron aanwezig is, dat er sprake is van debiet en van afzuiging naar buiten. Met betrekking tot de ventilatoren heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat er uitgegaan is van het opgegeven debiet, omdat volgens het geuronderzoek van Witteveen+Bos een meting niet veilig kon worden uitgevoerd. Verder heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat er, uitgaande van de maximale theoretische capaciteit van de ventilatoren, meer geur wordt berekend dan dat er daadwerkelijk wordt verspreid.

10.7. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster aan de hand van voormelde rapportage van BMD-advies de feitelijke bevindingen van het geuronderzoek van Witteveen+Bos heeft bestreden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het geuronderzoek van Witteveen+Bos voor wat betreft de WKK-ruimte is gebaseerd op een onjuist uitgangspunt. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat er in de WKK-ruimte sprake is van een geurbron en debiet en dat namens verzoekster ter zitting erkend is dat er sprake is van afzuiging van de lucht naar buiten. In zoverre slaagt de grond van verzoekster dan ook niet. Anders ligt dit voor het betoog van verzoekster dat in het geuronderzoek van Witteveen+Bos een onjuiste berekening van de geur van de biologische luchtwasser heeft plaatsgevonden. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verweerder onvoldoende weersproken heeft dat bij de verspreidingsberekening is uitgegaan van een onjuist debiet van de biologische luchtwasser door de maximaal theoretische capaciteit van de ventilatoren te hanteren. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft erkend dat, uitgaande van de maximaal theoretische capaciteit van de ventilatoren er meer geur wordt berekend dan dat er daadwerkelijk wordt verspreid, en dat het effect van die onjuiste aanname slechts inzichtelijk kan worden gemaakt door een nieuwe verspreidingsberekening. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat verweerder het geuronderzoek van Witteveen+Bos niet zonder meer aan het bestreden besluit II ten grondslag heeft mogen leggen. Deze grond van verzoekster slaagt.

11. Gelet op de voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit II wordt geschorst tot zes weken nadat door de rechtbank uitspraak is gedaan op het beroep van verzoekster. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat het bezwaar van verzoekster tegen de invordering op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb van rechtswege onderdeel is geworden van het beroep tegen de last. Nu de voorzieningenrechter heeft besloten om mede te beslissen op het beroep tegen de last, is de voorzieningenrechter gehouden mede een oordeel te geven over het invorderingsbesluit. Gezien het late tijdstip van het indienen van de rapportage van 8 september 2017 van BMD-advies en het feit dat verweerder in de gelegenheid dient te worden gesteld om daarop in het kader van het beroep inhoudelijk te reageren, zal de voorzieningenrechter het onderzoek in dit beroep heropenen en aanhouden voor onbepaalde tijd.

12. Aangezien het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van verzoekster te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten worden begroot op € 990,-- wegens verleende professionele rechtsbijstand. Verder ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 333,-- aan haar dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van het beroep:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond.

ten aanzien van de verzoeken om voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, af;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II, toe;

- schorst het bestreden besluit II van verweerder tot zes weken nadat door de rechtbank is beslist op het beroep van verzoekster;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 990,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan haar dient te vergoeden;

- gelast dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 333,-- aan haar dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2017.

De griffier De voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden op: