Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3500

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
AWB LEE - 16 _ 4614 tot en met 16 _ 4617
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV 2011-2014. Aftrek specifieke zorgkosten. Nieuw feit? Fishing expedition? Artikel 8 EVRM. Kwader trouw artikel 16 AWR. Gelijkheidsbeginsel. Fair-playbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/249
V-N 2018/23.24.13
Viditax (FutD), 01-02-2018
FutD 2018-0333 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Nederland

Zittingsplaats: Assen

Bestuursrecht

Kenmerken LEE 16/4614 tot en met 16/4617

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer op de beroepen van

[eiser] ,

wonende te [plaats] , eiser,

(gemachtigde: drs. M.S.J. Hoorntje)

tegen de uitspraken van

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder

op de bezwaren van eiser inzake de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) over de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017 te Assen, waarbij zijn verschenen drs. M.S.J. Hoorntje namens eiser en [naam] en [naam] namens verweerder.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Gronden

1. Eiser heeft voor de jaren 2011 tot en met 2014 telkens aangifte gedaan voor de IB. Daarbij zijn elk jaar uitgaven aan specifieke zorgkosten opgevoerd. Aan uitgaven voor specifieke zorgkosten is in aftrek gebracht:

in de aangifte over het jaar 2011: € 3035

in de aangifte over het jaar 2012: € 2744

in de aangifte over het jaar 2013: € 1583

in de aangifte over het jaar 2014: € 1171.

2. De primitieve aanslagen over de onderhavige jaren zijn conform de aangiften vastgesteld met de volgende dagtekeningen:

voor het jaar 2011: 4 mei 2012

voor het jaar 2012: 6 september 2013

voor het jaar 2013: 23 mei 2014

voor het jaar 2014: 11 maart 2016.

3. De aangiften zijn langs elektronische weg ingediend. Volgens verweerder zijn de aangiften ingevuld en ingediend door de als belastingadviseur optredende [belastingadviseur] .

4. Tot de stukken behoort een op ambtseed opgemaakte verklaring van [regiocoördinator] , regiocoördinator systeemfraude IH bij de Belastingdienst.

Die verklaring luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“AMBTSEDIGE VERKLARING

Ik, [regiocoördinator] , regiocoördinator systeemfraude IH, verklaar, op de belofte bij de aanvang mijner bediening afgelegd, het volgende.

In mei 2014 ontving de Belastingdienst een signaal dat er wellicht ten onrechte aftrekposten waren opgevoerd in een door belastingconsulent [belastingadviseur] voor één van zijn klanten ingediende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Dit signaal was afkomstig van een belastingplichtige die tegenover een medewerker van de Belastingdienst verklaarde dat de in haar aangifte opgevoerde zorgkosten in werkelijkheid niet waren gemaakt. De aangifte was, aldus de belastingplichtige, ingevuld door [belastingadviseur] uit Alkmaar. Zoals bij dit soort signalen gebruikelijk, is vervolgens getracht het klanten bestand van deze consulent in kaart te brengen om zo een beeld te krijgen van de aantallen onjuist ingediende aangiften. Dit bleek aanvankelijk niet mogelijk omdat [belastingadviseur] geen gebruik maakt van een zogenaamd beconnummer. Bovendien werden de aangiften ingediend via frequent wisselende ip-adressen waarvan de tenaamstelling meestal niet was op te vragen. Daarom leek het aanvankelijk dat er geen sprake was van georganiseerde systeemfraude; via de ip-adressen waarmee de aangiften waren ingestuurd, kwamen slechts enkele aangiften bij de Belastingdienst binnen. In augustus 2014 waren toch 387 aangiften in beeld die mogelijk door [belastingadviseur] waren ingediend. Er kon echter niet met zekerheid gezegd worden dat deze aangiften door [belastingadviseur] waren ingestuurd en evenmin was zeker of de

opgevoerde PGA onjuist was. Een bestand waarvan met zekerheid gezegd kon worden dat het alleen klanten van [belastingadviseur] betrof, kon toen nog niet gemaakt worden. Daarom is begin 2015 besloten om voor 25 tot 30 aangiften uit het bestand van 387 aangiften een verzoek om informatie te sturen. Hieruit bleek dat vaak gecorrigeerd moest worden in de persoonsgebonden aftrek.

Gedurende het jaar 2015 kwamen er opnieuw signalen dat [belastingadviseur] onjuiste aangiften indiende voor zijn klanten Deze signalen kwamen van belastingplichtigen die op het retourformulier van aan hen verzonden verzoeken om informatie, aangaven dat de aangifte was ingevuld door [belastingadviseur] . Ook nu was er weer sprake van ip-adressen die slechts enkele malen gebruikt waren voor het insturen van aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen. Pas eind 2015 is het gelukt een bestand samen te stellen met daarin de gegevens van 1.336 klanten van [belastingadviseur] . Op dat moment was echter het overgrote deel van de voor deze belastingplichtigen ingediende aangiften al behandeld door het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst. Voor deze aangiften zijn begin 2016 in veel gevallen verzoeken om informatie verstuurd, om zo de eventueel opgevoerde aftrekposten alsnog te kunnen beoordelen. Deze beoordelingen hebben in

veel gevallen geresulteerd in navorderingsaanslagen.

Doordat er in veel gevallen sprake was van wisselende (vaak buitenlandse) ip-adressen, kon slechts door middel van meerdere queries van de ip-adressen die op naam staan van [belastingadviseur] en/of op meerdere dagen door [belastingadviseur] gebruikt zijn, een compleet klantenbestand worden samengesteld.

mei 2014 eerste signaal dat door [belastingadviseur] mogelijk onjuiste aangiften worden gedaan

augustus 2014 387 mogelijke klanten in beeld

begin 2015 steekproef 25-30 aangiften

gedurende 2015 verzamelen informatie over klanten en ip-adressen

eind 2015 zo compleet mogelijk klantenbestand (1.336 klanten) vervaardigd

9 maart 2016 [belastingadviseur] aangehouden door de FIOD

maart 2016 vragenbrieven verstuurd aan belastingplichtigen

5. Vanaf begin 2016 zijn de door [belastingadviseur] ingediende aangiften door de Belastingdienst onderzocht. Eiser is bij brieven van 10 maart 2016 verzocht voor de jaren waarop dit geding betrekking heeft informatie te verschaffen met betrekking tot de afgetrokken specifieke zorgkosten en bewijsstukken ter zake over te leggen. Hij heeft hierop slechts in die zin gereageerd dat hij in een op 14 april 2016 gevoerd telefoongesprek heeft medegedeeld niet over bewijsstukken te beschikken.

6. Vervolgens zijn de onderhavige navorderingsaanslagen vastgesteld waarbij de afgetrokken bedragen aan uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn gecorrigeerd (alsnog niet in aftrek zijn toegelaten) en het belastbaar inkomen uit werk en woning dienovereenkomstig is verhoogd.

7. Bij de uitspraken op bezwaar zijn de navorderingsaanslagen gehandhaafd. De uitspraken op bezwaar zijn naar de eisen der wet gemotiveerd. In het bijzonder is in de uitspraken voldoende duidelijk aangegeven waarom niet aan de bezwaren wordt tegemoetgekomen (“omdat er nog steeds geen stukken met betrekking tot de kosten zijn overgelegd”), en waarom er naar het oordeel van verweerder een ‘nieuw feit’ aanwezig is en het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

8. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren alle stukken die verweerder (uiterlijk) bij het doen van uitspraak op bezwaar ter beschikking stonden en bij het nemen van zijn beslissingen (i.c. het opleggen van de navorderingsaanslagen en het doen van uitspraak op bezwaar) een rol hebben gespeeld.

Verweerder heeft verklaard het door eiser genoemde document: [documentnaam] niet te kennen en alle op de zaak betrekking hebbende stukken te hebben overgelegd. De gemachtigde van eiser heeft om hem moverende redenen niet willen zeggen waar hij het gemelde document van kent. Mede in het licht daarvan acht de rechtbank geen grond aanwezig te twijfelen aan de juistheid van het hiervoor door de inspecteur vermelde betoog.

9. In zijn arrest van 13 november 2009, nr. 08/04594, BNB 2010/25 heeft de Hoge Raad overwogen:

“3.3. De verweerder mag bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel slechts gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (onder meer HR 11 april 2001, nr. 36088, LJN AB1005, BNB 2001/260, en HR 9 januari 2009, nr. 07/10292, LJN BG9068, BNB 2009/64).”

10. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder toen hij de primitieve aanslagen vaststelde op zich geen reden aan de juistheid van de aangiften te twijfelen. Overigens is ook de gemachtigde van eiser die mening toegedaan. In zijn e-mail van 17 augustus 2016 (bijlage A-26 bij het verweerschrift) schrijft hij: “Er bestond voor de inspecteur geen aanleiding om aan de juistheid van de aangiften van cliënt(e) te twijfelen”. De omstandigheid dat verweerder de juistheid van de aftrekposten niet voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslagen heeft onderzocht vormt derhalve geen (in beginsel) aan navordering in de weg staand ambtelijk verzuim. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit voor alle jaren, ook voor het jaar 2014. Weliswaar was op de datum van dagtekening van de primitieve aanslag over dat jaar (11 maart 2016) reeds een zo compleet mogelijk bestand met de klanten van [belastingadviseur] vervaardigd en was [belastingadviseur] reeds aangehouden (op 9 maart 2011) door de FIOD, maar dat laat onverlet dat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat eiser over 2014 wel specifieke zorgkosten had gemaakt en derhalve terecht aftrek ter zake had geclaimd. Verweerder was dan ook niet gehouden de aanslagregeling over 2014 aan te houden en nader onderzoek te doen naar de juistheid van de geclaimde aftrek. Indien anders zou moeten worden geoordeeld kan dit eiser overigens niet baten. Gelet op hetgeen hierna (met name in ov. 16) wordt overwogen is navordering in dezen immers ook zonder ‘nieuw feit’ mogelijk.

11. Uit het onderzoek naar de gedragingen van [belastingadviseur] kwam het beeld naar voren dat [belastingadviseur] in een groot aantal door hem ingediende aangiften gefingeerde aftrekposten had opgevoerd.

De rechtbank acht aannemelijk dat ook de aangiften van eiser door [belastingadviseur] zijn verzorgd.

  • -

    De brieven waarmee de inspecteur om informatie vraagt zijn gedateerd op 10 maart 2016 hetgeen overeenkomst met het tijdschema dat is vermeld in de ambtsedige verklaring van [regiocoördinator] . Uit dat schema volgt immers dat na identificatie van degenen voor wie [belastingadviseur] aangifte heeft gedaan in maart 2016 vragenbrieven zijn gestuurd.

  • -

    Het is onaannemelijk dat indien eiser zelf de aangiften heeft gedaan hij daarvan geen melding zou hebben gemaakt aan verweerder hoewel hij eiser daarom expliciet heeft gevraagd en eiser die vraag middels het bij de brieven van 10 maart 2016 gevoegde antwoordformulier of in het telefoongesprek dat hij met verweerder heeft gevoerd, op eenvoudige wijze had kunnen beantwoorden.

De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat (ook) de aangiften van eiser door [belastingadviseur] zijn ingediend.

12. Nu ervan moet worden uitgegaan dat ook de aangiften van eiser door [belastingadviseur] zijn ingediend stond het verweerder vrij en had hij voldoende reden ook de aangiften van eiser en met name de daarin opgevoerde aftrekposten aan een onderzoek te onderwerpen. In het bijzonder ook om in het kader van dat onderzoek informatie met betrekking tot de opgevoerde aftrekposten en om bewijsstukken ter zake te vragen. De omstandigheid dat eiser geen bewaarplicht heeft met betrekking tot die bewijsstukken doet daaraan niet af, en verweerder was niet gehouden een zogenaamde ‘cautie’ te geven. Feiten en omstandigheden die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat door de manier waarop verweerder het onderzoek naar de juistheid van de aangifte heeft gedaan jegens eiser, hij op een of andere wijze inbreuk heeft gemaakt op artikel 8 EVRM, zijn niet aannemelijk geworden. Verweerder heeft in het kader van zijn wettelijke taak en bevoegdheden gehandeld door bij eiser informatie op te vragen. Van een fishing expedition – een zoektocht naar informatie zonder dat er enige reële basis is te veronderstellen dat de feiten waarop die informatie betrekking zou moeten hebben zich bij de belastingplichtige(n) waarvan die informatie wordt gevraagd daadwerkelijk hebben voorgedaan – is geen sprake.

13. Uit de geciteerde verklaring van [regiocoördinator] volgt dat verweerder niet onnodig lang heeft gewacht met het vragen van informatie van eiser (bij brieven van 10 maart 2016).

Dat de Belastingdienst de door [belastingadviseur] gebruikte ip-adressen en diens klantgegevens mogelijk eerder had kunnen achterhalen, maakt dit – wat daarvan ook moge wezen – niet anders. De Belastingdienst is in beginsel vrij haar werkprocessen in te richten op de wijze zoals het haar dienstig voorkomt. Dat door de wijze waarop zij dat in het kader van het onderzoek naar de door [belastingadviseur] ingediende aangiften heeft gedaan eiser op onredelijke wijze is getroffen – bijvoorbeeld omdat hij daardoor in zijn verdediging is geschaad – acht de rechtbank niet aannemelijk geworden.

14. Het is in redelijkheid aan eiser om bij betwisting door verweerder de juistheid van de door hem opgevoerde aftrekposten aannemelijk te maken. Eiser heeft op het informatieverzoek van verweerder niet of althans volstrekt onvoldoende (namelijk alleen met een telefonische mededeling inhoudende dat hij niet beschikt over bewijsstukken) gereageerd, en ook overigens op geen enkele wijze het bewijs geleverd van de juistheid van de door hem opgevoerde uitgaven voor specifieke zorgkosten. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij die uitgaven daadwerkelijk heeft gedaan. De rechtbank acht onaannemelijk dat een belastingplichtige die daadwerkelijk over een reeks van jaren uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft gedaan, enkel door het tijdsverloop, voor geen enkele uitgavenpost in staat is ook maar het begin van bewijs te leveren dat de uitgaven zijn gedaan.

15. De rechtbank zal er dan ook voor dit geding van uitgaan dat (ook) in het geval van eiser de opgevoerde aftrekposten wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten gefingeerd zijn. Dit gegeven levert een navordering rechtvaardigend ‘nieuw feit’ op.

16. Nu er voor dit geding van moet worden uitgegaan dat de in de door eiser ingediende aangiften opgevoerde en bij navordering gecorrigeerde aftrekposten gefingeerd zijn, heeft hij bovendien opzettelijk onjuiste inlichtingen verstrekt zodat hij te kwader trouw is en navordering ook zonder ‘nieuw feit’ mogelijk is. Hierbij geldt dat in de context van artikel 16 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen kwade trouw van degene van wiens hulp de belastingplichtige gebruik heeft gemaakt om aan zijn aangifteverplichting te voldoen, aan de belastingplichtige dient te worden toegerekend (Hoge Raad, 23 januari 2009, nr. 07/10942, BNB 2009/80).

17. Tegenover de betwisting door verweerder maakt eiser geen feiten of omstandigheden aannemelijk op grond waarvan het oordeel gerechtvaardigd is dat de Belastingdienst in met eiser vergelijkbare gevallen (dat wil zeggen: gevallen waarin gefingeerde aftrekposten zijn opgevoerd die bij de primitieve aanslagregeling niet zijn opgemerkt en niet zijn gecorrigeerd) een beleid heeft gevoerd waarbij van navordering ter zake is afgezien (dan wel opgelegde navorderingsaanslagen zijn verminderd), of dat met het oogmerk van begunstiging in één of meer van dergelijke gevallen van navordering is afgezien c.q. opgelegde navorderingsaanslagen zijn verminderd. De rechtbank acht zulks overigens ook onaannemelijk. Zij acht veeleer aannemelijk dat indien zich in één of meer gevallen een dergelijke situatie heeft voorgedaan – zoals mogelijk het geval is in de zaak waarop de als bijlage bij de motivering van het beroepschrift gevoegde brief inzake navorderingsaanslagen opgelegd aan [belastingplichtige Y] betrekking heeft – sprake is geweest van een niet op begunstiging of beleid gebaseerde fout. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat een dergelijke fout binnen het organisatieonderdeel van de Belastingdienst waaronder eiser ressorteert in een meerderheid van de met eiser vergelijkbare gevallen is gemaakt.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

18. Feiten en omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat verweerder heeft gehandeld in strijd met enig ander in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur – waaronder het fair-playbeginsel – zijn niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is aannemelijk geworden dat verweerder jegens eiser bevooroordeeld (vooringenomen) zou zijn geweest. Dit volgt in het bijzonder niet uit de door eiser als bijlage bij de motivering van het beroep overgelegde e-mail van [regiocoördinator] . In die mail wordt de naam van eiser niet genoemd. Het e-mailbericht heeft met name betrekking op [belastingadviseur] en stelt vragen bij de wijze waarop de gemachtigde de beschikking heeft gekregen over gegevens van klanten van [belastingadviseur] . Uit die mail valt op geen enkele wijze op te maken dat ten aanzien van een of meer belastingplichtigen op voorhand het standpunt zou moeten worden ingenomen dat ten onrechte aftrekposten zijn geclaimd.

19. Tegen de met inachtneming van de wettelijke bepalingen in rekening gebrachte heffingsrente (2011) c.q. belastingrente (2012, 2013 en 2014) zijn geen afzonderlijke grieven aangevoerd.

20. De slotsom is dat de beroepen ongegrond zijn.

21. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De mondelinge uitspraak is gedaan te Groningen op 1 september 2017 door mr. F.J.P.M. Haas, lid van de rechtbank, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door het lid van de rechtbank en de griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.