Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3357

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
18-940006-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeelt voor diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De rechtbank legt op een jeugddetentie voor de duur van 397 dagen waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden en aftrek van voorarrest.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77za
Wetboek van Strafrecht 77aa
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/940006-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te van [adres] ,

thans gedetineerd te [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 augustus 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.M. Carabain-Klomp, advocaat te IJhorst.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.A. van der Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, bij gewijzigde tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 februari 2017 te Meppel tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een slof sigaretten, een pet en/of een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of diens medeverdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader voornoemde [slachtoffer]

  • -

    meermalen in/tegen zijn gezicht en/of zijn lichaam hebben gestompt/geslagen,

  • -

    meermalen in/tegen zijn gezicht en/of zijn lichaam hebben getrapt/geschopt en/of

  • -

    meermalen in/tegen zijn gezicht hebben gestompt/geslagen en/of getrapt/geschopt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 17 februari 2017 te Meppel met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [straat 1] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit

  • -

    het vastpakken en vasthouden van de nek van die [slachtoffer] ,

  • -

    het naar de grond duwen van die [slachtoffer] ,

  • -

    het meermalen stompen/slaan in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] en/of

  • -

    het meermalen trappen/schoppen tegen het hoofd en/of de zij, in ieder geval tegen het lichaam, van die [slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat zij niet bewezen acht dat een pet en een pinpas zijn weggenomen.

Standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaring van de medeverdachte, die de geweldshandelingen heeft erkend doch de diefstal van goederen heeft ontkend, geloofwaardiger is dan de aangifte. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 17 februari 2017, opgenomen op pagina 55 van het dossier met nummer 2017043487 d.d. 29 maart 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op 17 februari 2017 kwam ik met de trein aan op het station te Meppel . [verdachte] stond mij hier op te wachten. Ik ging chillen met [verdachte] . Omstreeks 16:30 werd hij gebeld door een vriend. Deze vriend belde vijftien minuten later weer. [verdachte] vertelde mij dat zijn vriend bij [locatie] te Meppel was. Om 17:00 uur kwamen [verdachte] en ik aan bij [instelling 1] te Meppel . Hier ontmoette ik [verdachte] zijn vriend [de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ]. De vriend van [verdachte] pakte mij beet met zijn rechterarm. Hij pakte mij vast om mijn nek en probeerde mij op deze manier naar de grond te werken. Terwijl de vriend van [verdachte] mij met zijn rechterarm vast had, werd ik door hem geslagen met zijn linker vuist. Ik zag meerdere keren zijn linkerarm naar achteren gaan, om vervolgens met zijn gebalde vuist op mijn gezicht te slaan. Terwijl de vriend van [verdachte] nog op mij aan het inslaan was, voelde ik dat [verdachte] probeerde mijn tas van mijn rug af te trekken. Het is [verdachte] niet gelukt mijn tas af te pakken. Mijn tas is wel opengetrokken door [verdachte] . In mijn tas had ik een slof sigaretten zitten. Ik had mijn slof sigaretten in een gele plastic tas met zwarte opdruk van supermarkt Jumbo. Ik zag dat [verdachte] deze plastic tas uit mijn rugtas had gepakt. Terwijl ik vast werd gehouden door de vriend van [verdachte] , trapte [verdachte] op mij in. Ik zag dat [verdachte] mij in mijn gezicht trapte. Ik weet in ieder geval zeker dat [verdachte] twee keer op mij heeft ingetrapt. Ik viel zo hard op de grond dat mijn broek is opengescheurd. Terwijl ik op de grond viel draaide ik op mijn rug. Ik voelde dat ik nog een keer werd geraakt op de voorzijde van mijn gezicht door [verdachte] of zijn vriend. Ik zag dat [verdachte] mijn gele plastic tas met zwarte opdruk van supermarkt Jumbo in zijn handen had. Ik zag dat [verdachte] en zijn vriend samen wegrenden.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 17 februari 2017, opgenomen op pagina 150 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Op 17 februari 2017 net voor 17:00 uur zat ik thuis op de bank in mijn woning aan de [straat 1] te Meppel . Ik zag twee jongens voorbij mijn woning lopen. Na hooguit een kwartier zag ik dat er drie jongens terug kwamen lopen. Dit waren de twee die ik al had gezien en één gezette jongen met een pet. Ineens hoorde ik iemand schreeuwen: "He, wat moet dat daar." of woorden van gelijke strekking. Ik keek gelijk naar buiten en zag dat de jongens aan het vechten waren dat wil zeggen dat één jongen zich verdedigde en de andere twee hem in elkaar sloegen. Ik zag dat die gezette jongen die andere jongen om zijn nek vast had en met zijn vuist op zijn lichaam sloeg. Ik zag dat die dunnere jongen het slachtoffer ook heeft geslagen en geschopt. Beiden hebben het slachtoffer geslagen en geschopt. Ik zag dat er ook iets van het slachtoffer afgepakt werd door de dunnere. Het slachtoffer had een zwarte rugtas met witte letters bij zich. Ik zag vervolgens dat die jongen op de grond viel. Ik zag dat de gezette jongen met de pet insloeg op zijn hoofd. Daarvoor had hij hem ook al geschopt tegen zijn hoofd. Op dat moment zette de dunne het al op een lopen en rende weg. Ik zag dat hij een Jumbo tas in zijn hand had. Vlak daarna ging de jongen met de pet erachteraan.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgenomen proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 3 maart 2017, opgenomen op pagina 140 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Ik zag twee jongens lopen waarvan ik één herkende als [medeverdachte] . [medeverdachte] had naar mijn weten een pet op en een Albert Heijn tas of een Jumbotas. Ze hadden allebeide een plastic tasje in hun hand. Naar mijn mening geel Jumbo en blauw Albert Heijn. Ik heb verder niet op de kleding opgelet. Wat opviel waren de plastic tasjes. [medeverdachte] liep achter die andere jongen. Ik vond dat ze wat snel liepen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 24 mei 2017, opgenomen als bijlage bij voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

Ik was op 17 februari 2017 aan het sporten bij [sportschool] in Meppel . Tijdens het sporten reageer ik normaal gesproken niet op mijn telefoon maar ik werd nu tot twee of drie maal toe gebeld door een onbekend nummer. Ik hoorde dat een kameraad van mij, [verdachte] aan de lijn was. We spraken af om elkaar te ontmoeten aan de Burgemeester Mackaystraat bij de overweg van het spoor naar de Oosterboer tunnel/Zwarte pad . Ik zag dat [verdachte] een persoon bij zich had die ik niet kende [de rechtbank begrijpt: aangever]. Ik pakte de jongen vast. Ik denk dat ik hem vijf of zes keer geslagen heb. [verdachte] trok ook aan de jongen. Tijdens het gevecht is de jongen op de grond terechtgekomen. Ik zag mijn Albert Heijn tas en pet op de grond liggen. Daarop heb ik mijn spullen opgepakt. Op dat moment was [verdachte] al aan het rennen. Dus ik ben ook gaan rennen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 10 maart 2017, opgenomen op pagina 108 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Van de aangehouden verdachte [verdachte] werd zijn mobiele telefoon inbeslaggenomen. Het Imeinummer van deze mobiele telefoon betreft [Imeinummer] . Van dit Imeinummer werden de historische gegevens opgevraagd over de datum 17 februari 2017. Er waren drie inkomende gesprekken die relevant waren in deze zaak:

  • -

    om 14:51 uur een gesprek van 101 seconden met het nummer [telefoonnummer 2] dat in gebruik bij aangever is;

  • -

    om 16:35 uur een gesprek van 69 seconden met het nummer [telefoonnummer 1] dat in gebruik bij verdachte [medeverdachte] is;

  • -

    om 16:50 uur een gesprek van 45 seconden met het nummer [telefoonnummer 1] dat in gebruik bij verdachte [medeverdachte] is.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 24 februari 2017, opgenomen op pagina 68 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Aangever verklaarde dat [verdachte] in ieder geval op 17 februari 2017 omstreeks 16:30 uur en 16:45 uur met de telefoon van aangever gebeld heeft naar het nummer [telefoonnummer 1] .

7. De door verdachte op de terechtzitting van 22 augustus 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Mijn telefoon was op 17 februari 2017 bij mij.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij niet aanwezig was op de plaats delict, maar op school zat, acht de rechtbank gelet op bovenstaande bewijsmiddelen ongeloofwaardig.

Op grond van deze bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde diefstal met geweld wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank gaat, gelet op de bewijsmiddelen, uit van de geloofwaardigheid van de verklaring van aangever. Alle door hem genoemde details worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, terwijl één van de getuigen nadrukkelijk opmerkt dat van de jongen die werd mishandeld iets werd afgenomen. Door verschillende getuigen is bovendien gezien dat verdachte wegrende met een gele Jumbotas, zoals van aangever werd afgenomen. Volgens de verklaring van aangever zat in die gele Jumbotas zijn slof sigaretten. Verdachte en medeverdachte Kleine hebben geweld toegepast, toen de gele Jumbotas met daarin de slof sigaretten door verdachte werd afgepakt en zij zijn samen weggerend onder medeneming van de gele Jumbotas met daarin de slof sigaretten

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 17 februari 2017 te Meppel tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een slof sigaretten, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader voornoemde [slachtoffer]

  • -

    meermalen in zijn gezicht en tegen zijn lichaam hebben gestompt/geslagen,

  • -

    meermalen in zijn gezicht en tegen zijn lichaam hebben getrapt/geschopt en

  • -

    meermalen in zijn gezicht hebben gestompt/geslagen en getrapt/geschopt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer

verenigde personen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 400 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen, naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) d.d.
11 augustus 2017 te worden verbonden. De officier van justitie heeft de rechtbank voorts verzocht om te bevelen dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit om aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de voorwaarden zoals gevorderd door de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Dit is een zeer ernstig feit dat niet alleen materiële schade veroorzaakt, maar tevens de direct betrokken slachtoffers angst aanjaagt, zoals ook is gebleken uit de vordering benadeelde partij van aangever [slachtoffer] . Voorts veroorzaken deze feiten in breder verband onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte was enkel uit op financieel gewin en is daarbij volledig voorbijgegaan aan de nadelige gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft bij haar oordeel over de op te leggen straf acht geslagen op het rapport van de Raad d.d. 11 augustus 2017. De Raad heeft, bij bewezenverklaring van het onderhavige feit, grote zorgen over de kans op recidive, de gewetensontwikkeling en de emotieregulatie van verdachte. Geadviseerd is om - bij een bewezenverklaring - aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie en reclasseringstoezicht op te leggen met daaraan verbonden een meldplicht, zes maanden ITB Harde Kern, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, onderwijs en ambulante behandeling.

De rechtbank is, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de feiten en omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, van oordeel dat in dit geval een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, onder oplegging van de algemene en bijzondere voorwaarden zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden is.

De rechtbank zal bevelen dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend zal gedragen en de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte is.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 243, - ter vergoeding van materiële schade en € 750, - ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 611, - wordt toegewezen, bestaande uit een bedrag van € 111, - ter vergoeding van de materiële schade en een bedrag van € 500, - ter vergoeding van de immateriële schade. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat het bedrag aan alle twee betrokken verdachten voor een gelijk deel (te weten ieder de helft) wordt toegerekend. Verdachte dient dan een bedrag van € 305,50 aan de benadeelde partij te vergoeden. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht dit bedrag toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met vervangende hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot na te melden bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Vergoeding van dit bedrag komt de rechtbank billijk voor gelet op hetgeen de rechtbank bewezen acht, de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De materiële schade acht de rechtbank toewijsbaar voor zover de schade betrekking heeft op de sigaretten en de broek, wat neerkomt op een bedrag van € 111, -.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de rechtbank gekeken naar vergoedingen in soortgelijke zaken. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de gevorderde immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 500, -.

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte, gelet op zijn aandeel, de helft van de schade moet worden toegerekend. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 305,50 vermeerderd met de wettelijke rente.

Het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van het toegewezen gedeelte van de vordering acht de rechtbank de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77zz, 77za, 77aa, 36f en 312

van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie, voor de duur van 397 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 200 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

1. dat de veroordeelde zich op uitnodiging van Jeugdbescherming Noord meldt bij deze instelling. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang deze reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht en moet hij zich houden aan de aanwijzingen die van daaruit gegeven worden;

2. dat de veroordeelde gedurende 6 maanden van de proeftijd zal deelnemen aan het traject ITB Harde Kern, aangeboden door Jeugdbescherming Noord, waarbij hij zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende dit traject door of namens voornoemde instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten [instelling 2] te [plaats] of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan de aanwijzingen en afspraken die door of namens de voornoemde instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven;

4. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal laten stellen van een door de jeugdreclassering nader te bepalen instelling, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens die instelling zullen worden gegeven;

5. dat de veroordeelde onderwijs volgt tot hij een startkwalificatie heeft behaald of anderszins een zinvolle dagbesteding heeft.

De rechtbank geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming Noord om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, ingevolge artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 1 september 2017, om 9:00 uur.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 305,50 (zegge: driehonderdvijf euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 305,50 (zegge: driehonderdvijf euro en vijftig cent). Dit bedrag bestaat uit € 55,50 aan materiële schade en € 250, - aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. R. Depping en mr. C.M.M. Oostdam, rechters, bijgestaan door T. Smit, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 augustus 2017.

Mr. B.I. Klaassens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.