Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3555

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-09-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
18/830033-17, 18/820393-16, 18/185182-16, 18/186864-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft vandaag een man veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende strafbare feiten.

De recente feiten betreffen een diefstal met geweld en het bezit van cocaïne en vals geld. Verdachte en zijn twee medeverdachten hebben een afspraak gemaakt met een cocaïnedealer en zijn compagnon om cocaïne en vals geld van hen te kopen. Verdachten hadden echter nooit de bedoeling geld daarvoor te betalen, maar wilden deze goederen stelen (rippen). Na de ripdeal zijn verdachten weggevlucht. Tijdens het wegvluchten werd een van de medeverdachten neergeschoten en hij is later in het ziekenhuis overleden. Deze ripdeal en de daarop volgende dodelijke schietpartij heeft plaatsgevonden in een woning en midden in een woonwijk in Foxhol. Naast voornoemde feiten heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het tweemaal telen van hennep, diefstal van elektriciteit en het mishandelen van twee personen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2008-02-01
Wetboek van Strafrecht 209, geldigheid: 2010-07-01
Wetboek van Strafrecht 300, geldigheid: 2006-02-01
Wetboek van Strafrecht 310, geldigheid: 2010-07-01
Wetboek van Strafrecht 311, geldigheid: 2016-07-01
Wetboek van Strafrecht 312, geldigheid: 2016-07-01
Opiumwet 2, geldigheid: 2006-07-01
Opiumwet 3, geldigheid: 2003-03-17
Opiumwet 10, geldigheid: 2007-11-01
Opiumwet 11, geldigheid: 2006-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830033-17

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/820393-16

ter berechting gevoegd parketnummer 18/185182-16

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/186864-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 september 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Overijssel - HvB Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

4 september 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.I.T. Spaan, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 18/830033-17

1.

hij op of omstreeks 13 januari 2017 te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, in en/of bij een woning (gelegen aan of bij de [straatnaam] ) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid drugs (te weten (ongeveer) een halve kilo cocaine) en/of een hoeveelheid vals geld (te weten 19, althans meerdere, nagemaakte en/of vervalste bankbiljetten van 500 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een of meerdere van zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk gewelddadig - een vuurwapen (pistool) en/of een stroomstootwapen (taser) en/of een traangasbusje (pepperspray) heeft meegenomen naar en/of in die woning (gelegen aan of bij de [straatnaam] ) en/of (aldaar in (de keuken van) die woning) - die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (met kracht) tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of geduwd en/of - die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] bij/aan het lichaam heeft vastgepakt en/of (vervolgens) vastgehouden (, waardoor een worsteling is ontstaan,) en/of - die [slachtoffer 2] een zogenoemd knietje tegen het lichaam heeft gegeven, althans met een knie tegen het lichaam heeft gestoten en/of - een vuurwapen (pistool) op het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gericht;

2.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 13 januari 2017 en 14 januari 2017, in elk geval in of omstreeks de maand januari 2017 te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, en/of te Musselkanaal en/of Stadskanaal, in elk geval in de gemeente Stadskanaal, en/of elders in de provincie(s) Groningen en/of Drenthe, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (ongeveer een halve kilo), zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 13 januari 2017 en 14 januari 2017 te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, en/of te Musselkanaal en/of Stadskanaal, in elk geval in de gemeente Stadskanaal, en/of elders in de provincie(s) Groningen en/of Drenthe, in elk geval in Nederland, opzettelijk 19 (negentien), althans meerdere, nagemaakte en/of vervalste bankbiljetten van 500 euro, waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, verdachte, toen hij deze ontving bekend was, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, heeft ontvangen en/of zich heeft verschaft en/of heeft vervoerd en/of in voorraad heeft gehad;

in de zaak met parketnummer 18/820393-16

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 10 oktober 2016, in elk geval in het jaar 2016, te Veendam, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad in een loods/(bedrijfs)pand aan de [straatnaam] , (telkens) een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer) 370 hennepplanten, althans (telkens) een groot aantal hennepplanten

en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

(parketnummer 18/185182-16)

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 8 september 2016, in elk geval in het jaar 2016, te Stadskanaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan gelegen aan of bij [straatnaam] een hoeveelheid van (in totaal) 159 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal

bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.

hij in of omstreeks het jaar 2016 (tot en met 10 oktober 2016) te Veendam en/of te Stadskanaal, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

A. in of uit een loods/(bedrijfs)pand, gelegen aan of bij de [straatnaam] te

Veendam en/of

(parketnummer 185182/16)

B. in of uit een woning, gelegen aan of bij [straatnaam] te Stadskanaal, (telkens) heeft weggenomen (een) hoeveelhe(i)d(en) elektrische energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (energiebedrijf) [naam bedrijf] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of (telkens) die weg te nemen hoeveelhe(i)d(en) elektrische energie onder zijn bereik heeft gebracht (telkens) door middel van braak en/of

verbreking;

4.

hij op of omstreeks 10 oktober 2016 te Veendam

A.

[slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] (met kracht) tegen het hoofd, in elk geval het lichaam, te stompen en/of te slaan en/of

B.

[slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd, in elk geval het lichaam, te stompen en/of te slaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

in de zaak met parketnummer 18/830033-17

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de processtukken vaststaat dat verdachte betrokken was bij de zogenaamde ripdeal en daarbij geweld heeft gebruikt. Voorts heeft verdachte de buit bestaande uit cocaïne en vals geld weggenomen en veiliggesteld en daarna de cocaïne aan een derde verkocht. Onder deze omstandigheden kan verdachte aangemerkt worden als medepleger van de diefstal met geweld (feit 1) en het aanwezig hebben van cocaïne (feit 2). Daarnaast was verdachte in het bezit van valse bankbiljetten en wilde deze als onvervalst betalingsmiddel gebruiken (feit 3).

in de zaak met parketnummer 18/820393-16

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de onder 3 B ten laste gelegde diefstal van stroom, omdat onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

De officier van justitie heeft wel veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2, 3 A en 4 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 A ten laste gelegde heeft hij zich gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte, de processen-verbaal van bevindingen en de aangiftes van [naam bedrijf] Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie gewezen op de verklaringen van aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , alsmede van getuige [getuige 1] , waaruit blijkt dat verdachte aangevers zonder aanleiding heeft geslagen. Verdachte heeft derhalve niet uit zelfverdediging gehandeld.

Standpunt van de verdediging

in de zaak met parketnummer 18/830033-17

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft zij betoogd dat geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Verdachte was niet betrokken bij het beramen van de ripdeal en hij heeft daarbij ook geen uitvoeringshandelingen verricht. Zo was verdachte op donderdagavond 12 januari 2017 niet aanwezig bij de afspraak en het overleg tussen de medeverdachten en de dealers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ook heeft hij geen bemoeienis gehad met de voorbereidingen die op vrijdag

13 januari 2017 in de woning van [medeverdachte 1] zijn getroffen. Verdachte is vrijdagavond naar [medeverdachte 1] gegaan, maar er is toen niet over de ripdeal gesproken. Verdachte is hierna met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar [pleegplaats] meegegaan, omdat [medeverdachte 1] had verteld dat hij daar iets moest halen. [medeverdachte 1] zou verdachte daarna in zijn nieuwe woning gaan helpen dan wel zouden ze samen gaan chillen. Onderweg naar [pleegplaats] is noch over een ripdeal gesproken, noch zijn wapens door verdachte waargenomen. Eenmaal in de woning van [slachtoffer 1] in [pleegplaats] is verdachte niet samen met [medeverdachte 1] naar de keuken gegaan, maar is hij in de woonkamer op [medeverdachte 1] blijven wachten. Verdachte is pas naar de keuken gelopen toen hij een discussie hoorde. Nadat [medeverdachte 1] heeft geroepen dat ze weg moesten gaan, is verdachte naar buiten gerend. Verdachte heeft [slachtoffer 2] daarbij een duw gegeven, omdat er ruzie was en verdachte naar buiten wilde gaan. Verdachte wist op dat moment niet wat zich in de keuken afspeelde. Nadat [medeverdachte 1] is neergeschoten, heeft verdachte de tas die [medeverdachte 1] bij zich had meegenomen. Verdachte wist op dat moment niet wat zich in de tas bevond. Ook is er geen forensisch bewijs voorhanden, waaruit blijkt dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de delicten.

Op basis van het voorgaande kan ook niet worden vastgesteld dat bij verdachte sprake was van (voorwaardelijk) opzet. Verdachte had immers geen wetenschap van het plan van de medeverdachten en van hetgeen zich vervolgens in de keuken heeft afgespeeld toen hij [slachtoffer 2] een duw gaf. Deze duw kan daarom niet worden aangemerkt als geweld dat dienstig was voor de diefstal.

Daarenboven heeft de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaringen die [medeverdachte 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben afgelegd betwist, omdat ze - in tegenstelling tot verdachte - pas in een later stadium en na kennisname van de inhoud van de stukken hun verklaringen hebben afgelegd.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw allereerst gesteld dat verdachte geen opzet had op het aanwezig hebben van cocaïne. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte pas op de terugweg van [pleegplaats] naar Stadskanaal erachter kwam wat in de tas zat die hij van [medeverdachte 1] heeft meegenomen. Hij heeft deze tas in bewaring gegeven aan een vriend van [medeverdachte 1] .

Daarnaast heeft de raadsvrouw gesteld dat onduidelijk is of in de tas daadwerkelijk cocaïne zat, omdat het middel in de tas niet is getest. Ook is onzeker of de drugs die de medeverdachten op donderdagavond hebben gebruikt van de partij komt die in de tas zou hebben gezeten.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte op enig moment na het gebeuren door had dat de bankbiljetten in de tas vals waren, maar dat verdachte geen oogmerk heeft gehad om deze als onvervalst uit te geven.

in de zaak met parketnummer 18/820393-16

De raadsvrouw heeft geen verweer aangevoerd ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 A ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 3 B en 4 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Zij heeft hierbij aangevoerd dat de onder 3 B ten laste gelegde diefstal van stroom niet kan worden bewezen, omdat verdachte dit feit ontkent en door [naam bedrijf] is geconstateerd dat de stroom op legale wijze is verkregen.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw primair gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij dit feit ontkent. Subsidiair heeft zij een beroep gedaan op noodweer, omdat verdachte zichzelf heeft verdedigd nadat hij door aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] werd ingesloten en geslagen.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

in de zaak met parketnummer 18/820393-16

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/820393-16 onder 3 B ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, nu op basis van de processtukken niet vast is komen te staan dat sprake is geweest van diefstal van elektriciteit. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

in de zaak met parketnummer 18/830033-17

Betrouwbaarheidsverweer

Anders dan de verdediging heeft gesteld, ziet de rechtbank geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te twijfelen. Deze verklaringen komen op essentiële onderdelen met elkaar overeen en worden op punten tevens ondersteund door andere bewijsmiddelen. Gesteld noch gebleken is dat deze personen een motief hebben om tegen verdachte samen te zweren en in strijd met de waarheid te verklaren. Dit klemt temeer nu zij voor zichzelf belastende verklaringen hebben afgelegd. De rechtbank acht de hierna aangehaalde onderdelen van de verklaringen betrouwbaar en zal deze voor het bewijs gebruiken.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die voor de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 18/830033-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 4 september 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 13 januari 2017 ben ik bij de woning van [medeverdachte 1] afgezet. [medeverdachte 2] was ook daar. We zijn met zijn drieën naar [pleegplaats] gegaan in de auto van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] was de bestuurder.

In de keuken van de woning in [pleegplaats] heb ik een man die daar was een duw gegeven.

Na wat is gebeurd in [pleegplaats] ben ik samen met [medeverdachte 2] in de richting van Musselkanaal gereden. Ik bestuurde toen de auto.

In de plastic tas zat coke en vals geld. De coke heb ik aan iemand in bewaring gegeven. Die persoon gaf me 11.000 euro die ik aan de vader van [medeverdachte 1] moest geven. Het valse geld heb ik aan mijn broertje gegeven om het te bewaren.

2. De inhoud van een zaaksdossier met nummer 2017012948, rechercheonderzoek "Jafningi" gesloten op 20 juli 2017, bestaande uit diverse schriftelijke stukken en processen-verbaal waaronder:

2.1.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 13 januari 2017, opgenomen in MAP 10 op pagina 3393 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

V: Wat is er vanavond 13 januari 2017 gebeurd?

A: Ik was samen met mijn vriendin aan het gamen. [slachtoffer 1] belde mij en die zei dat er vrienden aan zouden komen en dat ik ze maar even moest laten wachten. [slachtoffer 1] zei dat hij er zo aankwam. Op een gegeven moment werd er aangebeld en stonden er drie mannen voor de deur. Deze liepen direct richting de keuken, een tijdje later kwamen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] samen binnen en deze gingen ook direct naar de keuken. Daar waren ze aan het praten met elkaar. Ik hoorde al snel dat ze ruzie kregen en kort daarop zag ik ineens iedereen rennen.

2.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 14 januari 2017, opgenomen in MAP 10 op pagina 3436 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

V: Wat kun je ons vertellen over vrijdagavond 13 januari 2017?

A: [medeverdachte 2] wist iemand die coke verkocht en dan zouden ze die jongen rippen. [medeverdachte 2] kende die jongens.

2.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 27 januari 2017, opgenomen in MAP 10 op pagina 3441 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

[medeverdachte 2] had het idee en [medeverdachte 2] wilde er geld van maken om dat weer te verkopen. Ik bedoel daarmee dat [medeverdachte 2] de cocaïne die ze buit zouden maken bij die ripdeal wilde gaan verkopen en zodoende geld maken.

V: Je zei dat ze daarheen zijn geweest. Naar die jongens waar ze handel wilden kopen. Hoe weet je dat.

A: Dat vertelde [medeverdachte 1] tegen mij. Dat ze daarheen gingen om het spul te bekijken.

Daarna zijn ze ook weer teruggekomen.

[medeverdachte 2] had contact met die jongens. [medeverdachte 2] had ook over die jongens gezegd dat het stumpertjes waren. Het was gemakkelijk.

V: Je zei dat de volgende dag, vrijdag de 13e, de deal zou plaatsvinden. Wat bedoel je met "deal"?

A: Ze hadden een envelopje en er gele papiertjes ingedaan, zodat het 50jes leken. Dat zouden ze meenemen als geld.

V: Je bedoelt dat ze cocaïne wilden kopen met vals geld?

A: Niet met vals geld. Maar met nepgeld. Dat ze een dikke enveloppe hadden.

V: Wie heeft dat nepgeld gemaakt?

A: [medeverdachte 2] . Dat heb ik gezien. Thuis bij ons. Mijn dochtertje heeft een ladekastje met knutselpapiertjes in allerlei kleuren. [medeverdachte 2] gebruikte het gele knutselpapier. Dat is wat dikker, steviger papier.

Hij knipte dat in de afmeting van bankbiljetten en deed dat in een enveloppe. Hij is daar 5 a 10 minuten mee bezig geweest.

V: Nu gaan we dan over naar de vrijdag.

A: [verdachte] kwam bij ons. Volgens mij heeft [medeverdachte 1] hem een berichtje gestuurd of hij mee ging.

V: Wist jij dat ze de beschikking hadden over wapens?

A: Ik weet wel dat [medeverdachte 1] een taser had.

2.4.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 9 maart 2017, opgenomen in MAP 10 op pagina 3459 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben op de donderdagavond 12 januari een tester gehaald. Ik heb daar ook van gebruikt. Met een tester bedoel ik cocaïne. Het zat verpakt in een plastic folie. De hoeveelheid cocaïne was drie bij twee suikerklontjes. [medeverdachte 1] had de cocaïne bij zich toen ze kwamen. De kwaliteit van de cocaïne was goed. In het verleden heb ik ook cocaïne gebruikt. Ik snoof en rookte de cocaïne.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bespraken het plan om de jongens te gaan rippen. Dat was kort voor die donderdag. Volgens mij was het wel in dezelfde week. Die donderdag zijn ze daar dus geweest. Toen ze later bij ons thuis kwamen heb ik gehoord dat het de bedoeling was om die jongens de volgende dag te gaan rippen.

Ik heb eerder verklaard dat ik verder niets heb gehoord hoe ze die jongens zouden rippen. Dat is niet waar. Ik was er zelf bij toen dit werd besproken. [medeverdachte 1] zou als eerste slaan, maar als hij het niet vertrouwde dan ging het allemaal niet door. Ik heb zelf gehoord dat de jongens dit op deze manier met elkaar bespraken. Daarmee bedoel ik [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

2.5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 11 mei 2017, opgenomen in MAP 14 op pagina 4132 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :

Het weekend voor het schietincident vroeg [medeverdachte 1] mij of ik iets wist om geld te verdienen. Hij had geldgebrek. In de loop van de week zijn we samen coke gaan gebruiken. [medeverdachte 1] voeg mij toen of ik wist of mijn cokeleverancier grotere partijen zou kunnen leveren. De dinsdag of woensdag zei ik dat kan. Hij vertelde dat ik hem moest gaan voorstellen aan deze mensen. [medeverdachte 1] kwam toen met het plan om van deze mensen cocaïne af te pakken. Hij wilde er niets voor betalen.

Woensdag heb ik aan [slachtoffer 1] gevraagd of hij cocaïne kon leveren. Dit heb ik tegen [medeverdachte 1] verteld.

Die donderdag ben ik samen met [medeverdachte 1] naar [slachtoffer 1] gegaan en heb hem voorgesteld. [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] kwamen tot de conclusie dat [medeverdachte 1] wel cocaïne wilde kopen maar dat [medeverdachte 1] het in 1 brok geleverd wilde hebben. Dit was een excuus voor [medeverdachte 1] zodat hij kon aftasten of een toekomstige deal door zou kunnen gaan.

[slachtoffer 1] liet op dat moment cocaïne zien en [medeverdachte 1] vond dit zogenaamd te poederig. Dit was in de [straatnaam] te [pleegplaats] . Bij dit voorstellen waren [slachtoffer 1] , [medeverdachte 1] , [slachtoffer 2] en ik aanwezig.

[medeverdachte 1] vroeg of hij een testhoeveelheid kon krijgen om te testen zodat hij met zijn zogenaamde compagnon kon overleggen. [medeverdachte 1] heeft toen een nep telefoontje gepleegd. [medeverdachte 1] en ik hebben toen een grammetje cocaïne meegekregen om aan zijn compagnon te kunnen laten zien.

Toen kwam ook ter sprake dat zij, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , nepgeld zouden kunnen leveren. [medeverdachte 1] toonde hier belangstelling voor en vertelde dat hij iemand in een Casino kende die het nepgeld zou kunnen beoordelen. Die avond hebben wij het nepgeld niet gezien. [medeverdachte 1] zou met deze man de volgende dag terugkomen.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zouden 9.500 nep eurobiljetten kunnen leveren. De eerste afspraak was dat [medeverdachte 1] hier de helft aan euro's voor zou betalen. Dus ongeveer 5.000 euro.

[medeverdachte 1] zou de volgende dag terugkomen om een halve kilo cocaïne te kopen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Tevens zou [medeverdachte 1] iemand meenemen om het nepgeld te laten beoordelen. Voor de cocaïne zou tussen de 15 tot 17 duizend euro betaald gaan worden. [medeverdachte 1] heeft de cocaïne die dag ter plaatse getest. Dit gebeurde in de keuken. Daar stonden we met z'n vieren.

Ik heb gezien dat [medeverdachte 1] de cocaïne gebruikte door te basen. Ik heb dit dealgesprek gehoord. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wilden dat ik de volgende dag mee zou komen om beide deals te sluiten. Ik heb toen toegezegd dat ik toch mee zou komen.

Die donderdag gingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ervan uit dat we direct de cocaïne zouden kopen. [medeverdachte 1] heeft dus een smoesje bedacht om de volgende dag weer te komen.

Na dit bezoek zijn we naar [medeverdachte 1] zijn huis gereden. [medeverdachte 1] zei toen dat hij de volgende dag iemand anders zou meenemen om hem te helpen bij het afpakken van de cocaïne als extra stootkracht.

De vrijdag 13 januari 2017. Tegen de middag stuurde ik [medeverdachte 1] een berichtje dat ik geen vervoer had. Hij zou mij wel halen in Ter Apel. Het probleem wat [medeverdachte 1] toen vertelde dat hij geen geld had om aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te geven. We hebben toen besloten dat ik uit blauw of gekleurd papier nepgeld zou knippen. Dit was bij [getuige 3] thuis.

Ik heb toen een stapel zogenaamde euro biljetten geknipt. Toen we een stapeltje hadden, hebben we dit in een envelop gedaan zodat het echt zou lijken. [getuige 3] heeft gezien dat ik knipte en heeft ook een gesprek tussen [medeverdachte 1] en mij gehoord op dat moment. Het was mij duidelijk dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dus belazerd zouden worden bij het kopen van cocaïne. Het was [medeverdachte 1] zijn intentie om de envelop te overhandigen. Dit was een teken dat de rip door zou gaan. [medeverdachte 1] zou dit bepalen.

Het wordt avond en de afspraak wordt iets verschoven omdat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit eten waren. [slachtoffer 1] had dit aan mij doorgebeld. Het zou een uur later worden.

Terwijl we nog bij [medeverdachte 1] en [getuige 3] thuis waren zag ik op een gegeven moment de mij bekende [verdachte] lopen en hij kwam de woning binnen. Uit het gesprek tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] begreep ik dat [verdachte] voordat hij binnenkwam al op de hoogte was wat er die avond moest gaan gebeuren. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben nog in de keuken samen gesproken. Vrijwel direct hierna gingen wij; [medeverdachte 1] , [verdachte] en ik in de auto weg.

Toen wij weggingen of daarvoor heb ik niet gezien dat [verdachte] en of [medeverdachte 1] wapens bij zich hadden. Wel hoorde ik ze spreken over een taser en pepperspray.

We zijn met z'n drieën in de VW van [medeverdachte 1] richting [pleegplaats] gereden. In de auto werd weinig gesproken. Wel werd gezegd dat [medeverdachte 1] de situatie zou gaan bekijken en beslissen of de rip door zou gaan. Als [medeverdachte 1] niet zou beginnen zou er geen actie worden ondernomen.

Op dat moment in de auto wisten we alle drie dat er een poging zou worden gedaan om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de cocaïne te gaan afpakken. [verdachte] ging voor het nepgeld mee en [medeverdachte 1] voor de cocaïne. Er werd ook gesproken dat geprobeerd zou worden om het nepgeld en de cocaïne af te pakken.

Afgesproken werd dat [medeverdachte 1] zou beslissen of het afpakken door zou gaan of niet. [verdachte] was fysiek voor ondersteuning mee. Dit plan was reeds in de woning van [getuige 3] besproken.

[medeverdachte 1] reed dus in de auto en die heeft hij voor in de straat geparkeerd zodat deze volgens [medeverdachte 1] startklaar zou staan om te vluchten.

We lopen gedrieën naar de woning. De bewoner liet ons binnen. We gaan de kamer in en [medeverdachte 1] blijft eerst staan, [verdachte] gaat aan de keukentafel zitten en ik ga op een roterende stoel in de kamer zitten. Ongeveer een kwartier/half uur later kwamen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] de woning binnen. Ik sta op en schud [slachtoffer 1] de hand. Gelijk ga ik weer zitten.

Plotseling hoor ik vanuit de keuken een hoop kabaal komen. Ik wist dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [verdachte] en [medeverdachte 1] in de keuken waren. Ik hoorde mogelijk [slachtoffer 2] roepen "Klootzak" en ik hoorde iemand roepen "Rennen". Direct hierna zie ik [verdachte] uit de keuken komen en rennen naar de haldeur vanuit de woonkamer. Ik zag dat [verdachte] deze deur naar zich toe opentrok en dat [medeverdachte 1] direct na [verdachte] de keuken uitkwam. Ik zag beiden de hal in rennen. Hierna zag ik dat [slachtoffer 2] al strompelend uit de keuken de woonkamer binnenkwam. Het leek of hij van de vloer op stond en ging rennen.

Terwijl [slachtoffer 2] met het pistool in zijn hand bij het halletje stond en een schot loste ging ik staan. Toen [slachtoffer 2] het schot loste heb ik gezien dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de voordeur al uit waren.

Ik ben inmiddels naar het halletje gelopen en vanuit dit halletje zie ik [medeverdachte 1] op de grond liggen. [medeverdachte 1] lag op zijn rug met zijn benen gekruist. Terwijl [medeverdachte 1] op de grond lag zag ik dat [medeverdachte 1] met zijn linkerhand een pistool vasthield.

Nadat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wegreden kwam [verdachte] er weer aanlopen vanuit de richting waar [medeverdachte 1] eerder de auto had geparkeerd. Ik ben [verdachte] tegemoet gelopen. We zijn toen samen naar [medeverdachte 1] gelopen. Ik pakte [medeverdachte 1] weer vast, ik zag dat [verdachte] autosleutels van [medeverdachte 1] pakte. Ik zag dat er naast [medeverdachte 1] een busje pepperspray lag. Deze heb ik gepakt.

[verdachte] en ik zijn toen richting de VW Golf gerend. We zijn in de auto gestapt. [verdachte] stapte achter het stuur. We zijn toen samen richting Musselkanaal gereden. Onderweg heb ik mijn GSM gebroken zonder de simkaart te verwijderen. Deze gebroken telefoon heb ik samen met de pepperspray via de rechterraam naar buiten gegooid.

[verdachte] vroeg of ik alles naar buiten had gegooid. Ik ben toen in de tussenconsole gaan zoeken en vond daar een taser. Deze heb ik ook naar buiten gegooid.

Nadat ik alles uit het raam had gegooid zag ik voor in Stadskanaal dat [verdachte] vanuit zijn jas een witte plasticzak haalde en liet deze aan mij zien. Ik kon deels in de zak kijken en zag dat er brokken cocaïne in de tas zaten. Ik zag van boven in de geopende zak een aantal gripzakjes met cocaïne. Uit ervaring weet ik dat het om cocaïne ging. Ik zag dat [verdachte] de zak in de auto legde.

Hierna zijn we naar Musselkanaal gereden naar een woonwijk. Toen wij hiernaar toe reden zei [verdachte] onderweg tegen mij dat hij het nepgeld daar ook had laten liggen maar dat zijn vingerafdrukken erop zouden zitten omdat hij dat in zijn handen had gehad.

V: Wat zou met de cocaïne gebeuren?

A: [verdachte] vertelde dat hij de cocaïne zou verkopen en de opbrengst aan [getuige 3] zou geven.

2.6.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 26 januari 2017, opgenomen in MAP 12 op pagina 3874 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Het begon zo. [verdachte] , [slachtoffer 2] , [medeverdachte 1] en ik stonden in de keuken. [verdachte] heeft de tas gecontroleerd waar het om ging. [verdachte] pakte zijn envelop en gooide deze op de keuken naast de wasbak. Ik vertrouwde het niet helemaal. Ik vond de envelop te dun voor wat er in moest zitten. Er moest namelijk zo'n 21.500 euro in zitten. Dat was 16.500 euro voor de handel. De rest was omdat iemand anders eerder betaald had met valse vijf honderdjes. Zij, dus [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zouden de valse 500 honderdjes overnemen en nu als extra betalen. Dat maakt dus samen 21.500. Dus nogmaals ik vertrouwde de envelop niet. [verdachte] had inmiddels de tas al. [verdachte] gaf [slachtoffer 2] vervolgens een klap vol in zijn gezicht. Toen heb ik [medeverdachte 1] een drukker gegeven. Vervolgens zag ik dat [verdachte] het andere geld van het aanrecht pakte. Dit was het valse geld en lag er al eerder. Hij nam de tas met inhoud ook mee. Ik zag dat [slachtoffer 2] achter [verdachte] aan ging. Ik kreeg vervolgens een klap van [medeverdachte 1] waardoor ik op de grond terecht kwam in de keuken. Ik zag vervolgens dat [medeverdachte 1] een grijs vuurwapen uit zijn jas pakte en op mij richtte. Ik zag dat [medeverdachte 1] hierop ook wegvluchtte uit mijn keuken.

V: Wie had trouwens de afspraak gemaakt tot de ontmoeting op vrijdag 13 januari 2017.

A: Die hadden [medeverdachte 2] en ik gemaakt.

V: Jullie hadden toch ook al eerder contact gehad een dag ervoor toch.

A: Ja dat klopt. [medeverdachte 2] en ik hadden contact. [medeverdachte 2] is toen samen met [medeverdachte 1] in mijn woning gekomen. Ik was toen ook samen met [slachtoffer 2] . [medeverdachte 2] kwam toen trouwens voor het eerst in mijn woning. De afspraak tussen mij, [slachtoffer 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zou toen eigenlijk al gebeuren. [medeverdachte 1] heeft toen wat los spul uit een zakje gehaald om te kijken of het niet versneden was. [medeverdachte 1] heeft het uitgekookt in mijn keuken en we hebben er vervolgens met elkaar gerookt.

2.7.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 8 februari 2017, opgenomen in MAP 12 op pagina 3885 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

V: We willen teruggaan naar de dag dat jij een afspraak had met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [slachtoffer 2] en jij in jouw woning. Dit is een dag voor de schietpartij geweest. Hoe is deze afspraak tot stand gekomen.

A: [medeverdachte 2] appte mij daarover. We hebben een afspraak gemaakt bij mijn woning.

V: Is er over geld gesproken etc.

A: Ja dat was al besproken. De vijfhonderd gram coke was er ook al. Ze zouden het toen al afnemen. Daar bedoel ik mee [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Maar het was geen blok. Het waren vijf zakjes van 100 gram.

V: We willen teruggaan naar vrijdag 13 januari 2017. Hoe is die dag zelf precies gelopen.

A: We zouden eerst tegen zevenen afspreken. Het werd uiteindelijk tegen negenen. De contacten liepen via [medeverdachte 2] . [verdachte] zag ik die avond voor het eerst. Ik stelde mij nog aan hem voor, hij gaf mij niet eens zijn naam. [medeverdachte 1] zag ik de 12de ook voor het eerst, hij gaf mij ook niet zijn naam.

V: [slachtoffer 2] en jij komen op de [straatnaam] aan en dan.

A: We waren die avond nog aan het eten geweest. Daarna zijn we naar [slachtoffer 2] zijn woning gegaan om dat spul op te halen.

V: Bedoel je met dat spul de coke.

A: Ja, en [slachtoffer 2] en ik hebben nog eentje gerookt toen we er heen gingen.

V: Je vertelde over de coke in een tas. Wie droeg deze bij zich.

A: Deze bleef eerst in de auto liggen. We zijn eerst in de woning gekomen. [slachtoffer 2] heeft toen nog een onsje aan de jongens gegeven bij wijze van test. Er is toen geld geteld. Ik heb toen de sleutel gekregen van [slachtoffer 2] zijn auto en ik heb de coke uit de auto van [slachtoffer 2] opgehaald.

V: Je zei het geld.

A: Ja dat was het valse geld. Dat is door [verdachte] en [medeverdachte 1] gecontroleerd. [slachtoffer 2] heeft ook nog een stift uit zijn auto opgehaald om het geld te testen. Hij had namelijk zo'n stift. Dat was voor dat ik de coke uit de auto haalde.

V: Ze testten dat geld.

A: Ja, en dat was goed. Er kwam geen streep op. Er zat een watermerk in. Ze gingen met het valse geld akkoord. Daarna pakte [slachtoffer 2] wat coke uit zijn jaszak voor de test. Toen vroeg [slachtoffer 2] dus aan mij de rest van de coke uit zijn auto te halen.

[verdachte] wilde de coke ook nog nawegen.

V: Wat kun je over de tas zeggen waar de coke in zat.

A: Het was een hele normale witte plastic tas.

V: Die coke is binnen. Er moet betaald worden.

A: [verdachte] trekt een envelop uit zijn kontzak. Ik dacht dat klopt niet wat er in moet zitten. Maar goed die envelop gooide hij op het keukenblok. [verdachte] hield die witte tas erg goed vast. Direct daarna gaf [verdachte] [slachtoffer 2] een klap. Het ging allemaal zo snel. [verdachte] ging er met de tas vandoor.

2.8.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 9 februari 2017, opgenomen in MAP 12 op pagina 3907 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

V: Je sprak gisteren over vals geld wat gecontroleerd was op echtheid. Wat voor biljetten waren dit en hoeveel.

A: Dat waren 19 biljetten van 500 euro.

V: Waren deze biljetten ook al aanwezig op donderdag 12 januari tijdens de eerste afspraak?

A: Die waren er op de donderdag nog niet. Het is toen pas ter sprake gekomen.

V: Welke afspraak hebben jullie gemaakt voor het omwisselen van de valse biljetten naar echt geld. Hoeveel gaf je weg en wat zou je terugkrijgen.

A: [medeverdachte 1] had de vorige dag aangegeven dat hij 400 euro in echt geld wilde betalen voor 500 euro biljetten vals geld.

Na die tijd heeft [medeverdachte 2] contact met mij opgenomen. Ik geloof dat dit met de app ging. Hij gaf toen aan dat ze 5.000 euro wilden betalen voor de 19 biljetten vals geld.

V: Je vertelde dat jij en [medeverdachte 2] een tussenpersoon waren. Wanneer ontstond het eerste contact met [medeverdachte 2] omtrent de deal van 12 en 13 januari.

A: In die week is dat ter sprake gekomen geloof ik. Dit was alleen met [medeverdachte 2] en ik.

V: Hoe verliepen de contacten met [medeverdachte 2] verder. Wat is er besproken gaande de tijd richting de deal.

A: Telefonisch. We spraken over een bedrag en een hoeveelheid. Het was een vaste prijs voor een hoeveelheid gram.

V: Je vertelde dat jullie op 12 januari een eerste ontmoeting hadden in jouw woning. Jullie hadden toen drugs gebruikt. Wat was de kwaliteit van de drugs.

A: Veel beter als dat ga je niet vinden. Het was zo'n goede coke dat ga je in Groningen en omstreken niet beter vinden. Als ik het rook heb ik een hele goede smaak. Je bent dan echt even 3 minuten in een roes.

V: Was dit dezelfde drugs als welke zou worden verkocht de volgende dag.

A: Dat was dezelfde partij absoluut.

2.9.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 15 februari 2017, opgenomen in MAP 11 op pagina 3784 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

V: Wat is er die avond 13 januari 2017 in het huis van [slachtoffer 1] aan de [straatnaam] 9 te [pleegplaats] gebeurd.

A: Ik was dus samen met [slachtoffer 1] en er zou door een paar mensen spullen worden gekocht. Met spullen bedoel ik cocaïne. Uiteindelijk ging het dus niet om de coke maar om het stelen.

Ik kreeg een enveloppe en wilde die open maken en werd ik meteen geslagen. Degene die mij sloeg rende weg met alles in de handen. Er was ook nog vals geld. Ik ben naar buiten gerend en diegene die is neergeschoten kwam mij tegen of voorbij in de gang. Ik zag dat hij een zilverkleurig wapen in de handen had.

V: Je had het over een tas die werd weggenomen. Wat zat daar in?

A: Daar zat cocaïne in.

V: Hoe veel zat daar in?

A: Een halve kilo.

V: Van wie was die afkomstig, wie was de eigenaar?

A: Wij samen, [slachtoffer 1] en ik waren daar met de spullen.

V: Wat kun je over de kwaliteit zeggen?

A: Ik rookte het zelf en de kwaliteit was wel goed.

V: Dan gaan we nu over die vrijdag praten.

A: We zouden bij [slachtoffer 1] zijn huis omstreeks 21:00 uur zijn, maar we waren wat later.

De kopers waren er al.

V: Wie zijn er dan in de woning.

A: Ingmar en zijn vriendin en die drie andere personen.

V: Wat komt dan ter sprake?

A: Dat geld werd eerst nog bekeken. [medeverdachte 1] zei dat gewoon geld niet af gaf op papier en vals wel. Met zo’n geldstift hebben we geprobeerd en dat was goed.

V: Wie had dat valse geld bij zich?

A: Dat had [slachtoffer 1] bij zich en dat werd getest. De cocaïne moest gewogen worden en het geld waarmee betaald werd zou daar in de keuken ook gecontroleerd worden.

V: Wie heeft de tas gegeven aan die man.

A: Niemand. Hij pakte hem van het aanrecht af. Het valse geld lag ook op het aanrecht.

V: En dan.

A: Hij geeft mij de enveloppe en ik zal die open maken. Dan krijg ik meteen klappen en een knietje en hij rent meteen de woning uit via de voordeur. Dan ga ik er achteraan. In de gang besefte ik mij dat de anderen nog binnen waren. Ik werd toen voorbij gelopen door [medeverdachte 1] .

V: Wat voor rol speelde die andere jongen die er bij was.

A: Meer als geruststelling dat hij er de avond te voren er ook bij was.

2.10.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 16 februari 2017, opgenomen in MAP 11 op pagina 3817 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

V: Wat kun je zeggen over de rolverdeling tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

A: [medeverdachte 2] heeft wat gerookt. [medeverdachte 1] heeft gebeld met die [verdachte] want die zou de rest van het geld investeren. [medeverdachte 2] stelde voor om de volgende dag ook weer aanwezig te zijn als vertrouwensman en degene die [slachtoffer 1] goed kende.

V: Wat was op de vrijdag de rolverdeling van iedereen. Wat was de rol van [medeverdachte 1] .

A: [medeverdachte 1] heeft de coke ook nog wel bekeken want hij zou er immers ook 3.000 euro insteken. Ik was met [verdachte] bezig in de hoek bij het aanrecht.

V: Wat was de rol van [verdachte] , de jongen met de tas coke.

A: Ik kreeg van hem de enveloppe met zogenaamd geld. Toen ik hem geld gaf, wilde hij iets uit zijn kontzak pakken maar dat stopte hij ook meteen weer terug. Toen hij de tas in handen had, heeft hij mij een paar klappen op mijn hoofd gegeven en een knietje in mijn zij of tegen mijn been. Toen ging hij er meteen vandoor met de tas.

V: Wat was de rol van [medeverdachte 2] .

A: Hij zou dan als de bekende persoon meekomen. Als hij er bij zou zijn zou het wel goed zijn zeg maar. Als de vertrouweling.

2.11.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 23 januari 2017, opgenomen in MAP 10 op pagina 3685 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van getuige [getuige 4] :

[verdachte] is zaterdagmiddag bij mijn jongste zoon gekomen, [getuige 5] .

[getuige 5] heeft aan mijn vrouw bekend, dat [verdachte] bij hem is geweest en geld heeft achtergelaten. Mijn vrouw zei, dan gaan we dat nu direct ophalen.

O: Verdachte overhandigt aan de verbalisanten een envelop met een geldbedrag.

V: Weet u wat voor bedrag dit is?

A: 9500 euro. Wij hebben dit zelf in een envelopje gedaan.

V: Het bestaat uit 19 biljetten van 500 euro. Dit is samen 9500 euro. Eens?

A: Ja.

2.12.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 23 januari 2017, opgenomen in MAP 10 op pagina 3691 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van getuige [getuige 5] :

Vrijdagavond kreeg ik telefoon van mijn broer om half 12. De volgende dag moest ik naar de kapper toe, [naam bedrijf] hier in Stadskanaal. Tegen 12:20 uur kwam [verdachte] daar

Uurtje later was hij er weer, dit was tegen 14:00 uur. Dit was bij mij thuis aan de [straatnaam] te Stadskanaal. Hij stapte naar binnen en haalde het geld wat jullie van mijn vader hebben gekregen uit de binnenzak van zijn jas. Hij zei hierbij dat het wel nepgeld was.

2.13.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 januari 2017, opgenomen in MAP A op pagina 4297 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Goednummer : PL0100-2017012948-829605

Aantal bankbiljetten : 19

Landaanduiding : diversen

Valuta coupure : 500 Euro

Documentonderzoek

Bij het door mij ingestelde onderzoek aan de falsificatie, zag ik dat, onder andere,

de navolgende echtheidskenmerken ontbraken:

- De gebruikte reproductietechniek wijkt af van het origineel.

- Het originele watermerk ontbreekt in het papier.

Conclusie

Het onderzoek wees uit dat de bankbiljetten vals waren.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde het volgende af.

Enkele dagen voor vrijdag 13 januari 2017 hebben medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] elkaar ontmoet, waarbij onder meer is gesproken over manieren om aan geld te komen. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [medeverdachte 2] navraag gedaan bij zijn drugsdealer of die een grote hoeveelheid cocaïne zou kunnen leveren. Deze drugsdealer betrof [slachtoffer 1] . Na een bevestigend antwoord van [slachtoffer 1] , heeft [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] hiervan op de hoogte gesteld. Er is toen het plan opgevat om [slachtoffer 1] te bestelen. [medeverdachte 2] heeft hierna contact opgenomen met [slachtoffer 1] en een afspraak gemaakt op donderdag 12 januari 2017. Deze afspraak heeft plaatsgevonden in de woning van [slachtoffer 1] aan de [straatnaam] 9 te [pleegplaats] . Bij deze afspraak waren [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aanwezig. [slachtoffer 2] is een vriend van [slachtoffer 1] en was (mede)eigenaar van de cocaïne. In totaal ging het om een halve kilo cocaïne. Tussen partijen is op voorhand besproken dat de deal die dag zou plaatsvinden.

De deal ging die dag uiteindelijk niet door omdat [medeverdachte 1] had verteld dat zijn compagnon de cocaïne in een blok geleverd wilde hebben. Dit was echter volgens [medeverdachte 2] een excuus om voor de volgende dag weer een afspraak te kunnen maken. In de woning werd de cocaïne door de partijen getest door deze te roken. Op verzoek kreeg [medeverdachte 1] ook een testhoeveelheid mee voor zijn zogenaamde compagnon, die niet aanwezig was. Tijdens de ontmoeting kwam naar voren dat [slachtoffer 1] ook in bezit was van in totaal € 9.500 aan vals geld. [medeverdachte 1] heeft toen aangegeven dat hij ook belangstelling had om het valse geld te kopen. Aan het einde van de ontmoeting werd afgesproken dat de overdracht de volgende dag 13 januari 2017 zou plaatsvinden, dat [medeverdachte 2] wederom aanwezig zou zijn en dat [medeverdachte 1] een derde persoon zou meenemen.

Nadat de partijen uit elkaar zijn gegaan, hebben [medeverdachte 2] en [slachtoffer 1] nog telefonisch contact gehad over de prijs van het valse geld. [medeverdachte 1] heeft tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij de volgende dag iemand zou meenemen als stootkracht.

Op 13 januari 2017 heeft [medeverdachte 2] knutselpapieren uitgeknipt in de vorm van bankbiljetten totdat er een stapeltje was. Dit stapeltje werd in een envelop gedaan en moest doorgaan voor geld waarmee de cocaïne en het valse geld betaald zouden worden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben verder besproken dat het overhandigen van de envelop het teken was dat de ripdeal doorging. Voorgaande handelingen en gesprekken vonden plaats in de woning van [medeverdachte 1] .

Op enig moment kwam verdachte naar de woning van [medeverdachte 1] . Zowel uit de verklaring van de vriendin van [medeverdachte 1] als die van medeverdachte [medeverdachte 2] komt naar voren dat verdachte toen al op de hoogte was van de ripdeal. Dit blijkt uit de gesprekken die daar op dat moment volgens hun verklaringen zijn gevoerd.

Kort daarna zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte in de auto van [medeverdachte 1] naar [pleegplaats] vertrokken. In de auto werd gesproken over de ripdeal en dat dus getracht zou worden om zowel de cocaïne als het valse geld weg te nemen. Ook werd gesproken over een taser en pepperspray.

Eenmaal in de woning in [pleegplaats] zijn [medeverdachte 1] en verdachte samen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar de keuken gegaan voor de overdracht. Aldaar werd het valse geld met een stift gecontroleerd om te zien of het als echt kon doorgaan. Na de controle heeft verdachte de envelop met nepgeld aan de wederpartij gegeven. Direct hierop heeft verdachte geweld gebruikt tegen [slachtoffer 2] , waarna hij met de tas met cocaïne en vals geld de woning heeft verlaten.

Na het schietincident waarbij [medeverdachte 1] dodelijk werd getroffen, is verdachte in de auto van [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] gevlucht. Onderweg hebben verdachte en [medeverdachte 2] zich ontdaan van wapens en een telefoon. Verdachte heeft de tas met cocaïne aan iemand gegeven en daarbij geld ontvangen. Het valse geld heeft verdachte in bewaring gegeven aan zijn broer.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het onder 1 en 2 ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank voorts dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de dag voor het incident medeverdachte [medeverdachte 1] samen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de bedoelde woning cocaïne hebben gebruikt. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn cocaïnegebruikers en hebben verklaard dat de kwaliteit goed was. Ook de vriendin van [medeverdachte 1] die een testhoeveelheid van die cocaïne heeft meekregen, heeft - na gebruik - verklaard dat de cocaïne van goede kwaliteit was. Door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is verklaard dat de cocaïne die door [medeverdachte 1] is getest van dezelfde partij komt als de cocaïne die door verdachte is weggenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook voldoende aannemelijk dat het weggenomen middel cocaïne betreft. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Ook het verweer met betrekking tot het ontbreken van het vereiste oogmerk ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde wordt gepasseerd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de keuken is getest of het valse geld als echt kon worden gebruikt. Pas daarna is het geld door verdachte weggenomen, waarna verdachte het later aan zijn broer in bewaring heeft gegeven. Op basis hiervan oordeelt de rechtbank dat het niet anders kan zijn dat verdachte dit geld in zijn bezit had om als echt en onvervalst te (doen) gebruiken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

in de zaak met parketnummer 18/820393-16

ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 A

Bewijsmiddelen

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna in de zaak met parketnummer 18/830393-16 onder 1, 2, 3 A bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 september 2017;

  2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2016, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016290018 d.d. 19 maart 2017, inhoudende het relaas van de verbalisant;

  3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 10 november 2016, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van de verbalisant;

  4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 8 september 2016, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016257097 d.d. 8 september 2016, inhoudende het relaas van de verbalisant.

ten aanzien van feit 4

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die voor de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 18/820393-16 onder 4 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 4 september 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 10 oktober 2016 was ik aan de [straatnaam] te Veendam aanwezig.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 oktober 2016, opgenomen op pagina 95 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016290018 d.d. 19 maart 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik ben eigenaar van een pand aan de [straatnaam] te Veendam. Ik verhuur dit aan [verdachte] . Hedenochtend 10 oktober 2016 heeft de politie een hennepplantage aangetroffen in mijn loods. Vanmiddag rond 16.15 uur kwam [verdachte] langs om spullen op te halen. Dit was aan de [straatnaam] te Veendam. Ik was boos omdat hij een hennepplantage in mijn loods heeft gehad. Er kwam een woordenwisseling en [verdachte] wilde zijn auto in stappen. Ik was nog niet klaar met de discussie en pakte hem vast bij de mouw. Ik wilde de politie bellen. Ineens zag en voelde ik dat een gebalde vuist van [verdachte] richting mijn gezicht ging. Ik voelde een harde stoot op de linkerkant van mijn voorhoofd. Ter hoogte van mijn wenkbrauw. Ik voelde pijn en heb nu een bult op mijn hoofd.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 november 2016, opgenomen op pagina 105 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik voelde pijn toen ik die klap kreeg en ik ging gelijk onderuit zo hard kwam het aan. Ik ging daarna weer staan. Ik zag dat [verdachte] met gebalde vuist begon te slaan. Ik vermoed twee maar dat weet ik niet zeker. Hij raakte [slachtoffer 4] tegen het hoofd en die ging neer door die klap. Het was een keiharde klap die hij tegen het hoofd kreeg.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 november 2016, opgenomen op pagina 99 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Het zal op 10 oktober 2016 geweest zijn tussen 16.00 en 16.15 uur, ik was bezig met het opruimen van de loods, toen ik op een gegeven moment zag, dat [slachtoffer 3] voor de loods, ter hoogte van de [naam bedrijf] aan de [straatnaam] , met een mij onbekende man stond te praten. Ik ben op een afstand van 10 meter van beiden blijven staan.

De huurder stond met de rug naar mij toe. Ik zag op een gegeven moment dat de huurder [slachtoffer 3] met gebalde vuist, volgens mij de rechter, een klap tegen zijn voorhoofd gaf. Ik zag dat [slachtoffer 3] boven zijn linker wenkbrauw werd geraakt. Ik zag dat [slachtoffer 3] na deze klap wankelde. De huurder van de loods draaide zich vervolgens om en voor ik erop verdacht was kreeg ik ook een vuistslag, volgens mij met de linker vuist, op mijn rechter slaap. De man sloeg mij kennelijk opzettelijk en met kracht.

Bewijsoverweging

De verdachte en zijn raadsvrouw hebben ter terechtzitting het verweer gevoerd dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld en dat hij ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging.

De rechtbank merkt allereerst op dat dit verweer als een bewijsverweer wordt opgevat, omdat bij een geslaagd beroep op noodweer niet kan worden bewezen dat verdachtes ten laste gelegde gedraging als wederrechtelijk en daarmee als ‘mishandelend’ kan worden aangemerkt, waardoor vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank overweegt dat voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast dient de wijze van verdediging noodzakelijk en geboden te zijn.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie zoals door de verdediging is gesteld. Het verweer wordt derhalve verworpen. Op basis van de bewijsmiddelen kan het feit wettig en overtuigend bewezen worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/830033-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/820393-16 onder 1, 2, 3 A en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/830033-17

1.

hij op 13 januari 2017 te [pleegplaats] , in een woning gelegen aan of bij de [straatnaam] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid drugs te weten ongeveer een halve kilo cocaïne en een hoeveelheid vals geld te weten 19 nagemaakte en/of vervalste bankbiljetten van 500 euro,

toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk gewelddadig een vuurwapen (pistool) en een traangasbusje (pepperspray) heeft meegenomen naar die woning gelegen aan of bij de [straatnaam] en aldaar in de keuken van die woning die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met kracht tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of geduwd en die [slachtoffer 2] een zogenoemd knietje tegen het lichaam heeft gegeven en een vuurwapen (pistool) op het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gericht;

2.

hij in de periode omvattende de dagen 13 januari 2017 en 14 januari 2017 te [pleegplaats] , en te Musselkanaal en Stadskanaal, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (ongeveer een halve kilo), zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij in de periode omvattende de dagen 13 januari 2017 en 14 januari 2017 te [pleegplaats] en Stadskanaal, opzettelijk 19 (negentien) nagemaakte en/of vervalste bankbiljetten van 500 euro, waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, verdachte, toen hij deze ontving bekend was, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, zich heeft verschaft en heeft vervoerd;

in de zaak met parketnummer 18/820393-16

1.

hij in de periode van 1 maart 2016 tot en met 10 oktober 2016, te Veendam, meermalen, opzettelijk heeft geteeld in een loods/(bedrijfs)pand aan de [straatnaam] , telkens een hoeveelheid van ongeveer 370 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 8 september 2016, te Stadskanaal, opzettelijk heeft geteeld in een pand gelegen aan of bij [straatnaam] een hoeveelheid van in totaal 159 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij in of omstreeks het jaar 2016 te Veendam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in of uit een loods/(bedrijfs)pand, gelegen aan of bij de [straatnaam] te

Veendam, heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie toebehorende aan (energiebedrijf) [naam bedrijf] , waarbij verdachte die weg te nemen hoeveelheid elektrische energie onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of

verbreking;

4.

hij op 10 oktober 2016 te Veendam [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] met kracht tegen het hoofd, te stompen en/of te slaan en [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] met kracht tegen het hoofd te stompen en/of te slaan.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/830033-17

  1. Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

  2. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

en

De voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

3. Bankbiljetten waarvan de valsheid/vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, zich verschaffen/in voorraad hebben;

in de zaak met parketnummer 18/820393-16

  1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

  2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

  3. Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;

  4. Mishandeling, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsrouw heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de conclusie van de pro Justitia rapportage, waaruit naar voren komt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Door verdachtes persoonlijkheids- en ontwikkelingsstoornis kan hij de gevolgen van zijn handelingen niet goed inschatten.

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd reeds doorgebracht in voorarrest, opdat verdachte zo spoedig mogelijk met een behandeling kan beginnen. Naast een behandelverplichting dienen ook de overige bijzondere voorwaarden die in het reclasseringsrapport worden genoemd te worden gekoppeld aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, te weten een psychologisch rapport d.d. 15 mei 2017, opgemaakt door psycholoog N. van der Weegen en het reclasseringsrapport van 23 mei 2017, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 15 augustus 2017, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende strafbare feiten.

De recente feiten betreffen een diefstal met geweld en het bezit van cocaïne en vals geld. Verdachte en zijn twee medeverdachten hebben een afspraak gemaakt met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] om cocaïne en vals geld van hen te kopen. Verdachten hebben echter nooit de bedoeling gehad geld daarvoor te betalen, maar wilden deze goederen stelen (rippen).

In de keuken van de woning van [slachtoffer 1] hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] geweld gebruikt tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Tijdens het wegvluchten werd medeverdachte [medeverdachte 1] neergeschoten en hij is later in het ziekenhuis overleden.

Deze ripdeal en de daarop volgende dodelijke schietpartij heeft plaatsgevonden in een woning en midden in een woonwijk in [pleegplaats] . Dergelijke feiten zorgen in het algemeen voor veel maatschappelijke onrust en gevoelens van angst. De feiten hebben in het bijzonder een enorme impact gehad op de in de woning aanwezige bewoners en de direct omwonenden. Hoewel niet vast is komen te staan dat door een lid van de groep waartoe verdachte behoorde is geschoten, is wel voldoende aannemelijk geworden dat ook zij zich van wapens hadden voorzien, kennelijk om koste wat het kost zich de cocaïne en het valse geld zonder betaling toe te eigenen. Dit alles maakt dat het uit de hand lopen van de ripdeal en het gegeven dat de bewoners van de woning en de buurtbewoners zijn geconfronteerd met een ernstig feit mede door verdachte is veroorzaakt. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

Ook kent de rechtbank in het nadeel van verdachte bijzonder gewicht toe aan de omstandigheid dat verdachte geen hulp heeft geboden aan de zwaargewonde medeverdachte [medeverdachte 1] en deze ter plaatse heeft achtergelaten. Daarbij heeft hij medeverdachte [medeverdachte 2] overgehaald om ook weg te gaan en zijn zij samen, nadat zij uit de jaszakken van [medeverdachte 1] de sleutels hebben gepakt, in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] gevlucht. Op dat moment bestond geen gevaar voor eigen leven meer, omdat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] reeds weg waren gegaan. Geconcludeerd kan worden dat de enige reden die verdachte had om weg te gaan, was om aanhouding op heterdaad te voorkomen en het gestolene veilig te stellen. Ook nadien heeft verdachte nog alles in het werk gesteld om het bezit en het ten gelde maken van de cocaïne en de het valse geld veilig te stellen c.q. te bewerkstelligen. De rechtbank acht dit handelen van verdachte zeer kwalijk.

Naast voornoemde feiten heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het tweemaal telen van hennep, diefstal van elektriciteit en het mishandelen van twee personen.

Na de ontdekking van de hennepkwekerij in een loods en de daarbij gepaard gaande diefstal van elektriciteit, heeft verdachte de eigenaar van de loods en diens oom mishandeld tijdens een woordenwisseling. De andere hennepkwekerij werd in de woning van verdachte aangetroffen. Met zijn gedragingen heeft verdachte getoond geen respect te hebben voor iemand anders lijf en goederen. Tevens komt ook uit deze feiten naar voren dat verdachte niet schroomt om strafbare feiten puur voor eigen geldelijk gewin te plegen.

Door het telen van hennep heeft verdachte bijgedragen aan de productie van middelen die bedreigend zijn voor de volksgezondheid. Daarnaast worden met het kweken van hennep grote illegale winsten behaald en heeft verdachte door zijn handelwijze een bijdrage geleverd aan de instandhouding van een markt voor softdrugs.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsfeit en overtreding van de Opiumwet.

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank de oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd.

Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline en narcistische trekken. Voorts is sprake van een licht verstandelijke ontwikkelingsstoornis. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde delicten en hebben het gedrag van verdachte beïnvloed.

Door de licht verstandelijke beperking heeft hij minder gedragsalternatieven dan iemand zonder een verstandelijke ontwikkelingsstoornis. Geadviseerd wordt om verdachte de feiten in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met deze conclusie en dit advies verenigen en neemt deze over, en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Zowel door de reclassering als de psycholoog wordt gerapporteerd dat sprake is van recidivegevaar en dat verdachte gebaat is bij een ambulante behandeling gericht op het vergroten van zijn emotieregulatievaardigheden en probleemoplossende vaardigheden. Er dient daarbij wel rekening te worden gehouden met zijn stoornissen. Door de reclassering wordt voorts geadviseerd de oplegging van een meldplicht, het volgen van een CoVa-training, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod met de medeverdachten, de slachtoffers en de nabestaanden van [medeverdachte 1] , en een locatiegebod met elektronische controle, als bijzondere voorwaarden.

De rechtbank vindt in het voorgaande aanleiding om een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen met de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het locatiegebod met elektronische controle. De rechtbank ziet van oplegging daarvan af, omdat aan verdachte een langdurige vrijheidsstraf wordt opgelegd en thans niet kan worden overzien of, en in hoeverre, elektronische controle bij het einde van zijn detentie nog onder dezelfde voorwaarden uitvoerbaar is. De voorwaarden worden gekoppeld aan een proeftijd van drie jaren.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden en zal deze opleggen. Aan het voorwaardelijke deel zullen de reeds genoemde voorwaarden worden gekoppeld.

Benadeelde partij

in de zaak met parketnummer 18/820393-16, onder 3 ten laste gelegde

[naam] heeft zich namens [naam bedrijf] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en heeft daarbij twee vorderingen tot schadevergoeding ingediend.

Een vordering heeft betrekking op de onder 3 B ten laste gelegde diefstal van elektriciteit in een pand aan [straatnaam] te Stadskanaal. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.291,22 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

De andere vordering ziet op de onder 3 A ten laste gelegde diefstal van elektriciteit in de loods aan de [straatnaam] te Veendam. Gevorderd wordt een bedrag van € 4.038,41 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Voorts verzoekt de benadeelde partij de vergoeding van haar proceskosten ter hoogte van

€ 798,95.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering die betrekking heeft op de woning aan [straatnaam] , nu hij in die zaak tot vrijspraak heeft gerekwireerd.

Ten aanzien van de schadevergoedingsvordering die betrekking heeft op de loods, heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de benadeelde partij in beide vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Zij heeft allereerst de hoogte van de vordering die betrekking heeft op de loods te Veendam betwist. Zij heeft daartoe aangevoerd dat in de berekening wordt uitgegaan van twee voorgaande oogsten, terwijl er nog nooit is geoogst. De vordering dient derhalve teruggebracht te worden naar het verbruik van elektriciteit, herleid naar de aangetroffen teelt in wording. Er dient dan ook een hercalculatie plaats te vinden. Nu er echter geen uitdraai is van het energieverbruik van voornoemd perceel, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Nader onderzoek naar deze uitdraai zal leiden tot een onredelijke vertraging van het strafproces.

Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering over de woning aan [straatnaam] , nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte stroom heeft weggenomen.

Voorts heeft zij gesteld dat de buitengerechtelijke kosten te hoog zijn.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit dat betrekking heeft op de diefstal van energie in de woning aan [straatnaam] te Stadskanaal niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 3 A bewezen verklaarde diefstal van elektriciteit in de bedoelde loods te Veendam.

Met name op basis van de verklaring van verdachte over de aanvang van de hennepkwekerij in deze loods en de diefstal van elektriciteit, stelt de rechtbank vast dat er één eerdere oogst is geweest. Bij de schadevergoedingsvordering bevindt zich een gespecificeerd overzicht van de kosten per oogst. Uitgaande van een eerdere oogst is de schade € 1.397,07 geweest. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 september 2016.

Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de proceskosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt ad € 798,95 en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 16 september 2016, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang - een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 1 oktober 2016.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 31 juli 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van

16 september 2016 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 47, 57, 209, 300, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/820393-16 onder 3 B is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/830033-17 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 18/820393-16 onder 1, 2, 3 A en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot een jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaar, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen nadat hij in vrijheid wordt gesteld meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen;

2. dat de veroordeelde zal deelnemen aan een gedragsinterventie gericht op de cognitieve vaardigheden, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens de instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen voor zijn psychische problematiek bij Ambulante Forensische Psychiatrie Noord of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

4. dat de veroordeelde op geen enkele wijze, direct noch indirect contact zal leggen met de nabestaanden van [medeverdachte 1] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van 18/830033-17, feit 3A:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam bedrijf] . toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.397,07 (zegge: duizend driehonderdzevenennegentig euro en zeven eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [naam bedrijf] . voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 798,95.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam bedrijf] . te betalen een bedrag van € 1.397,07 (zegge: duizend driehonderdzevenennegentig euro en zeven eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag betreft materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [naam bedrijf] . daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/830033-17, feit 3B:

Bepaalt dat de benadeelde partij [naam bedrijf] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/186864-15:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen d.d. 16 september 2016, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 september 2017.

Mr. A.G.D. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.