Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3481

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
18/730119-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden heeft op 27 juli 2017 een 43-jarige man uit Leeuwarden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden wegens een beschadiging en vier diefstallen, waarvan een diefstal gevolgd door geweld nadat de man was betrapt door een winkelbediende.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2008-02-01
Wetboek van Strafrecht 310, geldigheid: 2010-07-01
Wetboek van Strafrecht 312, geldigheid: 2008-01-01
Wetboek van Strafrecht 350, geldigheid: 2012-10-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730119-17

ter berechting gevoegd parketnummer 18/730048-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/820064-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 september 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 augustus 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.R. Ytsma, advocaat te Haarlem.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Supèr.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 maart 2017 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles Wodka, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijfsnaam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] (medewerker van [bedrijfsnaam 1] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte (na te zijn betrapt op die wederrechtelijke toe-eigening en) nadat hij door die [slachtoffer 1] was vastgepakt (ten einde verdachte aan te houden en/of aan de politie over te dragen), zich heeft losgerukt en die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Ik ga je prikken, ik ga je prikken!" en/of die [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschopt en/of geduwd en/of slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of (daarbij) een multitool (met een uitgeklapt mes(je)) ter hand heeft genomen, althans aanwezig heeft gehad;

2. parketnummer 18/730048-17

hij op of omstreeks 16 augustus 2016 te Leeuwarden (in/uit een winkelpand van

de [bedrijfsnaam 2] , gelegen aan of bij de [straatnaam] ) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met inhoud, te weten onder meer een paspoort en/of een bankpas (van de Rabobank) en/of een OV-chipkaart en/of een telefoontoestel (van het merk Samsung) en/of een ziekenfondskaart en/of twee portemonnees met inhoud, te weten ongeveer 45 euro, en/of een huissleutel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3. parketnummer 18/730048-17

hij op of omstreeks 2 september 2016 te Leeuwarden, in/uit een winkelpand, gelegen aan of bij de [straatnaam] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere donuts, althans etenswaar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijfsnaam 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4. parketnummer 18/730048-17

hij op of omstreeks 2 september 2016 te Leeuwarden in een winkelpand van de [bedrijfsnaam 2] , gelegen aan of bij de [straatnaam] , opzettelijk en wederrechtelijk een pak met appelflappen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijfsnaam 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

5. parketnummer 18/730048-17

hij op of omstreeks 2 september 2016 te Leeuwarden in een winkelpand van de [bedrijfsnaam 2] , gelegen aan of bij de [straatnaam] , [slachtoffer 3] (verkoopmedewerker van winkelbedrijf [bedrijfsnaam 2] ) heeft mishandeld door (met kracht) die [slachtoffer 3] een arm om de nek/hals te slaan en/of (vervolgens) die [slachtoffer 3] naar beneden/achteren te trekken/werpen en/of (met kracht) die [slachtoffer 3] tegen een toegangspoort/hek te duwen;

6. parketnummer 18/730048-17

hij op of omstreeks 3 februari 2016 te Leeuwarden in/uit een winkelpand van de [bedrijfsnaam 3] , gelegen aan of bij [straatnaam] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoontoestel (van het merk Apple, type Iphone 7 Plus), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijfsnaam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1., 2., 3., 4., 5. en 6. ten laste gelegde gevorderd. Ten aanzien van de onder 5. ten laste gelegde mishandeling heeft de officier van justitie aangevoerd dat aangever [slachtoffer 3] weliswaar bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij geen pijn heeft gehad, maar het ten laste gelegde desondanks bewezen kan worden op basis van de verklaring van [slachtoffer 3] bij de politie in combinatie met de verklaring van verdachte inhoudende dat hij [slachtoffer 3] heeft geduwd.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat de bedreiging met geweld door te zeggen "ik ga je prikken" niet bewezen kan worden, nu alleen aangever hierover heeft verklaard. Voor het overige kan het onder 1. ten laste gelegde bewezen worden.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2., 3. en 5. ten laste gelegde. Met betrekking tot de onder 2. ten laste gelegde diefstal van de tas van aangeefster [slachtoffer 2] heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte de tas in opdracht van iemand anders heeft gepakt en in de veronderstelling verkeerde dat hij de tas aan de rechtmatige eigenaresse gaf.

Het onder 3. ten laste gelegde kan niet bewezen worden omdat uit het feit dat verdachte werd gevraagd te laten zien wat hij onder zijn jas had, kan te worden afgeleid dat aangever [naam] en getuige [naam] kennelijk niet hebben gezien dat verdachte een pak donuts onder zijn jas had. De onder 5. ten laste gelegde mishandeling kan niet bewezen worden gelet op het feit dat aangever [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij geen pijn heeft ondervonden van het handelen van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de onder 1. ten laste gelegde diefstal gevolg door geweld en bedreiging met geweld bewezen verklaren gelet op de nader op te nemen bewijsmiddelen. De aangifte van [slachtoffer 1] wordt op nagenoeg alle onderdelen bevestigd door andere bewijsmiddelen. Dat er niemand anders is die heeft gehoord dat verdachte tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd "ik ga je prikken", staat niet in de weg aan bewezenverklaring van dit onderdeel. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding te twijfelen aan de verklaring(en) van [slachtoffer 1] en wordt bovendien in haar overtuiging gesterkt door het feit dat verdachte heeft verklaard aangever bang te hebben gemaakt en dat hij een multitool met daarin een mesje bij zich had.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde is de rechtbank voor oordeel dat dit feit bewezen kan worden gelet op de nader op te nemen bewijsmiddelen. Het door verdachte geschetste alternatieve scenario inhoudende dat er - kennelijk net nadat aangeefster [slachtoffer 2] haar tas in de [bedrijfsnaam 2] was kwijtgeraakt - een (andere) vrouw buiten de [bedrijfsnaam 2] aan hem had gevraagd om haar tas bij de balie van die [bedrijfsnaam 2] op te halen, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de onder 5. ten laste gelegde mishandeling niet bewezen kan worden. Om in casu tot een bewezenverklaring te komen is pijn (of letsel) bij aangever [slachtoffer 3] vereist. Dit zou weliswaar op grond van onder meer de aangifte van [slachtoffer 3] wettig bewezen kunnen worden, maar nu [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris uitdrukkelijk heeft verklaard geen pijn te hebben ondervonden door het handelen van verdachte, ontbreekt het de rechtbank aan de overtuiging dat daadwerkelijk sprake was van pijn bij [slachtoffer 3] . Verdachte zal daarom van de onder 5. ten laste gelegde mishandeling worden vrijgesproken.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Feit 1

1. De door verdachte op de terechtzitting van 22 augustus 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb op 24 maart 2017 een fles Wodka weggenomen bij de [bedrijfsnaam 1] in Leeuwarden. Ik was niet van plan om voor de fles te betalen en liep met de fles naar buiten. De medewerker van [bedrijfsnaam 1] wilde de fles terug en pakte me vast, waarop ik mezelf heb losgerukt. Ik heb de man wel wat bang gemaakt. Ik had een multitool bij me waar een mesje in zat.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 maart 2017, opgenomen op pagina 23 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017075643 d.d. 10 april 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Vandaag, vrijdag 24 maart 2017, was ik werkzaam in de [bedrijfsnaam 1] in Leeuwarden. Ik zag dat een man voor een display stilstond. Ik zag dat de man met beide handen achter zijn rug bezig was. Ik zag dat er een fles wodka van de display weg was. Ik heb tegen de man gezegd dat ik de fles wodka terug wilde. Ik hoorde de man tegen mij zeggen dat ik hem aan het discrimineren was. Ik heb tegen hem gezegd dat ik de politie ging bellen. Ik zag dat de man richting de uitgang liep. Ik heb de man toen vastgepakt met een hand bij zijn jas en gevraagd of hij zich wilde omdraaien. Buiten de winkel hoorde ik de man tegen mij zeggen "Ik ga je prikken, ik ga je prikken!" Ik zag dat de man mij schopte. Ik voelde dat hij mij op de kont raakte. Op het moment dat de man mij raakte viel de fles wodka en een mes op de grond. Later bleek dit mes een multitool te zijn waarvan het mes uit was.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 5 april 2017, opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] :

Bij de ingang van de [bedrijfsnaam 1] zag ik de kassier en een donkergekleurde man. Ik begreep dat de kassier tegen de man zei dat hij iets gestolen had. Ik zag dat de kassier de man bij zijn jas pakte en met hem naar buiten liep. Ik heb de zwarte man bij zijn jas gepakt, op het moment dat ik dat deed viel een fles alcohol op de grond en op hetzelfde moment viel ook een zakmes op de grond. De kassier probeerde op dat moment naar binnen te lopen. De zwarte man probeerde hem tegen te houden en ik zag dat hij de kassier schopte. Op dat moment pakte de kassier de zwarte man bij de handen en schopte de zwarte man hem. Ik zag dat hij hem ergens op de billen raakte.

Feit 2

1. De door verdachte op de terechtzitting van 22 augustus 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was op 16 augustus 2016 in de [bedrijfsnaam 2] gevestigd aan de [straatnaam] te Leeuwarden.

Ik heb een tas van de balie meegenomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 augustus 2016, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017031747 d.d. 4 februari 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik doe hierbij aangifte van diefstal van mijn handtas met inhoud. Vandaag 16 augustus 2016 was ik in de [bedrijfsnaam 2] aan de [straatnaam] te Leeuwarden. Ik wilde een winkelkarretje pakken en zette mijn handtas bovenop de karretjes om zo een muntje uit mijn tas te kunnen pakken. (..) Op de broodafdeling ontdekte ik dat ik mijn handtas niet meer bij me had. Ik heb dit gemeld bij de informatiebalie van de [bedrijfsnaam 2] . Het personeel vertelde mij dat een man mijn tas had gestolen vanaf de balie in de winkel.

In mijn tas had ik mijn paspoort, bankpas van de Rabobank, OV chipkaart met buskaart, mobiele telefoon van het merk Samsung, een ziekenfondskaart, twee portemonnees met ongeveer 45 euro aan contact geld en mijn huissleutel.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2017, opgenomen op pagina 22 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Op de camerabeelden van 16 augustus 2016 van de [bedrijfsnaam 2] aan de [straatnaam] zag ik het volgende. Verdachte [verdachte] verlaat de winkel. [verdachte] gaat in de nabijheid van de ingang staan en kijkt in de richting van de servicebalie. Een onbekende vrouw loopt zonder tas naar de winkelwagens. De onbekende vrouw komt weer in beeld met een witte damestas welke zij op de servicebalie neerlegt. [verdachte] loopt naar de servicebalie en pakt de daar net neergelegde witte tas. [verdachte] verlaat de winkel met de witte damestas.

Feit 3 en 4

1. De door verdachte op de terechtzitting van 22 augustus 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was op 2 september 2016 in de [bedrijfsnaam 2] aan de [straatnaam] in Leeuwarden. Ik heb appelflappen gegooid.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 september 2016, opgenomen op pagina 32 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017031747 d.d. 4 februari 2017, inhoudende als verklaring van [naam] :

Ik was op 2 september 2016 werkzaam in de [bedrijfsnaam 2] aan de [straatnaam] in Leeuwarden. Ik hoorde van een medewerker dat een man donuts in zijn jas deed. Ik zag dat de medewerker een getinte man aanwees. Ik sprak de man erop aan dat hij een mandje moest gebruiken. Ik zag dat de man de appelflappen die hij in zijn hand vasthield in de koeling smeet en vervolgens de winkel verliet. Toen de man tegenover mij stond, zag ik dat hij een pakje mini donuts onder zijn jas hield. Ik zag dat de man de winkel verliet zonder de donuts af te rekenen. Toen de man de winkel verliet, zag ik dat hij langs de actie-tafel liep. Ik zag dat de man twee pakjes met appelflappen pakte en de winkel ingooide. Ik zag dat een van de pakjes vernield en niet meer te verkopen was.

3 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 2 september 2016, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] :

Op 2 september 2016 was ik werkzaam in de [bedrijfsnaam 2] aan de [straatnaam] te Leeuwarden. Ik zag een getinte man de winkel in liep. Ik zag dat de man bij het binnenlopen een pakje appelflappen onder zijn jas probeerde te doen. Ik zei tegen de man "Goedendag!” Ik zag dat de man schrok en het pakje uit zijn jas haalde. Vervolgens vast hield in zijn hand. Ik ben daarna de getinte man in de gaten gaan houden. Ik zag dat er een pak donuts in de getinte man zijn jas zat. Vervolgens heeft de assistent manager hem aangesproken. Ik zag dat de man de appelflappen die hij in zijn hand hield na het gesprek de vriezer in gooide. Ik zag dat de man daarna de winkel verliet. Ik zag dat de man op dit moment de donuts in zijn jas had. Ik zag dat de man de donuts niet betaald had. Ik zag dat de man van een actie-tafel enkele appelflappen pakte. Ik zag dat de man de appelflappen de winkel in gooide en de winkel verliet.

Feit 6

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 6. bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 augustus 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 3 februari 2017, opgenomen op pagina 62 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-1017031747 d.d. 4 februari 2017, inhoudende de verklaring van [naam] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2., 3., 4. en 6. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 maart 2017 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles Wodka, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijfsnaam 1] , welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , medewerker van [bedrijfsnaam 1] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte na te zijn betrapt op die wederrechtelijke toe-eigening en nadat hij door die [slachtoffer 1] was vastgepakt ten einde verdachte aan de politie over te dragen, zich heeft losgerukt en die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Ik ga je prikken, ik ga je prikken!" en die [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft geschopt en slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] en een multitool met een uitgeklapt mesje aanwezig heeft gehad;

2. parketnummer 18/730048-17

hij op 16 augustus 2016 te Leeuwarden uit een winkelpand van de [bedrijfsnaam 2] , gelegen aan de [straatnaam] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met inhoud, te weten onder meer een paspoort en een bankpas van de Rabobank en een OV-chipkaart en een telefoontoestel van het merk Samsung en een ziekenfondskaart en twee portemonnees met inhoud, te weten ongeveer 45 euro, en een huissleutel, toebehorende aan [slachtoffer 2] ;

3. parketnummer 18/730048-17

hij op 2 september 2016 te Leeuwarden, uit een winkelpand, gelegen aan de [straatnaam] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen donuts, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijfsnaam 2] ;

4. parketnummer 18/730048-17

hij op 2 september 2016 te Leeuwarden in een winkelpand van de [bedrijfsnaam 2] , gelegen aan de [straatnaam] , opzettelijk en wederrechtelijk een pak met appelflappen, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijfsnaam 2] , heeft beschadigd;

6. parketnummer 18/730048-17

hij op 3 februari 2016 te Leeuwarden uit een winkelpand van de [bedrijfsnaam 3] , gelegen aan [straatnaam] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoontoestel van het merk Apple, type IPhone 7 Plus, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijfsnaam 3] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

2. Diefstal

3. Diefstal

4. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

6. Diefstal

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1., 2., 3., 4., 5. en 6. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van enkele maanden, doch maximaal gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, onder meer d.d. 5 april 2017, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 21 juli 2017, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de dagvaarding is vermeld en welk feit hiermee is afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een slijterij een fles wodka weggenomen, waarbij hij werd betrapt door een medewerker. Teneinde aan de medewerker te ontkomen, heeft hij zich met geweld losgerukt en de medewerker bedreigd. Voorts heeft verdachte in een supermarkt een tas van een oudere dame weggenomen, een pak donuts gestolen en - nadat hij werd aangesproken op die laatste diefstal - een pak appelflappen beschadigd door ermee te gooien. Ook heeft verdachte een telefoon gestolen in een elektronicazaak.

Diefstallen zijn ergerlijke feiten die veel schade en hinder veroorzaken. Verdachte heeft niet alleen steeds het eigendomsrecht van de rechthebbenden geschonden, maar is in het eerste geval tevens gewelddadig geweest tegen een winkelbediende, hetgeen de rechtbank verdachte zwaar aanrekent.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Aan verdachte is in het verleden de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. De dwangverpleging is inmiddels voorwaardelijk beëindigd. De reclassering houdt in het kader van die voorwaardelijke beëindiging toezicht op verdachte en heeft diverse malen over verdachte gerapporteerd. Uit het rapport d.d. 5 april 2017 blijkt dat verdachte afspraken niet of nauwelijks nakomt en geen openheid van zaken geeft. De reclassering kan onvoldoende sturing geven en ziet geen andere mogelijkheid dan de rechtbank te adviseren aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank zal dit advies volgen. Daar begeleiding en (de meest) intensieve behandeling verdachte niet van recidive heeft weten te weerhouden, rest niets anders dan afstraffen door middel van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarmee de maatschappij enige tijd tegen verdachte beschermd is. De rechtbank zal aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan gevorderd door de officier van justitie, onder meer gelet op het feit dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van één van de feiten.

De rechtbank slaat bij de bepaling van de hoogte van de straf acht op het feit dat verdachte in korte tijd meerdere strafbare feiten heeft gepleegd en dat de diefstal gevolgd door geweld plaatsvond toen verdachte nog maar net in vrijheid was gesteld na de voorlopige hechtenis wegens overige feiten op de dagvaarding. Voorts, gelet op de aard van de delicten - waarbij met name de diefstal gevolgd door geweld gewicht in de schaal legt - acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 333,90 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 augustus 2016.

Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 24 november 2016, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 9 december 2016.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 21 juli 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder 1. en 6. bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14g, 36f, 57, 310, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 5. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1., 2., 3., 4. en 6. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 333,90 (zegge: driehonderd drieëndertig euro en negentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 333,90 (zegge: driehonderd drieëndertig euro en negentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/820064-16:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 24 november 2016, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M. van der Veen en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 september 2017.

Mrs. Van der Veen en Van Sloten zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.