Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3695

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
18/820127-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor vernieling en bedreigingen richting ex-partner. Oplegging van een gevangenisstraf van 46 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde betreffende de kortdurende klinische opname indien de reclassering dat noodzakelijk acht. Naar vaste jurisprudentie dient de beslissing tot klinische opname door de rechtbank te worden genomen en deze bevoegdheid kan dus niet bij de reclassering worden neergelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2008-02-01
Wetboek van Strafrecht 285, geldigheid: 2010-04-01
Wetboek van Strafrecht 350, geldigheid: 2012-10-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820127-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 september 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 september 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Wierts, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 8 maart 2017, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten

[slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet een steen/kei door een ruit van een woning en/of naar die, vlak achter

die ruit bevindende [slachtoffer 1] , heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 8 maart 2017, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 1]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een steen/kei door

een ruit van een woning en/of naar die, vlak achter die ruit, bevindende

[slachtoffer 1] gegooid;

2.

hij op of omstreeks 8 maart 2017, in de gemeente Groningen, opzettelijk en

wederrechtelijk een ruit van een woning gelegen aan de [straatnaam] , in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2017 tot en met 5 maart 2017, in de

gemeente Groningen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens)

opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] telefonisch en/of via app-berichten dreigend

de woorden toegevoegd :"ik ga je verminken" en/of "ik steek je in het

gezicht", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

(daarbij, althans enige tijd daarna) een mes in/bij de voordeur van de woning,

waar die [slachtoffer 2] verbleef, gestoken/geprikt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde, nu onvoldoende duidelijk is met welke kracht en vanaf welke afstand tot het huis van aangeefster verdachte de steen heeft gegooid. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen, aangezien aangeefster zich bedreigd heeft gevoeld en heeft kunnen voelen door het handelen van verdachte. Ook de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, nu niet kan worden bewezen dat verdachte aangeefster ten tijde van het gooien van de steen achter het raam heeft zien staan en aldus met het ten laste gelegde opzet zou hebben gehandeld. Voor het onder 2 en 3 ten laste gelegde kan volgens de raadsvrouw wel een veroordeling volgen, nu verdachte deze feiten heeft bekend.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat zij niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte aangeefster in de keuken heeft zien staan op het moment dat hij de steen door de ruit heeft gegooid en hierbij de bedoeling heeft gehad aangeefster te treffen, nu verdachte ter zake een ontkennende verklaring heeft afgelegd, de verklaringen van aangeefster op dat punt (teveel) uiteenlopen en het dossier geen andere bewijsmiddelen bevat die tot het bewijs van het ten laste gelegde kunnen dienen. Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte deze handeling heeft verricht met het opzet om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet had om aangeefster te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling, zoals ten laste is gelegd onder 1 subsidiair.

Verdachte zal daarom van zowel het onder 1 primair als het onder 1 subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Feiten 2 en 3

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2 en 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 september 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 maart 2017, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017060645 en 2017057657 d.d. 16 maart 2017, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 maart 2017, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 2] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

2.

hij op 8 maart 2017 in de gemeente Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning gelegen aan de [straatnaam] , toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft vernield;

3.

hij in de periode van 3 maart 2017 tot en met 5 maart 2017 in de gemeente Groningen meermalen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] telefonisch en via app-berichten dreigend de woorden toegevoegd :"Ik ga je verminken" en "Ik steek je in het gezicht", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en enige tijd daarna een mes bij de voordeur van de woning, waar die [slachtoffer 2] verbleef, gestoken.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

3. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 45 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, de verplichting om zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering en de verplichting tot het volgen van een ambulante behandeling bij Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de verdediging zich kan vinden in de door de officier van justitie gevorderde straf, waarbij wel een korter voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf is bepleit, omdat volgens de verdediging een vrijspraak van feit 1 dient te volgen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vernieling door een steen door de ruit van de woning van zijn ex-vriendin te gooien. Daarnaast heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen richting zijn ex-vriendin die hij kracht heeft bijgezet door een mes bij de deur van de woning te steken. Deze feiten hebben plaatsgevonden nadat verdachtes ex-partner de relatie had verbroken, hetgeen verdachte niet kon verkroppen. Verdachte heeft door zijn handelen schade en overlast bezorgd en zijn ex-vriendin en haar ouders angst aangejaagd.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder, doch niet recent, voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld.

Over verdachte is een psychologisch rapport d.d. 12 juli 2017 opgemaakt. Hieruit komt naar voren dat bij verdachte onder meer sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, borderline en antisociale trekken. De kans op herhaling wordt door de psycholoog als hoog ingeschat en bestaat met name in situaties waarin verdachte zich vernederd en gekleineerd voelt. Verdachte heeft dan de neiging om zich in agressieve zin op te blazen om zijn gevoel van minderwaardigheid te overdekken met het tegendeel. Bij zowel het onder 2 als 3 ten laste gelegde is sprake geweest van doorwerking van de geconstateerde psychische problematiek. Geadviseerd wordt om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar aan te merken. Om de kans op herhaling te verlagen, is een behandeling geïndiceerd. Deze dient zich vooral te richten op de verhoogde krenkbaarheid van verdachte. Geadviseerd wordt om als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel een ambulante behandeling door een forensisch psychiatrische polikliniek op te leggen, waarbij de reclassering zou kunnen toezien op het handhaven van de voorwaarden.

In het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport wordt voorts beschreven dat verdachte in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis goed heeft meegewerkt aan de hem gestelde voorwaarden en ingeschat wordt dat verdachte eveneens zal meewerken aan in het kader van een voorwaardelijke veroordeling opgelegde bijzondere voorwaarden. Geadviseerd wordt de oplegging van een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, inclusief een eventuele kortdurende klinische opname, en een verplichting zich te houden aan voorschriften en aanwijzingen van de reclassering.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten, met de conclusie van de psycholoog dat het ten laste gelegde in verminderde mate kan worden toegerekend aan verdachte en maakt die conclusie tot de hare. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Alles afwegende acht de rechtbank ter vergelding, maar ook ter voorkoming van recidive de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van bijzondere voorwaarden passend en geboden. De rechtbank zal verdachte derhalve een gevangenisstraf van 46 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaren. Het onvoorwaardelijk gedeelte is hierbij gelijk aan de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd. Aan de voorwaardelijk op te leggen straf, die vanwege de vrijspraak van feit 1 lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, met uitzondering van de voorwaarde betreffende de kortdurende klinische opname indien de reclassering dat noodzakelijk acht. Naar vaste jurisprudentie dient de beslissing tot klinische opname door de rechtbank te worden genomen en deze bevoegdheid kan dus niet bij de reclassering worden neergelegd.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van feit 1 heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij heeft een bedrag van € 350,-- ter vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Ten aanzien van feit 3 heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij heeft een bedrag van € 350,-- ter vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen kunnen worden toegewezen. Ook heeft zij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat [slachtoffer 1] in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu voor het onder 1 ten laste gelegde feit een vrijspraak dient te volgen. De vordering van [slachtoffer 2] wordt niet betwist en kan worden toegewezen, aldus de raadsvrouw.

Oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de door [slachtoffer 1] ingediende vordering overweegt de rechtbank dat zij het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen acht. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de door [slachtoffer 2] ingediende vordering is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft

geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf

5 maart 2017.

Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel, te vermeerderen met wettelijke rente, opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 46 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 30 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering VNN, Canadalaan 1, 9728 EA te Groningen en dat hij zich daarna blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich zal houden aan en richten naar de voorschriften en aanwijzingen gegeven door of namens de reclassering;

3. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Forensische Polikliniek VNN of soortgelijke ambulante zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die begeleiding/behandeling zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Ten aanzien van feit 1:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van feit 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 350,-- (zegge: driehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 350,-- (zegge: driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2017.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Oostveen, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en

mr. M. Haisma, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 september 2017.

Mr. Oostveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.