Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3609

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
18/730522-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door op een kort stuk rechte weg tussen twee bochten een voor hem rijdende shovel met een daaraan gekoppelde aanhangwagen in te halen. Het zicht van verdachte werd ernstig belemmerd door de voor hem rijdende shovel met aanhangwagen, waardoor hij een personenauto die reed op de rijstrook voor het hem tegemoetkomende verkeer, niet heeft zien aankomen en daar frontaal tegenaan is gebotst. Verdachte heeft door zijn handelen een groot verkeersrisico in het leven geroepen dat zich ook heeft verwezenlijkt. Zowel de bestuurster van de personenauto als haar dochter hebben door de botsing lichamelijk letsel opgelopen, ten gevolge waarvan zij meerdere weken waren verhinderd in de uitoefening van hun normale bezigheden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2008-02-01
Invoeringswet Wegenverkeerswet 1994 6, geldigheid: 2001-01-10
Wegenverkeerswet 1994 175, geldigheid: 2017-07-01
Wegenverkeerswet 1994 179, geldigheid: 2010-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730522-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 september 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 september 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.L. van Onna, advocaat te Franeker.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.T. Brouwer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 april 2016 in de gemeente Franekeradeel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Getswerderdyk, komende uit de richting van Franeker en gaande in de richting van Sexbierum, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend een voor hem in dezelfde richting rijdend ander motorrijtuig (shovel met aangekoppelde aanhangwagen) in te halen en/of te gaan inhalen - terwijl verdachte een voor verdachte naar rechts voerende bocht naderde en/of terwijl verdachte door dat in dezelfde richting rijdend ander motorrijtuig onvoldoende, althans beperkt en/of belemmerend, zicht had op het wegverloop - en/of terechtkomend op de/het voor het verkeer uit tegengestelde richting

bestemde rijstrook of gedeelte van die weg juist op het moment dat een over laatstgenoemd(e) rijstrook of gedeelte van die weg verdachte tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto) het door verdachte bestuurde motorrijtuig naderde en/of reeds dicht was genaderd, ten gevolge waarvan een botsing of aanrijding tussen dat door verdachte bestuurde motorrijtuig en dat verdachte tegemoetkomende motorrijtuig is ontstaan, waardoor (een) ander(en), inzittende(n) van dat tegemoetkomende motorrijtuig (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van een pols met betrekking tot genoemde [slachtoffer 1] en/of een fractuur van een ellepijp met betrekking tot voornoemde [slachtoffer 2] , of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 25 april 2016 in de gemeente Franekeradeel als bestuurder van een motorrijtuigtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Getswerderdyk, komende uit de richting van Franeker en gaande in de richting van Sexbierum, een voor hem in dezelfde richting rijdend ander motorrijtuig (shovel met aangekoppelde aanhangwagen) heeft ingehaald en/of is gaan inhalen - terwijl verdachte een voor verdachte naar rechts voerende bocht naderde en/of terwijl verdachte door dat in dezelfde richting rijdend ander motorrijtuig

onvoldoende, althans beperkt en/of belemmerend, zicht had op het wegverloop - en/of terechtkomend op de/het voor het verkeer uit tegengestelde richting bestemde rijstrook of gedeelte van die weg juist op het moment dat een over laatstgenoemd(e) rijstrook of gedeelte van die weg verdachte tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto) het door verdachte bestuurde motorrijtuig naderde en/of reeds dicht was genaderd, ten gevolge waarvan een botsing of aanrijding tussen dat door verdachte bestuurde motorrijtuig en dat verdachte tegemoetkomende motorrijtuig is ontstaan, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte dit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 september 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 27 april 2016, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016118528-1 d.d. 25 juli 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verkeersanalyse d.d. 25 mei 2016, opgenomen in het voornoemde dossier, inhoudende de verklaring van de verbalisanten [naam] en [naam] ;

4. een geschrift d.d. 25 april 2016, afkomstig van huisarts J.M. Hoexum, inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer 1] ;

5. een geschrift d.d. 25 april 2016, afkomstig van huisarts J.M. Hoexum, inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer 2] .

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze bewijsmiddelen dat verdachte tijdens het inhalen van een shovel met een daaraan gekoppelde aanhangwagen op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer reed en daar tegen een tegemoetkomend motorrijtuig is gebotst.

De rechtbank acht op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Zij is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld door de shovel met de aanhangwagen (met een totale lengte van 18 meter) in te halen op een kort stuk rechte weg tussen twee bochten, terwijl zijn zicht op het wegverloop en op het tegemoetkomende verkeer op dat moment ernstig werd belemmerd door de shovel en de aanhangwagen.

De rechtbank acht op grond van deze bewijsmiddelen tevens bewezen dat de inzittenden van het tegemoetkomend voertuig, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , door dit verkeersongeval zodanig lichamelijk letsel is toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van hun normale bezigheden is ontstaan. Daartoe overweegt zij het volgende.

Uit de medische informatie betreffende [slachtoffer 1] blijkt dat sprake is van de verdenking van een breuk van de linker pols, dat zij daarom een gipsspalk heeft gekregen en dat na een week een controle zou plaatsvinden in de gipskamer. Naar het oordeel van de rechtbank is het een algemene ervaringsregel dat een (verdenking van een) polsbreuk, waarvoor een gipsspalk moet worden aangelegd, leidt tot een verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden voor langere duur. De rechtbank overweegt ten overvloede dat dit is bevestigd door de ter terechtzitting door de officier van justitie gedane mededeling die - zakelijk weergegeven - inhoudt dat zij [slachtoffer 1] heeft gebeld en dat deze haar heeft verteld dat haar pols niet gebroken was maar dat zij drie weken lang niet heeft kunnen tillen en daardoor gedurende die periode haar werk in een supermarkt niet heeft kunnen uitoefenen.

Uit de medische informatie betreffende [slachtoffer 2] blijkt dat haar linker ellepijp is gebroken, dat zij daarom bovenarmgips heeft gekregen en dat er na een week een controle zou plaatsvinden in de gipskamer. Naar het oordeel van de rechtbank is het een algemene ervaringsregel dat een breuk van de ellepijp, waarvoor bovenarmgips moet worden aangelegd, leidt tot een verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden (waaronder naar het oordeel van de rechtbank ook bezigheden als scholier vallen) voor de duur van meerdere weken. De rechtbank overweegt ten overvloede dat dit is bevestigd door de ter terechtzitting door de officier van justitie gedane mededeling die - zakelijk weergegeven - inhoudt dat [slachtoffer 1] haar telefonisch heeft meegedeeld dat de bovenarm van [slachtoffer 2] gedurende zeven weken in het gips heeft gezeten en dat zij weliswaar naar school is geweest, maar niet kon schrijven omdat zij linkshandig is.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 25 april 2016 in de gemeente Franekeradeel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Getswerderdyk, komende uit de richting van Franeker en gaande in de richting van Sexbierum, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig een vóór hem in dezelfde richting rijdend ander motorrijtuig (shovel met aangekoppelde aanhangwagen) in te halen - terwijl verdachte een voor verdachte naar rechts voerende bocht naderde en terwijl verdachte door dat in dezelfde richting rijdend ander motorrijtuig onvoldoende zicht had op het wegverloop - en terecht te komen op de voor het verkeer uit tegengestelde richting bestemde rijstrook, juist op het moment dat een over laatstgenoemde rijstrook verdachte tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto) het door verdachte bestuurde motorrijtuig naderde en reeds dicht was genaderd, ten gevolge waarvan een botsing tussen dat door verdachte bestuurde motorrijtuig en dat verdachte tegemoetkomende motorrijtuig is ontstaan, waardoor anderen, te weten inzittenden van dat tegemoetkomende motorrijtuig (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verklaard dat zij zich kan vinden in de eis van de officier van justitie, behalve voor wat betreft de duur van de gevorderde voorwaardelijke rijontzegging. Zij heeft aangevoerd dat een geldboete niet in de rede ligt, gelet op de financiële positie van verdachte. Daarnaast heeft zij de rechtbank verzocht af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke rijontzegging, omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en hij zal worden ontslagen als hij geen auto mag rijden. De raadsvrouw heeft gepleit voor het opleggen van een voorwaardelijke rijontzegging van kortere duur dan de officier van justitie heeft gevorderd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat geen sprake is van ernstige schuld maar van aanmerkelijke schuld en dat de oriëntatiepunten in dat geval geen rijontzegging voor de duur van zes maanden voorschrijven.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door op een kort stuk rechte weg tussen twee bochten een voor hem rijdende shovel met een daaraan gekoppelde aanhangwagen in te halen. Het zicht van verdachte werd ernstig belemmerd door de voor hem rijdende shovel met aanhangwagen, waardoor hij een personenauto die reed op de rijstrook voor het hem tegemoetkomende verkeer, niet heeft zien aankomen en daar frontaal tegenaan is gebotst. Verdachte heeft door zijn handelen een groot verkeersrisico in het leven geroepen dat zich ook heeft verwezenlijkt. Zowel de bestuurster van de personenauto als haar dochter hebben door de botsing lichamelijk letsel opgelopen, ten gevolge waarvan zij meerdere weken waren verhinderd in de uitoefening van hun normale bezigheden.

De rechtbank weegt als strafverzwarende omstandigheid mee dat verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie in de periode van vijf jaren voorafgaande aan het bewezenverklaarde feit tweemaal is veroordeeld voor rijden onder invloed en hem in die periode ook tweemaal een strafbeschikking is opgelegd voor rijden onder invloed. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het besturen van een motorrijtuig onder invloed van alcoholische drank eveneens een feit is waardoor een groot verkeersrisico wordt veroorzaakt. De rechtbank zal er echter ook rekening mee houden dat verdachte blijkens het reclasseringsrapport sinds 2013 in het geheel geen alcohol meer heeft gebruikt en hij zijn leven sindsdien goed op orde heeft.

Voorts zal de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee houden dat hij kort na het ongeval contact heeft gezocht met de slachtoffers en hen ook nadien nog meerdere malen heeft bezocht.

De reclassering heeft de rechtbank geadviseerd om verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke rijontzegging zonder bijzondere voorwaarden. Een onvoorwaardelijke rijontzegging acht de reclassering niet aangewezen omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. In verband met de financiële toestand van verdachte heeft de reclassering de rechtbank afgeraden om hem een geldboete op te leggen.

Op grond van de door de rechtbank gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting geldt als uitgangspunt dat in een geval als dit, waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en lichamelijk letsel dat een tijdelijke verhindering in de normale bezigheden tot gevolg heeft en waarbij geen alcohol in het spel is, in beginsel een geldboete van € 1.000,00 en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van drie maanden wordt opgelegd.

De rechtbank acht het opleggen van een geldboete in dit geval niet geïndiceerd, gelet op de financiële omstandigheden van verdachte. In plaats daarvan zal de rechtbank hem veroordelen tot een taakstraf. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt een taakstraf voor de duur van 40 uren.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte voor zijn werk afhankelijk is van zijn rijbewijs, zal de rechtbank hem niet veroordelen tot een onvoorwaardelijke rijontzegging en zal zij de in de oriëntatiepunten genoemde rijontzegging voor de duur van drie maanden voorwaardelijk opleggen. Ter compensatie van deze afwijking van de oriëntatiepunten ten voordele van verdachte zal de rechtbank de duur van de op te leggen taakstraf verlengen en op 80 uren stellen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen - bromfietsen daaronder begrepen - voor de duur van drie maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. K. Post en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 september 2017.