Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3256

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
18/920108-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

7 (waaronder 1 poging) diefstallen, mishandeling en het door middel van brandstichting beschadigen en onbruikbaar maken van twee voertuigen,

veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk waaraan bijzondere voorwaarden zijn gekoppeld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/920108-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/144346-13

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 augustus 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Jakobs, advocaat te Emmen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 26 juli 2016 tot en met 28 juli 2016, te

Emmen in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf het

terrein van een bedrijf aan de [straatnaam] heeft weggenomen een

aantal velgen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[bedrijf 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot dat terrein hebben/heeft verschaft en/of die weg te nemen velgen onder zijn/hun bereik

hebben gebracht door middel van door braak en/of verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 19 oktober 2016, te [pleegplaats], althans in de gemeente

Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een supermarkt aan de [straatnaam]

weg te nemen geld en/of rookwaar en/of (andere) goederen, die van

zijn/hun gading zouden blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan

[bedrijf 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en zich daarbij de toegang tot die supermarkt te verschaffen en/of die/dat weg

te nemen geld en/of rookwaar en/of goederen onder zijn bereik te brengen door

middel van braak en/of verbreking, (met een breekvoorwerp) hebben/heeft getracht de deur(en) van die supermarkt te openen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 8 januari 2017, te Emmen in de gemeente Emmen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan een personenauto, merk: Ford, type [naam], geparkeerd/staande op een bedrijfsterrein aan de [straatnaam],

met dat opzet (een flesje met) een brandbare (vloei)stof heeft uitgegoten/

geplaatst tegen/nabij een (achter)band van genoemde auto en/of (vervolgens)

die (vloei)stof heeft aangestoken, in elk geval met dat opzet open vuur in

aanraking heeft gebracht met de/een band van genoemde auto, althans met een

brandbare stof, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 8 januari 2017 te Emmen in de gemeente Emmen, opzettelijk

en wederrechtelijk een personenauto, merk: Ford, staande/geparkeerd op een

bedrijfsterrein aan de [straatnaam], in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, middels brandstichting heeft vernield en/of beschadigd

en/of onbruikbaar gemaakt;

4.

hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2017 tot en met 11 januari 2017, te Emmen in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- vanaf het terrein van een bedrijf aan de [straatnaam] een

aanhangwagen en/of een aantal (aluminium) buizen, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 3], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en/of

- vanaf het terrein van een bedrijf aan de [straatnaam] een aanhangwagen

en/of een aantal (aluminium) buizen, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [bedrijf 4], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich (telkens) de toegang tot

genoemd(e) terrein(en) hebben verschaft en/of (telkens) die/dat weg te nemen

aanhangwagen en/of buizen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel

van braak en/of verbreking en/of inklimming;

5.

hij op of omstreeks 6 maart 2017 tot en met 7 maart 2017, te Emmen in de

gemeente Emmen, opzettelijk en wederrechtelijk een bedrijfsauto, merk: Toyota,

staande/geparkeerd aan de [straatnaam], in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, middels brandstichting heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde op grond van de stukken en de bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat zij ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht omdat er door het handelen van verdachte (poging tot brandstichting), gemeen gevaar voor goederen te duchten was, nu zich andere auto's in de nabijheid bevonden van de auto die verdachte getracht heeft in brand te steken.

Standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft betoogd dat het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde is de raadsvrouw van mening dat poging tot brandstichting, op grond van de stukken in het dossier, niet kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit de stukken niet blijkt dat verdachte aluminium buizen bij het bedrijf "[bedrijf 4]" heeft weggenomen. Dit deel van de tenlastelegging kan daarom, naar de mening van de raadsvrouw, niet worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de onder 3 primair ten laste gelegde poging brandstichting niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat uit de verklaring van aangever blijkt dat er op de nacht van de brand geen andere voertuigen op dat deel van het bedrijfsterrein stonden, behoudens de auto die getracht is in brand te steken.

Gelet op deze verklaring is er geen gemeen gevaar voor andere goederen te duchten geweest. De brandstichting kan daarom niet worden bewezen. Wel acht de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde, de beschadiging, wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde en hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

Feit 1

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 augustus 2017.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 1 augustus 2016, opgenomen op pagina 330 van het dossier met nummer PL0100-2017087006 d.d. 13 april 2017, inhoudende de verklaring van [naam], namens [bedrijf 1].

Feit 2

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 augustus 2017.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 21 oktober 2016, opgenomen op pagina 427 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam], namens [bedrijf 2].

Feit 3 subsidiair

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 augustus 2017.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 25 januari 2017, opgenomen op pagina 568 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1].

Feit 4

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 augustus 2017.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 12 januari 2017, opgenomen op pagina 641 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam], namens [bedrijf 3].

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 11 januari 2017, opgenomen op pagina 704 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam], namens [bedrijf 4].

Feit 5

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 augustus 2017.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 7 maart 2017, opgenomen op pagina 839 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht, gelet op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, het onder

1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

Hij in de periode van 26 juli 2016 tot en met 28 juli 2016, te Emmen in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf het terrein van een bedrijf aan de [straatnaam] heeft weggenomen een

aantal velgen, toebehorende aan [bedrijf 1], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot dat terrein hebben verschaft en die weg te nemen velgen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming.

2.

Hij op 19 oktober 2016, te [pleegplaats], althans in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een supermarkt aan de [straatnaam] weg te nemen geld en/of rookwaar en/of andere goederen die van hun gading zouden blijken te zijn, toebehorende aan [bedrijf 2] en zich daarbij de toegang tot die supermarkt hebben verschaft en die/dat weg te nemen geld en/of rookwaar en/of goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, (met een breekvoorwerp) hebben getracht de deuren van die supermarkt te openen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. subsidiair

Hij op 8 januari 2017 te Emmen in de gemeente Emmen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, merk: Ford, geparkeerd op een bedrijfsterrein aan de [straatnaam],

toebehorende aan een ander middels brandstichting heeft beschadigd.

4.

Hij in de periode van 10 januari 2017 tot en met 11 januari 2017, te Emmen in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- vanaf het terrein van een bedrijf aan de [straatnaam] een aanhangwagen en een aantal (aluminium) buizen, toebehorende aan [bedrijf 3],

en

- vanaf het terrein van een bedrijf aan de [straatnaam] een aanhangwagen

en een aantal (aluminium) buizen toebehorende aan [bedrijf 4],

waarbij verdachte en zijn mededader zich telkens de toegang tot genoemde terreinen hebben verschaft en telkens die weg te nemen aanhangwagen en buizen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

5.

Hij omstreeks 6 maart 2017 tot en met 7 maart 2017, te Emmen in de gemeente Emmen, opzettelijk en wederrechtelijk een bedrijfsauto, merk: Toyota, geparkeerd aan de [straatnaam], toebehorende aan [slachtoffer 2], middels brandstichting heeft onbruikbaar gemaakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

2. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

3. subsidiair opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort beschadigen;

4. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;

5. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort onbruikbaar maken.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het psychologisch rapport d.d. 2 juni 2017 opgemaakt door drs. D. Breuker, forensisch psycholoog. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en narcistische trekken. Daarnaast is er sprake van problematisch middelengebruik waaronder speed- afhankelijkheid en misbruik van alcohol, cannabis en soms cocaïne, in vroege remissie door het verblijf in een gereguleerde omgeving. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde - indien bewezen - verdachte in een verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare. De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
Aan de proeftijd dienen naast de algemene voorwaarden tevens de bijzondere voorwaarden opgelegd te worden zoals opgenomen in het rapport van de reclassering d.d. 11 juli 2017.

Voorts heeft de officier van justitie rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en welke feiten hiermee zijn afgedaan met uitzondering van het onder 2 ad informandum gevoegde feit, nu verdachte ter terechtzitting heeft ontkend dat hij dat feit heeft begaan.

Bij haar strafeis gaat de officier van justitie uit van de conclusie van de psycholoog dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform het voorarrest in combinatie met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, zoals voorgesteld door de reclassering.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en welke feiten hiermee zijn afgedaan met uitzondering van het onder 2 ad informandum gevoegde feit.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan 7 (waaronder 1 poging) diefstallen, in vereniging gepleegd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling en heeft hij door middel van brandstichting een voertuig beschadigd en een voertuig onbruikbaar gemaakt.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van 8 maanden op structurele basis bezig gehouden met het plegen van misdrijven en heeft enkel uit motieven van financieel gewin en wraakzucht gehandeld. Verdachte heeft daarbij geen enkel oog gehad voor de verstrekkende nadelige gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.

Verdachte is blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister al vaker ter zake van soortgelijke feiten veroordeeld.

De rechtbank rekent verdachte de voornoemde feiten zwaar aan.

Een dergelijk groot aantal feiten rechtvaardigt zonder meer het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank houdt er bij de bepaling van de straf rekening mee dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank houdt voorts rekening met de inhoud van het eerder vermelde psychologisch rapport en met het reclasseringsadvies van 11 juli 2017 alsmede met de nagezonden aanvullende informatie d.d. 3 augustus 2017, opgesteld door de reclassering.

Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat verdacht criminele activiteiten pleegt vanuit materieel gewin en ter verzadiging van een grote spanningsbehoefte. Er lijken vooral aspecten vanuit de antisociale persoonlijkheidsstoornis een doorwerkende invloed te hebben gehad in het plegen van de diefstallen. Dit zijn een lacunaire gewetensfunctie, impulsiviteit, een grote prikkelbehoefte en een gebrek aan empathie. Verdachte heeft zich hierdoor niet bezwaard gevoeld om de diefstallen te plegen, maar voelde zich eerder vanwege de spannings- en prikkelfactor aangetrokken. Hij kan zichzelf van binnenuit onvoldoende corrigeren en begrenzen hierin en praat het plegen van de feiten ook goed.

Uit het rapport van de reclassering, voornoemd, blijkt dat verdachte een negentienjarige jongeman is die in de delictperiode dakloos was, geen inkomsten had en op wisselende adressen woonde bij risicovolle personen (problematisch gebruik van alcohol en/of drugs en delictplegers, onder wie volwassen veelplegers).
Al vanaf (zeer) jonge leeftijd is er sprake van forse gedragsproblemen (antisociaal, agressief, onhandelbaar). Verdachte is al vanaf jonge leeftijd in beeld bij politie en justitie, waarbij er een patroon op het gebied van vermogensdelicten zichtbaar is. Verdachte ontwikkelde een criminele levensstijl waarbij zijn vriendengroep voor hem een belangrijke rol speelde. Hij begon harddrugs te gebruiken. Naar eigen zeggen om wakker te blijven wanneer hij 's nachts op dievenpad ging. Ook het gebruik van alcohol nam toe en er zou sprake zijn van een fors bedrag aan schulden. Ondanks zijn jeugdige leeftijd is verdachte niet vatbaar voor een pedagogische aanpak.

Vanuit het straf- en civiele jeugdrecht werd een groot aantal interventies gepleegd. Ambulante jeugdpsychiatrie, jeugdreclassering en gesloten intensieve behandeling. Geen enkele interventie bleek effectief. Verdachte ging zijn eigen gang en leek zich nergens iets van aan te trekken.

Op elk leefgebied signaleert de reclassering problemen. Voor wat betreft de toekomst kan het met verdachte nu twee kanten op. Of hij volhardt in zijn huidige levenswijze, waarmee hem de status van veelpleger wachten op termijn de ISD-maatregel, of hij gooit het roer om.

Sinds kort lijkt verdachte enigszins gemotiveerd voor de tweede optie. Hij toont zich bereid om mee te werken aan het zogenoemde "Polen-traject" (een woon/werktraject, waarbij de deelnemer ongeveer drie maanden in Polen verblijft) en een aansluitend traject van begeleid wonen. Door verdachte tijdelijk uit zijn persoonlijke situatie te halen, wordt een pas op de plaats gemaakt. Verdachte kan, zonder beïnvloeding of afleiding vanuit zijn netwerk tot bezinning komen en nadenken over wat hij wil bereiken in de toekomst.

Ten slotte stelt verdachte dat hij wil stoppen met het gebruik van harddrugs. Met betrekking tot het recidiverisico heeft de reclassering opgemerkt dat verdachte in een crimineel milieu verbleef en dat er sprake was van een hoge delict frequentie. Bij een gelijkblijvende situatie is de kans op recidive hoog.

De rechtbank is met de reclassering van oordeel dat intensieve behandeling en begeleiding noodzakelijk is om te bewerkstelligen dat de nog jeugdige verdachte een einde maakt aan zijn criminele loopbaan.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd een passende reactie vormt. Een deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen om recidive te voorkomen en in het bijzonder om de begeleiding en behandeling van de verdachte mogelijk te maken en zeker te stellen. Daaraan verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapport van 11 juli 2017.

De rechtbank neemt daarbij in overweging dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij open staat voor het door de reclassering voorgestelde traject.

Benadeelde partijen

De volgende personen/bedrijven hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

Feit 2
- [bedrijf 2], tot een bedrag van € 2830,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Feit 4
- [bedrijf 3] tot een bedrag van € 890,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Feit 5
- [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 8.640,-- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Onder 5 ad informandum gevoegde feit.

- [slachtoffer 3] tot een bedrag van € 1474,38 ter vergoeding van materiële schade en

€ 2.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van:

- [bedrijf 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden nu de vordering niet in relatie staat met het strafbaar bewezen verklaarde feit;

- [bedrijf 3] is de officier van justitie van mening dat deze in haar geheel kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- [slachtoffer 2] dient de materiële schade gematigd te worden tot een bedrag van € 3510,00. Het overige deel van de vordering tot vergoeding van de materiële schade dient niet-ontvankelijk verklaard te worden;

Ten aanzien van de inkomstenderving heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden;

- [slachtoffer 3] heeft de officier van justitie aangeven dat de vordering alleen voor wat betreft de immateriële schade voor toewijzing vatbaar is. Met betrekking tot de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de vordering die ziet op de materiële schade is de officier van justitie van mening dat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens het ontbreken van causaal verband tussen de schade en het meegenomen ad informandum gevoegde feit.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van:

- [bedrijf 2] heeft de raadsvrouw zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie;

- [bedrijf 3] is de raadsvrouw van mening dat het een aanhangwagen van het bouwjaar 2010 betreft waarvan de restwaarde niet bekend is. De vordering dient daarom niet-ontvankelijk verklaard te worden;

- [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en te ingewikkeld is om te behandelen in het strafproces. De benadeelde partij dient daarom in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard te worden;

- [slachtoffer 3] heeft de raadsvrouw aangegeven het ten aanzien van de materiële schade eens te zijn met standpunt van de officier van justitie.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij dient daarom ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van:

- [bedrijf 2] ( feit 2) is de rechtbank van oordeel dat er geen rechtstreeks verband bestaat met het tenlastegelegde en bewezen verklaarde feit en de gevorderde schade. De benadeelde partij is daarom in haar vordering niet-ontvankelijk;

- [bedrijf 3] is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid en rekening houdend met de jaarlijkse afschrijvingskosten worden vastgesteld op € 356,--, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 januari 2017.

De benadeelde partij zal in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard;

- [slachtoffer 2] is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Uit hetgeen door de benadeelde partij ter zitting is verklaard blijkt dat de schade aan de bestelbus van het merk Toyota, door de verzekering is vergoed.

Dit deel van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Hoewel de verdediging de vordering die ziet op de overige materiële schade (gereedschap) heeft betwist wegens onvoldoende onderbouwing, is de rechtbank van oordeel dat het evident is dat de benadeelde partij door het handelen van verdachte schade heeft geleden door het onbruikbaar raken van zich in de bus bevindend gereedschap. De rechtbank zal, gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in 6:97 van het Burgerlijk Wetboek die schade naar maatstaven van billijkheid en rekening houdend met de jaarlijkse afschrijvingskosten vaststellen op € 1000,00. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden in de vorm van verlies van werkdagen en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank eveneens gebruik eerder genoemde schattingsbevoegdheid. De hoogte van deze schade wordt geschat op € 1200,00. De toegewezen bedragen worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 6 maart 2017.

De benadeelde partij zal in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard;

- [slachtoffer 3] is naar het oordeel van de rechtbank aan de benadeelde partij door het meegenomen ad informandum gevoegde feit (mishandeling) geen rechtstreekse materiële schade toegebracht. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Ten aanzien van de immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit. De rechtbank zal de vordering matigen en aan de benadeelde partij een bedrag toewijzen van € 250,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 december 2016.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. Het aantal dagen vervangende hechtenis wordt door de rechtbank telkens op 1 (zegge: één) dag bepaald.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 18 december 2013, gewezen door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een taakstraf voor de duur van 40 uren voorwaardelijk, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 18 december 2013.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij haar schriftelijke vordering d.d. 15 mei 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De officier van justitie heeft ter zitting van 8 augustus 2017 haar vordering gewijzigd, nu is gebleken dat de hiervoor genoemde voorwaardelijk opgelegde straf reeds ten uitvoer is gelegd.

Gelet op vorenstaande heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat zij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven het standpunt van de officier van justitie te delen.

Oordeel van de rechtbank

Uit een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 7 juli 2017 blijkt dat van de voorwaardelijke straf waarvan tenuitvoerlegging werd gevorderd, de tenuitvoerlegging reeds is bevolen bij vonnis van 6 januari 2017 van de politierechter van bovengenoemde rechtbank te Assen, welk vonnis op 21 januari 2017 onherroepelijk is geworden. Dat betekent dat de rechtbank, volgens vaste rechtspraak, de officier van justitie, niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering na voorwaardelijke veroordeling.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 63, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich meldt bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland, zo vaak en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat veroordeelde zich verplicht om zich te laten behandelen voor zowel zijn middelengebruik als zijn persoonlijkheidsstoornissen door de forensische polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3. dat veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van harddrugs en zich verplicht ten behoeve van de controle op de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek;

4. dat veroordeelde direct aansluitend aan zijn detentie, zich verplicht om deel te nemen aan het Polen-traject, uitgevoerd door Cura XL, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. dat veroordeelde zich verplicht om, direct na afloop van het verblijf in Polen, te verblijven in een 24-uurs begeleide woonvorm, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van feit 2

Bepaalt de benadeelde partij [bedrijf 2] in haar vordering niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van feit 4

Wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3] gedeeltelijk toe tot na te melden bedrag en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 356,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 3] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [bedrijf 3] te betalen een bedrag van € 356,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [bedrijf 3] daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 5

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot na te melden bedrag en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2200,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 2200,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1000,00 aan materiële schade en € 1200,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van het onder 5 ad informandum gevoegde feit

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe tot na te melden bedrag en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 250,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 december 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 250,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/144346-13:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. R. Depping en mr C. Krijger, rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 augustus 2017.

Mr. C. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.