Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3267

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
C/17/139640 / HA ZA 15-20
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Botsende rechten op levering; Vaststellingsovereenkomst;, Verzoek terugkomen op bindende eindbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/139640 / HA ZA 15-20

Vonnis van 23 augustus 2017

in de zaak van

[A] ,

wonende te [plaats]

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat voorheen mr. J. Doornbos, thans mr. J.S. Knot, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[B] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.R. Gans, kantoorhoudende te Groningen.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de processtukken, waaronder het tussenvonnis van 6 juli 2016. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de akte na tussenvonnis van de zijde van [B] ;

- de akte uitlating, tevens akte strekkende tot voorwaardelijke vermeerdering van eis in conventie van de zijde van [A] ;

- de antwoordakte tevens houdende akte bezwaar wijziging van eis van de zijde van [B] ;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van [A] ;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van de zijde van [B] ;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van de zijde van [A] ;

  • -

    de bij gelegenheid van het pleidooi d.d. 3 april 2017 overgelegde pleitnotities.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geconstateerd dat toewijzing van de subsidiaire vordering in reconventie zich niet goed verdraagt met toewijzing van de vordering onder 2 in conventie, voor zover laatstgenoemde vordering ziet op het niets doen of nalaten wat levering van [naam hotel] aan [A] belemmert op straffe van een dwangsom.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over deze geconstateerde ongerijmdheid en de voorshands door de rechtbank daaraan verbonden consequentie van het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis in conventie en reconventie. Beide partijen hebben in dit kader aktes en antwoordaktes genomen.

2.2.

In zijn akte uitlating, tevens akte strekkende tot voorwaardelijke vermeerdering van eis, heeft [A] - zakelijk weergegeven - het volgende gesteld. Van de door de rechtbank geconstateerde ongerijmdheid is geen sprake. Voorts berusten de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het beroep van [A] op vernietiging van de akte van 4 januari 2014 op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. [A] verzoekt de rechtbank terug te komen van haar bindende eindbeslissingen op dit punt. Voor zover de rechtbank van oordeel is en blijft dat [A] geen geslaagd beroep kan doen op buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst op grond van wilsontbreken en daarnaast van oordeel blijft dat er sprake is van een ongerijmdheid tussen de vorderingen in conventie en reconventie vordert [A] dat de rechtbank de overeenkomst van 4 januari 2014 zal ontbinden wegens wanprestatie van de zijde van [B] . Anders dan de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen, is in de akte van 4 januari 2014 geen sprake van opschortende voorwaarden. Indien deze akte al gekwalificeerd kan worden als een overeenkomst, waarbij partijen "gewone" verplichtingen op zich hebben genomen jegens elkaar, en niet als een intentieovereenkomst, is de daarin opgenomen afspraak dat partijen de procedures zouden intrekken een onvoorwaardelijke afspraak waar partijen onmiddellijk aan gebonden zijn. [B] is onder meer deze afspraak niet nagekomen. Deze tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst rechtvaardigt ontbinding van de overeenkomst. Subsidiair beroept [A] zich in verband met deze tekortkoming op opschorting van zijn veronderstelde verplichtingen uit die overeenkomst.

2.3.

[B] heeft in haar akte na tussenvonnis - zakelijk weergegeven - het volgende gesteld. [B] kan zich niet verenigen met hetgeen in het tussenvonnis is overwogen omtrent het oudste recht op levering van [naam hotel] en zij verzoekt de rechtbank terug te komen van de bindende eindbeslissingen op dit punt. Voorts is naar de mening van [B] van de door de rechtbank geconstateerde ongerijmdheid geen sprake.

Ongerijmdheid

2.4.

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of, gelet op hetgeen partijen hieromtrent in hun aktes na tussenvonnis en ten pleidooie hebben gesteld, (thans nog) sprake is van de door de rechtbank in het tussenvonnis geconstateerde ongerijmdheid.

2.5.

In §12 van de akte na tussenvonnis heeft [B] ter onderbouwing van haar standpunt dat van de door de rechtbank geconstateerde ongerijmdheid geen sprake is - voor zover van belang - het volgende aangevoerd:

Gezien de nadere afspraak zoals partijen die hebben gemaakt doet een probleem/een impasse, zoals door de rechtbank gesignaleerd in r.ov. 4.32 zich niet (meer) voor. (…) Partijen hebben dit met de vaststellingsovereenkomst ook op deze wijze bedoeld, in die zin dat [A] afstand deed van zijn recht op levering (…)

Gezien deze nadere afspraak kan de vordering van [A] aldus niet (meer) worden toegewezen, althans is dat inhoudsloos geworden.

2.6.

Hieruit begrijpt de rechtbank dat [B] zich op het standpunt stelt dat van de door de rechtbank geconstateerde ongerijmdheid geen sprake is, nu de vordering van [A] in conventie dient te worden afgewezen, omdat hij in de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst jegens [B] afstand heeft gedaan van zijn recht op levering van [naam hotel] door [C en D] De rechtbank volgt [A] in zijn standpunt dat dit beroep van [B] op de vaststellingsovereenkomst een nieuw verweer betreft. [B] heeft in de conclusie van antwoord weliswaar onder het kopje 'Achtergrond van het geschil' aangegeven dat partijen op 4 januari 2014 zijn overeengekomen dat [B] [naam hotel] vrij van huur van mevrouw [C] en mevrouw [D] (hierna: [C en D] ) zal kopen en dat [A] [naam hotel] zal ontruimen, maar heeft hier noch in de conclusie van antwoord noch in de conclusie van dupliek juridische consequenties aan verbonden voor de vordering in conventie. Dit is door de gemachtigde van [B] ter gelegenheid van pleidooi ook erkend.

2.7.

De rechtbank acht het voeren van dit nieuwe verweer niet tardief of in strijd met de goede procesorde en overweegt daartoe als volgt. De door de rechtbank in het tussenvonnis geconstateerde ongerijmdheid werd (slechts) veroorzaakt door het feit dat [B] hetgeen zij in reconventie aan haar vordering ten grondslag had gelegd in conventie niet als verweer aanvoerde. Door in het tussenvonnis partijen te verzoeken zich uit te laten over deze ongerijmdheid heeft de rechtbank [B] (impliciet) de mogelijkheid geboden om dit verweer alsnog te voeren om daarmee de ongerijmdheid weg te nemen, hetgeen zij vervolgens ook heeft gedaan. Het nieuwe verweer sluit aan bij en vloeit voort uit hetgeen [B] reeds voorafgaand aan het tussenvonnis heeft gesteld omtrent de overeenkomst van 4 januari 2014, die dus al eerder onderwerp van debat is geweest. In zoverre komt het voeren van dit nieuwe verweer niet in strijd met de goede procesorde. Ten slotte heeft [A] voldoende gelegenheid gehad op het nieuwe verweer te reageren en heeft hij van die gelegenheid ook gebruik gemaakt, zodat het toestaan van dit verweer niet tot een vertraging van het geding leidt. De rechtbank staat het nieuwe verweer dan ook toe.

2.8.

De rechtbank volgt [A] niet in zijn stelling dat dit nieuwe verweer niet strookt met de voorwaardelijke subsidiaire vordering in reconventie, die is ingesteld onder de voorwaarde dat de vordering in conventie wordt toegewezen. Aan [A] kan worden toegegeven dat deze subsidiaire vordering in reconventie weinig toegevoegde waarde heeft naast het nieuwe verweer in conventie, waar hetzelfde standpunt aan ten grondslag ligt, maar dit rechtvaardigt niet de conclusie dat het verweer niet gevoerd kan worden. Nu de vordering in conventie, als het verweer wordt gehonoreerd, wordt afgewezen en de voorwaardelijke subsidiaire vordering in reconventie is ingesteld onder de voorwaarde dat de vordering in conventie wordt toegewezen, bijten de voorwaardelijke subsidiaire vordering in reconventie en het nieuwe verweer elkaar niet en kunnen zij naast elkaar bestaan. De rechtbank zal in r.o. 2.23 en volgende dit nieuwe verweer inhoudelijk beoordelen.

2.9.

[A] heeft in zijn akte uitlating ter onderbouwing van zijn standpunt dat van de door de rechtbank geconstateerde ongerijmdheid geen sprake is aangevoerd dat de veronderstelde ongerijmdheid is gebaseerd op een onjuiste lezing door de rechtbank van de subsidiaire vordering in reconventie, althans een onjuiste uitleg door de rechtbank van (de strekking van) de akte van 4 januari 2014. Anders dan de rechtbank in haar vonnis tot uitgangspunt heeft genomen, strekt de subsidiaire vordering in reconventie er volgens hem niet toe dat hij wordt veroordeeld medewerking te verlenen aan levering van [naam hotel] door [C en D] aan [B] , maar aan levering van [naam hotel] door hem aan [B] . Voorts heeft de rechtbank de door partijen ondertekende akte van 4 januari 2014 volgens [A] ten onrechte gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst, als bedoeld in artikel 7:900 BW, die er mede toe strekt het geschil omtrent de vraag wie de oudste leveringsrechten heeft te schikken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat, gezien de formulering van de afspraak omtrent [naam hotel] in deze akte, de afspraak niet ziet op de levering van [naam hotel] door [C en D] maar op de verkoop van [naam hotel] door hem aan [B] . Omdat deze afspraak niet de essentialia van een koopovereenkomst bevat, zoals een prijs en een leveringsdatum, strekt de overeenkomst niet tot koop maar kan de overeenkomst hoogstens gezien worden als een overeenkomst, waarin de intentie om te komen tot een koopovereenkomst is vastgelegd, aldus [A] .

2.10.

De rechtbank overweegt dat dit een nieuw verweer van [A] betreft. De rechtbank acht ook het voeren van dit verweer niet tardief of in strijd met de goede procesorde, nu zij partijen in het tussenvonnis heeft verzocht zich uit te laten over de door de rechtbank geconstateerde ongerijmdheid en aldus de mogelijkheid van het gemotiveerd bestrijden van dit oordeel heeft opengelaten. Bovendien heeft [B] voldoende gelegenheid gehad om op dit verweer te reageren, zodat het toestaan van dit verweer niet tot een vertraging van het geding leidt. Dit kan [A] echter niet baten, want de rechtbank verwerpt het verweer. Hiertoe is het volgende redengevend.

2.11.

In de conclusie van antwoord in conventie heeft [B] het volgende aangevoerd:

Gezien hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen in het kort gedingvonnis van 9 oktober 2013 (onder meer r.ov. 6.21), dienden [B] en [A] overeenstemming te bereiken over de levering en exploitatie van “ [naam hotel] ”. Dit is (…) aanleiding geweest om alsnog (…) in overleg te treden. Partijen hebben langdurig gesproken/onderhandeld en hebben overeenstemming bereikt over het beëindigen van alle lopende procedures. Verwezen wordt naar: prod. e: kopie handgeschreven overeenkomst van 4 januari 2014, door beide partijen ondertekend, alsmede de “uitgetypte” versie daarvan. Kort samengevat: [B] en [A] zijn alstoen (onder meer) overeengekomen dat [B] “ [naam hotel] ” koopt, vrij van huur e.d. (van de erven [familienaam] ) en dat [A] “ [naam hotel] ” aldus zal ontruimen en geheel van het eiland zal vertrekken.

2.12.

Hieruit volgt dat [B] zich op het standpunt stelt dat in de overeenkomst van 4 januari 2014 is overeengekomen dat [B] [naam hotel] koopt van [C en D] en dat [A] [naam hotel] zal ontruimen en het eiland zal verlaten. Dat de overeenkomst ziet op de koop/levering van/door [C en D] wordt in deze passage niet alleen expliciet aangevoerd, maar volgt ook impliciet uit de verwijzing naar r.o. 6.21 van het kort gedingvonnis van 9 oktober 2013. In deze rechtsoverweging heeft de voorzieningenrechter overwogen dat, indien [A] en [B] geen overeenstemming zouden bereiken over levering en exploitatie van [naam hotel] , het aan hen was om in een bodemprocedure op grond van het bepaalde in artikel 3:298 BW te laten vaststellen aan wie van beiden (door [C en D] ) geleverd diende te worden. Nu de subsidiaire vordering in reconventie strekt tot nakoming door [A] van de overeenkomst van 4 januari 2014, meer in het bijzonder van de verplichting tot het verlenen van medewerking aan de levering van [naam hotel] , kan die vordering, zoals [B] heeft aangevoerd, niet anders begrepen worden dan dat wordt gevorderd [A] te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan levering van [naam hotel] door [C en D] aan [B] .

2.13.

De rechtbank volgt [A] evenmin in zijn standpunt dat de in de overeenkomst van 4 januari 2014 gemaakte afspraak omtrent [naam hotel] zo begrepen moet worden dat de afspraak ziet op de verkoop van [naam hotel] door [A] aan [B] . Zoals [A] zelf in zijn akte uitlating heeft aangegeven, bestond ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een geschil over de vraag wie het oudste recht op levering van [naam hotel] had. Mede gelet op de aanhef van de overeenkomst, luidende "Om uit de algehele boedelscheiding/verdeling en oplossing van de problemen te komen hebben partijen het volgende afgesproken", ligt het naar het oordeel van de rechtbank, in navolging van wat [B] heeft betoogd, in de rede dat partijen met de afspraak over [naam hotel] dit geschil hebben willen beslechten en dat de afspraak dus ziet op de vraag wie van hen beiden [naam hotel] van [C en D] overgedragen zou krijgen. Dat partijen in de formulering van de afspraak het werkwoord 'kopen' hebben gebruikt, terwijl zij beiden [naam hotel] reeds hadden gekocht van [C en D] , acht de rechtbank, gelet op het feit dat partijen bij het opstellen van de overeenkomst geen juridische bijstand hebben gehad, onvoldoende om hierover anders te oordelen. Zoals [B] terecht heeft aangevoerd, ligt de door [A] voorgestane uitleg ook niet voor de hand, nu [A] in januari 2014 nog steeds in een juridisch geschil verwikkeld was met [C en D] over de vraag of tussen hen een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand gekomen is. Het was dus onduidelijk of [A] [naam hotel] van [C en D] geleverd zou krijgen, zodat het niet aannemelijk voorkomt dat partijen zijn overeengekomen dat [A] zou doorverkopen en leveren aan [B] . Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt bovendien niet in te zien waarom partijen - de uitleg van [A] volgend - ervoor zouden hebben gekozen om [naam hotel] eerst door [C en D] aan [A] te laten leveren en deze vervolgens door [A] te laten doorverkopen en leveren aan [B] in plaats van [C en D] [naam hotel] direct aan [B] te laten leveren.

2.14.

Voor zover het verweer van [A] dat de overeenkomst van 4 januari 2014 hoogstens kan worden gekwalificeerd als een intentieovereenkomst voortborduurt op het hiervoor verworpen standpunt van [A] dat de gemaakte afspraak omtrent [naam hotel] ziet op de verkoop van [naam hotel] door [A] aan [B] , wordt ook dit standpunt verworpen.

2.15.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit de in r.o. 2.11 geciteerde passage uit de conclusie van antwoord in conventie blijkt, dat [B] zich op het standpunt stelt dat de overeenkomst de strekking had om alle lopende procedures tussen partijen te beëindigen, waaronder het geschil tussen partijen over de vraag aan wie van hen [naam hotel] door [C en D] geleverd diende te worden. Hieruit heeft de rechtbank, anders dan [A] heeft betoogd, kunnen en mogen afleiden dat de overeenkomst van 4 januari 2014 volgens [B] een vaststellingsovereenkomst is. Het kenmerk van een vaststellingsovereenkomst is immers dat partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar binden aan een vaststelling daarvan (artikel 7:900 BW). De rechtbank is van oordeel dat zij in het tussenvonnis van 6 juli 2016 [B] terecht heeft gevolgd in haar standpunt dat sprake is van een vaststellingovereenkomst. Uit de aanhef van de overeenkomst, zoals hiervoor geciteerd, blijkt namelijk dat de overeenkomst de strekking heeft van een vaststellingsovereenkomst en dit volgt ook uit de inhoud van de gemaakte afspraken, die er alle toe strekken definitief een einde te maken aan de tussen partijen bestaande geschillen. Bovendien heeft [A] zelf aangevoerd dat de bespreking op 4 januari 2014, die heeft geleid tot het opstellen en de ondertekening van de overeenkomst, plaatsvond op initiatief van [E] , de zoon van partijen, en tot doel had een einde te maken aan de geschillen tussen partijen. Ook dit draagt bij aan de conclusie dat de overeenkomst strekte tot beëindiging van alle geschillen tussen partijen.

2.16.

De slotsom van het vorenstaande is dat hetgeen [A] heeft aangevoerd omtrent de door de rechtbank geconstateerde ongerijmdheid, geen doel treft en dat de rechtbank in het tussenvonnis terecht heeft geconstateerd dat sprake was van een ongerijmdheid. Gezien het nieuwe verweer van [B] , als bedoeld in r.o. 2.5, is van de door de rechtbank in het tussenvonnis geconstateerde ongerijmdheid thans echter geen sprake meer. Indien dit verweer slaagt, zal de vordering in conventie immers moeten worden afgewezen en indien dit verweer niet slaagt, slaagt ook de subsidiaire vordering in reconventie niet. De rechtbank zal daarom geen uitvoering geven aan haar in het tussenvonnis geuite voornemen om de vonnissen in conventie en reconventie vanwege de door haar geconstateerde ongerijmdheid niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

in conventie

Oudste recht op levering

2.17.

[B] heeft de rechtbank verzocht terug te komen van haar bindende eindbeslissing in conventie omtrent het oudste recht op levering van [naam hotel] . Volgens [A] is dit verzoek in strijd met de goede procesorde, nu het dient te worden aangemerkt als een verkapt appèl, waarvoor de aktenwisseling na tussenvonnis niet was bedoeld. Voorts stelt hij dat dit verzoek op inhoudelijke gronden dient te worden afgewezen, omdat [B] een groot aantal feitelijk onjuiste stellingen betrekt die reeds door [A] zijn betwist en waarvan de onjuistheid reeds blijkt uit de gedingstukken. Bovendien geeft hetgeen thans door [B] wordt aangevoerd volgens [A] geen nieuw inzicht in de juridische situatie omtrent het oudste recht waarmee de rechtbank in het tussenvonnis nog geen rekening heeft gehouden.

2.18.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de rechter die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding gebonden is. Deze gebondenheid heeft een - uit een oogpunt van goede procesorde positief te waarderen - op beperking van het debat gerichte functie. Zij geldt evenwel niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn. De rechter dient - ook - in een dergelijk geval te motiveren waarom het terugkomen van de eerder gegeven bindende eindbeslissing in dit opzicht geboden is (zie HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521).

2.19.

Het is de rechtbank niet gebleken dat de in het tussenvonnis opgenomen eindbeslissing ter zake van het oudste recht op levering van [naam hotel] is gebaseerd op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

2.20.

Het standpunt van [B] , dat de rechtbank in het tussenvonnis ten onrechte heeft overwogen dat geen verklaring is gegeven voor de discrepantie tussen de verklaring van [F] van 23 augustus 2013 en zijn eerdere brieven van 20 december 2010 en 1 juli 2011, berust op een onjuiste lezing van dit vonnis. De rechtbank heeft in r.o. 4.5 van het tussenvonnis niet geoordeeld dat geen verklaring is gegeven voor de discrepantie, maar dat geen afdoende verklaring is geboden voor deze discrepantie.

2.21.

Voorts kan [B] niet gevolgd worden in haar stelling dat de rechtbank haar vonnis op een onjuiste juridische grondslag heeft gebaseerd door geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan het tussen haar en [C en D] gewezen vonnis van 6 maart 2013. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 11 februari 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA4767) kunnen de eisen van een goede procesorde niet meebrengen dat iemand wordt gebonden aan de beslissing in een geding waarin hij geen partij was. [A] was geen partij in de procedure waarin het vonnis van 6 maart 2013 is gewezen, zodat hij niet gebonden is aan de impliciete beslissing van de rechtbank in dat vonnis dat tussen [B] en [C en D] sprake is van een vóór 5 januari 2011 gesloten koopovereenkomst. Het feit dat [A] geen derdenverzet heeft ingesteld tegen dit vonnis, doet daar niet aan af, omdat het nalaten daarvan niet kan leiden tot gebondenheid van [A] aan het vonnis. Nu [A] niet gebonden is aan de beslissingen van de rechtbank in het vonnis van 6 maart 2013, kan - anders dan [B] meent - in onderhavige procedure evenmin worden geoordeeld dat aan [A] kan worden tegengeworpen dat (het bewijs van) het bestaan van de koopovereenkomst voldoende blijkt uit het vonnis; in onderhavige procedure moe(s)t op basis van de stellingen en verweren van partijen, zoals die in onderhavige procedure naar voren zijn gebracht, worden beoordeeld of het bestaan van de door [B] gestelde oudere koopovereenkomst in de rechtsverhouding tussen [A] en [B] voldoende vast is komen te staan. De rechtbank heeft deze vraag in het tussenvonnis bij wijze van bindende eindbeslissing ontkennend beantwoord en de rechtbank blijft bij dit oordeel, nu niet gebleken is dat dit oordeel berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag.

2.22.

De overige stellingen die [B] heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar betoog dat sprake is van een feitelijke of juridische misslag zijn ook in de conclusies vóór het tussenvonnis door haar aangevoerd en door de rechtbank in het tussenvonnis in de beoordeling betrokken. Dit duidt erop dat sprake is van een verkapt hoger beroep, waarvoor in de onderhavige procedure geen plaats is.

Geldigheid van (het beroep op) de vaststellingsovereenkomst

2.23.

Daarmee komt de rechtbank toe aan beoordeling van het nieuwe verweer van [B] , als bedoeld in r.o. 2.6., dat de vorderingen van [A] dienen te worden afgewezen, omdat hij in de tussen partijen op 4 januari 2014 gesloten vaststellingsovereenkomst jegens [B] afstand heeft gedaan van zijn recht op levering van [naam hotel] door [C en D] De rechtbank stelt in dit verband voorop dat in het tussenvonnis in reconventie reeds is geoordeeld dat [A] op grond van de tussen partijen op 4 januari 2014 gesloten overeenkomst gehouden is zijn medewerking te verlenen aan levering van [naam hotel] door [C en D] aan [B] .

2.24.

[A] heeft in zijn akte uitlating verder gesteld dat het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis, dat zijn beroep op vernietiging van deze overeenkomst wegens wilsontbreken niet slaagt, op een juridische of feitelijke misslag berust. Hij heeft in dit verband een nadere onderbouwing gegeven van zijn standpunt dat voor [B] kenbaar was dat er bij hem sprake was van wilsontbreken ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Voorts heeft hij verklaringen overgelegd van de heer en mevrouw [G] , kennissen van hem die in het restaurant van [naam hotel] aanwezig waren toen de overeenkomst werd getekend, en verklaringen van hemzelf en van zijn toenmalige partner mevrouw [H] .

2.25.

De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat [A] deze nadere onderbouwing niet vóór het tussenvonnis had kunnen geven en de verklaringen niet vóór het tussenvonnis had kunnen overleggen. Zoals volgt uit het hiervoor onder r.o. 2.18 weergegeven toetsingskader, is het leerstuk van het terugkomen op een bindende eindbeslissing niet bedoeld om de omissies van een partij, bestaande uit het nalaten om tijdig alle voor het bereiken van een bepaald oordeel relevante stellingen aan te voeren en te onderbouwen, te herstellen. De rechtbank gaat daarom aan deze stellingen van [A] voorbij wegens strijd met de eisen van een goede procesorde. Voormeld oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis ten aanzien van het wilsontbreken blijft derhalve in stand.

2.26.

De rechtbank gaat om dezelfde reden ook voorbij aan de stelling van [A] dat [B] vanaf 2014 het gerechtvaardigd vertrouwen bij hem heeft gewekt dat zij zich niet op de overeenkomst van 4 januari 2014 zou beroepen en dat het daarom niet aangaat dat zij zich thans wél op de overeenkomst beroept. [A] heeft dit vóór het tussenvonnis niet als verweer aangevoerd tegen de vordering in reconventie tot nakoming van de overeenkomst van 4 januari 2014, terwijl gesteld noch gebleken is dat hij dit toen niet had kunnen doen.

Voorwaardelijke eisvermeerdering in conventie

2.27.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de voorwaardelijke vermeerdering van eis in conventie, strekkende tot ontbinding van de vaststellingsovereenkomst, toelaatbaar is. De rechtbank volgt [B] in haar standpunt dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt. Uitgangspunt van artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is dat zolang de rechter geen eindvonnis heeft gewezen, de eisende partij bevoegd is haar eis en de grondslag daarvan te vermeerderen of te wijzigen. Alleen indien de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde, kan deze buiten beschouwing worden gelaten. Dat is naar het oordeel van de rechtbank hier het geval. De rechtbank heeft in het tussenvonnis op bijna alle geschilpunten een eindbeslissing gegeven en heeft enkel nog gelegenheid geboden aan partijen om zich uit te laten over de door de rechtbank geconstateerde ongerijmdheid en de daaraan voorshands door de rechtbank verbonden consequenties. De voorwaardelijke eisvermeerdering heeft daar geen betrekking op, maar heeft betrekking op een geschilpunt waarop de rechtbank al bindend heeft beslist. De rechtbank heeft in het tussenvonnis immers overwogen dat [B] nakoming van de vaststellingsovereenkomst van [A] kan vorderen, nu aangevoerd noch gebleken is dat deze overeenkomst door [A] is ontbonden of dat [A] een beroep op opschorting van zijn verplichtingen uit deze overeenkomst heeft gedaan. Onder deze omstandigheden is de voorwaardelijke eisvermeerdering in strijd met de goede procesorde.

2.28.

Los daarvan overweegt de rechtbank dat zij, als zij de eisvermeerdering wel had toegestaan, niet zou zijn toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de eisvermeerdering, omdat - zoals [B] terecht heeft aangevoerd - niet voldaan is aan één van de twee cumulatieve voorwaarden waaronder de eis is ingesteld. Uit de akte strekkende tot voorwaardelijke vermeerdering van eis blijkt dat de vermeerdering van eis is ingesteld onder de voorwaarden dat de rechtbank van oordeel is en blijft dat [A] geen geslaagd beroep kan doen op buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst op grond van wilsontbreken én daarnaast van oordeel blijft dat er sprake is van een ongerijmdheid tussen de vorderingen in conventie en reconventie. Uit hetgeen hiervoor in r.o. 2.16 is overwogen, volgt dat de voorwaarde dat de rechtbank van oordeel blijft dat er sprake is van een ongerijmdheid tussen de vorderingen in conventie en reconventie niet is vervuld.

Uitleg van de vaststellingsovereenkomst

2.29.

Vervolgens wordt toegekomen aan de beoordeling van het standpunt van [A] dat het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis dat in de overeenkomst van 4 januari 2014 de voorwaardelijke verplichting is opgenomen van beide partijen om alle procedures te staken, beslagen op te heffen en vorderingen in te trekken en dat de overige afspraken in de overeenkomst zijn geformuleerd als voorwaarden waaronder voormelde verplichting is aangegaan op een juridische misslag berust. Deze uitleg van de overeenkomst is volgens [A] onnavolgbaar en vindt geen steun in de bewoordingen van de akte. Van opschortende voorwaarden is geen sprake, zodat op partijen op grond van de overeenkomst de onvoorwaardelijke verplichting rustte de lopende procedures in te trekken en de beslagen op te heffen. [B] is als eerste deze verplichting niet nagekomen, door niet tot intrekking van het door haar ingediende faillissementsverzoek over te gaan. Deze verplichting kan zij ook niet meer nakomen, aldus [A] .

2.30.

[B] heeft hiertegen ingebracht dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een voorwaardelijke verbintenis wel juist is en dat zij het aanhangige faillissementsverzoek wel degelijk heeft ingetrokken.

2.31.

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de uitleg van een overeenkomst dient te geschieden aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf, zoals geformuleerd door de Hoge Raad in zijn arrest van 13 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Deze maatstaf geldt ook voor de uitleg van vaststellingsovereenkomsten en houdt in dat de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of de overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het namelijk aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

2.32.

De rechtbank overweegt dat [B] zich voorafgaand aan het tussenvonnis op het standpunt stelde dat de in de overeenkomst opgenomen verbintenis om alle procedures te staken, beslagen op te heffen en vorderingen in te trekken een onvoorwaardelijke verbintenis betreft. Dit blijkt uit het feit dat zij in reconventie primair nakoming van deze verbintenis heeft gevorderd van [A] , terwijl in haar visie door beide partijen nog niet aan alle overige in de overeenkomst opgenomen verbintenissen is voldaan. Als zij derhalve van mening zou zijn dat de overige verbintenissen zijn te beschouwen als opschortende voorwaarden waaronder de eerstvermelde verbintenis is aangegaan, zou zij geen nakoming van die verbintenis kunnen vorderen. Bovendien heeft [B] in haar conclusies vóór het tussenvonnis ook niet gesteld dat sprake is van een verbintenis onder (opschortende) voorwaarden. Ook [A] heeft vóór het tussenvonnis in het kader van zijn verweer tegen de reconventionele vordering tot opheffing van zijn beslagen niet aangevoerd dat sprake is van een voorwaardelijke verbintenis tot staking van alle procedures, opheffing van de beslagen en intrekking van de vorderingen. Als hij de mening was toegaan dat dit een voorwaardelijke verbintenis betreft, had het in de rede gelegen dat hij dit wél als verweer had aangevoerd, nu ook in zijn visie beide partijen nog niet aan alle overige verbintenissen in de overeenkomst hebben voldaan, zodat de vordering alsdan niet toewijsbaar zou zijn.

2.33.

[B] heeft in haar antwoordakte na het tussenvonnis gesteld dat de tekst van de overeenkomst erop duidt dat wél sprake is van een voorwaardelijke verbintenis. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij, omdat deze tardief is ingenomen en [B] ook geen verklaring heeft geboden voor deze wijziging van standpunt. Bovendien komt aan de gelijkluidende uitleg van partijen van de verbintenis, zoals deze blijkt uit hun vóór het tussenvonnis ingenomen stellingen, zwaarder gewicht toe dan aan de taalkundige uitleg van deze verbintenis, nu partijen de overeenkomst samen met [E] hebben opgesteld en de verbintenis daarom kennelijk zo hebben bedoeld. Daarbij komt dat de bepaling in de overeenkomst dat [B] [naam hotel] "koopt" en doorlevert aan [E] steun biedt aan deze gelijkluidende uitleg van partijen. Deze verbintenis kan niet nagekomen worden zonder opheffing van het door [A] op [naam hotel] gelegde beslag. Het ligt daarom niet in de rede dat deze verbintenis een voorwaarde is waaronder de verbintenis tot staking van de procedures, opheffing van de beslagen en intrekking van de vorderingen is aangegaan. Dat zou immers beide verbintenissen onuitvoerbaar maken.

2.34.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [A] terecht heeft gesteld dat het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis dat in de overeenkomst van 4 januari 2014 de voorwaardelijke verplichting is opgenomen van beide partijen om alle procedures te staken, beslagen op te heffen en vorderingen in te trekken en dat de overige afspraken in de overeenkomst zijn geformuleerd als voorwaarden waaronder voormelde verplichting is aangegaan, op een juridische misslag berust. De rechtbank komt daarom van deze bindende eindbeslissing terug. De rechtbank komt eveneens terug van de bindende eindbeslissing in r.o. 4.29 van het tussenvonnis dat [A] zich in redelijkheid niet kan beroepen op het niet meer vervuld kunnen worden van één van de in de overeenkomst opgenomen opschortende voorwaarden, nu deze eindbeslissing voortborduurt op voormelde onjuiste eindbeslissing. De rechtbank komt hierna in r.o. 2.39 nog terug op de vraag welke consequenties dit heeft voor de beoordeling van het geschil in reconventie.

Slotsom

2.35.

Zoals hiervoor is overwogen, komt de rechtbank niet toe aan de voorwaardelijke eisvermeerdering strekkende tot ontbinding van de overeenkomst, zodat ervan uitgegaan moet worden dat de vaststellingsovereenkomst niet is ontbonden. [B] kan zich derhalve jegens [A] beroepen op deze vaststellingsovereenkomst. De rechtbank volgt [B] in haar standpunt dat de daarin opgenomen afspraak dat zij [naam hotel] koopt van [C en D] en dat [A] [plaats] zal verlaten en zich niet meer met [naam hotel] bemoeit, impliceert dat [A] jegens [B] afstand doet van zijn uit artikel 3:298 BW voortvloeiende aanspraak op levering van [naam hotel] door [C en D] Om die reden slaagt het nieuwe verweer van [B] , als bedoeld in r.o. 2.6., dat de vorderingen van [A] in conventie dienen te worden afgewezen. Gezien de door [A] jegens [B] gedane afstand van recht bestaat er immers geen grond om [B] te veroordelen om de door haar op [naam hotel] gelegde beslagen op te heffen en niets te doen of na te laten wat levering van [naam hotel] aan [A] belemmert. Evenmin bestaat er vanwege deze afstand van recht grond voor toewijzing van de door [A] gevorderde verklaring voor recht dat hij het oudste recht op levering heeft. Deze vordering betreft namelijk de vaststelling van een rechtstoestand, die thans niet meer bestaat. [A] had wel het oudste recht op levering in de zin van artikel 3:298 BW, maar heeft dit nu niet meer, omdat hij jegens [B] afstand heeft gedaan van zijn uit artikel 3:298 BW voortvloeiende aanspraken. De rechtbank komt daarom terug van haar voornemen, zoals vermeld in het tussenvonnis, tot toewijzing van de vorderingen in conventie en zal deze vorderingen afwijzen.

2.36.

Voor de duidelijkheid overweegt de rechtbank dat het in het tussenvonnis om een voornemen tot toewijzing van de vorderingen in conventie ging en niet om een bindende eindbeslissing. Dat geen sprake is van een zonder voorbehoud gegeven beslissing blijkt uit de woorden "voorshands voornemens" in r.o. 4.32 van het tussenvonnis en uit het feit dat de rechtbank partijen de mogelijkheid heeft geboden om zich bij akte uit te laten over de door de rechtbank geconstateerde ongerijmdheid en aldus de mogelijkheid heeft opengelaten dat partijen met nieuwe stellingen en verweren zouden komen die de ongerijmdheid weg zouden nemen en tot een ander oordeel zouden leiden. Voor zover niettemin geoordeeld zou moeten worden dat op dit punt wél sprake is van een bindende eindbeslissing in het tussenvonnis, is de rechtbank op grond van het toetsingskader als vermeld in r.o. 2.18. bevoegd om terug te komen op deze eerdere beslissing.

Proceskosten

2.37.

[A] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden vastgesteld op:

griffierecht € 285,00

salaris advocaat € 2.486,00 (5,5 punten x tarief € 452,00)

totaal € 2.771,00

in (voorwaardelijke) reconventie

2.38.

Nu de vordering in conventie zal worden afgewezen, is voldaan aan de voorwaarde waaronder de primaire vordering in reconventie is ingesteld. De rechtbank komt derhalve terug van haar oordeel in het tussenvonnis dat aan een beoordeling van de primaire vordering in reconventie niet wordt toegekomen en van haar voornemen tot toewijzing van de subsidiaire vordering.

Nakoming van de vaststellingsovereenkomst

2.39.

Zoals hiervoor is overwogen, dient ervan uitgegaan te worden dat de vaststellingsovereenkomst niet is ontbonden. Dat impliceert dat [B] in beginsel nakoming kan vorderen van [A] van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. Dit geldt ook indien zij, zoals [A] stelt, zelf haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen en deels niet meer kan nakomen, tenzij [A] de nakoming van zijn verplichtingen rechtsgeldig heeft opgeschort of sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van [B] . [A] heeft in zijn akte uitlating na tussenvonnis een beroep gedaan op opschorting en voorts aangevoerd dat sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van [B] . De rechtbank gaat aan dit nieuwe verweer voorbij, nu aangevoerd noch gebleken is dat [A] dit verweer niet vóór het tussenvonnis had kunnen voeren. Het in dit late stadium van het geding openen van een geheel nieuw debat is in strijd met de eisen van een goede procesorde, te meer nu de rechtbank in het tussenvonnis op bijna alle geschilpunten een eindbeslissing heeft gegeven en enkel nog gelegenheid heeft geboden aan partijen om zich uit te laten over de door de rechtbank geconstateerde ongerijmdheid en de daaraan voorshands door de rechtbank verbonden consequenties.

Slotsom

2.40.

[A] heeft derhalve niet tijdig feiten of omstandigheden aangevoerd die nopen tot de conclusie dat [B] geen nakoming van de vaststellingsovereenkomst van hem kan vorderen. De op de vaststellingsovereenkomst gegronde primaire vordering om [A] te veroordelen om het door hem gelegde beslag/de gelegde beslagen op [naam hotel] op te heffen alsmede [naam hotel] met de zijnen te ontruimen en ontruimd te laten, en verder alles na te laten wat de levering van [naam hotel] aan [B] belemmert, is derhalve toewijsbaar. De veroordeling van [A] om [naam hotel] met de zijnen te ontruimen brengt mee dat, indien [A] [naam hotel] onderverhuurt of onderverpacht aan een derde, hij ervoor dient zorg te dragen dat ook deze derde [naam hotel] verlaat.

2.41.

Nu in de vaststellingsovereenkomst geen termijn voor nakoming is overeengekomen, kan ingevolge artikel 6:38 BW terstond nakoming worden gevorderd van deze overeenkomst. De rechtbank zal daarom aan de veroordeling tot opheffing van de beslagen de gevorderde termijn van 24 uur na betekening van het vonnis verbinden. Deze termijn acht de rechtbank voor de veroordeling tot ontruiming echter te kort. Zij zal daarom in plaats daarvan bepalen dat [A] uiterlijk drie dagen voor het verlijden van de akte van levering van [naam hotel] door [C en D] aan [B] [naam hotel] met de zijnen dient te ontruimen, waarbij zal worden bepaald dat [B] de datum van het verlijden van de betreffende leveringsakte uiterlijk twee weken voor die datum ordentelijk en schriftelijk aan [A] dient mee te delen en dat de datum van het verlijden van de betreffende leveringsakte niet mag liggen binnen een termijn van zes weken na betekening van dit vonnis.

2.42.

Ten aanzien van de veroordeling om alles na te laten wat de levering van [naam hotel] aan [B] belemmert, zal worden bepaald dat deze ingaat na betekening van het vonnis.

2.43.

De gevorderde dwangsom zal als onbestreden worden toegewezen, zij het dat deze zal worden gematigd en gemaximeerd op de wijze als in het dictum weergegeven.

Proces- en nakosten

2.44.

[A] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden vastgesteld op € 1.243,00

(factor 0,5 x 5,5 punten x tarief € 452,00) ter zake van salaris advocaat. De rechtbank hanteert bij de berekening van het salaris een factor 0,5 omdat de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie.

2.45.

De nakosten zullen als onbestreden worden toegewezen op de wijze als in het dictum weergegeven.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

2.46.

Zoals door [B] verzocht, zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, ook wat betreft de veroordeling van [A] in de proces- en nakosten.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden vastgesteld op € 2.771,00;

in reconventie

3.3.

veroordeelt [A] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle door hem op [naam hotel] gelegde beslagen op te heffen;

3.4.

veroordeelt [A] om uiterlijk drie dagen voor het verlijden van de akte van levering van [naam hotel] door [C en D] aan [B] [naam hotel] met de zijnen te ontruimen, waarbij geldt dat [B] de datum van het verlijden van de betreffende leveringsakte uiterlijk twee weken voor die datum ordentelijk en schriftelijk aan [A] dient mee te delen en dat de datum van het verlijden van de betreffende leveringsakte niet mag liggen binnen een termijn van zes weken na betekening van dit vonnis;

3.5.

veroordeelt [A] om alles na te laten wat de levering van [naam hotel] aan [B] belemmert;

3.6.

veroordeelt [A] om aan [B] een dwangsom te betalen van € 5.000,- per afzonderlijke veroordeling voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan het onder 3.3., 3.4. of 3.5. bepaalde te voldoen, tot een maximum van € 100.000,- per afzonderlijke veroordeling is bereikt;

3.7.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden vastgesteld op € 1.243,00;

3.8.

veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

3.9.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.10.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman, mr. J.C.G. Leijten en mr. M.C. van Woudenberg en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 fn: 445