Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3387

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
LEE 16/5098
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Zelfstandig verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:90 van de Awb. Verzoek tot vergoeding van de schade die leerkracht basisonderwijs lijdt of zal lijden als gevolg van een haar tijdens een les bewegingsonderwijs overkomen ongeval. Verweerder zou de zorgplicht hebben geschonden. De rechtbank wijst het verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2018/751
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/5098

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 augustus 2017 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] verzoekster
(gemachtigde: mr. M.M. Pasman)

en

de Stichting voor openbaar onderwijs Odyssee, te Sneek, verweerder

(gemachtigden: mr. S.G. van der Galiën en mr. B.M. Paijmans).

Procesverloop

Verzoekster heeft verweerder bij brief van 19 juli 2016 verzocht om een besluit, waarin verweerder de aansprakelijkheid erkent voor het ongeval dat verzoekster op 30 januari 2014 tijdens haar werk is overkomen en in welk besluit verweerder voorts de als gevolg van het ongeval door verzoekster geleden schade vergoedt.

Bij besluit van 13 september 2016 heeft verweerder vastgesteld dat zij jegens verzoekster niet aansprakelijk is, omdat verweerder de op haar rustende zorgplicht niet heeft geschonden.

Bij verzoekschrift van 23 december 2016 heeft verzoekster bij de rechtbank een verzoek ingediend om verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade die zij lijdt of zal lijden als gevolg van het ongeval op 30 januari 2014. Het verzoek berust op artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voorts is verschenen de echtgenoot van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voor verweerder zijn voorts verschenen de heer [naam voorzitter] , voorzitter van het college van bestuur van de Stichting voor openbaar onderwijs Odyssee en mevrouw [naam directeur] , directeur van de basisschool [naam basisschool] .

Ter zitting is het onderzoek geschorst, onder toepassing van artikel 8:64 van de Awb. Bij brief van 22 maart 2017 heeft de rechtbank partijen een verkort proces-verbaal van de ter zitting gemaakte afspraak doen toekomen. Die afspraak hield in dat partijen in de gelegenheid werden gesteld om te onderzoeken of zij tot overeenstemming zouden kunnen komen. Bij brief van 18 april 2017 heeft verzoeksters gemachtigde meegedeeld dat partijen er niet in zijn geslaagd een minnelijke regeling te treffen. Daarbij heeft verzoeksters gemachtigde meegedeeld dat het onderzoek ter zitting zonder nadere mondelinge behandeling kan worden afgesloten.

Bij brief van 26 april 2017 heeft de rechtbank verweerder meegedeeld dat de rechtbank het vooronderzoek heeft afgerond. De rechtbank heeft in die brief verweerder verzocht aan te geven of zij toestemming geeft voor het doen van uitspraak zonder nadere behandeling ter zitting. Bij op 8 mei 2017 ondertekende verklaring heeft verweerder die toestemming verleend.

Bij brief van 31 mei 2017 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en uitspraak zal doen.


Overwegingen

1. Verzoekster is sinds 1 augustus 1977 werkzaam als leerkracht basisonderwijs, met de bevoegdheid om bewegingsonderwijs te geven. Verzoekster had sinds 15 februari 1994 een aanstelling bij (een rechtsvoorganger van) verweerder. Tussen 1994 en 2002 heeft zij in het regulier onderwijs gewerkt en heeft zij ook zelf bewegingsonderwijs gegeven. Van 2002 tot 2012 heeft zij in het speciaal basisonderwijs gewerkt. Sinds 1 augustus 2012 was verzoekster weer werkzaam in het regulier basisonderwijs, op verweerders openbare basisschool [naam basisschool] , waar de leerkracht van een groep ook bewegingsonderwijs geeft.
1.1. In de sportzaal die door de openbare basisschool [naam basisschool] wordt gebruikt voor het bewegingsonderwijs, heeft op 30 januari 2014 een derdejaars student van de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO) in het kader van zijn stage aan de groep van verzoekster een les ringzwaaien, balanceren en tikspelen gegeven. Die les was gebaseerd op de methode voor bewegingsonderwijs “Basislessen Bewegingsonderwijs”, deel 1 2009, van Van Gelder, Stroes & Goedhart. De stagiair heeft de leerlingen onder meer laten balanceren op twee slacklines (een slackline is een gespannen band op enkelhoogte tussen twee obstakels).

1.2.

Direct na afloop van de les, op het moment dat verzoekster zich omdraaide om tegen enkele nog in de gymzaal aanwezige leerlingen te zeggen dat zij naar de kleedkamer moesten gaan, is zij gevallen over een slackline en heeft zij haar ellebogen gebroken. Als gevolg van het ongeval is verzoekster volledig en duurzaam ongeschikt: bij besluit van
29 december 2015 heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen haar met ingang van 28 januari 2016 een IVA-uitkering toegekend. Bij besluit van 15 maart 2016 heeft verweerder verzoekster met ingang van
1 februari 2016 eervol ontslag verleend.

1.3.

Correspondentie tussen partijen over de door verzoekster gestelde aansprakelijkheid van verweerder op grond van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek heeft niet tot het door verzoekster beoogde resultaat geleid. Verzoekster heeft geen geding bij de burgerlijk rechter aanhangig gemaakt.

1.4.

Verzoekster heeft verweerder bij haar brief van 19 juli 2016 verzocht om een besluit, waarin verweerder de aansprakelijkheid erkent voor het ongeval dat verzoekster tijdens haar werkzaamheden is overkomen en in welk besluit verweerder voorts de als gevolg van het ongeval door verzoekster geleden schade vergoedt. Het verzoek is gedaan op grond van artikel 5, eerste, tweede en derde lid, van de Regeling Ziekte en arbeidsongeschiktheid primair onderwijs (ZAPO).

1.5.

Bij het besluit van 13 september 2016 heeft verweerder vastgesteld dat zij niet aansprakelijk is jegens verzoekster.

1.6.

Verzoekster kan zich daarmee niet verenigen en heeft daarom haar ter beoordeling voorliggend verzoekschrift ingediend.


2. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Verzoekster heeft verweerder verzocht aansprakelijkheid te erkennen voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van het haar op 30 januari 2014 overkomen ongeval. Ter zitting heeft verzoekster desgevraagd aangegeven dat het verzoek ziet op de vergoeding van de schade in verband met schending van de zorgplicht.

2.2.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Staatsblad 2013, 50) in werking getreden. Op grond van deze wet is in Titel 8.4 (Schadevergoeding) van de Awb een zelfstandige verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter ingevoerd over veroordeling van een bestuursorgaan tot vergoeding van schade.

2.3.

Onder verwijzing naar de overwegingen van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) als opgenomen onder 4.1 tot en met 4.4 in de uitspraak van 29 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:5106), stelt de rechtbank vast dat de onder 2.2 genoemde verzoekschriftprocedure van toepassing is op het onderhavige ter beoordeling voorliggende verzoek.

2.4.

De rechtbank zal beoordelen of het verzoek om vergoeding van de schade als gevolg van het ongeval wegens schending van de zorgplicht voor toewijzing in aanmerking komt.

2.5.

In artikel 5, tweede lid, van de ZAPO is het volgende bepaald: de werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen, hulpmiddelen en gereedschappen waarin of waarmee het de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

In artikel 5, derde lid, van de ZAPO staat dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij het aantoont dat het de in het tweede lid bedoelde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

2.6.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072, van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:98 en
29 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5106) heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar. De zorgplicht van het bestuursorgaan strekt niet zover dat elk denkbaar risico op voorhand moet worden uitgebannen, maar tot het treffen van alle maatregelen die in de gegeven situatie redelijkerwijs van het bestuursorgaan kunnen worden gevergd om de veiligheid van het personeel te waarborgen. Het enkele feit dat een ongeval of een ander incident heeft plaatsgevonden betekent niet dat het bestuursorgaan zijn zorgplicht heeft geschonden.

2.7.

Niet is in geschil dat er sprake is van een verzoekster overkomen ongeval tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden, evenmin is in geschil wat de toedracht is van het ongeval en voorts is ook niet in geschil dat van de zijde van verzoekster geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. In geschil is of verweerder, jegens verzoekster, aansprakelijk gesteld moet worden voor de schade die zij door het ongeval heeft geleden. Het geding spitst zich toe op de vraag of verweerder heeft aangetoond dat zij als werkgever aan haar onder 2.6 omschreven zorgplicht heeft voldaan.

2.8.

Verzoekster heeft aangevoerd dat de stagiair op eigen initiatief tijdens de les bewegingsonderwijs de slackline heeft ingezet, hetgeen betekent dat het gebruik daarvan buiten de gebruikelijke controlemethodes valt van enerzijds risico-inventarisatie en
-evaluatie (RI&E) en anderzijds onderhoudsbeurten en daarom heeft verweerder niet voldaan aan de zorgplicht.

2.9.

Voormeld betoog van verzoekster kan niet slagen. Allereerst geldt dat verweerder niet op de hoogte was van het gebruik van de slackline door de stagiair. De rechtbank overweegt verder dat, blijkens de Verdieping Balanceren uit Basislessen Bewegingsonderwijs van Van Gelder, Stroes en Goedhart, eigen inbreng van docenten door middel van alternatief materiaal mogelijk is. In de e-mail van 16 juni 2014 van de stagiair staat ook dat studenten en docenten een eigen invulling mogen geven aan de lesstof, zolang de kern van de lessen overgebracht wordt. Dat is niet bestreden door verzoekster. Met de verwijzing naar de gedingstukken 11 (het artikel “Balanceren nieuwe stijl; slacklinen” uit het KVLO-tijdschrift Lichamelijke Opvoeding, uit april 2013) en gedingstuk 12 (voorbeeldles uit de Lessenreeks slacklinen voor basis- en voortgezetonderwijs, van oktober 2013) heeft verweerder voldoende onderbouwd dat het gebruik van slacklines gebruikelijk en geaccepteerd is als verantwoord hulpmiddel in het bewegingsonderwijs. De stagiair heeft op eigen initiatief door hem meegenomen slacklines mogen inzetten. Het enkele feit dat de bewuste slackline niet aan een RI&E is onderworpen, dan wel in het onderhoudsrapport is opgenomen doet daar niet aan af, nu uit de RI&E en het onderhoudsrapport blijkt dat het onderzoek naar de gymnastiektoestellen zich richt op de vraag of de toestellen op zichzelf nog voldoen, en niet op de vraag of de aanwezigheid van het toestel in de gymzaal tot een (on)veilige situatie voor leerlingen of medewerkers zou (kunnen) leiden. Daar komt bij dat gesteld, noch gebleken is dat het ongeval te wijten is aan niet goed onderhouden dan wel anderszins gebrekkige slacklines.

2.10.

Naar het oordeel van de rechtbank treft het betoog van verzoekster dat verweerder niet heeft voldaan aan de zorgplicht, geen doel. Van doorslaggevend belang daartoe acht de rechtbank dat verzoekster, bevoegd tot het geven van bewegingsonderwijs, voorafgaand aan de les aan de stagiair vragen heeft gesteld over de opstelling tijdens de les en met name over de slackline, omdat zij daar niet mee bekend was. De stagiair heeft uitleg gegeven en daarbij gedemonstreerd hoe het werken met de slackline verloopt. Na de toelichting op het gebruik en de demonstratie van het gebruik van de slackline en voorafgaand aan de les, had verzoekster kunnen zeggen dat zij het gebruik van een slackline onverantwoord vond, maar dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft de toelichting aangehoord en zij heeft vervolgens geparticipeerd in de les, waarbij zij een actieve rol heeft vervuld door toezicht te houden, leerlingen te motiveren, leerlingen tijdens het lopen over de slackline een hand te geven en technische aanwijzingen te geven. Van een voorzienbaar en reëel risico dat, door het gebruik van een slackline in plaats van een in de basisopstelling genoemde evenwichtsoefening, een bevoegd docent letsel zou (kunnen) oplopen, was geen sprake. Het betoog dat de slackline niet opviel in het aanwezige lijnenspel op de vloer van het gymnastieklokaal treft geen doel. Van verzoekster mocht worden verwacht dat zij rekening hield met de aanwezigheid van de slackline, juist nu zij had meegedaan aan de les en daardoor wist waar de slacklines zich bevonden. De stelling dat als voor het onderdeel balanceren een bank of rekstok zou zijn ingezet, het risico op een val en/of de kans op letsel veel kleiner zou zijn geweest, is slechts een aanname.

2.11.

Ten aanzien van het betoog dat verweerder de zorgplicht heeft geschonden door geen nascholing te bieden en geen oplossing te bieden voor het feit dat verzoekster heeft aangegeven dat zij zich niet op haar gemak voelde bij het geven van bewegingsonderwijs, overweegt de rechtbank als volgt. Verzoekster heeft zelf ingebracht dat zij alleen nog spellessen gaf. In die zin had zij haar taak op het gebied van het bewegingsonderwijs dus aangepast. Verweerders standpunt dat bevoegde collega’s haar lessen overnamen als dat nodig was en dat ALO-stagiaires ook bewegingsonderwijs gaven aan de groep van verzoekster, heeft zij niet bestreden. Kennelijk had verzoekster een voor haar acceptabele oplossing gevonden voor het door haar ervaren probleem bij het geven van bewegingsonderwijs. Van een conflict daarover tussen verzoekster en verweerder is immers niet gebleken. Bovendien, zoals verweerder in het verweerschrift terecht heeft opgemerkt, heeft verzoekster de les niet zelfstandig gegeven, maar heeft de stagiair dat gedaan. Daar komt bij dat zij niet heeft bestreden dat de door de gemeente [naam gemeente] aan onder meer [naam basisschool] toegewezen gediplomeerde buurtsportcoach, met ervaring in het onderwijs, voorbeeldlessen en workshops heeft gegeven voor alle leerkrachten. De mogelijkheid tot nascholing was dus aanwezig.

2.12.

De rechtbank overweegt voorts dat uit het feit dat verweerder docenten zonder bevoegdheid om bewegingsonderwijs te geven, in de gelegenheid heeft gesteld deze bevoegdheid te halen, niet valt af te leiden dat verweerder zijn zorgplicht jegens verzoekster heeft geschonden. De bestrijding daarvan door verweerder onder 3.13 in het verweerschrift, acht de rechtbank overtuigend. Die toelichting komt er in essentie op neer dat, anders dan in het verleden, leerkrachten na het afronden van de PABO-opleiding niet óók beschikken over de bevoegdheid om bewegingsonderwijs te geven. Voor die bevoegdheid moeten zij tijdens of na de opleiding een apart traject volgen. Vanwege het met pensioen gaan van oudere leerkrachten en om er voor te zorgen dat voldoende leerkrachten bedoelde bevoegdheid bezitten en voorts om voldoende leerkrachten aan zich te binden, biedt verweerder de mogelijkheid en de bekostiging van de opleiding aan. Van een relatie tussen het aanbieden door verweerder aan leerkrachten van bedoelde mogelijkheid en het vermeende niet voldaan hebben aan de zorgplicht jegens verzoekster is de rechtbank niet gebleken.

2.13.

Van een causaal verband tussen het aanbod in oktober 2014 door verweerder van een collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de medewerkers en het ongeval van verzoekster is niet gebleken. Voor het overige acht de rechtbank de toelichting door verweerder op dit punt, onder 3.14 van het verweerschrift, overtuigend. Daarbij komt dat verzoekster zelf al in 1996 een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering had afgesloten.

2.14.

Zoals eerder onder 2.6 is opgenomen, strekt de zorgplicht van verweerder niet zover dat elk denkbaar risico op voorhand moet worden uitgebannen, maar tot het treffen van alle maatregelen die in de gegeven situatie redelijkerwijs van het bestuursorgaan kunnen worden gevergd om de veiligheid van het personeel te waarborgen. Het risico ergens over te struikelen of te vallen bestaat altijd, in of buiten een sportzaal. Van redelijkerwijs van het bestuursorgaan te vergen maatregelen waarmee het ongeluk had kunnen worden voorkomen is de rechtbank niet gebleken.

3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder de zorgplicht jegens verzoekster niet heeft geschonden en daarom is verweerder niet aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden schade van verzoekster ten gevolge van het haar op 30 januari 2014 overkomen ongeval. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. C.H. de Groot en
mr. P.P.D. Mathey-Bal, leden, in aanwezigheid van H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.