Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3316

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 53
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft ten onrechte aan eiser een boete opgelegd omdat hij niet binnen de gestelde termijn aan de inburgeringsplicht heeft voldaan. Eiser voldoet aan het bepaalde in artikel 2.4c, eerste lid, van de Regeling Inburgering. Eiser heeft immers bij een instelling met het Blik op Werk keurmerk ten minste 300 uur deelgenomen aan een cursus die hem in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het Staatexamen Nederlands als tweede taal (NT2) te behalen. Naar het oordeel van de rechtbank dient het Staatsexamen NT2 gelijk gesteld te worden met een inburgeringsexamen. Omdat eiser voorts ten minste twee maal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het Staatsexamen, heeft verweerder ten onrechte niet de voor eiser geldende inburgeringstermijn met toepassing van artikel 2.4c, eerste lid, van de Regeling Inburgering verlengd.

Wetsverwijzingen
Regeling inburgering
Regeling inburgering 1.1
Regeling inburgering 2.2d
Regeling inburgering 2.4c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/258 met annotatie van mr. dr. K.M. de Vries

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/53

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], te Groningen, eiser

(gemachtigde: mr. B.H. Werink),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. P.E. Merema).

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd omdat eiser niet op tijd heeft voldaan aan de inburgeringsplicht.

Bij besluit van 25 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Bij brief van 10 juni 2013 is aan eiser meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is. De inburgeringstermijn start op 1 februari 2013. Eiser moet vóór 31 januari 2016 voldoen aan de inburgeringsplicht.

1.2

In een brief van 19 juni 2015 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de termijn is verlengd. Eiser moet vóór 22 mei 2016 aan de inburgeringsplicht voldoen.

1.3

Bij brief van 27 mei 2016 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt voornemens te zijn een boete op te leggen, omdat eiser niet op tijd heeft voldaan aan de inburgeringsplicht.

1.4

Eiser heeft op 8 juni 2016 door middel van een formulier een aanvraag ingediend om vrijgesteld te worden van de inburgeringplicht. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij een tijdelijke vrijstelling wenst, dan wel een gehele vrijstelling. Hij heeft daarbij een schrijven van het Alfa College van 1 juli 2015 overgelegd, waaruit blijkt dat hij met gunstig gevolg heeft deelgenomen aan het Voorbereidend Jaar voor Hoger Opgeleide Anderstaligen. Middels deze cursus heeft eiser zich voorbereid op de studie Accountancy aan de Hanzehogeschool Groningen. Verder heeft eiser een verklaring van inschrijving voor het jaar 2015/2016 aan de Hanzehogeschool Groningen overgelegd.

1.5

Bij brief van 28 juli 2016 is het verzoek om vrijstelling afgewezen. De verklaringen die eiser heeft opgestuurd zijn geen bewijzen van een afgeronde opleiding. Tijdelijke vrijstelling is niet meer mogelijk, aldus verweerder.

1.6

Bij besluit van 1 augustus 2016 heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd omdat eiser niet op tijd heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. De boete bedraagt €1.250,-. In het besluit is voorts aangegeven dat eiser nog twee jaar de tijd krijgt om in te burgeren. Eiser moet voor 22 mei 2018 voldoen aan de inburgeringsplicht. Omdat eiser niet op tijd is ingeburgerd moet hij het geleende geld aan verweerder terugbetalen. Eiser moet terugbetalen als eiser klaar is met inburgeren.

1.7

Op 2 september 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit. Eiser betwist niet dat hij zijn inburgeringsexamen nog steeds niet met succes heeft afgelegd. De reden daarvan is dat hij het nodige oponthoud heeft gehad als gevolg van ziekte. Bovendien heeft hij een aantal tentamens wel gedaan, maar niet gehaald. Uit de brieven die eiser van verweerder heeft ontvangen heeft hij begrepen dat het mogelijk is om twee jaren extra tijd te krijgen, zonder dat een boete wordt opgelegd, indien hij in het laatste halfjaar van de inburgeringstermijn daartoe een verzoek zou hebben gedaan en daarbij zou hebben aangetoond dat hij tenminste 300 uren aan inburgeringscursussen heeft gevolgd, bij een goedgekeurde school, en de examens waarvoor hij niet is geslaagd tenminste twee keren heeft gedaan. Omdat eiser hier niet van op de hoogte was, heeft hij daar geen beroep op kunnen doen. Hij wenst dat nu alsnog te doen. Eiser heeft een verklaring van het Alfa College van 22 augustus 2016 overgelegd waaruit blijkt dat eiser in het schooljaar 2013/2014 het Voorbereidend Jaar voor hoogopgeleide vluchtelingen heeft gevolgd. In het kader van de inburgering heeft 440 klokuren Nederlands en maatschappijoriëntatie gehad. Verder heeft eiser een overzicht overgelegd van de examens die hij in het kader van het Staatsexamen Nederlands als tweede taal (NT2) bij het Alfa College heeft afgelegd. Daaruit blijkt dat hij is geslaagd voor het examen luisteren, maar niet voor de examens lezen, schrijven en spreken. Die examens heeft hij allemaal tenminste vier keren geprobeerd. Op grond van dit alles is eiser van mening dat hij in aanmerking dient te komen voor een verlenging van de termijn voor de inburgering met twee jaren, maar zonder dat aan hem een boete wordt opgelegd.

1.8

Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat eiser tot 22 mei 2016 de tijd had om in te burgeren. Eiser is niet voor die datum ingeburgerd. Op 27 mei 2016 heeft verweerder hierover een brief naar eiser gestuurd. Daarin stond dat eiser nog gegevens kon insturen als die nog niet bij verweerder bekend waren. Eiser heeft op 4 juli 2016 in een telefoongesprek aangegeven dat hij op het Alfa College cursussen heeft gevolgd. Eiser heeft verzocht om vrijstelling. Op 13 juni 2016 heeft eiser een medische machtiging aan verweerder doen toekomen en om verlenging gevraagd op basis van medische gronden. Het verzoek om vrijstelling is bij brief van 28 juli 2016 niet verleend. Omdat eiser niet op tijd is ingeburgerd heeft eiser een boete gekregen. Ten aanzien van het verzoek van eiser om alsnog rekening te houden met de 440 cursusuren die hij bij het Alfa College heeft gevolgd, is verweerder van mening dat dit cursussen betreffen welke bestemd zijn om het NT2 diploma te behalen. Het NT2 diploma is een diploma waardoor vrijstelling voor het inburgeringsexamen verkregen kan worden. Om in aanmerking te komen voor verlenging van de inburgeringstermijn op basis van cursusuren dienen echter inburgeringscursussen gevolgd te zijn. Dit zijn cursussen die opleiden tot het inburgeringsexamen. Aan deze voorwaarde heeft eiser niet voldaan. Daarom heeft eiser terecht een boete van €1.250,00 gekregen, aldus verweerder.

1.9

Eiser heeft tegen voormeld besluit beroep ingesteld. Dat beroep ligt ter beoordeling van de rechtbank voor.

2.1

Eiser voert aan dat hij contact heeft gezocht met een erkende opleidingsinstelling, namelijk het Alfa College. Het Alfa College heeft hem geadviseerd de opleiding voor het NT2 diploma te volgen. Met zo’n diploma kan eiser vrijstelling voor het inburgeringsexamen krijgen. Eiser is met deze opleiding begonnen, maar hij heeft niet alle tentamens gehaald. Hij voldoet wel aan de eis dat hij tenminste 300 uren heeft deelgenomen aan de opleiding en tenminste twee maal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het examen.

2.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser voornamelijk bezig is geweest met het behalen van het NT2 diploma. Dit kan echter bij het behalen van dat diploma slechts leiden tot een vrijstelling, maar is niet gelijk te stellen met de cursussen voor inburgeren. Dat eiser in de veranderstelling verkeerde dat hij met het studeren voor een hogere opleiding ook aan de voorwaarden zou voldoen kan niet leiden tot een ander standpunt.

2.3

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4

Artikel 7, eerste lid van de Wet Inburgering bepaalt dat de inburgeringsplichtige binnen drie jaar mondelinge en schriftelijke vaardigheden verwerft in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen en kennis van de Nederlandse samenleving.

In het derde lid van artikel 7 van de Wet Inburgering is bepaald dat de minister de in het eerste lid bedoelde termijn verlengt:

a. indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft terzake van het niet voldoen aan de inburgeringsplicht, of

b. eenmalig met ten hoogste twee jaren, indien aantoonbaar een alfabetiseringscursus wordt of is gevolgd voor het verstrijken van die termijn.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet Inburgering worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent de verdere verlenging van de termijn, bedoeld in het eerste lid, en de toepassing van het derde lid.

2.5

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet Inburgering legt de minister een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die niet binnen de in artikel 7, eerste lid, genoemde termijn, of de met toepassing van artikel 7, derde lid, of van de krachtens artikel 7, vierde lid, aanhef en onderdeel a, gestelde regels verlengde termijn, aan de inburgeringsplicht heeft voldaan.

2.6

Ingevolge artikel 1.1 van de Regeling Inburgering is een inburgeringscursus een door een cursusinstelling aangeboden cursus welke een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het inburgeringsexamen te behalen.

In artikel 2.2d van de Regeling Inburgering is bepaald dat van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en het betreffende onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdelen a, b, c of d, van het besluit te behalen is vrijgesteld de degene die beschikt over een certificaat dat is afgegeven ter afronding van het examenonderdeel lezen, schrijven, luisteren respectievelijk spreken van het staatsexamen Nederlands als tweede taal, alsmede degene die beschikt over een diploma van het examen Nederlands als tweede taal.

Ingevolge artikel 2.4c, eerste lid van de Regeling Inburgering verleent de minister verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de Wet Inburgering, indien de inburgeringsplichtige ten minste 300 uur heeft deelgenomen aan een inburgeringscursus bij een instelling met het Blik op Werk keurmerk en ten minste twee maal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen.

3.1

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder terecht aan eiser een boete heeft opgelegd en in het verlengde daarvan of verweerder de voor eiser geldende termijn op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de Wet Inburgering, terecht niet heeft verlengd. De rechtbank beantwoordt die vragen ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

3.2

Niet is in geschil dat eiser het Voorbereidend Jaar voor hoogopgeleide vluchtelingen heeft gevolgd en dat hij in het kader van de inburgering 440 klokuren Nederlands en maatschappijoriëntatie heeft gehad. Verder is niet in geschil dat eiser examens in het kader van het NT2 diploma bij het Alfa College heeft afgelegd, dat eiser is geslaagd voor het examen luisteren, dat hij niet voor de examens lezen, schrijven en spreken is geslaagd, maar dat hij die examens tenminste vier keren heeft geprobeerd. Evenmin is in geschil dat het Alfa College een instelling is met het Blik op Werk keurmerk. Hiermee voldoet eiser naar het oordeel van de rechtbank aan het bepaalde in artikel 2.4c, eerste lid, van de Regeling Inburgering. Eiser heeft immers bij een instelling met het Blik op Werk keurmerk ten minste 300 uur deelgenomen aan een cursus die hem in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het Staatexamen Nederlands als tweede taal (NT2) te behalen. Naar het oordeel van de rechtbank dient het Staatsexamen NT2 gelijk gesteld te worden met een inburgeringsexamen.

3.3

Het standpunt van verweerder dat de gevolgde cursusuren voor het NT2 diploma niet gelijk zijn te stellen met de cursussen voor inburgeren, volgt de rechtbank niet. De rechtbank acht in dit verband van belang dat beide cursussen zijn gericht op het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving. Daarbij komt dat eiser door het volgen van cursussen teneinde het Staatexamen te behalen op een hoger niveau inburgert, dan met een inburgeringscursus.

3.4

Omdat eiser voorts ten minste twee maal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het Staatsexamen, heeft verweerder ten onrechte niet de voor eiser geldende inburgeringstermijn met toepassing van artikel 2.4c, eerste lid, van de Regeling Inburgering verlengd. Bij het behalen van het NT2 diploma is eiser ingeburgerd. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen in artikel 2.2d van de Regeling Inburgering is neergelegd. Dit betekent tevens dat verweerder ten onrechte aan eiser een boete heeft opgelegd omdat hij niet binnen de gestelde termijn aan de inburgeringsplicht heeft voldaan. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ook ten onrechte in het besluit aangegeven dat eiser, omdat eiser niet op tijd is ingeburgerd, het geleende geld aan verweerder dient terug te betalen.

4.1

Het beroep van eiser is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Op grond van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht neemt de bestuursrechter bij vernietiging van een beschikking tot boeteoplegging zelf een beslissing omtrent het opleggen van de boete. De rechtbank ziet daarom aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar van eiser gegrond te verklaren en het primaire besluit van 1 augustus 2016, waarbij aan eiser een boete is opgelegd, te herroepen en de boete op nihil vast te stellen.

4.2

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

4.3

Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1980,00 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 28 juni 2016, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden boetebesluit;

  • -

    herroept het primaire boetebesluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1980,00

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.