Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3482

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 663
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:9736, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MRB. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om toepassing van het verlaagde tarief op grond van artikel 24a van de Wet MRB terecht afgewezen. Ook de beroepen op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel slagen niet. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/3075
V-N 2018/283
V-N 2018/10.19.12
Viditax (FutD), 22-12-2017
FutD 2018-0074
NTFR 2018/260 met annotatie van Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/663

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 september 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/CA, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Bij beschikking van 31 oktober 2016 heeft verweerder het verzoek van eiseres om toepassing van het verlaagde bestelautotarief van artikel 24a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet Mrb) afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 januari 2017 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en de heer [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiseres is vanaf 7 oktober 2016 houder van motorrijtuig merk Citroën, type Berlingo, met het kenteken [##-***-#] .

1.2.

Eiseres heeft voor het onder 1.1 vermelde motorrijtuig op 4 oktober 2016 een verzoek ingediend voor toepassing van het verlaagde bestelautotarief voor gehandicapten.

1.3.

Als gevolg van niet aangeboren hersenletsel worden visuele en auditieve prikkels bij eiseres onvoldoende gefilterd waardoor deze in hoge mate een negatieve invloed op het denken en handelen van eiseres hebben. Eiseres maakt gebruik van een bestelauto om de visuele en auditieve prikkels zoveel mogelijk buiten te sluiten.

1.4

Tot de stukken van het geding behoort een adviesrapport inzake de Wet maatschappelijke ondersteuning van [a consult] , opgesteld door medisch adviseur/arts [arts] op 6 juni 2016. In dit rapport wordt geconcludeerd dat er voor eiseres een medische noodzaak tot het gebruik van de eigen auto bestaat voor alle vervoer.

1.5

Verweerder heeft bij beschikking van 31 oktober 2016 het verzoek van eiseres om toepassing van het verlaagde bestelautotarief van artikel 24a van de Wet Mrb afgewezen.

Geschil en beoordeling

2.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres in aanmerking komt voor het verlaagde tarief als bedoeld in artikel 24a van de Wet Mrb.

2.2.

Eiseres is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres er op gewezen dat de ratio van de bepaling is dat een gehandicapte die vanwege zijn of haar handicap geen gebruik kan maken van een gewone personenauto maar is aangewezen op het gebruik van een bestelauto, zodanig gecompenseerd moet worden dat hij of zij niet duurder uit is dan iemand zonder handicap die van een personenauto gebruik kan maken. Eiseres stelt dat zij door haar handicap even afhankelijk is van een bestelauto om zich te verplaatsen als een gehandicapte met een omvangrijk of zwaar hulpmiddel. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat afwijzing van haar verzoek in strijd is met het gelijkheidsbeginsel aangezien eiseres, net als gehandicapten die een omvangrijk of zwaar hulpmiddel moeten vervoeren, de bestelauto heeft aangekocht vanwege haar handicap.

2.3.

Verweerder is van mening dat de in 2.1. genoemde vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Verweerder stelt dat het verlaagde tarief alleen van toepassing is voor een bestelauto die is ingericht en wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte persoon in de cabine en voor het gelijktijdige vervoer van een omvangrijk of zwaar hulpmiddel ten behoeve van die persoon. Aangezien eiseres de bestelauto niet gebruikt voor het vervoer van een hulpmiddel, voldoet eiseres niet aan de voorwaarden van artikel 24a van de Wet Mrb. Met betrekking tot eiseres’ beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verweerder gesteld dat er geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld.

3.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 24a van de Wet Mrb kan verweerder op verzoek de belasting naar een in dat artikel genoemd tarief heffen voor een bestelauto die is ingericht en wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapt persoon in de cabine en voor het gelijktijdige vervoer van een niet-opvouwbare rolstoel ten behoeve van die persoon onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen.

3.2.

Artikel 24a van de Wet Mrb is in de Wet Mrb opgenomen bij wet van 16 december 2004, Belastingplan 2005, 29767, Stb. 2004, 653. Daarbij zijn de Wet Mrb en de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 gewijzigd, waardoor enerzijds particuliere houders van bestelauto’s niet langer de fiscale voordelen van de aankoop en het houden van een bestelauto genieten en anderzijds regelingen zijn getroffen waardoor onder voorwaarden het fiscale voordeel voor gehandicapten die zijn aangewezen op het gebruik van een bestelauto, behouden blijft.

3.3.

In de Memorie van Toelichting bij het Belastingplan 2005 (Kamerstukken II 2004-2005, 29767, nr. 3, blz. 15) is het volgende vermeld:

“(…) In deze memorie is opgemerkt dat voor gehandicapten die voor hun vervoer zijn aangewezen op een bestelauto, een compensatiemaatregel wordt getroffen. Deze maatregel, zoals in goed overleg afgestemd met de bij de uitvoering ervan betrokken organisaties, waaronder de Chronisch zieken en gehandicaptenraad en Auto Aanpassers Nederland (A.A.N.), zijn als volgt (afzonderlijke onderdelen van de regeling worden toegelicht in de artikelsgewijze toelichting).

(…).

De gehandicapte wordt voor de motorrijtuigenbelasting voorts niet belast naar het tarief dat vanaf 1 januari a.s. voor personenauto’s geldt, maar naar een verlaagd tarief, te weten het tarief dat nu voor bestelauto’s geldt.

Om voor compensatie in aanmerking te komen, moet worden aangetoond dat de gehandicapte persoon voor het eigen vervoer afhankelijk is van een bestelauto waarin ook de rolstoel wordt vervoerd en zal de door hem of haar gebruikte auto in verband met de rolstoel aan inrichtingseisen moeten voldoen.”

3.4.

De staatssecretaris van Financiën heeft bij de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2007, 30804, nr. 8, blz. 43, op vragen van Kamerleden het volgende opgemerkt:

“10.2 Grijs kenteken voor burgers met handicap


Verder vragen deze leden of het wenselijk is de vrijstelling van MRB, die nu openstaat voor gehandicapten die een bestelwagen rijden die is aangepast aan het vervoer van een rolstoel, open te stellen voor alle auto’s van gehandicapten die voor hun vervoer in hoofdzaak zijn aangewezen op hun auto.

De bestaande faciliteit voor gehandicapten is uitsluitend in de wet opgenomen als compensatie voor het afschaffen van het grijze kenteken voor bestelauto’s. De regeling ziet expliciet op gehandicapten die door hun handicap voor het gelijktijdig vervoer van zichzelf en een omvangrijk of zwaar hulpmiddel zijn aangewezen op het gebruik van een bestelauto.”

3.5.

Uit het voorgaande volgt dat de wetgever heeft bepaald dat voor de tegemoetkoming in de vorm van een verlaagd tarief voor de motorrijtuigenbelasting op grond van artikel 24a van de Wet Mrb een dubbele eis geldt. Deze wettelijke regeling geldt uitsluitend voor gehandicapten die door hun handicap voor het gelijktijdig vervoer van zichzelf en tevens voor het vervoer van een omvangrijk of zwaar hulpmiddel zijn aangewezen zijn op het gebruik van een bestelauto.

3.6.

Vaststaat dat eiseres gehandicapt is door niet aangeboren hersenletsel en in een bestelauto rijdt om auditieve en visuele prikkels zoveel mogelijk buiten te sluiten. Zij maakt echter geen gebruik van de bestelauto voor het gelijktijdig vervoer van zichzelf en een omvangrijk of zwaar hulpmiddel. Eiseres voldoet daarmee niet aan de door de wetgever gestelde dubbele eis voor toepassing van het verlaagde tarief van artikel 24a van de Wet Mrb. Verweerder heeft gelet op het voorgaande het verzoek van eiseres dan ook terecht afgewezen.

4. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht de situatie van eiseres feitelijk niet gelijk aan de situatie van een gehandicapte die voor het gelijktijdig vervoer van zichzelf en een omvangrijk of zwaar hulpmiddel is aangewezen op het gebruik van een bestelauto aangezien eiseres een dergelijk hulpmiddel niet hoeft te vervoeren. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

5.
Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel door te stellen dat zij voor een eerdere bestelauto wel toepassing van het verlaagde tarief heeft gekregen overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft deze stelling van eiseres ter zitting voldoende gemotiveerd bestreden door er op te wijzen dat deze eerdere bestelauto, in tegenstelling tot de onderhavige bestelauto, onder de overgangsregeling viel en dat daarom destijds het verlaagde tarief van toepassing was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

6. Gelet op het in 3.6., 4. en 5. overwogene heeft verweerder het verzoek van eiseres om toepassing van het verlaagde tarief op grond van artikel 24a van de Wet Mrb terecht afgewezen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van L.S. Langius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2017.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.