Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:33

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-01-2017
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
C/17/146387 / HA ZA 16-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

schadevergoeding, belastingschade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/146387 / HA ZA 16-14

Vonnis van 4 januari 2017

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Economische Zaken),

zetelend te 's-Gravenhage,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat thans mr. R.S.I. Lawant, kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

tegen

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. G.H. Sjobbema, kantoorhoudende te Groningen.

Partijen zullen hierna de Staat en [A] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure - nadat de zaak, die aanvankelijk bekend was onder zaak-/rolnummer 119066 / HA ZA 12-103 en die na het nemen van een conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie was geroyeerd, was opgebracht ter rolle van 20 januari 2016 - blijkt uit:

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte (voorwaardelijke) wijziging van eis

  • -

    de akte uitlating producties, tevens houdende antwoord op (voorwaardelijke) wijziging van eis van de zijde van [A]

  • -

    de akte uitlating productie van de zijde van de Staat

  • -

    de akte houdende overlegging producties en (voorwaardelijke) wijziging van eis van de Staat, die bij gelegenheid van het pleidooi is genomen

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken en de vermindering van eis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen de Staat en [A] is op enig moment een geschil ontstaan omtrent het toekennen van productierechten voor zure zuivelproducten. Het College voor Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft in 1998 geoordeeld dat de Staat in 1992 de hoeveelheid melk die [A] heffingsvrij mocht produceren op een te laag niveau had vastgesteld. De Staat heeft [A] hierna een hoger melkequivalent toegekend.

2.2.

[A] heeft vervolgens bij de Staat vergoeding van de schade gevorderd die hij heeft geleden doordat het equivalent aanvankelijk op een te laag niveau was vastgesteld. Daartoe heeft [A] eerst een verzoek tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit ingediend. Uit dien hoofde is [A] schadevergoeding toegekend. [A] was echter van mening dat hij recht had op een hogere schadevergoeding. Om die reden heeft [A] vervolgens een schadevordering ingesteld bij de civiele rechter.

2.3.

In eerste aanleg heeft de rechtbank 's-Gravenhage bij vonnis van 10 juni 2009 het volgende beslist:

[…]

BESLISSING

De rechtbank veroordeelt de Staat tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [A] te betalen:

a). de somma van € 48.986,02 vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag dat ingaande iedere heffingsperiode op basis van dit vonnis verschuldigd was en lopende tot de dag der algehele voldoening;

b). de somma van € 11.250,-- als redelijke kosten voor de ingeroepen rechtsbijstand.

Zij verwijst de Staat in de gedingkosten aan eigen zijde gevallen alsmede in ¾ gedeelte van de kosten aan de zijde van [A] , tot op deze uitspraak begroot op € 1.390,73 aan verschotten en € 4.263,-- aan salaris voor de raadsman.

Zij verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Zij wijst het meer of anders gevorderde af.

[…]

2.4.

Op 26 oktober 2009 heeft de Staat aan [A] een bedrag van € 134.455,48 betaald, te weten het bedrag dat de Staat (inclusief rente) uit hoofde van het hiervoor genoemde vonnis van 10 juni 2009 aan [A] verschuldigd was.

2.5.

In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Gravenhage bij arrest van 30 augustus 2011 het volgende beslist:

[…]

Beslissing

Het hof:

in het principaal appel:

- vernietigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht, van 10 juni 2009, aldus dat in het dictum daarvan in plaats van de genoemde somma onder a. gelezen moet worden € 11.651,42;

- bekrachtigt dat vonnis voor het overige;

in het incidenteel appel:

- veroordeelt de Staat om aan [A] te betalen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 EVRM ten bedrage van € 10.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de dag van deze uitspraak;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de immateriële schade als hiervoor bedoeld die [A] lijdt ten gevolge van het verdere tijdsverloop van deze rechtsgang vanaf heden tot aan de definitieve beslissing in deze zaak, alsook tot vergoeding van belastingschade en wettelijke rente daarover, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- verwerpt de grieven voor het overige;

in het principaal en het incidenteel appel:

- compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

[…]

Tegen dit arrest is geen cassatie ingesteld.

2.6.

Het door het gerechtshof 's-Gravenhage bij arrest van 30 augustus 2011 genoemde bedrag van € 11.651,42 resulteert inclusief wettelijke rente in een bedrag van € 33.274,85.

2.7.

Na daartoe op 21 maart 2012 verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van de toenmalige rechtbank Leeuwarden, heeft de Staat op

22 maart 2012 conservatoir beslag laten leggen ten laste van [A] op twee onroerende zaken. Tevens is toen conservatoir derdenbeslag gelegd onder de ING Bank.

2.8.

Bij akte van cessie van 15 augustus 2015 heeft [A] zijn in het dictum van het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 30 augustus 2011 bedoelde vordering uit hoofde van immateriële schadevergoeding op de Staat ter hoogte van € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente, gecedeerd aan zijn zoon [B] .

Van deze cessie is mededeling gedaan aan de Staat. De Staat heeft genoemd bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, nadien aan [B] betaald.

2.9.

Bij akte van cessie van 5 september 2015 heeft [A] zijn in het dictum van het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 30 augustus 2011 bedoelde vordering uit hoofde van te vergoeden belastingschade, te vermeerderen met wettelijke rente, gecedeerd aan zijn zoon [B] . Van deze cessie is mededeling gedaan aan de Staat.

2.10.

Bij akte van cessie van 5 juni 2016 heeft [B] de onder 2.9. bedoelde vordering uit hoofde van de te vergoeden belastingschade (terug) gecedeerd aan [A] . Van deze cessie is mededeling gedaan aan de Staat.

3 De vordering in conventie

3.1.

De vordering van de Staat strekt ertoe - na (voorwaardelijke) wijzigingen van eis en na vermindering van eis ter gelegenheid van het gehouden pleidooi - dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

(i) [A] veroordeelt om aan de Staat tegen kwijting te betalen een bedrag van € 101.180,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over het volledige onverschuldigd betaalde bedrag van € 101.180,63, vanaf 26 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

(ii) [A] veroordeelt tot betaling aan de Staat van de buitengerechtelijke (incasso)kosten van € 2.842,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van uitbrengen van de dagvaarding tot het moment van algehele voldoening;

(iii) [A] veroordeelt in de kosten van de procedure, met inbegrip van de beslagkosten, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

(iv) [A] veroordeelt tot betaling aan de Staat van de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 131,00 dan wel, in het geval van betekening, € 199,00.

3.2.

[A] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

4 De vordering in reconventie

4.1.

De vordering van [A] strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat gebiedt de jegens [A] te treffen executiemaatregelen te schorsen, dan wel de Staat verbiedt jegens [A] executiemaatregelen te treffen totdat in rechte vast komt te staan welke belastingschade door [A] is geleden en tot vergoeding van welke belastingschade de Staat verplicht is en welk bedrag verrekend kan worden met de vordering van de Staat.

4.2.

De Staat voert verweer.

4.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

5 Het geschil en de beoordeling daarvan

in conventie en in reconventie

5.1.

De Staat heeft gesteld dat hij gelet op het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 30 augustus 2011 een bedrag van (€ 134.455,48 - € 33.274,85 =) € 101.180,63 onverschuldigd aan [A] heeft betaald. De vordering van de Staat strekt tot (terug)betaling van genoemd bedrag van € 101.180,63, vermeerderd met rente en kosten.

5.2.

[A] heeft de vordering van de Staat op zichzelf niet weersproken. [A] heeft hier echter tegen aangevoerd dat de vordering die hij op de Staat heeft uit hoofde van vergoeding van belastingschade - zoals bedoeld in het arrest van het gerechtshof

's-Gravenhage van 30 augustus 2011 - aanzienlijk zal zijn. Om die reden handelt de Staat volgens [A] onzorgvuldig en daarmee in strijd met het recht door executiemaatregelen te treffen totdat in rechte vast komt te staan welke belastingschade door [A] is geleden en tot vergoeding van welke belastingschade de Staat verplicht is en welk bedrag verrekend kan worden met de vordering van de Staat. [A] heeft dan ook betoogd dat een aanhouding van de onderhavige zaak in de rede ligt.

5.3.

De rechtbank overweegt dat de hoogte van de belastingschade bestaat uit het verschil tussen de belastingheffing die feitelijk plaatsvindt over de schadevergoeding die [A] heeft ontvangen en de belastingheffing die in de periode van 1992 tot en met 1998 zou hebben plaatsgevonden ervan uitgaande dat aan [A] destijds van aanvang af een correct melkequivalent zou zijn toegekend en hij dientengevolge meer zou hebben verdiend met de productierechten voor zure zuivelproducten. [A] stelt dat deze vordering aanzienlijk zal zijn en de conventionele vordering van de Staat ruimschoots zal overtreffen, waarbij door hem een bedrag van € 183.097,00 is genoemd. De Staat betoogt dat de vordering van [A] gering zal zijn, waarbij de Staat opmerkt dat dit zelfs nog lager zal zijn dan het door hem aanvankelijk genoemde bedrag van € 15.000,00. De Staat heeft daartoe meerdere verweren gevoerd tegen de berekening van [A] die uitkomt op het door [A] genoemde bedrag van € 183.097,00. Allereerst heeft de Staat aangevoerd dat de proceskostenveroordeling, de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente buiten aanmerking dienen te blijven bij de berekening van de belastingschade. De Staat heeft voorts aangevoerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat - zoals [A] stelt - er in de periode 1992-1998 geen belastingheffing zou hebben plaatsgevonden indien hij in die periode zou hebben beschikt over de productierechten. De Staat heeft er voorts op gewezen dat in de periode 1992-1998 het hoogste inkomstenbelastingtarief 60% was en op het moment van de uitbetalingen van de schadevergoedingen 52%. Volgens de Staat is bovendien onaannemelijk dat over de uitbetaalde schadevergoeding een belastingtarief van 52% van toepassing is. Tevens heeft de Staat aangevoerd dat [A] een herinvesteringsreserve kon vormen ter zake van het in 2001 toegekende bedrag van € 38.662,82. Ten slotte heeft de Staat aangevoerd dat [A] miskent dat de vergoeding van belastingschade onbelast is.

5.4.

Voor zover [A] reeds nu een beroep op verrekening heeft willen doen, zal de rechtbank hieraan voorbijgaan gelet op artikel 6:136 BW. De gegrondheid van het verweer van [A] is naar het oordeel van de rechtbank niet op eenvoudige wijze vast te stellen terwijl de vordering van de Staat overigens voor toewijzing vatbaar is. De gegrondheid van het verweer van [A] is niet op eenvoudige wijze vast te stellen gelet op het uitvoerige debat tussen partijen omtrent diverse belastingtechnische aspecten, terwijl de rechtbank niet beschikt over alle noodzakelijke (jaar)stukken om hierover thans een eindoordeel te geven. Ter illustratie van de complexiteit van de onderhavige materie in dit concrete geval wijst de rechtbank erop dat voor een finaal oordeel onder meer, maar niet uitsluitend, beslissingen moeten worden genomen omtrent de fiscale status van de verschillende componenten van de berekende belastingschade, de wijze waarop in fiscale zin is of moet worden omgegaan met de reeds ontvangen voorschotten, de vraag naar de fiscale genietingsmomenten, de gevolgen van voorwaartse dan wel achterwaartse verliesverrekening in het licht van de in de jaren 1992-1998 en omringende jaren behaalde resultaten, de vraag of en in hoeverre een nadelig (progressie-)effect zou kunnen of had kunnen worden gedempt door middeling of andere fiscale faciliteiten, alsmede de vraag of de vergoeding zelf tot de belaste sfeer behoort en gebruteerd moet worden. Daar komt bij dat uit de overgelegde recente correspondentie tussen [A] en de Belastingdienst naar voren komt dat omtrent de fiscale gevolgen van de ontvangen schadevergoeding thans nog geen overeenstemming of zekerheid bestaat. Ook uit de stellingen van [A] zélf volgt aldus dat een definitief standpunt van de Belastingdienst dient te worden afgewacht alvorens een oordeel kan worden gegeven omtrent de hoogte van de belastingschade van [A] .

5.5.

Voor zover het verweer van [A] aldus moet worden begrepen dat hij zich op het standpunt stelt dat de Staat misbruik van zijn bevoegdheid maakt door thans vonnis te vragen - in plaats van in te stemmen met een aanhouding van de onderhavige zaak - terwijl nog niet vaststaat welk bedrag aan [A] toekomt uit hoofde van belastingschade, welk laatste bedrag [A] te zijner tijd wenst te verrekenen met de vordering van de Staat, zal ook dit verweer worden verworpen. Vaststaat dat de onderhavige zaak ongeveer 3,5 jaar op de parkeerrol heeft gestaan, welke periode door partijen is benut om schikkingsonderhandelingen te voeren en in welke periode [A] overleg heeft gevoerd met de Belastingdienst. Om hem moverende redenen heeft [A] echter nagelaten om in die periode een schadestaatprocedure aanhangig te maken. Ook nu is een dergelijke procedure niet aanhangig gemaakt door [A] . Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak thans - voor zover de rechtbank die mogelijkheid al zou hebben - aan te houden, zoals [A] voorstaat.

5.6.

Op grond van het voorgaande zal de conventionele vordering van de Staat strekkende tot betaling van een bedrag van € 101.180,63 worden toegewezen. Ook de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf 26 oktober 2009 zal worden toegewezen. Tegen toewijzing daarvan is geen zelfstandig verweer gevoerd.

5.7.

De Staat heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft ter zake daarvan een bedrag gevorderd. De Staat heeft die kosten niet gespecificeerd terwijl evenmin is gebleken dat de gestelde verrichtingen meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebbende kosten moeten, nu een geding is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De rechtbank zal de betreffende vordering dan ook afwijzen.

5.8.

De in reconventie gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis zal worden afgewezen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de vordering van de Staat toewijsbaar, hetgeen impliceert dat er ook executiemaatregelen getroffen kunnen worden. Een schorsing van de executie kan - onder strikte voorwaarden - slechts bewerkstelligd worden door het instellen van een vordering daartoe op grond van

artikel 438 Rv. Opgemerkt wordt dat [A] niet heeft verzocht om dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en de rechtbank - en gelet op het verweer van de Staat in reconventie: ook de Staat - de reconventionele vordering niet aldus begrijpt.

5.9.

[A] zal zowel in conventie als in reconventie worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5.9.1.

De kosten aan de zijde van de Staat worden in conventie - inclusief beslagkosten -vastgesteld op:

- dagvaardingskosten € 90,64

- griffierecht € 1.789,00

- betekeningskosten beslag € 507,09 (€ 102,32 + € 214,80 + € 189,97)

- salaris advocaat € 8.526,00 (6 punten x tarief € 1.421,00)

Totaal € 10.912,73.

5.9.2.

De kosten aan de zijde van de Staat worden in reconventie vastgesteld op:

- salaris advocaat € 3.197,25 (factor 0,5 x 4,5 punten x tarief € 1.421,00).

5.9.3.

Ook de zowel in conventie als in reconventie gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen, zoals in het dictum te melden.

5.9.4.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten thans al kunnen worden begroot. Deze nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing te vermelden.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

veroordeelt [A] om aan de Staat tegen kwijting te betalen een bedrag van € 101.180,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, vanaf

26 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt [A] in de kosten van het geding, tot heden vastgesteld aan de zijde van de Staat op € 10.912,73, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.3.

veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [A] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat;

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst af het anders of meer gevorderde;

in reconventie

6.6.

wijst de vordering af;

6.7.

veroordeelt [A] in de kosten van het geding, tot heden vastgesteld aan de zijde van de Staat op € 3.197,25, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.8.

verklaart de veroordeling onder 6.7. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman, mr. M. Sanna en mr. A. Heidekamp en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2017.1

1 82.