Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3134

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
18/930265-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

T.a.v. de bewezenverklaring:

Vrijspraak van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank is van oordeel dat wel sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vaststaat dat verdachte met veel te hoge snelheid de oversteekplaats voor fietsers is genaderd en dat hij daarbij onvoldoende heeft gelet op het verkeer op het parallel aan de rijbaan van verdachte en naastgelegen fietspad. Verdachte heeft de snelheid van de door hem bestuurde personenauto, bij het naderen van de in zijn rijrichting gelegen oversteekplaats voor fietsers, niet zodanig aangepast dat hij zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg voor hem te overzien was.

T.a.v. de strafmotivering:

Verdachte heeft, als verkeersdeelnemer, gevaar op de weg veroorzaakt, door op de Groningerstaat te Assen op een relatief korte afstand van fietsersoversteekplaatsen met een veel te hoge snelheid te rijden. Hij is betrokken geraakt bij een ongeval ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Dit ongeval heeft voor het overleden slachtoffer en haar nabestaanden onvoorstelbaar leed veroorzaakt zoals op de zitting is gebleken uit de door haar ouders en de broer voorgelezen slachtofferverklaringen, waarin zij op indrukwekkende en aangrijpende wijze de gevolgen hebben beschreven die het ongeval en het overlijden van hun dochter en zus voor hen hebben gehad en nog steeds hebben.

De rechtbank realiseert zich dat de gevolgen die het ongeval voor het slachtoffer en haar nabestaanden hebben gehad in geen verhouding staan tot de straf die aan verdachte zal worden opgelegd. Daarbij is van belang in aanmerking te nemen dat ook verdachte nimmer heeft gewild dat hij betrokken zou raken bij een verkeersongeval, laat staan dat hij heeft gewild dat er daarbij een dodelijk slachtoffer te betreuren zou zijn. Bij het bepalen van de op te leggen straf dient de rechtbank zich echter te richten op het strafbare gedrag dat verdachte valt te verwijten: het veroorzaken van gevaar op de weg.

Verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 500,- en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 177
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930265-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 juli 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Eefting, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is bij dagvaarding ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 december 2015, te Assen, in de gemeente Assen,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, rijdende over de binnen de bebouwde kom gelegen weg, de Groningerstraat,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

op die weg heeft gereden met een snelheid van tenminste 85 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan (voor een veilig verkeer ter plaatse) was toegestaan en/of (voor een veilig verkeer ter plaatse) verantwoord was, in elke geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur,

bij het naderen van of ter hoogte van een in de rijbaan van die Groningerstraat gelegen oversteekplaats voor fietsers zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

immers is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde voertuig aangereden of opgebotst tegen een fietsster, die bij die oversteekplaats voor fietsers de rijbaan van die Groningerstraat was gaan oversteken,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, in elk geval zodanig (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, dat die daaraan is overleden;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18, december 2015, Te Assen, in de gemeente Assen,

als bestuurder van een motorrijtuig, rijdende over de binnen de bebouwde kom gelegen weg, de Groningerstraat,

op die weg heeft gereden met een snelheid van tenminste 85 kilometer per uur,

althans met een (veel) hogere snelheid dan (voor een veilig verkeer ter plaatse) was toegestaan en/of (voor een veilig verkeer ter plaatse) verantwoord was, in elke geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur,

bij het naderen van en/of ter hoogte van een in de rijbaan van die Groningerstraat gelegen oversteekplaats voor fietsers zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

immers is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde voertuig aangereden of opgebotst tegen een fietsster, die bij die oversteekplaats voor fietsers de rijbaan van die Groningerstraat was gaan oversteken,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir en geconcludeerd dat in casu niet gesproken kan worden van roekeloosheid in de zin van artikel 6 WVW1994 maar wel van zeer onvoorzichtig rijgedrag. Verdachte heeft te hard gereden en zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij tijdig tot stilstand kon komen. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 18 december 2015 te Assen, door zeer onvoorzichtig gedrag, een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij zodanig zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht aan [slachtoffer] , dat zij daaraan is overleden.

De officier van justitie verwijst daartoe naar de verklaring van de getuige [naam] , het VOA rapport en de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer eerst zag op het moment van de botsing, toen zij al op de voorruit lag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnota en betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Met betrekking tot het primair ten laste gelegde heeft hij aangevoerd dat uit het bewijs niet de conclusie kan worden getrokken dat verdachte schuld, in de zin van artikel 6 WVW1994, heeft aan het ongeval. Uit de VOA blijkt weliswaar dat verdachte op de Groningerstraat heeft gereden met een snelheid die ligt tussen de 81 km/u en de 88 km/u op 96 meter van de plaats van het ongeval, echter de snelheid ter plaatse van het ongeval kan niet precies worden vastgesteld. Verdachte heeft met betrekking tot zijn snelheid verklaard dat hij het gas heeft losgelaten en licht heeft bij-geremd toen hij op de kruising afreed. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het slachtoffer mogelijk ineens is overgestoken en dat er een voor verdachte zicht belemmerende factor was waardoor het ongeval heeft kunnen plaatsvinden. Gelet hierop is er onvoldoende overtuigend bewijs om te kunnen stellen dat verdachte roekeloos, dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend is geweest, aldus de raadsman.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het aannemelijk is dat verdachte niet of nauwelijks te hard reed op het moment van de botsing en dat het slachtoffer onoplettend was doordat zij muziek luisterde en ineens overstak. Gelet hierop acht de raadsman niet bewezen dat verdachte gevaar dan wel hinder op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW1994.

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaande feiten en omstandigheden.

Op 18 december 2015 omstreeks 14:04 uur heeft er een ongeval plaats gevonden op de Groningerstraat te Assen tussen een personenauto en een fietsster. Verdachte was de bestuurder van de personenauto. [slachtoffer] , de fietsster, stak de Groningerstraat over ter hoogte van een oversteekplaats voor fietsers. Dit betreft een door haaientanden gemarkeerde oversteekplaats waarbij overstekende fietsers het autoverkeer op de Groningerstraat voorrang moeten verlenen. Bij het oversteken is [slachtoffer] geschept door het voertuig van verdachte, ten gevolge waarvan zij is overleden.

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Om ter zake van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen is vereist dat de verdachte zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 1 juni 2004, NJ 2005/252, zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Verdachte heeft met zijn voertuig een voor hem bekende route gereden. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Uit een door het NFI uitgevoerd onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van camerabeelden van een bewakingscamera met zicht op de Groningerstraat, blijkt dat het voertuig van verdachte heeft gereden met een gemiddelde snelheid van 85 km/u. De afstand tussen het op de camerabeelden zichtbare deel van de Groningerstraat en de plaats van het ongeval bedraagt ongeveer 96 meter.

De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse blijkt dat verdachte met (veel) te hoge snelheid de oversteekplaats voor fietsers is genaderd maar dat de exacte snelheid van het voertuig ten tijde van het ongeval onvoldoende is komen vast te staan. Daarbij dient ook in aanmerking genomen te worden dat verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het naderen van de oversteekplaatsen heeft bij-geremd en het gas heeft losgelaten.

De rechtbank overweegt voorts dat de enkele omstandigheid dat verdachte de fietsster niet tijdig heeft gezien, hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en verdachte daarop zijn rijgedrag had kunnen en moeten aanpassen, onvoldoende is om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 29 april 2008, NJ 2008/440. Een dergelijke onoplettendheid is overigens niet uitdrukkelijk ten laste gelegd.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van het ernstige schuldverwijt van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte is te wijten. Verdachte zal dus van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank is van oordeel dat wel sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vaststaat dat verdachte met veel te hoge snelheid de oversteekplaats voor fietsers is genaderd en dat hij daarbij onvoldoende heeft gelet op het verkeer op het parallel aan de rijbaan van verdachte en naastgelegen fietspad. Hij heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij geen fietsers, die op het naast de rijbaan gelegen fietspad in dezelfde richting als verdachte reden, heeft opgemerkt. Uit het onderzoek is komen vast te staan dat zowel getuige [naam] als het slachtoffer op het naast gelegen fietspad reden in dezelfde richting als verdachte. Verdachte heeft de snelheid van de door hem bestuurde personenauto, bij het naderen van de in zijn rijrichting gelegen oversteekplaats voor fietsers, niet zodanig aangepast dat hij zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg voor hem te overzien was. De rechtbank acht om deze reden dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank past ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

- Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 23 december 2015, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier met registratienummer PL0100-2015371058 d.d. 11 augustus 2016, inhoudende de verklaring van de getuige [naam] , kort en zakelijk weergegeven:

Ik kwam uit school, vanuit Larix, Ik fietste langs het Penta, vervolgens fietste ik via de Groningerstraat in de richting van de Aldi. Op het kruispunt bij het Penta werd ik ingehaald door een meisje. Deze was ook op de fiets. Dat is het meisje wat aangereden is.

De aanrijding is veroorzaakt door een auto, deze kwam aanrijden vanaf de kant waar wij ook vanaf kwamen.

Deze auto reed over de Groningerstraat en haalde mij in.

Ik heb gezien dat de auto mij voorbij reed. Hij reed hard. Hij reed harder dan andere auto’s die daar normaal rijden.

- Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 18 december 2015, opgenomen op pagina 23 e.v. van het dossier met registratienummer PL0100-2015371058 d.d. 11 augustus 2016, inhoudende de verklaring van de verdachte, kort en zakelijk weergegeven:

Ik reed over de Groningerstraat. Ik kwam vanaf de kant van de Aldi en ging in de kant van Peelo. Ik reed in een Renault Modus met kenteken [nummer] .

Ik reed bij de fietsers oversteek waar je het Noorderpark ingaat.

Ik weet nog dat ik een klap hoorde en een meisje op mijn voorruit lag.

Ik heb niet gezien van welke kant het meisje kwam.

Ik heb haar voor die tijd niet gezien.

Ik zag haar pas toen ze op de voorruit lag, tegelijk met de klap. Vervolgens heb ik geremd.

Ik heb voor de oversteek niet geremd maar heb het gas los gelaten en snelheid geminderd omdat het een drukke kruising is.

- Een proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse (VOA) met nummer 18122015.1404.2581 opgemaakt op 05 juli 2016 inhoudende het onderzoek naar de toedracht van het verkeersongeval op de Groningerstraat te Assen tussen een personenauto merk Renault, type Modus, kleur blauw, met kenteken [nummer] en een fietsster ( [slachtoffer] ), met als conclusie, kort en zakelijk weergegeven:

Het slachtoffer reed op de fiets op het fietspad, parallel gelegen aan de Groningerstraat, komende uit de richting van de Torbeckelaan en gaande in de richting van de Europaweg-Noord. De bestuurder van de Renault reed over de Groningerstraat, komende uit de richting van de Torbeckelaan en gaande in de richting van de Europaweg-Noord. Het slachtoffer en de bestuurder van de Renault reden in gelijke richting.

Ter hoogte van de kruising Groningerstraat en de Smetanalaan, was het slachtoffer op haar fiets bezig met het oversteken van de Groningerstraat op de aldaar gesitueerde oversteek. Gezien vanuit haar rijrichting nam het slachtoffer de tweede fietsoversteek. Op het moment dat het slachtoffer bezig was met het oversteken van de Groningerstraat, liet het slachtoffer de op de Groningerstraat rijdende bestuurder van de Renault niet voorgaan.

Op de fietsoversteek botste de bestuurder van de Renault met de voorzijde van zijn voertuig tegen de linkerzijde van het slachtoffer en haar fiets. Ten gevolge van de botsing kwam het slachtoffer via de motorkap in botsing met de voorruit. Het slachtoffer kwam hierbij met haar hoofd, gelet op de schade aan het dak, tegen de dakrand. Na de botsing tussen het slachtoffer en de Renault remde de bestuurder, waardoor het slachtoffer van de Renault af werd geworpen en in de tussen de rijbanen gelegen berm terecht kwam. De bestuurder van de Renault bracht zijn voertuig op enige afstand van de fietsoversteek tot stilstand.

Uit beeldonderzoek verricht door het NFI bleek dat de bestuurder van de Renault, op een afstand van ongeveer 96 meter van de botsplaats, met een meest waarschijnlijke gemiddelde snelheid reed van 85 km/h. Gelet op de uitkomst van dit beeldonderzoek blijkt dat de bestuurder van de Renault kort voorafgaande aan het ongeval met een hogere snelheid reed dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/u.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 18 december 2015, te Assen, in de gemeente Assen,

als bestuurder van een motorrijtuig, rijdende over de binnen de bebouwde kom gelegen weg, de Groningerstraat,

op die weg heeft gereden met een veel hogere snelheid dan (voor een veilig verkeer ter plaatse) was toegestaan en (voor een veilig verkeer ter plaatse) verantwoord was,

bij het naderen van en ter hoogte van een in de rijbaan van die Groningerstraat gelegen oversteekplaats voor fietsers zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

immers is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde voertuig opgebotst tegen een fietsster, die bij die oversteekplaats voor fietsers de rijbaan van die Groningerstraat was gaan oversteken,

door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, strafbaar gesteld bij artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot

  • -

    een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis,

  • -

    een jeugddetentie voor de duur van 3 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en

  • -

    een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken maar indien de rechtbank tot veroordeling komt het jeugdstrafrecht toe te passen en rekening te houden met het tijdsverloop en artikel 63 Wetboek van Strafrecht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens overtredingen van de WVW1994 is veroordeeld, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit specifieke geval het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, als verkeersdeelnemer, gevaar op de weg veroorzaakt, door op de Groningerstaat te Assen op een relatief korte afstand van fietsersoversteekplaatsen met een veel te hoge snelheid te rijden. De maximaal toegestane snelheid is daar 50 kilometer per uur, terwijl verdachte op korte afstand van de kruising met een snelheid van ongeveer 85 kilometer per uur heeft gereden. Hij heeft weliswaar vóór die oversteekplaatsen bij-geremd en het gas losgelaten, maar door met die veel te hoge snelheid de oversteekplaatsen te naderen heeft hij de situatie minder goed kunnen overzien. Hij is betrokken geraakt bij een ongeval ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Dit ongeval heeft voor het overleden slachtoffer en haar nabestaanden onvoorstelbaar leed veroorzaakt zoals op de zitting is gebleken uit de door de ouders en de broer van [slachtoffer] voorgelezen slachtofferverklaringen, waarin zij op indrukwekkende en aangrijpende wijze de gevolgen hebben beschreven die het ongeval en het overlijden van [slachtoffer] voor hen hebben gehad en nog steeds hebben.

De rechtbank realiseert zich dat de gevolgen die het ongeval voor [slachtoffer] en haar nabestaanden hebben gehad in geen verhouding staan tot de straf die aan verdachte zal worden opgelegd. Daarbij is van belang in aanmerking te nemen dat ook verdachte nimmer heeft gewild dat hij betrokken zou raken bij een verkeersongeval, laat staan dat hij heeft gewild dat er daarbij een dodelijk slachtoffer te betreuren zou zijn. Ook verdachte heeft ter terechtzitting laten blijken dat ook hij gebukt gaat onder de gevolgen die het ongeval voor [slachtoffer] en haar nabestaanden heeft gehad en nog steeds heeft.

Bij het bepalen van de op te leggen straf dient de rechtbank zich echter te richten op het strafbare gedrag dat verdachte valt te verwijten: het veroorzaken van gevaar op de weg.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een geldboete van € 500,- passend en geboden is.

De rechtbank is voorts van oordeel dat aan de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van na te melden duur moet worden ontzegd omdat de verdachte, als verkeersdeelnemer, gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Door of namens de verdachte is niet aangevoerd dat een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid hem onevenredig zwaar zal treffen omdat hij zijn rijbewijs nodig heeft in verband met zijn werk of anderszins. Daarbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat verdachte eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 23, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

betaling van een geldboete ten bedrage van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen - bromfietsen daaronder begrepen - voor de tijd van 3 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. G. Eelsing en

mr. J.N.M. Blom, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juli 2017.

Mr. J.N.M. Blom is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.