Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3508

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
11-09-2017
Zaaknummer
18/750010-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs, zoals GHB, speed en amfetamine. Er waren niet alleen volwassenen, maar ook minderjarige afnemers bij betrokken.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 209 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, onder de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarde van zich onthouden van gebruik harddrugs.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2016-07-01
Opiumwet 2, geldigheid: 2006-07-01
Opiumwet 10, geldigheid: 2007-11-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750010-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 september 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 augustus 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2016 tot en met 9 februari 2017 te [pleegplaats 1] , althans in de gemeente Tietjerksteradiel en/of te [pleegplaats 2] , althans in de gemeente Achtkarspelen en/of (elders) in de provincie Friesland/Fryslân, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of

GHB (4-hydroxyboterzuur) en/of MDMA (zogenoemde XTC-pillen), zijnde amfetamine (speed) en/of GHB (4-hydroxyboterzuur) en/of MDMA (telkens)

(een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 10 februari 2017 te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente Tytsjerksteradiel, opzettelijk aanwezig heeft gehad, -(in totaal) 59,70 gram, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of -(in totaal) 233,97 gram, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende GHB (4-hydroxyboterzuur) en/of -(in totaal) 2,22 gram, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA (zogenoemde XTC-pillen), zijnde amfetamine en/of GHB (4-hydroxyboterzuur) en/of MDMA (telkens) een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1. en 2. ten laste gelegde gevorderd, met dien verstande dat de pleegperiode van het onder 1. ten laste gelegde beperkt moet worden tot de periode van juni 2016 tot 1 februari 2017.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde tot een bewezenverklaring van verkopen, afleveren, vervoeren en verstrekken kan worden gekomen. De pleegperiode dient volgens de raadsman beperkt te worden tot een periode van 3 of 4 maanden, namelijk van september of oktober 2016 tot december 2016 of januari 2017, omdat verdachte zich slechts aan het onder 1. ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt toen [medeverdachte] bij hem verbleef.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank past ten aanzien van het hierna onder 1. bewezen verklaarde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 24 augustus 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb een aantal maanden in GHB en XTC gehandeld, vanaf het moment waarop [medeverdachte] bij mij kwam wonen. Dat was vanaf september 2016.

[medeverdachte] ging er in januari 2017 weer uit. De mensen kwamen toen veel minder bij mij om drugs te kopen. Toen [medeverdachte] weg was, zijn er nog een paar geweest die drugs van mij gekocht hebben. Ongeveer 5 mensen nog.

In februari 2017 verkocht ik niet.

De verkochte drugs kwamen steeds uit mijn voorraad. Als [medeverdachte] mij van het werk in Drachten ophaalde, ging hij drugs afleveren. Ik was daar dan bij. Er kwamen ook wel mensen bij mij thuis om drugs te kopen. Het klopt dat [medeverdachte] 10 of 15 keer drugs heeft gekregen. Aan [medeverdachte] verkocht ik GHB en XTC-pillen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 31 december 2016, opgenomen op pagina's 51-55 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017012375 d.d. 17 april 2017, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Mijn GHB haal ik bij twee mannen uit [pleegplaats 1] . Ik bestel via de telefoon. Het is maar net wie er het eerste reageert bij diegene koop ik. Per keer koop ik een 0,25 liter of een 0,50 liter. Ik betaal voor 0,25 liter 45 euro. Voor 0,5 liter betaal ik 90 euro. Ik koop wekelijks bij hun. Ik haal het wel bij hun of we spreken een locatie af. Ik heb tot 29 december 2016 GHB bij ze gekocht.

Het gaat om [medeverdachte] en [verdachte] . Ik heb ook wel eens speed bij [medeverdachte] gekocht. En ook bij [verdachte] . Dat was in diezelfde periode.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 23 februari 2017, opgenomen op pagina's 80-82 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Als ik naar het afgelopen jaar kijk dan heb ik in totaal 4-6 gram speed gebruikt. De speed die ik het afgelopen jaar heb ik gebruikt kwam bij [medeverdachte] en [verdachte] vandaan. Ik betaalde [medeverdachte] en [verdachte] 5 euro per gram speed. De keren dat ik het kocht van [medeverdachte] en [verdachte] ging ik naar de woning van [verdachte] .

De ene keer gaf ik het geld aan [verdachte] en de andere keer aan [medeverdachte] . Het kwam ook wel voor dat ik het geld voor de speed op tafel neerlegde. U zegt mij dat het klinkt alsof ik dan veel meer speed heb gekocht bij [verdachte] en [medeverdachte] dan de 4 x die ik nu zeg. Het kan vaker zijn geweest. (…) Als ik drugs in de woning kocht, verschilde het van wie ik de drugs kreeg. De ene keer van [medeverdachte] en de andere keer van [verdachte] . Dit ging altijd om speed. De ene keer verpakte [medeverdachte] het en de andere keer [verdachte] . De speed lag op een tegeltje onder de tafel in de voorkamer. Ik wilde de speed altijd droog mee hebben, dus dan maakte [medeverdachte] of [verdachte] dit voor mij klaar. Ik ben aan het einde van de zomer voor het laatst bij [verdachte] geweest, ik denk augustus/september 2016.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 maart 2017, opgenomen op pagina's 96 - 98 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

Ik koop mijn speed en GHB van [verdachte] en [medeverdachte] . [medeverdachte] woonde bij [verdachte] in. Ik kocht het dan bij hun beiden wel.

Ik denk dat het in de zomer van 2016 was dat ik voor het eerst GHB en speed van [verdachte] kocht. Ik denk dat het juni 2016 of juli 2016 was.

Een week voordat [verdachte] vast kwam te zitten, dat was begin februari 2017, heb ik voor het laatst speed en GHB van [verdachte] gekocht. Daar waar ik noem dat ik drugs koop van [verdachte] is het eigenlijk zo dat ik het van [verdachte] en [medeverdachte] samen kocht. Ze deden het samen. Ik weet dat ik het geld voor de drugs altijd aan [verdachte] gaf. De ene keer kreeg ik de drugs van [verdachte] en de andere keer van [medeverdachte] . Ik kocht gemiddeld om de week drugs van [verdachte] en [medeverdachte] . Als ik dan juli 2016 neem als eerste keer dat ik drugs van hun kocht tot aan eind januari 2017 heb je het gemiddeld over 16 keer dat ik drugs van hun heb gekocht. De kwaliteit van de drugs die ik van [medeverdachte] en [verdachte] kocht was goed. Het had de uitwerking die ik ervan verwachte."

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 februari 2017, opgenomen op pagina's 144-146 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :

Ik heb af en toe wel eens GHB gebruikt. Meestal kreeg ik de dopjes GHB van [verdachte] . Ik betaalde hier niks voor. Ik kreeg dit in de woning van [verdachte] .

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 februari 2017, opgenomen op pagina's 78-79 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4] :

Vanaf september 2016 ben ik GHB gaan gebruiken. Als ik drugs kocht van [medeverdachte] dan kreeg ik dit altijd bij het wegrestaurant E10. Daar kwam [medeverdachte] dan met de drugs. Als [medeverdachte] daar kwam zaten er soms ook wel andere mensen in de auto. U noemt mij de naam [verdachte] . Die ken ik wel. Ik denk dat hij ongeveer 4 of 5 keer met [medeverdachte] mee kwam als ik drugs van [medeverdachte] kocht. Ik heb alleen speed en GHB van [medeverdachte] gekocht. De laatste keer was eind november of begin december 2016.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere begindatum dan door verdachte ter terechtzitting is genoemd.

Een beperking van de pleegperiode tot 3 à 4 maanden is niet aan de orde, omdat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij ook na het vertrek van [medeverdachte] , en dus in januari 2017 in harddrugs is blijven handelen. Dat dit minder intensief zou zijn geweest dan toen [medeverdachte] nog bij verdachte verbleef, doet er niet aan af dat de handel wel is doorgegaan.

Feit 2

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2. bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 augustus 2017;

2. Een schriftelijk stuk, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, registratienummer PL0100-2017012375-15, d.d. 10 februari 2017, opgenomen op pagina's 2 tot en met 6 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017012375 d.d. 17 april 2017;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen, nummer PL0100-2017012375-25, d.d. 21 februari 2017, opgenomen op pagina's 183 tot en met 192 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017012375 d.d. 17 april 2017;

4. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.03.01.158, d.d. 7 maart 2017, opgemaakt door C.M.M. Diever-Heezen, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina's 193 en 194 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017012375 d.d. 17 april 2017.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende data en tijdstippen in de periode van 1 september 2016 tot en met 31 januari 2017 in de provincie Friesland/Fryslân meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of GHB (4-hydroxyboterzuur) en/of MDMA (zogenoemde XTC-pillen), zijnde amfetamine (speed) en GHB (4-hydroxyboterzuur) en MDMA, telkens middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 10 februari 2017 te [pleegplaats 1] opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ( in totaal) 59,70 gram van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en

- ( in totaal) 233,97 gram van een materiaal bevattende GHB (4-hydroxyboterzuur) en

- ( in totaal) 2,22 gram van een materiaal bevattende MDMA (zogenoemde XTC-pillen), zijnde amfetamine en GHB (4-hydroxyboterzuur) en MDMA, telkens een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. ten aanzien van het bewezenverklaarde verkopen en afleveren:

medeplegen van de voortgezette handeling van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

ten aanzien van het bewezenverklaarde bewerken, verstrekken en vervoeren:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2. Het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren onder de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Deze eis is de optelsom van acht maanden gevangenisstraf voor het onder 1. ten laste gelegde (uitgaande van een dealperiode van 8 maanden) en vier maanden gevangenisstraf voor het onder 2. ten laste gelegde. De officier van justitie rekent het verdachte aan dat er bij de drugshandel minderjarigen waren betrokken. Ook het feit dat GHB zeer verslavend is, heeft de officier van justitie meegewogen. Bij zijn eis heeft de officier van justitie verder betrokken de justitiële documentatie betreffende verdachte, het hem betreffende reclasseringsrapport, dat verdachte werk heeft en dat hij een koopwoning heeft, die hij tot nu toe heeft weten te behouden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaren zonder bijzondere voorwaarden, met aftrek van 90 dagen in verband met het voorarrest. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat, afgezet tegen andere drugshandelzaken, in deze zaak slechts sprake is van kleinschalige handel. Verder heeft de raadsman gesteld dat het naleven van voorwaarden verdachte veel geld en inspanning kost, dat verdachte niet gemotiveerd is en dat het al goed met hem gaat. Dit zou voldoende vertrouwen moeten scheppen. Verdachte zal zich wel aan eventuele voorwaarden houden, maar hij zal er weinig aan hebben. Tegen een langere proeftijd dan twee jaar bestaat geen bezwaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem door Tactus verslavingszorg opgemaakte rapportage van 24 april 2017, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 juli 2017, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Bij de handel in harddrugs van verdachte zijn niet alleen volwassenen, maar ook minderjarige afnemers betrokken geweest. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. De gebruikers kwamen bij verdachte in zijn woning om drugs te kopen en/of te gebruiken. De ene keer was verdachte zelf aanwezig, de andere keer liet de bij hem inwonende medeverdachte [medeverdachte] de gebruikers binnen. Er zijn momenten geweest waarop gebruikers onder invloed en nauwelijks aanspreekbaar bij verdachte op de bank of op de grond lagen.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor drugsgerelateerde feiten. Deze veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden om weer de fout in te gaan.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat gelet op genoemde omstandigheden een gevangenisstraf op zijn plaats is.

Er is, eveneens blijkens het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, ook een jarenlange periode geweest waarin verdachte niet met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij ten tijde van het bewezen verklaarde een moeilijke periode doormaakte. Zijn relatie was uitgegaan en hij was eenzaam. Daarom heeft hij [medeverdachte] bij hem laten inwonen, waarna het helemaal is misgegaan. Inmiddels is verdachte volledig gestopt met het gebruiken van harddrugs en is hij voornemens om hierin te volharden.

Uit de rapportage van Tactus verslavingszorg volgt dat verdachte geen schulden heeft en dat hij beschikt over een eigen koopwoning. Verdachte had vrijwel altijd werk (en zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard heeft hij ook nu werk). Het recidive-risico wordt ingeschat als laag-gemiddeld. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting in verband met zijn harddrugsgebruik en een verbod op het gebruik van harddrugs.

Ook de rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen. Zo krijgt verdachte enerzijds de kans om de stijgende lijn die hij inmiddels heeft ingezet voort te zetten, terwijl hij anderzijds een stok achter de deur heeft om clean te blijven en niet weer de fout in te gaan. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 209 dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd onder de voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd van drie jaren geen harddrugs zal gebruiken en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek. Het advies om aan verdachte een meldplicht en een behandelverplichting op te leggen, volgt de rechtbank niet.

Ter terechtzitting is duidelijk gebleken dat verdachte daarvoor niet gemotiveerd is, en dat hij vindt dat hij – nu hij al langere tijd geen harddrugs meer gebruikt en zijn leven weer redelijk op orde heeft – zelfstandig in staat is van de harddrugs af te blijven. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het opleggen van een meldplicht en een behandelverplichting, naast een verbod op het gebruik van harddrugs en controle daarop, niet aangewezen.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan gevorderd door de officier van justitie, omdat de rechtbank uitgaat van een kortere pleegperiode. Een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van zes maanden, zoals de verdediging voorstaat, acht de rechtbank echter te licht, gelet op de ernst van de feiten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 209 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

1. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van harddrugs en zich verplicht om ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek door of namens de reclassering.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. Th.A. Wiersma en mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 september 2017.