Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3157

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
5835801 EZ VERZ 17-52
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Artikel 4:215 lid 2 BW. Bezwaar tegen voorgenomen wijze van tegeldemaking van het bedrijf van de erflater ongegrond.

Aanwijzingen aan de vereffenaar m.b.t de dierenwinkel aan de erfgenaam die deze na het overlijden heeft voortgezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0180
JERF 2018/259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 5835801 EZ VERZ 17-52

boedelregisternummer: 33809

beschikking van de rechter-commissaris d.d. 9 augustus 2017

ex de artikelen 4:215 BW en 4:210 BW

inzake

de nalatenschap van [naam erflater], geboren in de gemeente [naam gemeente] op [geboortedatum 1] , overleden in de gemeente Leeuwarden op [datum] , laatst gewoond hebbende te [adresgegegevens] , hierna te noemen de erflater,

op het verzoek van

[naam verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. F.P. van Dalen, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

mr. Cees Krijger,

in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de erflater,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

verweerder,

hierna te noemen: de vereffenaar.

Belanghebbenden zijn:

1 [naam belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 1] ,

gemachtigde: mr. J.M.H. Devis, kantoorhoudende te Zoetermeer,

2. [naam belanghebbende],

wonende te [woonplaats] ,

3. [naam belanghebbende],

wonende te [woonplaats] .

1 Het procesverloop

1.1.

De vereffenaar heeft bij brief van 11 februari 2017 met bijlagen aan de rechter-commissaris (onder meer) verzocht om goedkeuring te verlenen voor de tegeldemaking van de door de erflater gedreven onderneming, hetzij door de overdracht van de onderneming en alle daartoe behorende activa en passiva aan [verzoekster] ('optie 1') hetzij door de verkoop van het tot de onderneming behorende bedrijfspand ('optie 2').

1.2.

[belanghebbende 1] heeft in reactie hierop bij brief van 7 maart 2017, ingekomen ter griffie op 8 maart 2017, onder meer aangegeven dat de overdracht van de onderneming aan [verzoekster] tegen een redelijke prijs weliswaar de meest voor de hand liggende keuze is, maar dat hij, indien het bedrijfspand verkocht zou gaan worden, ook in de gelegenheid gesteld wil worden om dit over te nemen ('optie 3').

1.3.

[verzoekster] heeft vervolgens bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 21 maart 2017, bezwaar gemaakt tegen de door de vereffenaar voorgenomen (wijze van) tegeldemaking van goederen van de nalatenschap.

1.4.

De vereffenaar heeft bij brieven van 12 april 2017, ingekomen ter griffie op 13 april 2017, gereageerd op de onder 2 genoemde brief van [belanghebbende 1] respectievelijk op het onder 3 genoemde verzoekschrift van [verzoekster] .

1.5.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2017 ten overstaan van mr. M. Sanna, rechter-commissaris, bijgestaan door H.P. van Everdink als griffier. Verschenen zijn [verzoekster] , bijgestaan door mr. Van Dalen, [belanghebbende 1] , bijgestaan door mr. Devis, en de vereffenaar. [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Op [datum] is de erflater overleden. Zijn vier kinderen zijn gezamenlijk, ieder voor een gelijk deel, erfgenamen.

2.2.

Bij beschikking van 9 juni 2015 is mr. C. Krijger benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van de erflater. Tegelijkertijd is mr. M. Sanna tot rechter-commissaris benoemd.

2.3.

Tot de nalatenschap van de erflater behoort de dierenspeciaalzaak [naam zaak] , gevestigd aan de [adresgegegevens] , hierna te noemen: het bedrijf van de erflater.

2.4.

[verzoekster] was per 1 maart 2011 als werknemer in dienst getreden bij het bedrijf van de erflater. Hiertoe is een arbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur van 12 maanden. Sinds de overlijdensdatum heeft [verzoekster] het bedrijf van de erflater voortgezet.

2.5.

Tussen partijen is in eerste aanleg bij de rechter-commissaris van deze rechtbank en in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, een procedure gevoerd ter zake van de overdracht aan [verzoekster] op grond van artikel 4:38 BW van de tot het bedrijf van de erflater behorende goederen. Het gerechtshof heeft bij arrest van 28 februari 2014 het verzoek van [verzoekster] afgewezen. Hiertoe heeft het gerechtshof, voor zover van belang, het volgende overwogen:

4.3.

Het hof is na ampele overweging van oordeel dat het verzoek van [verzoekster] niet voor inwilliging vatbaar is. Bij dit oordeel is in aanmerking genomen dat weliswaar genoegzaam is komen vast te staan dat [verzoekster] als voortzetter van het bedrijf van de erflater in de zin van art. 4:38 BW kan worden aangemerkt, maar dat een aantal omstandigheden, tezamen genomen, zich tegen inwilliging van het verzoek verzetten. (…) De wet geeft weliswaar de rechter de bevoegdheid om in het kader van het opleggen van de verplichting tot overdracht van de tot het bedrijf van een de erflater behorende goederen aan degene die het bedrijf van een de erflater in de zin van art. 4:38 BW geacht wordt voort te zetten, nadere regelingen te treffen, zodat de rechter op grond daarvan laatstbedoelde verplichting zou kunnen opleggen om de tot het bedrijf behorende schulden voor zijn rekening te nemen, maar de rechter kan niet het ontslag uit de aansprakelijkheid van de (overige) erfgenamen jegens de schuldeisers bewerkstelligen. Het hof heeft te dezen met name het oog op de langlopende schuld ten belope van € 35.700,-- en de rekening-courant schuld ten belope van € 70.157,--, zoals die uit het als productie 14 bij het beroepschrift overgelegd jaarrapport blijken. Mede door deze schulden is van een complexe situatie sprake, waarvoor het hof - in het kader van een toepassing van art. 4:38 BW - geen afdoende nadere regeling kan treffen.

2.6.

Tot de tot het zakelijk vermogen van de erflater behorende goederen behoort de onroerende zaak aan de [adresgegegevens] , hierna te noemen: het bedrijfspand. Blijkens een in opdracht van de vereffenaar uitgevoerde taxatie bedraagt de waarde van het bedrijfspand € 150.000,00 per 1 januari 2016. De tot het zakelijk vermogen van de erflater behorende schulden betreffen een schuld van in totaal € 74.262,62 aan Deutsche Bank Nederland / ABN AMRO Bank en een schuld van € 74.496,38 aan ING Bank. Op het bedrijfspand rust een recht van hypotheek ten gunste van Deutsche Bank Nederland / ABN AMRO Bank.

2.7.

Op de lijst van betwiste vorderingen (door de vereffenaar overgelegd als bijlage 4 bij de brief van 11 februari 2017) staat onder meer een vordering van [verzoekster] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst in verband met overuren, toeslagen en vakantie-uren vanaf de overlijdensdatum en een vordering van de heer [A] (de partner van [verzoekster] ) uit hoofde van door hem in de jaren 2013 en 2014 aan het bedrijf van de erflater verstrekte gelden.

3 De standpunten van partijen

3.1.

De vereffenaar stelt een discretionaire bevoegdheid te hebben ter zake van de wijze van tegeldemaking van het bedrijf van de erflater. Hij is voornemens om het bedrijf van de erflater over te dragen aan [verzoekster] , mits zij (i) de schulden bij Deutsche Bank Nederland / ABN AMRO Bank en ING Bank inclusief de lopende verplichtingen overneemt (onder vrijwaring van de overige erfgenamen), (ii) het risico draagt voor het fiscaal kunnen voortzetten van het bedrijf van de erflater (eveneens onder vrijwaring van de overige erfgenamen) en (iii) de betwiste vorderingen van haarzelf en haar partner (zoals omschreven in r.o. 2.7) laat vallen. Indien hierover niet binnen een door de rechter-commissaris te bepalen termijn overeenstemming zal worden bereikt, is de vereffenaar voornemens om over te gaan tot verkoop van het bedrijfspand middels een veiling dan wel een bedrijfsmakelaar.

3.2.

[verzoekster] is van mening dat de tegeldemaking van het bedrijf van de erflater zal moeten geschieden door middel van een onderhandse verkoop aan haar, nu zij als voortzetter daarvan is aan te merken. Hiervoor heeft zij een redelijke prijs geboden. In het verzoekschrift heeft zij de voorwaarden waaronder zij het bedrijf van de erflater wenst over te nemen nader beschreven. Voor het bedrijfspand zal het getaxeerde bedrag van € 150.000,00 worden voldaan en voor de voorraden (die inmiddels niet meer aanwezig zijn) een bedrag van € 30.000,00. Voorts wenst [verzoekster] slechts de volgende schulden voor haar rekening te nemen: (i) de fiscale claim op stille reserves in het bedrijfspand, die door Accon AVM berekend is op € 30.000,00 in geval van een geruisloze doorschuiving en (ii) de schuld aan Deutsche Bank Nederland / ABN AMRO Bank ad € 74.339,00. De schuld aan ING Bank wenst [verzoekster] om haar moverende redenen niet over te nemen; tevens dienen volgens haar de door het bedrijf van de erflater betaalde rentekosten na de overlijdensdatum in verband met deze schuld ad € 32.479,00 inclusief kosten betalingsverkeer op de door haar te betalen koopprijs in mindering te worden gebracht. Ook zullen [verzoekster] en haar partner afstand doen van hun betwiste vorderingen (zoals omschreven in r.o. 2.7). De resultaten vanaf de overlijdensdatum wenst [verzoekster] tot slot te behouden en zelf op te geven als winst uit onderneming. Blijkens het door haar als bijlage 15 overgelegde overzicht gaat het om een bedrag van € 9.367,00 over de jaren 2011 tot en met 2015. Dit alles resulteert in een door [verzoekster] aan de boedel te betalen bedrag van € 43.182,00.

Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat indien de geruisloze doorschuiving niet mogelijk zal blijken te zijn, zij bereid is om aanvullend een bedrag van € 30.000 aan de boedel te betalen.

3.3.

[belanghebbende 1] heeft op zich geen bezwaar tegen de overdracht van het bedrijf van de erflater aan [verzoekster] , mits er een redelijke prijs door haar wordt betaald. Daarvan is volgens [belanghebbende 1] geen sprake. Het bedrijfspand is, nu de onroerendgoedmarkt weer aantrekt, meer waard dan het door haar geboden bedrag van € 150.000,00. In dat verband is [belanghebbende 1] ook bereid en in staat om het bedrijfspand over te nemen, waartoe hij nader met de vereffenaar in gesprek zou willen treden.

4 De beoordeling

4.1.

In artikel 4:215 lid 1 BW is bepaald dat de vereffenaar de goederen van de nalatenschap te gelde maakt, voor zover dit voor de voldoening van de schulden der nalatenschap nodig is. Tussen partijen is niet in geschil dat deze noodzaak bestaat.

4.2.

Voorts is in lid 2 van genoemd wetsartikel bepaald dat omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking de vereffenaar zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen treedt. Het bezwaar van [verzoekster] is gebaseerd op de stelling dat zij als voortzetter van de onderneming, zoals bedoeld in artikel 4:38 BW, in de gelegenheid dient te worden gesteld om het bedrijf van de erflater over te nemen tegen een - in haar ogen - geboden redelijke prijs. Hierover wordt in deze procedure de beslissing van de rechter-commissaris ingeroepen.

4.3.

De rechter-commissaris oordeelt hierover als volgt. In de onder 2.5 genoemde procedure is [verzoekster] weliswaar aangemerkt als voortzetter van de onderneming van erflater, maar het in die procedure door haar ingediende verzoek tot overdracht van de tot het bedrijf van de erflater behorende goederen is (onherroepelijk) afgewezen vanwege de complexe schuldensituatie van de erflater. Het gaat dan niet aan om vervolgens, door bezwaar te maken tegen de voorgenomen tegeldemaking van diezelfde goederen, eenzelfde voorkeurspositie jegens de vereffenaar af te dwingen. Naar het oordeel van de rechter-commissaris is de vereffenaar bij zijn keuze over de tegeldemaking van het bedrijf van de erflater dan ook vrij om te bepalen of hij al dan niet tot overdracht daarvan aan [verzoekster] over zal gaan. Daarbij dient de vereffenaar in de eerste plaats de belangen van de schuldeisers in acht te nemen.

4.4.

Tijdens de behandeling ter zitting is gebleken dat de vereffenaar op zich niet onwelwillend staat tegenover de verkoop van het bedrijf van de erflater aan [verzoekster] tegen de door haar geboden prijs van € 150.000,00 voor het bedrijfspand en € 30.000,00 voor de voorraden. Ook met de overname van de fiscale claim en de schuld aan Deutsche Bank Nederland / ABN AMRO Bank, tegen aftrek van de daarvoor door [verzoekster] opgevoerde bedragen, kan de vereffenaar in beginsel instemmen. De impasse in de onderhandelingen lijkt hoofdzakelijk verband te houden met de schuld aan ING Bank, meer in het bijzonder met de vraag of de na de overlijdensdatum betaalde rente en kosten ter zake van de schuld aan ING Bank al dan niet in aftrek mogen worden gebracht. Partijen hebben ter zitting de rechter-commissaris uitdrukkelijk verzocht daarover een oordeel te geven.

4.5.

Uit de vaststaande feiten volgt dat de schuld aan ING Bank tot het zakelijke vermogen van de erflater behoort, zodat (ook) de daaraan verbonden rente en kosten in beginsel als schulden van de nalatenschap moeten worden aangemerkt. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [verzoekster] niet zelf deze rente en kosten betaald heeft, maar dat deze ten laste van de resultaten van het bedrijf van de erflater zijn voldaan.

4.6.

In de onderhavige zaak doet zich evenwel de bijzondere situatie voor dat het bedrijf van de erflater na zijn overlijden is voortgezet door [verzoekster] , zonder dat door de erflater in die bedrijfsopvolging was voorzien. Daarbij heeft zij niet alleen gebruik gemaakt van de tot het bedrijf van de erflater behorende goederen, maar ook van niet tot de nalatenschap behorende middelen (zoals de door haar partner ter beschikking gestelde gelden), zonder dat de overige erfgenamen hier uitdrukkelijk mee hebben ingestemd. Indien het bedrijf van de erflater direct na zijn overlijden (in 2011) gestaakt en geliquideerd zou zijn, dan zouden de rente en kosten ter zake van de schuld aan ING Bank naar alle waarschijnlijkheid niet zijn opgelopen tot zo'n dertigduizend euro; de nalatenschap zou dan immers veel eerder afgewikkeld zijn. De na de overlijdensdatum opgekomen rente en kosten staan dus in zodanig nauw verband met de voortzetting van het bedrijf van de erflater, dat het naar het voorshands oordeel van de rechter-commissaris het meest passend is dat [verzoekster] , als degene die feitelijk in haar eentje het bedrijf van de erflater heeft voortgezet, ook de kosten die daaraan verbonden zijn voor haar rekening neemt. Van dat laatste zou sprake zijn als zij (als onderdeel van de voorwaarden waarover nog overeenstemming moet worden bereikt) de vanaf de overlijdensdatum behaalde resultaten mag behouden, waarop de rente en kosten al in mindering zijn gebracht.

4.7.

Het staat de vereffenaar naar het oordeel van de rechter-commissaris onder deze omstandigheden vrij om niet in te stemmen met de aftrek van de rente en kosten ter zake van de schuld aan ING Bank, zoals hij dat tot op heden gedaan heeft. De rechter-commissaris snapt dat [verzoekster] er belang bij heeft om het bedrijf van de erflater voort te kunnen zetten, hetgeen mogelijk zou zijn als de vereffenaar haar voorstel/prijs zou accepteren, maar uit haar verzoek en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat de voorgenomen wijze van tegeldemaking nadelig(er) voor de boedel is.

4.8.

De rechter-commissaris is voorts van oordeel dat aan de bezwaren van [belanghebbende 1] voorbij kan worden gegaan. Dat het bedrijfspand bij een verkoop middels een veiling dan wel een bedrijfsmakelaar daadwerkelijk aanmerkelijk meer zal opbrengen dan het thans door [verzoekster] geboden bedrag van € 150.000,00, is geenszins door hem aannemelijk gemaakt. Zo is gesteld noch gebleken dat soortgelijke bedrijfspanden onlangs voor een aanzienlijk hoger bedrag zijn verkocht. Verder is niet gebleken dat de verkoop van het bedrijfspand aan [belanghebbende 1] zelf ('optie 3') gunstiger voor de boedel zal zijn. Hierbij neemt de rechter-commissaris in aanmerking dat aan [belanghebbende 1] niet de mogelijkheid van een geruisloze doorschuiving ten dienste staat, zodat de boedel in dat geval zeker geconfronteerd zal worden met een veel hogere fiscale claim. In dit verband acht de rechter-commissaris ook van belang dat de voorraden die ten tijde van de overlijdensdatum aanwezig waren in het kader van de normale bedrijfsuitoefening allang verkocht zijn, terwijl gesteld noch gebleken is dat [belanghebbende 1] desalniettemin bereid is om hiervoor ten minste het door [verzoekster] geboden bedrag van € 30.000,00 te betalen.

4.9.

De slotsom is dat het verzochte zal worden afgewezen. Wel ziet de rechter-commissaris in het verzochte en het verhandelde ter zitting (mede gelet op de brief van 11 februari 2017 van de vereffenaar) aanleiding om aanwijzingen te geven met betrekking tot de tegeldemaking van het bedrijf van de erflater als na te melden. Aan de te geven aanwijzingen zullen termijnen worden verbonden.

Voor het door de vereffenaar in zijn brief van 12 april 2017 gedane verzoek, om te bepalen dat de erfgenamen dienen mee te werken aan de liquidatie, ontruiming en verkoop, biedt de onderhavige procedure geen ruimte.

5 Beslissing

De rechter-commissaris:

5.1.

wijst het verzochte af;

5.2.

geeft de vereffenaar de aanwijzing om gedurende een termijn van twee maanden te onderzoeken of met [verzoekster] overeenstemming kan worden bereikt over de voorwaarden voor de verkoop van het bedrijf van de erflater aan [verzoekster] , met bepaling dat verlenging van genoemde termijn kan worden gevraagd;

5.3.

geeft de vereffenaar de aanwijzing om indien overeenstemming als bedoeld wordt bereikt, over te gaan tot verkoop van het bedrijf van de erflater aan [verzoekster] conform die voorwaarden;

5.4.

geeft de vereffenaar de aanwijzing om indien overeenstemming als bedoeld niet wordt bereikt, na constatering hiervan binnen zes maanden over te gaan tot verkoop van de tot het bedrijf van de erflater behorende goederen (naar eigen keuze middels een veiling dan wel een bedrijfsmakelaar), met bepaling dat verlenging van genoemde termijn kan worden gevraagd.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2017 door
mr. M. Sanna, rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van de griffier.

c 588

Beschikking verzonden op: