Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3498

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
18/820189-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft een man veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van 7 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en oplegging van bijzondere voorwaarden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen stichten van brand in een vuilniscontainer, het vernielen van een autoruit en een poging tot inbraak.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2016-07-01
Wetboek van Strafrecht 311, geldigheid: 2008-01-01
Wetboek van Strafrecht 350, geldigheid: 2012-10-01
Wetboek van Strafrecht 157, geldigheid: 2006-02-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820189-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 18/101951-15 en 18/186942-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 september 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in de PI te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

24 augustus 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.T. Brouwer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 april 2017, in de gemeente Delfzijl, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is/heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes in de hand gelopen in de richting van die [slachtoffer] en/of een mes gehouden in de richting van de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer] ;

2.

hij in of omstreeks de periode van 11 april 2017 tot en met 12 april 2017, in de gemeente Appingedam, opzettelijk en wederrechtelijk een (ruit van een) auto (kenteken [nummer] ),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [organisatie] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 11 april 2017, in de gemeente Appingedam, meerdere malen, althans één maal, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met de inhoud van een vuilniscontainer, althans met een brandbare stof, welke vuilniscontainer was geplaatst op een terrein van [organisatie] afdeling dagbesteding, ten gevolge waarvan die container en/of vuilnis in de container geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die container en/of een dichtbijzijnde schutting en/of schuur, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

4.

Primair

hij op of omstreeks 11 april 2017, in de gemeente Appingedam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (kerk)gebouw gelegen aan de [straatnaam] , weg te nemen goederen en/of geld, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [organisatie] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld, althans dat/die goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een scherp voorwerp tussen/op het kozijn van een raam van voornoemd gebouw heeft gewrikt en/of geslagen, althans geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 11 april 2017, in de gemeente Appingedam, opzettelijk en wederrechtelijk een raam en/of een kozijn van een gebouw gelegen aan de [straatnaam] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [organisatie] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde op grond van de aangifte en de verklaring van getuige [getuige 1] . Voorts heeft de officier van justitie op grond van het strafdossier en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 4 primair ten laste gelegde.

Hij heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat op basis van de wettige bewijsmiddelen in het dossier niet de overtuiging kan worden bekomen dat verdachte aangeefster heeft bedreigd. Verdachte heeft consequent verklaard wat hij heeft gedaan en dit komt overeen met hetgeen aangeefster heeft gezien en verklaard. Uit de aangifte blijkt dat aangeefster op het moment dat zij zich omdraaide en verdachte met een mes in zijn hand achter haar zag staan, zich niet bedreigd heeft gevoeld. Anders had zij dat wel verklaard. Aangeefster heeft zich pas bedreigd gevoeld nadat zij getuige [getuige 1] had gesproken. De raadsman heeft betoogd dat bij de waardering van de verklaring van [getuige 1] dient te worden betrokken dat de getuige tevens cliënt is bij [organisatie] en dat onduidelijk is in hoeverre de geestesvermogens van de getuige zijn ontwikkeld. Getuige heeft wellicht een verkeerde invulling gegeven aan hetgeen hij heeft gezien.

Ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat gezien de handelingen van verdachte sprake is van vrijwillige terugtred hetgeen ervoor zorgt dat een poging inbraak niet bewezen kan worden.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde brandstichting heeft de raadsman opgemerkt dat bij de waardering van de verklaring van verdachte de geestesvermogens van verdachte dienen te worden meegewogen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. Uit de stukken en hetgeen door verdachte naar voren is gebracht blijkt dat verdachte op een moment met een mes in de buurt van aangeefster heeft gelopen. De getuige heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte met een groot mes in de richting van aangeefster heeft gewezen en dat dat op hem bedreigend over is gekomen. Verdachte heeft steeds ontkend dat hij het slachtoffer wilde bedreigen en ook het slachtoffer zelf heeft niet verklaard zich bedreigd te hebben gevoeld toen zij verdachte tegenover zich zag staan met een mes in de hand. Het slachtoffer voelde zich pas bedreigd toen zij de verklaring van de getuige hoorde. Op basis hiervan heeft de rechtbank niet de overtuiging dat verdachte opzet heeft gehad op de bedreiging. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2 en 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 augustus 2017;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlagen van Politie Noord-Nederland d.d. 12 april 2017, opgenomen op pagina 14 van het dossier met nummer 2017094751 d.d. 13 april 2017, inhoudende de verklaring van [getuige 2] namens [organisatie] afdeling Dagbesteding.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 augustus 2017;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlagen van Politie Noord-Nederland d.d. 12 april 2017, opgenomen op pagina 27 van het dossier met nummer 2017094751 d.d. 13 april 2017, inhoudende de verklaring van [getuige 2] namens [organisatie] afdeling Dagbesteding.

Ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 24 augustus 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 11 april 2017 wilde ik naar binnen bij het kerkgebouw waar door de [organisatie] het voedingsgeld wordt bewaard. Ik wilde mijn voedingsgeld pakken en heb een kozijn vernield maar dat ging niet ver open.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlagen van Politie Noord-Nederland d.d. 12 april 2017, opgenomen op pagina 27 van het dossier met nummer 2017094751 d.d. 13 april 2017, inhoudende de verklaring van [getuige 2] namens [organisatie] afdeling Dagbesteding:

Naast ons gebouw (aan de [straatnaam] te Appingedam) staat een kerkgebouw waarvan een kozijn is beschadigd, vernield. Ik heb gezien dat [verdachte] dit op 11 april 2017 deed met een scherp voorwerp. Hij is door mij hierop aangesproken.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt aan de hand van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat verdachte op 11 april 2017 het kozijn van een raam van het kerkgebouw aan de [straatnaam] te Appingedam met een voorwerp heeft gewrikt/geslagen, met het doel om geld uit het gebouw te pakken. Verdachte heeft het raam niet ver open gekregen en is gestopt met deze handelingen.
Op grond van de hiervoor vermelde omstandigheden, verwerpt de rechtbank het beroep op vrijwillige terugtred. Het voorgenomen misdrijf is slechts niet voltooid ten gevolge van, niet van de wil van de verdachte afhankelijke, omstandigheden, te weten dat verdachte het raam niet (ver genoeg) open kreeg. Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 4 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

2.

hij in de periode van 11 april 2017 tot en met 12 april 2017 in de gemeente Appingedam, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een auto (kenteken [nummer] ), toebehorende aan [organisatie] , heeft vernield;

3.

hij op 11 april 2017, in de gemeente Appingedam, meerdere malen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met de inhoud van een vuilniscontainer, welke vuilniscontainer was geplaatst op een terrein van [organisatie] afdeling dagbesteding, ten gevolge waarvan vuilnis in de container is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor die container, een dichtstbijzijnde schutting en schuur, te duchten was;

4.

Primair

hij op 11 april 2017, in de gemeente Appingedam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kerkgebouw gelegen aan de [straatnaam] , weg te nemen geld, toebehorende aan [organisatie] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of inklimming, met een scherp voorwerp tussen/op het kozijn van een raam van voornoemd gebouw heeft gewrikt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2. vernieling;

3. opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd;

4. primair: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak/inklimming.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden waarvan 4 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf moeten de algemene en bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals deze in het meest recente reclasseringsrapport staan opgenomen, inhoudende de meldplicht, klinische behandeling, begeleid wonen en een middelenverbod. De officier van justitie acht verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar en zij heeft hiermee rekening gehouden bij haar strafeis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman acht verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar. De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoon van verdachte en hetgeen door de reclassering is geadviseerd. Verdachte heeft hulp en begeleiding nodig, hij staat daar ook voor open. Een straf zoals door de officier van justitie is gevorderd acht de raadsman niet passend; hij heeft derhalve de rechtbank verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen stichten van brand in een vuilniscontainer die dicht bij een houten schutting stond. De inhoud van de container is verbrand en er is gevaar voor goederen ontstaan. Brandstichting is een ernstig misdrijf omdat als gevolg hiervan gevaarlijke en onbeheersbare situaties kunnen ontstaan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een autoruit en een poging tot inbraak.

De rechtbank overweegt dat een combinatie van de begane misdrijven in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 juli 2017, meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch rapport d.d. 8 juli 2017, opgemaakt door drs. J.M. de Jonge en drs. R.A. Jaarsma, GZ-psychologen. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in als conclusie: bij verdachte is en was ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake van een ziekelijke stoornis, namelijk een posttraumatische stressstoornis en verslavingsproblematiek, in het bijzonder cocaïnemisbruik. Daarnaast heeft verdachte een licht verstandelijke beperking, zowel in de mate van intelligentie als de mate van sociale zelfredzaamheid en is sprake van antisociale persoonlijkheidsproblematiek, echter niet leidend tot de diagnose persoonlijkheidsstoornis. Verdachte is door het bovenstaande beïnvloed en beperkt in zijn gedragskeuzes en gedragingen. Verdachte kan in die zin als verminderd toerekeningsvatbaar worden verklaard voor de ten laste gelegde feiten.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van verdachte en gelet op de onderbouwing van de voormelde conclusies van de deskundigen, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare. De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

In het psychologisch rapport is beschreven dat wanneer verdachte onder dezelfde omstandigheden structureel bij [organisatie] blijft het recidiverisico als hoog wordt geschat. Intensieve begeleiding en toezicht zou tot een lager recidiverisico kunnen leiden. Om het recidiverisico te verlagen wordt derhalve een plaatsing bij Trajectum geadviseerd voor beschermd wonen. Naast het psychologisch rapport houdt de rechtbank ook rekening met het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 16 augustus 2017. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat Trajectum de zorgvraag voor beschermd wonen heeft afgewezen omdat ze van mening zijn dat er voorliggende ernstige problematiek speelt waarvan onderzocht moet worden of deze eerst behandeld kan worden. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat het NIFP op het verzoek van de reclassering een aanvulling op het psychologisch rapport heeft gegeven waarin nu een kortdurende klinische behandeling, om enerzijds de leerbaarheid te onderzoeken en anderzijds een verantwoorde uitstroom naar beschermd wonen te kunnen realiseren en te voorkomen dat betrokkene op straat komt te staan, wordt geadviseerd. De reclassering adviseert derhalve de rechtbank aan een voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden te verbinden, zijnde een (kortdurende) klinische opname, alsmede een meldplicht, te zijner tijd beschermd wonen en een middelenverbod en controles daarop.

Gelet op de aard van de strafbare feiten, de persoon van verdachte, het recidiverisico en de gegeven adviezen, is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte begeleiding en toezicht toekomt. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op van na te noemen duur, waarvan een deel voorwaardelijk, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 26 augustus 2015, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 9 september 2015.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 18 augustus 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder 2, 3 primair en 4 bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 2 december 2016, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 17 december 2016.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 20 juli 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder 2, 3 primair en 4 bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormelde vonnissen gestelde algemene voorwaarden niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 26 augustus 2015 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en van de hem bij voornoemd vonnis van 2 december 2016 voorwaardelijk opgelegde taakstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 311, 350, 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 maanden voorwaardelijk, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op

3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich op afspraak meldt bij zijn toezichthouder van Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. In geval van verblijf in een kliniek of andere begeleide setting, moet veroordeelde meewerken aan en zich inzetten voor gesprekken met de toezichthouder op locatie;

2. dat de veroordeelde zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling maximaal 6 maanden in een SG-LVG instelling (voor mensen met een verstandelijke beperking) binnen de forensische zorg of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, laat opnemen teneinde zich te laten behandelen en begeleiden in verband met zijn persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling ten behoeve van door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven. Op 16 augustus 2017 is er door het IFZ een indicatie afgegeven voor kortdurende (maximaal 6 maanden) klinische behandeling;

3. dat de veroordeelde zal verblijven bij een instelling voor beschermd/begeleid wonen (24-uurs voorziening) vanaf het moment dat er voor hem een geschikte plek beschikbaar is, zulks ter beoordeling van de reclassering. Hierbij dient veroordeelde zich te houden aan het

(dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

4. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek. Voor zover dit niet gebeurt binnen begeleide settingen waar hij verblijft, zal de reclassering hem daarop controleren.

Draagt Reclassering Nederland op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 8 september 2017.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/101951-15:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 26 augustus 2015, te weten: 1 maand gevangenisstraf.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/186942-16:

Gelast de tenuitvoerlegging van de taakstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 2 december 2016, te weten: 100 uren taakstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en mr. M.J.B. Holsink, rechters, bijgestaan door mr. M.C. Nijboer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 september 2017.