Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3388

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
04-09-2017
Zaaknummer
LEE 16/1849
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, door civielrechtelijke bepalingen over arbeidsovereenkomsten van toepassing te achten op de specifieke situatie van eiser, eraan voorbijgegaan dat de arbeidsverhouding tussen eiser en zijn werkgever (zijn broer) niet (zonder meer) gelijk kan worden gesteld aan een arbeidsovereenkomst in de gebruikelijke zin. Door de civielrechtelijke aanpak gaat verweerder voorbij aan de bedoelingen van eiser en zijn broer met de arbeidsplaats voor eiser. Het uitgangspunt voor de door eiser en zijn broer aangegane arbeidsovereenkomst was eisers medische situatie. Gezien de specifieke omstandigheden van onderhavig geval doet het door verweerder gehanteerde uitgangspunt dat eiser per week voor 20 uur recht heeft op loon dan wel ziekengeld en daarop aanspraak kan en ook dient te maken, geen recht aan eisers situatie. Verweerders opstelling leidt er toe dat eiser een juridische procedure tegen zijn broer zou moeten aanspannen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat in redelijkheid niet van eiser gevraagd worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/1849

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 augustus 2017 in het geschil tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L.G. Mellens-Schrage),

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer, verweerder

(gemachtigde: mr. I.M. Klok).

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat op eisers uitkering op grond van de Participatiewet (PW) vanaf 1 november 2015 maandelijks
€ 750,- moet worden gekort, berekend op basis van zijn aanspraak op loon voor 20 uur per week.

Bij uitspraak van 15 maart 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats een voorlopige voorziening getroffen (LEE 16/901).

Bij besluit van 24 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek geschorst, met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij brief van 16 februari 2017 heeft de rechtbank hetgeen ter zitting is afgesproken, bevestigd aan partijen.

Bij brief van 23 februari 2017 heeft eisers gemachtigde meegedeeld dat het op 20 februari 2017 gevoerde gesprek tussen partijen, in aanwezigheid van eisers werkgever, niet tot overeenstemming heeft geleid.

Bij brief van 24 april 2017 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het vooronderzoek is afgerond en heeft zij partijen verzocht aan te geven of zij toestemming verlenen om zonder nadere behandeling ter zitting uitspraak te doen. Bij op 1 mei 2017 en op 2 mei 2017 ondertekende verklaringen hebben partijen die toestemming verleend.

Bij brief van 31 mei 2017 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1. Eiser, geboren in 1967, ontvangt sinds 5 oktober 2012 een bijstandsuitkering.

2. Op 19 februari 2013 hebben eiser, als algemeen medewerker, en zijn broer [naam broer] , als werkgever van [naam bedrijf] (hierna: [bedrijfsnaam] ), een nul-urenovereenkomst voor bepaalde tijd ondertekend. De overeenkomst geldt met ingang van
1 maart 2013 en voor de duur van zes maanden.

2.1.

Naar aanleiding van een op 27 mei 2015 door twee medewerkers van de unit werk en inkomen met eiser gevoerd gesprek heeft verweerder bij besluit van 27 mei 2015 de in dat gesprek gemaakte afspraak vastgelegd, inhoudende dat hij gedurende een half jaar telkens per sms de aanvangstijd en de tijd van beëindiging van de werkzaamheden doorgeeft. Redengevend voor de afspraak is dat verweerder niet goed kan controleren hoeveel uur eiser werkt en dat daarom de inkomsten niet altijd duidelijk zijn.

2.2.

Op verzoek van een consulent van de afdeling Sociale Zaken heeft bedrijfsarts
[naam bedrijfsarts] (hierna: de bedrijfsarts) op 19 juni 2015 rapport uitgebracht over de medische belastbaarheid van eiser. Eiser kampt met ernstig hartlijden, chronische pijn- en functieklachten van de rug als gevolg van een rugaandoening en chronische luchtwegklachten als gevolg van een constitutionele luchtwegaandoening. Er is sprake van relatief milde tot matige psychische beperkingen. De arts acht de werkzaamheden in het bedrijf [bedrijfsnaam] passend, maar wel geldt op medische gronden een urenbeperking, tot maximaal 20 uren per week. In de door de bedrijfsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarin de voor eiser geldende beperkingen zijn opgenomen, staat onder de rubriek werktijden bij het onderdeel “uren per week”: “beperkt, kan gemiddeld ongeveer 20 uur per week werken, verdeeld over de week (in het geval van passend werk).”.

2.3.

Bij besluit van 20 juli 2015 heeft verweerder de bij besluit van 27 mei 2015 gemaakte afspraken gewijzigd, in die zin dat eiser per 1 augustus 2015 verplicht is alle uren die hij aanwezig is op de werkplek, te melden per sms. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat volgens vaste rechtspraak aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op de werkplek veronderstelt dat daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid wordt verricht.

2.4.

Bij e-mailbericht van 29 juli 2015 heeft de gemachtigde van verweerder eiser meegedeeld hetgeen eiser per sms moet doorgeven en voorts dat de besluiten van 27 mei 2015 en 20 juli 2015 komen te vervallen.

2.5.

Bij brief van 14 oktober 2015 heeft verweerder vastgesteld dat eiser sinds de op
19 februari 2013 (zie onder 2) ondertekende overeenkomst tot heden werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijfsnaam] , hetgeen betekent dat inmiddels sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verweerder gaat ervan uit dat eiser gemiddeld per week ongeveer naar 20 uur recht heeft op loon of ziekengeld. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat in het rapport van de bedrijfsarts van 19 juni 2015 (zie onder 2.2) staat dat eiser in staat wordt geacht gemiddeld ongeveer 20 uur per week betaalde passende arbeid te verrichten. Hij moet er rekening mee houden dat zijn recht op uitkering vanaf juni 2015 wordt herzien. Ten slotte heeft verweerder meegedeeld wanneer eiser in verband met zijn werk een sms moet sturen.

2.6.

Bij het primaire besluit heeft verweerder te kennen gegeven dat de bijstandsuitkering met ingang van 1 november 2015 wordt herzien, in die zin dat maandelijks een bedrag op eisers bijstandsuitkering wordt gekort, berekend naar zijn aanspraak op loon dan wel ziekengeld voor 20 uur per week. Verweerder vindt dat eiser redelijkerwijs over dat inkomen kan beschikken en verwijst daartoe naar artikel 31 van de PW. Verweerder legt daaraan ten grondslag dat eiser een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft met [bedrijfsnaam] , op basis van de voorwaarden in de overeenkomst van 19 februari 2013 (zie onder 2) en onder verwijzing naar de artikelen 7:668 en 668a van het Burgerlijk Wetboek. Verweerder heeft het inkomen uit of in verband met arbeid berekend op € 750,- per maand en brengt dat bedrag met ingang van 1 november 2015 in mindering op de uitkering. Als blijkt dat genoemd bedrag niet juist is vastgesteld, zal dat worden aangepast. Verweerder heeft afgezien van herziening en terugvordering over de periode vóór 1 november 2015, vanwege eisers persoonlijke en financiële omstandigheden. Omdat eiser inmiddels voldoende tijd heeft gehad om verweerders standpunt te bespreken met zijn werkgever, acht verweerder het gerechtvaardigd de herziening toe te passen per 1 november 2015.

2.7.

In bezwaar heeft eiser een bedrijfsgeneeskundige verklaring van 19 december 2015 van de bedrijfsarts ingezonden. De bedrijfsarts vindt dat sprake is van een kwetsbare medische status in fysiek opzicht, waarvan de herstelprognose als somber moet worden aangemerkt. Eiser heeft een ernstig verminderde fysieke belastbaarheid, waardoor hij voor onbepaalde tijd als ernstig verminderd belastbaar moet worden geacht voor arbeidsre-integratie. Het werk moet voldoen aan de voorwaarden dat het in fysiek opzicht zeer licht werk is, dat een urenbeperking geldt van maximaal 20 uur per week en verdeeld over de week en onder voor eiser ideale omstandigheden, dat eiser moet beschikken over voldoende eigen regelmogelijkheden (bijvoorbeeld het kunnen nemen van korte pauzes/rustmomenten) en dat het werk gemakkelijk overgedragen moet kunnen worden, vanwege het verhoogde risico bij eiser op arbeidsverzuim. Op grond van een telefonisch onderhoud op 14 oktober 2015 acht de bedrijfsarts de door eiser tijdens dat onderhoud aangegeven verslechtering van zijn gezondheid heel wel mogelijk. De bedrijfsarts schrijft dat eiser tot nader bericht niet langer werkzaamheden kan verrichten.

2.8.

Bij haar uitspraak van 15 maart 2016 (LEE 16/901) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de voorlopige voorziening getroffen dat de maandelijkse korting op eisers bijstandsuitkering vanaf maart 2016 wordt vastgesteld op € 300,-, tenzij zijn feitelijke verdiensten hoger zijn. In dat geval dienen de feitelijke verdiensten in mindering te worden gebracht op de uitkering. De uitspraak van de voorzieningenrechter geldt tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.

2.9.

In het bestreden besluit, waarvan deel uitmaakt het advies van 23 maart 2016 van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften, heeft verweerder overwogen als volgt. Eiser heeft aanspraak op loon van [bedrijfsnaam] voor 20 uur per week, ten bedrage van € 750,- per maand. Die aanspraak geldt ook als eiser door bijvoorbeeld (tijdelijke) vermindering van werkaanbod minder of niet wordt opgeroepen om te werken of door ziekte niet in staat is te werken. Het bedrag van € 750,- dient als redelijkerwijs te verwerven inkomen op eisers recht op uitkering in mindering gebracht te worden.

3. Eiser heeft het volgende aangevoerd. Hij kan geen beroep doen op het rechtsvermoeden voor de omvang van de arbeidsovereenkomst, omdat zijn situatie vooraf duidelijk was. Juist vanwege zijn ziektegeschiedenis is bewust de afspraak met zijn broer als werkgever gemaakt. Van tevoren stond vast dat eiser enkel zou kunnen werken op de momenten dat zijn medische situatie dat zou toelaten en dat hij daarom enkel betaald zou krijgen voor de uren die hij daadwerkelijk heeft gewerkt. Ook overigens is sprake van een bijzondere situatie. Omdat het bedrijf niet dermate winstgevend is dat de werkgever daarvan kan leven, heeft de werkgever naast het bedrijf nog een baan. Als eiser, gezien zijn medische situatie, in staat is het werk te doen, komt hij. Kan hij, vanwege zijn medische situatie, niet werken, dan mag hij thuis blijven. Het kan ook zijn dat hij naar de werkplek gaat om te kijken of het hem lukt te werken. Gekeken moet worden naar de werkelijke situatie, dus de werkelijk gewerkte uren, die ook zijn uitbetaald. Dat zijn er veel minder dan de 20 uur per week waar verweerder vanuit gaat. Niet alle arbeidsrechtelijke aanspraken kunnen worden ingeroepen tegen de werkgever. Voor zover dat wel zou kunnen, kan dat redelijkerwijs niet van eiser worden gevraagd. Van belang daarbij is dat eisers broer het met deze constructie mogelijk heeft gemaakt dat eiser uit zijn sociaal isolement kan komen. Eiser vindt dat het primaire besluit en het bestreden besluit in strijd zijn met de redelijkheid en de billijkheid. Hij bevindt zich nu in een financiële noodsituatie; hij houdt onvoldoende inkomen over om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beantwoording ligt voor de vraag of verweerder eisers uitkering terecht met ingang van 1 november 2015 heeft herzien, door de uitkering maandelijks te korten met € 750,-. Meer specifiek ligt de vraag voor of verweerder terecht van eiser verwacht dat hij een beroep doet op de arbeidsrechtelijke verplichtingen van zijn werkgever, opdat hij minder aanspraak hoeft te maken op een bijstandsuitkering en, indien hij dat nalaat, verweerder de bijstandsuitkering mag korten met een bedrag dat eisers werkgever hem arbeidsrechtelijk gezien gehouden is te betalen.

4.2.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de PW worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.3.

Verweerder heeft tijdens de op 10 februari 2016 gehouden hoorzitting meegedeeld dat verweerder niet betwist dat eiser gemiddeld zeven tot acht uur per week werkt. In het verweerschrift staat dat het verweerder duidelijk is dat eiser niet daadwerkelijk 20 uur per week werkt.

4.4.

Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiser aanspraak heeft op loon voor
20 uur per week en dat hij die aanspraak kan en moet afdwingen. Daarom acht verweerder het rechtsvermoeden van artikel 7:610b van het BW van toepassing.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het bestreden besluit de specifieke situatie van eiser miskend. Zo staat in het op instigatie van verweerder opgemaakte rapport van 19 juni 2015 van de bedrijfsarts onder meer dat de algehele fysiek-medische belastbaarheid van eiser als ernstig gekwalificeerd moet worden en dat sprake is van een ernstig verminderd fysiek energieniveau en aanzienlijke fysieke vermoeidheid. Uit voormeld rapport en ook overigens kan uit de stukken niet anders worden afgeleid dan dat eiser een bijzondere werknemer is, in die zin dat uitgaande van zijn beperkte mogelijkheden voor hem een werkplek is gecreëerd, die is aangepast aan die beperkte mogelijkheden. Dat blijkt eens te meer uit het door eiser in bezwaar ingebrachte rapport van 19 december 2015 van de bedrijfsarts. In dat rapport staan de voorwaarden opgesomd, waaraan het werk moet voldoen om als geschikt te kunnen worden aangemerkt voor eiser met de voor hem geldende beperkingen.

4.6.

Door civielrechtelijke bepalingen over arbeidsovereenkomsten van toepassing te achten op de specifieke situatie van eiser, is verweerder eraan voorbijgegaan dat de arbeidsverhouding tussen eiser en zijn werkgever niet (zonder meer) gelijk kan worden gesteld aan een arbeidsovereenkomst in de gebruikelijke zin. Van belang is dat eiser en zijn broer op instigatie van verweerder een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan, in hun geval een nulurenovereenkomst (zie onder 2). Door de civielrechtelijke aanpak gaat verweerder voorbij aan de bedoelingen van eiser en zijn broer met de arbeidsplaats voor eiser. Het uitgangspunt voor de door eiser en zijn broer aangegane arbeidsovereenkomst was eisers medische situatie. Juist de omstandigheid dat in onderhavig geval de werkgever eisers broer is, heeft er toe geleid dat bijzondere afspraken konden worden gemaakt over de invulling van de werkzaamheden, bijvoorbeeld de afspraak dat als eiser zich niet goed voelt, hij niet hoeft te komen. Gezien de specifieke omstandigheden van onderhavig geval doet het door verweerder gehanteerde uitgangspunt dat eiser per week voor 20 uur recht heeft op loon dan wel ziekengeld en daarop aanspraak kan en ook dient te maken, geen recht aan eisers situatie. Verweerders opstelling leidt er toe dat eiser een juridische procedure tegen zijn broer zou moeten aanspannen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat in redelijkheid niet van eiser gevraagd worden. Voor zover een arbeidsrechtelijke aanspraak zou bestaan, houdt dat nog niet in dat die aanspraak juridisch afdwingbaar is. De uitkomst van een dergelijke procedure staat dus niet op voorhand vast. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat eiser redelijkerwijs niet geacht kan worden over het door verweerder aangenomen inkomen te beschikken. Daarmee is niet voldaan aan artikel 31, eerste lid, van de PW.

4.7.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de onder 4.1 opgenomen rechtsvraag ontkennend dient te worden beantwoord.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit, vanwege strijd met het motiveringsbeginsel (artikel 7:12 van de Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder met ingang van 1 november 2015 eisers feitelijke inkomsten per maand, dus aan de hand van de door eiser overgelegde salarisspecificaties, van zijn uitkering zal moeten aftrekken en alleen verweerder die berekening kan uitvoeren. Van belang daarbij is dat verweerder, zoals diens gemachtigde ter zitting meermalen heeft aangegeven, niet twijfelt aan de juistheid van de door eiser ingebrachte salarisspecificaties. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, en mr. P.G. Wijtsma en
mr.dr. H.D. Tolsma, leden, in aanwezigheid van H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.