Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3497

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
18/930028-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een minderjarige verdachte veroordeeld wegens brandstichting, twee bedreigingen en vernieling tot een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren met algemene en bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a, geldigheid: 2016-01-01
Wetboek van Strafrecht 77g, geldigheid: 2015-11-17
Wetboek van Strafrecht 77m, geldigheid: 2016-01-01
Wetboek van Strafrecht 77n, geldigheid: 2002-04-01
Wetboek van Strafrecht 77x, geldigheid: 2016-01-01
Wetboek van Strafrecht 77y, geldigheid: 2015-11-17
Wetboek van Strafrecht 77z, geldigheid: 2015-01-01
Wetboek van Strafrecht 77aa, geldigheid: 2015-01-01
Wetboek van Strafrecht 77gg, geldigheid: 2009-07-01
Wetboek van Strafrecht 157, geldigheid: 2011-12-31
Wetboek van Strafrecht 285, geldigheid: 2010-04-01
Wetboek van Strafrecht 350, geldigheid: 2012-10-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/930028-17

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/840000-17 en 18/840044-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 september 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten terechtzitting van

24 augustus 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Allersma, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.T. Brouwer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18/930028-17 (hierna te noemen zaak A) ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 december 2016 te Veendam opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met deodorant en/of haarlak, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een bed geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan en

- daarvan gemeen gevaar voor de slaapkamer en/of woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of

- daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1], in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

In de zaak met parketnummer 18/840000-17 (hierna te noemen zaak B) is aan verdachte ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 14 februari 2017 te [pleegplaats], [slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik steek je neer. Ik steek jou je moeder en kanker kind dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

In de zaak met parketnummer 18/840044-17 (hierna te noemen zaak C) is, na wijziging van de tenlastelegging, aan verdachte ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Groningen [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik ga dat niet doen, anders steek ik het mes door je strot”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk

- een zitbank,

- een waterkoker,

- meerdere ruiten,

- een keramisch kooktoestel,

- een combimagnetron,

- meerdere beeldschermen,

- een handdoekapparaat,

- een televisie,

- meerdere spiegels,

- servies,

- een dweilstok en/of

- wanddecoratie,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stichting Het Poortje, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het in zaak A, zaak B en zaak C onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak A en zaak C onder 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het opzet in beide feiten ontbreekt. Met betrekking tot de brandstichting (zaak A) is er wel een aanmerkelijke kans op het intreden van het gevolg, maar verdachte heeft deze kans niet willens en wetens aanvaard. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet heeft beseft dat het uit de hand kon lopen. Het opzet op vernieling (zaak C onder 2) is lastig vast te stellen door de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de onbekende invloed van nieuwe medicatie. De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het in zaak B en zaak C onder 1 ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

Zaak A

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. de door verdachte op de terechtzitting van 24 augustus 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

De steekvlam op het filmpje dat ik die ochtend heb gezien, werd buiten gemaakt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 december 2016, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016342712 d.d. 13 januari 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4]:

Op 4 december 2016 was mijn zoon [verdachte] bij mij thuis in Veendam. Rond 10:40 uur was [verdachte] boven. Mijn dochter [slachtoffer 1] lag nog te slapen op de zolder. Ik ging aan de tafel in de woonkamer zitten. Na ongeveer 10 minuten kwam [verdachte] naar beneden gerend. Ik hoorde [verdachte] roepen: “Er is brand want ik wilde gaan douchen! Er is brand op jullie kamer”, of woorden van gelijke strekking. Ik rende naar boven. Ik deed mijn slaapkamerdeur open en ik zag vuur op het voeteneind van ons bed, ik zag vlammen van ongeveer een halve meter hoog. Het bed zag er normaal uit zoals ik hem achter had gelaten die ochtend. Op het computermeubel stond haarlak. Aan de zijde van mijn man lag een aansteker op het nachtkastje.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 15 februari 2017, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

V: Wat gebeurde er op zondag?

A: Ik ging naar boven, naar m'n moeders slaapkamer. Ik ging gewoon kloten, spuiten met aansteker ervoor. Ik zat toen op het dekbed.

V: Op welk moment bedenk jij, ik ga naar boven, ik ga naar m'n moeders slaapkamer, en

ik ga met vuur spelen?

A: Ik zat eerst gewoon op m'n telefoon, toen zag ik een filmpje voorbij komen en dat wilde ik nadoen. Dat is niet helemaal gelukt.

V: Toen je dat filmpje zag, waar was je toen?

A: Op de slaapkamer van m'n moeder.

V: Wat heb je toen gepakt?

A: Aansteker. Ik heb ook deodorant gepakt, en haarlak of zo, een van die twee. Die lagen daar.

V: Wat kon je ermee, met die deodorant?

A: Als je gaat spuiten en aansteken, dan dikke steekvlam.

V: Hoe ging het dan, als je de aansteker indrukt.

A: Dan doe je spuit ervoor en woei. Toen ben ik gaan douchen. Toen rook ik iets, toen ging ik terug, toen was heel die dekbed in de vuur. In de fik zeg maar gewoon.

V: Als jij dan gaat kijken, wat zie je dan?

A: Gewoon een (1) vuurbal. Op het bed van de slaapkamer.

V: Dus het kon niet anders, dan dat het door jou gekomen was?

A: Kwam door mij.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 13 december 2016, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verbalisant:

Op zondag 4 december 2016 werd door mij een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een mogelijke brandstichting, gepleegd op zondag 4 december 2016. De betreffende slaapkamer was zwart beroet. In de tuin aan de achterzijde van perceel [straatnaam] te Veendam werden door mij het bed en brandresten aangetroffen. Deze goederen waren door de brandweer naar buiten/beneden gegooid. Door mij werd het tweepersoons bed ter plaatse weer aan elkaar gezet. Gezien de inbranding en de resten van het matras had het “voeteneind” en het midden van het bed het meest gebrand.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 december 2016, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verbalisant:

Ik heb vandaag tijdens een aangifte van brandstichting foto's gemaakt van de telefoon van aangeefster [slachtoffer 4]. Ik zie dat de berichten die binnenkomen op de telefoon afkomstig zijn van een Facebookaccount met de naam '[naam]'. Voor de overzichtelijkheid noem ik dit account hierna '[verdachte]'. Ik zie dat er ook berichten zijn verzonden vanaf de telefoon van [slachtoffer 4]. Dit account noem ik hierna '[slachtoffer 4]'. Hieronder volgt het gesprek zoals ik het op de telefoon van [slachtoffer 4] heb gezien:

[verdachte]: Ik dee haarlak op me hand en het fikte Toen maakte ik het Uit op de deken maar hat niet geziwn dat fikte

Ik heb op de telefoon van [slachtoffer 4] de profielfoto van [verdachte] vergroot. Ik hoorde [slachtoffer 4] zeggen dat de jongen op de profielfoto haar zoon [verdachte] was.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte in de slaapkamer van zijn moeder een filmpje op zijn telefoon heeft bekeken waarin vertoond werd hoe een steekvlam wordt veroorzaakt met (de inhoud van) een spuitbus en een aansteker. Na het zien van het filmpje zag verdachte een spuitbus met haarlak en een aansteker liggen en heeft hij direct de handeling in het filmpje geïmiteerd. Verdachte zat op dat moment op het bed. Door deze gedraging is een steekvlam ontstaan waarbij de haarlak, die op de hand van verdachte terecht was gekomen, is gaan branden. Verdachte heeft dit vuur proberen te doven op de deken. Vervolgens is verdachte naar de douche gelopen. Toen hij daar op een gegeven moment een brandlucht rook, is hij teruggelopen naar de slaapkamer. Daar zag verdachte dat het dekbed in brand stond. Het bed is hierdoor gedeeltelijk verbrand.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte opzet heeft gehad op brandstichting. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte de bedoeling had om vuur te maken door het houden van open vuur bij de inhoud van een spuitbus, een voorwerp dat daartoe niet bestemd is.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft stilgestaan bij de uiteindelijke gevolgen die deze handeling kon hebben. Nu het opzet bij dit delict, behalve op het vuur maken zelf, mede gericht dient te zijn op de gevaarzetting van de handeling die het vuur heeft veroorzaakt, dient de vraag te worden beantwoord of verdachte, nu hij daarmee vol opzet ontkent, voorwaardelijk opzet heeft gehad op dit onderdeel van brandstichting.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de ontstane brand – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De kans op het ontstaan van een dergelijke brand door de handelwijze van verdachte, te weten het in huis, zittend op een bed, veroorzaken van een steekvlam door het houden van een aansteker bij haarlak uit een spuitbus, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Verdachte heeft op het filmpje gezien dat het houden van een aansteker bij een spuitbus met haarlak een steekvlam veroorzaakt en hij heeft deze handeling binnenshuis, zeer dicht bij brandbaar materiaal verricht zodat hij zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat hierdoor brand zou ontstaan in de slaapkamer.

De rechtbank oordeelt derhalve dat het vuur maken van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer op brandstichting gericht is dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Het in zaak A tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat het opzet van verdachte ontbreekt in verband met zijn psychische gesteldheid, overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan van het ontbreken van opzet vanwege een geestelijke stoornis slechts sprake zijn als bij de dader ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbreekt. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.1 Drs. S.L. Ladan, GZ-psycholoog, heeft in haar rapportage d.d. 5 juli 2017 slechts geconcludeerd tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid. Er zijn geen andere aanknopingspunten voor het ontbreken van ieder inzicht. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Nu de brand is ontstaan in de slaapkamer van de woning, is er gevaar te duchten geweest voor de slaapkamer en de rest van de woning. Het vuur had zich in de woning eenvoudig kunnen uitbreiden door de ruime aanwezigheid van brandbaar materiaal. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor [slachtoffer 1]. Zij sliep op dat moment op de zolderverdieping welke boven de verdieping lag waar de brand is ontstaan. Voor verdachte waren deze gevaren voorzienbaar.

Zaak B

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna in zaak B bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 augustus 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 februari 2017, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017040678 d.d. 16 februari 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2].

Zaak C onder 1

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna in zaak C onder 1 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 augustus 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 april 2017, opgenomen op pagina 41 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017154077 d.d. 14 juni 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3].

Zaak C onder 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. de door verdachte op de terechtzitting van 24 augustus 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb op 25 april 2017 in Het Poortje de ten laste gelegde goederen vernield.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 april 2017, opgenomen op pagina 9 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017154077 d.d. 14 juni 2017, inhoudende als verklaring van [getuige], namens Stichting het Poortje:

Ik ben afdelingsmanager bij Het Poortje te Groningen en als zodanig bevoegd om aangifte te doen. Vandaag ben ik op de hoogte gesteld door personeelsleden dat [verdachte], een van onze bewoners, vernielingen had aangericht op de groep roze. Ik ben gaan kijken op de betreffende groep en ik zag, dat werkelijk alles op de groep vernield was. Uiteraard is aan [verdachte] geen toestemming gegeven om de vernielingen te plegen. Het volgende is vernield:

- 9 ruiten

- 1 volledig keramisch kooktoestel

- 1 combimagnetron

- 2 computerbeeldschermen

- 1 handdoekapparaat

- 1 kleurentelevisie

- 2 spiegels

- 3 eetborden

- diverse kopjes

- 1 dweilstok

- 1 wanddecoratie

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 april 2017, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige], namens Stichting het Poortje:

Op 25 april 2017 heb ik aangifte gedaan namens Het Poortje. Later op de dag kreeg ik van personeelslid [slachtoffer 3] te horen, dat [verdachte] ook de ruit van zijn eigen kamer er volledig uit heeft geslagen of geschopt. [slachtoffer 3] heeft gezien dat de restanten van de ruit beneden in de tuin lagen. Van deze vernieling doe ik nu namens Het Poortje aangifte. Uiteraard is er door niemand toestemming gegeven aan [verdachte] om de ruit van zijn kamer te vernielen.

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 april 2017, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik heb iets van de muur getrokken en dat heb ik op de grond gegooid, een kookplaat kapot gemaakt, ook een magnetronoven en bijna alle ramen heb ik kapot gemaakt en 2 ramen zijn er helemaal uit. Ik heb gewoon alles wat ik kapot kon maken heb ik kapot gemaakt.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Uit voorgaande bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte opzet heeft gehad op het vernielen, beschadigen en/of onbruikbaar maken van de goederen. Hoewel de rapportage van de psycholoog niet ziet op dit feit, kan uit de algemene bewoordingen met betrekking tot de ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkelingen van de geestvermogens van verdachte en de invloed daarvan op het handelen van verdachte geen aanwijzing worden gevonden dat bij verdachte in dit geval ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Ook de informatie met betrekking tot de invloed van de medicatie is onvoldoende om aan voornoemd criterium te voldoen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in zaak A, zaak B en zaak C onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Zaak A

hij op 4 december 2016 te Veendam opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met haarlak, ten gevolge waarvan een bed gedeeltelijk is verbrand en

- daarvan gemeen gevaar voor de slaapkamer en woning te duchten was en

- daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] te duchten was;

Zaak B

hij op 14 februari 2017 te Enumatil [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik steek je neer. Ik steek jou je moeder en kanker kind dood”;

Zaak C

1.

hij op 25 april 2017 te Groningen [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik ga dat niet doen, anders steek ik het mes door je strot”;

2.

hij op 25 april 2017 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk

- een zitbank,

- een waterkoker,

- meerdere ruiten,

- een keramisch kooktoestel,

- een combimagnetron,

- meerdere beeldschermen,

- een handdoekapparaat,

- een televisie,

- meerdere spiegels,

- servies,

- een dweilstok en/of

- wanddecoratie,

toebehorende aan Stichting Het Poortje, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A

Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Zaak B

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Zaak C

1. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

2. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen en/of onbruikbaar maken.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in zaak A, zaak B en zaak C onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Voorts heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd indien de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, in aansluiting op het standpunt van de raadsman.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een voorwaardelijke werkstraf. De raadsman heeft voorts gepleit voor het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de bijzondere voorwaarden indien de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toewijst.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in de woning van zijn moeder, waarbij gevaar voor de slaapkamer en de woning te duchten is geweest. Ook is er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten geweest voor de zus van verdachte. Door de brandstichting is schade ontstaan in de slaapkamer. Brandstichting is een ernstig feit door de gevaarzettendheid ervan en het zorgt voor gevoelens van onveiligheid en angst niet alleen bij de bewoners van de woning, maar ook bij de samenleving als geheel.

Daarnaast heeft verdachte twee keer een begeleider van de instelling waar hij op dat moment verbleef bedreigd met de dood. Verdachte heeft deze begeleiders veel angst aangejaagd.

Voorts heeft verdachte de inrichting van het leefgedeelte van de Wilster, waar hij op dat moment verbleef, grotendeels vernield. Kennelijk door de manier waarop verdachte is tekeer gegaan, hebben de begeleiders niet ingegrepen. Verdachte heeft hiermee geen respect voor andermans eigendommen getoond en veel schade veroorzaakt.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op en de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 5 juli 2017, opgemaakt door drs. S.L. Ladan, GZ-psycholoog. De conclusie van het rapport luidt ten aanzien van zaak A en zaak B, zakelijk weergegeven, dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een matig ernstige verstandelijke beperking, een ernstige aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis en een ontremd-sociaalcontactstoornis. De psycholoog acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen, gelet op de onderbouwing daarvan, en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. Hoewel de psycholoog niet heeft gerapporteerd met betrekking tot zaak C, oordeelt de rechtbank overeenkomstig met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte nu de in de rapportage beschreven problematiek van verdachte ontwikkelingsproblematiek betreft met een chronisch karakter die ook ten tijde van zaak C onverkort aanwezig was. Het bewezenverklaarde in zaak C kan verdachte derhalve ook in verminderde mate worden toegerekend.

De psycholoog schat de kans op gewelddadige recidive in als matig tot hoog. Zij adviseert een voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde toezicht en begeleiding van jeugdreclassering. Ook acht zij het van belang dat verdachte weer dagbesteding krijgt.

Tevens houdt de rechtbank rekening met de ter terechtzitting gegeven toelichting door

[naam], jeugdreclasseerder bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSSjbjr). De jeugdreclasseerder heeft aangegeven dat het belangrijk is dat verdachte weer bij zijn moeder kan wonen en dat hij een dagbesteding krijgt, zodat hij structuur en duidelijkheid krijgt waarbij er ook een ‘noodplan’ wordt opgesteld. Nu hieromtrent nog geen definitieve beslissingen zijn genomen door de betrokken deskundigen kan nog niet precies worden vastgesteld welke hulpverlening voor verdachte nodig is. Geadviseerd wordt dus toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering als voorwaarde op te nemen, zodat in een latere fase kan worden bekeken wat ingezet moet worden aan hulpverlening/begeleiding.

De jeugdreclassering ziet een onvoorwaardelijke werkstraf als een te grote belasting voor verdachte. Een voorwaardelijke werkstraf kan wel als stok achter de deur worden opgelegd.

Uit de toelichting van de medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) ter terechtzitting volgt dat de Raad zich aansluit bij het advies van de reclassering omtrent de oplegging van een voorwaardelijke werkstraf met als bijzondere voorwaarde toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de rapportages van de Raad d.d. 3 augustus 2017 en 13 maart 2017.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, een first offender is.

Gelet op voornoemde adviezen en het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld, zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke werkstraf opleggen, met daaraan gekoppeld de na te noemen bijzondere voorwaarden.

Benadeelde partij

Stichting Het Poortje Jeugdinrichtingen heeft zich ten aanzien van zaak C onder 2 als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.058,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toegewezen kan worden, met aftrek van de afschrijvingskosten van het bankstel à 3 keer 17%. Het resterende bedrag ter hoogte van € 8236,86 kan toegewezen worden. Tevens heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat - mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van het ten laste gelegde in zaak C onder 2 - de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien deze een onevenredige belasting voor het strafgeding betreft. Ten eerste is er geen sprake van een onrechtmatige daad. De zorgplicht van Het Poortje jegens verdachte en daarmee de problematiek van de Garantenstellung in het civiele recht spelen daar een grote rol in. Daarmee kan verdachte niet aansprakelijk worden gesteld voor het gehele bedrag, nu naar de mening van de raadsman sprake is van medeschuld van Het Poortje.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de gevoerde verweren door de verdediging, zal de beoordeling van de schade naar het oordeel van de rechtbank leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde. Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder in zaak A, zaak B en zaak C onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 40 uren.

Bepaalt dat deze werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Stelt als algemene voorwaarden:

a. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

b. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

c. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij de WSSjbjr, telefoonnummer 088 - 5260000, en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde zich houdt aan aanwijzingen van de reclassering, daaronder begrepen de aanwijzingen omtrent het volgen van dagbesteding en mentorschap.

Draagt voornoemde instelling op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van zaak C onder 2:

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij Stichting Het Poortje Jeugdinrichtingen niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.B. Holsink, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. P.H.M. Smeets en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 september 2017.

1 Zie daartoe bijvoorbeeld HR 9 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2775).