Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3682

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
18/730326-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op 26 september 2017 een man veroordeeld voor aanranding: verdachte heeft het slachtoffer tegen haar wil ge(tong)zoend en haar billen aangeraakt.

De rechtbank heeft naast de ernst van het feit bij de strafoplegging in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor zulke feiten en de ouderdom van het feit.

De rechtbank acht daarom in deze zaak een taakstraf van 50 uren passend en zal deze aan verdachte opleggen.

Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat verdachte € 250 schadevergoeding moet betalen aan het slachtoffer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 246, geldigheid: 2010-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730326-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 september 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 september 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Uygul, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Wildeman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 maart 2016 te of bij Dronryp, (althans) in de gemeente

Menameradiel, door een feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het meermalen, althans eenmaal, geven van (een) zoen(en) op de wang en/of mond van die [slachtoffer] en/of het betasten en/of aanraken van de bedekte en/of onbedekte billen van die [slachtoffer] , althans het lichaam van die [slachtoffer] en bestaande die feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat verdachte voormelde handeling(en) zodanig plotseling en/of onverhoeds heeft gepleegd dat die [slachtoffer] niet in staat was die handeling(en) (voldoende of tijdig) af te weren;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het volgende aangevoerd. Verdachte heeft op de vraag van de rechtbank geantwoord dat er sprake is geweest van slechts één omhelzing. Nadat hem stukken uit het dossier zijn voorgehouden, heeft verdachte verklaard dat hij tweemaal geprobeerd heeft aangeefster te omhelzen. Uit zijn verklaring bij de politie blijkt dat verdachte heeft verklaard dat hij twee of drie keer geprobeerd heeft aangeefster te omhelzen. Verdachte heeft derhalve geen consistente verklaring afgelegd.

Daarnaast valt verdachtes verklaring dat hij geen (bij)bedoelingen had met het afspreken met aangeefster niet te rijmen met aangeefsters verklaring dat zij tegen verdachte gezegd heeft dat hij moest ophouden en aan zijn vrouw en kind moest denken. Ook verdachtes verklaring dat hij dacht dat aangeefster het gevoel had dat verdachte ergens op uit was en het feit dat verdachte, nadat aangeefster tegen hem had gezegd dat hij haar niet moest omhelzen, daarna nog een keer geprobeerd heeft aangeefster te omhelzen, weerspreekt verdachtes opmerking dat hij nergens op uit was.

De officier van justitie acht de aangifte voldoende betrouwbaar en nu deze op essentiële punten wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] , de whats-app berichten van aangeefster en van verdachte en deels verdachtes eigen verklaringen, kan het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Tot slot wist verdachte dat aangeefster kwetsbaar was; hij was op de hoogte van het ongeluk dat zij eerder had gehad en wist dat zij problemen had. Verdachte heeft zijn eigen belang voorop gezet en heeft geen oog gehad voor de kwetsbaarheid van aangeefster, aldus de officier van justitie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verschillende scenario's denkbaar zijn.

Enerzijds het scenario, inhoudend dat het feit heeft plaatsgevonden zoals aangeefster heeft verklaard. Dit scenario zou een veroordeling van verdachte inhouden, met dien verstande dat zoenen op de wangen gebruikelijk en derhalve niet strafbaar is. Nu alleen aangeefster heeft verklaard dat zij op haar blote billen is aangeraakt en verdachte dit heeft ontkend, zou dat deel van de tenlastelegging niet wettig bewezen verklaard kunnen worden.

Anderzijds het scenario, inhoudend dat het feit heeft plaats gevonden zoals verdachte heeft verklaard. Het is namelijk mogelijk dat de aangifte onbetrouwbaar is, nu aangeefster twee keer per dag een hoge dosis medicatie slikt, onder meer Venlafaxine. Uit de bijsluiters van Venlafaxine blijkt dat de bijwerkingen van dit medicijn kunnen bestaan uit hallucinaties, verwarring en desoriëntatie. Het is daarom mogelijk dat aangeefster het gebeuren anders heeft ervaren dan dat het daadwerkelijk is gebeurd.

Tot slot is er nog het scenario waarin beide partijen bepaalde (bij)bedoelingen hadden, het feit niet tegen de wil van aangeefster is gebeurd maar aangeefster achteraf misschien geschrokken is. De raadsman heeft hierbij verwezen naar pagina 20 van het procesdossier waar staat vermeld dat verdachte eerst geprobeerd heeft aangeefster een kus op de mond te geven, waarop aangeefster heeft gezegd dat hij normaal moest doen. Toen ze vervolgens naar de tafel liep, legde verdachte zijn hand op haar kont. Het was tot dan toe een dolletje en het leek allemaal nog leuk, aldus aangeefster. Op pagina 23 van het procesdossier staat vermeld dat aangeefster en verdachte even gezoend hebben, waarna er weer gepraat werd. Eerst wanneer verdachte de broek van aangeefster naar beneden trekt (pagina 24) schrikt ze, wordt ze boos en zegt ze tegen verdachte dat hij op moet houden. Vervolgens zoent verdachte aangeefster wederom. Aangeefster verklaart dan dat het nog steeds niet leuk was en dat het steeds minder leuk werd. Daarna gaat ze weg. In dit derde scenario zijn de handelingen niet tegen de wil van aangeefster gebeurd, en is geen strafbaar feit gepleegd zodat vrijspraak moet volgen, aldus de raadsman.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake is geweest van 'onverhoeds' handelen. Aangeefster was in dezelfde ruimte en zij is steeds met verdachte meegegaan. Dit levert volgens de raadsman geen 'onverhoeds' in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht op.

Gelet op de drie mogelijke scenario's is er naar het oordeel van de raadsman te veel twijfel om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, zodat verdachte moet worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van aangeefster in belangrijke mate steun en bevestiging vindt in meerdere hierna te noemen bewijsmiddelen. Haar verklaring is genoegzaam ingebed in een concrete context en wordt op belangrijke onderdelen ondersteund door de verklaring van verdachte zelf, de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en de whatsapp-gesprekken tussen aangeefster en verdachte.

Verdachte heeft in zijn verklaring bij de politie verklaard dat hij twee of drie keer geprobeerd heeft aangeefster te omhelzen en dat zij dat niet wilde. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij, toen aangeefster de keet binnenkwam, haar twee kussen op de wang en één kus richting de mond heeft gegeven. Later heeft hij nog een keer geprobeerd haar te kussen, waarna aangeefster een afwerend gebaar maakte. Ook heeft hij twee keer geprobeerd haar te omhelzen.

Nadat aangeefster uit de bouwkeet was vertrokken, heeft verdachte aangeefster een whatsapp-bericht gestuurd met -zakelijk weergegeven- de tekst dat ze niet boos moest zijn en ze het maar gauw vergeten moesten. Aangeefster appte vervolgens aan verdachte dat hij van haar af had moeten blijven, waarna verdachte reageert met de woorden ‘ok’ en dat ze niet boos moet zijn. Vervolgens vraagt aangeefster aan verdachte of hij het normaal vindt wat hij deed en ‘hoe vaak ze wel niet gezegd heeft dat hij moest stoppen’. Verdachte reageert dan met de woorden 'klopt' en 'excuses'.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij rond 20.00 uur door aangeefster is gebeld. Aangeefster was op dat moment overstuur en vroeg of hij naar haar toe wilde komen. De getuige is naar aangeefster gereden en zag dat ze in de war was. Zij vertelde hem dat verdachte aan haar had gezeten. Ze zijn vervolgens naar het huis van aangeefster gereden, waar aangeefster heeft verteld wat er gebeurd was. De getuige zag dat aangeefster in tranen was.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij om 20:21 uur een app-bericht van aangeefster kreeg met -zakelijk weergegeven- de tekst dat ze net was aangerand. Dit appbericht bevatte veel vloekwoorden, zo blijkt uit de schriftelijke weergave daarvan in het dossier. Toen de getuige met aangeefster belde, vertelde ze dat de man haar bij binnenkomst vol op de mond wilde pakken, haar tattoo wilde zien en haar broek naar beneden had getrokken.

De verklaring van verdachte dat hij geen enkele bijbedoeling had en dat zijn pogingen om haar te zoenen en te omhelzen, slechts een dolletje waren, acht de rechtbank, gelet op het bovenstaande, onaannemelijk.

Op grond van de verklaring van aangeefster, ondersteund door de andere bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten, zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 12 september 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 15 maart 2016 heb ik in Dronrijp [slachtoffer] twee kussen op de wang gegeven, de derde zoen ging richting haar mond. Ik heb haar twee keer omhelsd.

Ik heb haar later een appje gestuurd dat ze niet boos moest zijn.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 april 2016, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016088095 d.d. 18 juni 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik doe aangifte van aanranding door [verdachte] .

Het vond ongeveer twee maanden geleden plaats. Het was door de week.

V: In het informatieve gesprek zei je dat het dinsdag 15 maart was.

A: Ja, het informatieve gesprek was vrij vlot daarna.

V: Oke, kun jij vertellen wat er gebeurd is tussen jou en [verdachte] ?

A: Hij wist dat ik ziek thuis zat, we hebben het toen over gehad om een bakkie te doen. Hij zei: “Kom dan hierheen”, omdat hij tot 18.00 of 21.00 uur moest werken. Hij vroeg of ik naar Friesland kwam, dus ben ik daar heen gegaan. Toen ik daar kwam, gewoon begroet en gaf ik een kus op de wang, wat we normaal doen. Bij de derde kus, wilde hij mij een kus op de mond geven, ik zei dat hij normaal moest doen. Er was verder niemand.

Toen gingen we de bouwkeet in, eerst een normaal gesprek. Toen liep ik naar de tafel, hij legde gelijk zijn hand op mijn kont. Ik heb weer gezegd: “Blijf van me af”. Het was een dolletje en dan lijkt het allemaal nog leuk. Toen koffie gedronken. Toen pakte hij mijn hand vast, trok mij naar zich toe, naar hem toe. Toen begon hij te zoenen. Weer gezegd dat ik het niet wou. Dat vond hij maar raar. En ik heb ook gezegd: “Doe eens normaal”. Ik had dit totaal niet verwacht, anders was ik er niet eens naar toe gegaan. Hij bleef door gaan met proberen te zoenen, op een gegeven moment deed hij zijn hand onder mijn jas. Toen stond hij op, nam me mee naar de deur. Die deur was dicht. Weer aan het zoenen. Toen zei hij: “Voel eens”. Hij pakte mijn hand vast en deed die naar zijn kruis. Toen zei hij dat hij mijn tattoo wilde zien, die ik op mijn been heb. Hij trok zo mijn broek naar beneden. Toen heb ik wel met verheven stem gezegd dat bij op moest houden en normaal moest doen. Ik heb mijn broek weer omhoog gedaan. Hij deed het licht uit en kon ik helemaal niks meer zien. Op dat moment werd ik gewoon een beetje boos. Ik zei: “Doe het licht weer aan”. Ik zei ook dat ik het niet tof vond. Na vijf minuten deed hij het licht wel weer aan. Deed hij zijn hand bij mij achter in mijn broek en pakte mijn kont vast, zeg maar. Nogmaals aangegeven dat hij moest stoppen. Ik zei ook: “Ik ga weg, ik ben er klaar mee”. Ik ben naar buiten gelopen, naar mijn auto.

Op de terug weg stuurde hij een appje: “Niet boos zijn he, laten we het maar gauw vergeten”. Ik heb terug gestuurd: “Niet boos zijn? Je had met je poten van me af moeten blijven”. Ik heb iemand gebeld en was helemaal overstuur.

Later stuurde hij nog mee appjes. Degene die ik aan de lijn had zei dat ik moest kijken hoe hij reageerde op de app. Ik heb geappt: “Hoe vaak heb ik wel niet gezegd dat je moest stoppen: “Hij zei: “Ja klopt”. Ook dat ik het niet aan de rest mocht vertellen, omdat bij geen zin had in ruzie. Toen stond ik langs de snelweg, en kwam de politie en Rijkswaterstaat. Ik was toen helemaal overstuur.

Ik was ongeveer 18:30 uur in Dronryp.

V: Je begroet elkaar. Wat gebeurt er dan?

A: Ik gaf hem drie kussen op de wang, maar bij de derde kus gaf hij een kus op de mond. Ik zei wel dat hij normaal moest doen, maar was ook een beetje flabbergasted door wat hij deed. Dit was nog buiten op het bouwterrein.

Toen liepen we naar binnen. In een bouwkeet.

Ik liep voor hem uit naar de tafel toe. Hij legde zijn hand op mijn kont. Toen deed ik met mijn hand, zijn hand weg, zo van niet doen. Ik draaide me om en zei dat hij dit niet moest doen. Hij reageerde hierop door te lachen. Ik voelde me overrompeld.

V: Wat voor aanraken op jouw kont was het?

A: Vastpakken. Met één hand. Ik draaide me om en toen probeerde hij mij te zoenen, hij zoende me eigenlijk al. Hij pakte me op mijn mond, tongzoenen. Ik schrok ervan.

Ik zei dat ik het niet wou.

Het tongzoenen is daadwerkelijk gebeurd. Ik schrok ervan en stopte er meteen mee. Ik zei dat hij moest stoppen, dat ik het niet wou. Ik zei: 'Doe eens normaal, denk aan [naam] '. Hij zei: 'die is er toch niet'.

V: In hoeverre is zijn tong echt in jouw mond geweest?

A: Ja.

V: Wat was voor jou de reden om niet weg te gaan?

A: Hij lachte er wat om, ik dacht dat hij een vriend was. Hij deed ook zo, wat maakt het uit. Ik dacht ook dat ik het op dat moment duidelijk had aangegeven en dat hij het nu wel snapte, maar achteraf had ik natuurlijk gelijk weg moeten gaan.

V: Oké, koffie, wat gebeurt er dan?

A: Gepraat, tien minuten of een kwartiertje. Hij boog weer naar mij toe, pakte mijn hand en trok mij naar zich toe. Toen stond ik, hij ging ook staan. Hij probeerde me weer te zoenen.

Ik vond dat niet leuk.

V: Hoe liet je dat merken?

A: Zeggen. Ik weet niet precies wat ik zei.

Hij had mijn hand vast en liep naar het eerste halletje bij de ingang. Daar nam hij mee naar toe en drukte mij tegen de muur aan en zoende hij mij weer. Ik heb hem weer van mij afgeduwd. Toen begon hij over de tattoo en trok mijn broek naar beneden. Dat was het moment dat ik schrok en echt bozig begon te worden eigenlijk.

Hij probeerde weer te tongzoenen. Hij heeft wel zijn tong in mijn mond gedaan, maar ik duwde hem weg en zei: 'nu moet je echt ophouden'. Hij zei toen: 'laat me die tattoo nou eens zien'.

V: Waar zit die tattoo precies?

A: Op mijn bovenbeen, rechts.

V: Jij zegt dat hij jouw broek naar beneden deed? Hoe deed hij dat?

A: Ik had deze broek aan, die zit vrij los. Deze broek trek je dan zo naar beneden. Het is een spijkerbroek. Hij deed dat met twee handen. Mijn string ging ook gelijk mee.

V: Tot hoever trok hij je broek naar beneden?

A: Tot mijn knieën of zo. Ik schrok daarvan. Ik deed mijn broek omhoog en tegelijk zei ik dat hij normaal moest doen en van me af moest blijven. Hij reageerde daar een beetje lacherig op. Toen deed ik mijn broek weer omhoog en dicht en toen deed hij het licht uit.

Toen het licht uitging zag ik helemaal niets. Ik stond in het halletje, tegen de muur van de wc of het hokje aan. Ik heb gezegd 'Doe dat licht aan'. Hij pakte mij weer vast, ging me weer zoenen. Ik zei dat hij het licht aan moest doen. Hij zocht het lichtknopje, maar eerst ging het licht niet aan, later wel. Toen zei ik dat ik weg wou.

V: Hoe pakte hij jou vast?

A: Hij duwde mij tegen die muur aan.

V: Wat voor zoenen was het?

A: Tong.

V: Wat deed jij?

A: Hij stond dichtbij en pakte mij dus vast. Hij is vrij groot. Ik duwde hem weg en even later deed hij het licht aan.

V: Wat deed jij qua zoenen?

A: Ik deed zelf niets.

V: Hoe kon het toch gebeuren?

A: Hij is groot en krachtig en je wordt overrompeld op dat moment.

3. Een schriftelijk bescheid, zijnde een fotoblad met een weergave van een whatsapp gesprek, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

[verdachte] 20:05 Niet boos op me zijn he

Laten we het maar gauw vergeten

Veel sterkte

20:06 Wist niet dat het zo erg was

Jij blijft er goed nuchter onder

20:33 Thuis??

[slachtoffer] 20:41 Maar gauw vergeten?!?!

Je had met je poten van me af moeten blijven

[verdachte] 20:48 Oké

Niet boos zijn he

Sorry hoor wil geen ruzie met jullie daar

[slachtoffer] 20:50 Vind je t normaal dan wat je deed

Hoe vaak heb ik wel niet gezegd dat je moest stoppen

[verdachte] 20:54 Klopt

Excuses

Wil geen ruzie hoor

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 9 mei 2016, opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

[slachtoffer] stuurde een berichtje. Ze was dus toch naar [verdachte] gegaan. Rond 20:00 uur werd ik door haar gebeld, want ze stond ergens langs de weg. Ze was helemaal overstuur.

Ik ben erheen gegaan. Toen ik eraan kwam zei ze gelijk: 'hij heeft met zijn poten aan mij gezeten'. Ik vroeg wie. [slachtoffer] zei: ' [verdachte] '. Toen vertelde ze dat ze daar was geweest op de bouw. Ze kwam de keet in, toen wilde hij haar gelijk zoenen, wat ze heeft afgestoten. Ze hadden koffie gedronken, hij wilde steeds aan haar zitten. [slachtoffer] had toen gezegd dat hij een vrouw en kinderen had en dit niet moest doen. Hij wilde de broek van de kont en al die dingen. Ze heeft het allemaal een beetje afgestoten, zoals ik het begrijp. Zij heeft haar koffie opgedronken en is weg gegaan. Ze raakte onderweg in paniek.

Hij deed zijn broek naar beneden. Ze heeft gezegd dat hij om zijn gezin moest denken.

Toen ik bij haar thuis was en dit vertelde, was ze helemaal in tranen.

Hij heeft haar geprobeerd te zoenen. Vastgehouden in de stoel. Hij deed haar broek naar beneden. Hij deed zijn eigen broek los of naar beneden, zoiets.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 mei 2016, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Zij stuurde mij ‘s avonds laat, rond een uur of 22:00 een appje, vloekend, ik vroeg ‘wat is er aan de hand”, zij antwoordde: ik ben zonet aangerand”. Ik was perplex en belde haar op, ik vroeg “hoe bedoel je dat”, ze was alleen aan het vloeken. Toen haalde ze op een gegeven moment wat adem en ik vroeg haar te vertellen wat er gebeurd was. Ze vertelde dat ze wel eens contact had gehad met dat contact en dat hij vroeg om langs te komen voor een bakkie. Ze was naar die man gereden. Op het moment dat ze binnenkwam wilde die man haar al vol op de mond pakken. Ze heeft hem weggeduwd en zei ‘doe normaal”, toen ging ze zitten. Op een of andere manier wilde hij haar tattoo zien, hij trok haar broek naar beneden en zat aan haar, aan haar kruis en zo, ze had hem van zich afgetrapt. Hij vroeg waarom ze zo raar deed. Ze zei dat ze daarvoor niet kwam en ze heeft hem de huid vol gescholden. Toen is ze weggegaan. Dat vertelde ze dus aan mij.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik niet zeker weet of ze dit op dit moment allemaal zo gedetailleerd vertelde, of dat ze me dat later verteld heeft.

Ze heeft hem toen geappt en hij had gereageerd of ze boos was.

Ze had toen meer naar hem getypt en hij begon z’n excuses aan te bieden. Ze heeft screenshots gemaakt en die naar mij gestuurd. Ik heb ze nog. De eerste screenshots kreeg ik op 15 maart 2016 om 20:45 uur binnen. Ik heb 3 screenshots gekregen.

6. Een schriftelijk bescheid, zijnde een screenshot zoals vermeld in het onder 5. vermelde proces-verbaal van getuigenverhoor, opgenomen op pagina 44 van voornoemd dossier, inhoudende:

[slachtoffer] 20:21 Oké jezus wat ben ik kwaad

Ik ben net gewoon fucking aangerand wat een kk lijer

Godverdomme

Ben onderweg naar huis tel is bijna leeg

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 17 juni 2016, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

V: Waar heb jij [slachtoffer] ontmoet?

A: Ze is een keer op mijn werk geweest in Dronrijp. Ze is in de avond/eind middag bij mij geweest.

V: Wat is er gebeurd in die keet wat niet goed is gegaan?

A: Ik heb haar omhelsd. Zij zei dat ze dat niet wilde.

V: Jij zegt in het Whatsapp gesprek 'klopt' en 'excuses'. Jullie zijn kennelijk verder gegaan dan die omhelzing.

A: Ik heb haar geprobeerd te omhelzen. Dat wilde ze niet. Ik heb dat twee of drie keer geprobeerd, verder niet.

V: Waarom wilde jij haar omhelzen?

A: Ja gewoon als vrienden.

V: Waarom ben jij dan niet gestopt, toen zij gelijk al aangaf dat ze niet wilde?

A: Weet ik niet.

V: Je legt je hand op haar kont.

A: Het kan zijn dat ik mijn hand op haar rug heb gedaan omdat ik haar omhelzen wilde.

V: In hoeverre is er over [naam] gesproken toen jullie in de keet waren?

A: Ze zei tegen mij, je moet mij niet omhelzen want je hebt een vrouw en een kind.

V: Waar hebben die knuffels plaatsgevonden?

A: De eerste keer bij de tafel in de buurt en de andere keer bij de deur van de keet.

V: Hoe heeft [slachtoffer] laten merken dat zij die omhelzing niet wilde?
A: Nee, stop er mee. Denk aan je vrouw en kind. Ik denk dat zij het gevoel had dat ik ergens op uit was.

V: Hoe heb jij daar op gereageerd?
A: Ik ben gestopt. Later heb ik nog een keer geprobeerd haar te omhelzen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 15 maart 2016 te Dronryp, in de gemeente Menameradiel, door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het meermalen geven van zoenen op de mond van die [slachtoffer] en het aanraken van de bedekte en onbedekte billen van die [slachtoffer] , en bestaande die feitelijkheden hieruit dat verdachte voormelde handelingen zodanig plotseling en onverhoeds heeft gepleegd dat die [slachtoffer] niet in staat was die handelingen tijdig af te weren.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot oplegging van een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, gelet op de jurisprudentie, er onvoldoende aanleiding is om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en deze straf geen toegevoegde waarde heeft.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de rapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Verdachte heeft het slachtoffer tegen haar wil ge(tong)zoend en haar billen aangeraakt, waarmee hij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort delicten vaak nog lang nadelige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. Dat geldt ook voor het slachtoffer in deze zaak, zoals blijkt uit de bij de vordering van de benadeelde partij opgenomen beschrijving van de gevolgen die het voorval voor haar heeft gehad.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor gelijksoortige feiten.

Oplegging van een taakstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank passend. Verdachte is een first offender en mede gelet op de ouderdom van het feit, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf niet aan de orde is.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van een bedrag van € 200,00, subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis, zulks vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank zal deze schade vaststellen op € 250,00. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van

€ 250,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 maart 2016. De benadeelde partij zal voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 50 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. C.H. Beuker en mr H.G. Punt, rechters, bijgestaan door D. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 september 2017.

Mr. Punt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.