Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3058

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
18/830387-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en verkrachting tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan gekoppeld meerdere bijzondere voorwaarden waaronder dat veroordeelde verplicht is om een behandelaanbod gericht op zijn agressieproblematiek te volgen bij een forensische psychiatrische polikliniek. De rechtbank heeft tevens een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende dat veroordeelde gedurende de proeftijd, tenzij contact is geboden over hun minderjarige kind middels tussenkomst van professionele derden, op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangeefster.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2017-03-01
Wetboek van Strafrecht 63, geldigheid: 2017-03-01
Wetboek van Strafrecht 285, geldigheid: 2012-01-01
Wetboek van Strafrecht 302, geldigheid: 2002-04-01
Wetboek van Strafrecht 304, geldigheid: 2009-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830387-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

10 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

27 juli 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F. Gosselaar, advocaat te Winschoten. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 juli 2016 te [pleegplaats], gemeente Stadskanaal,

aan zijn levensgezel, althans een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten groot verlies van het zichtvermogen aan het

linkeroog, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met kracht tegen het hoofd

en/of in het gezicht te slaan/stompen;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 16 juli 2016 te [pleegplaats], gemeente Stadskanaal,

zijn levensgezel, althans een persoon, genaamd [slachtoffer], heeft mishandeld

door die [slachtoffer] met kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht te

slaan/stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten groot

verlies van het zichtvermogen aan het linkeroog, ten gevolgde heeft

gehad;

2.

hij op of omstreeks 23 maart 2017 te Ter Apel, althans in de gemeente

Vlagtwedde, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling en/of met verkrachting, immers heeft

verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend (telefonisch) de woorden

toegevoegd: "ik knal je voor je fucking kankerkop, weet je dat.....Wist je dat

ik dat ga doen, je hele leven ruïneren.... Nu heb je het voor elkaar, ik niks,

jij niks, nu gaat het gebeuren. Jij gaat er aan mijn jonge..... Ik doe het nu

op mijn manier, zoals ik dat wil. Je moet verkracht worden door tien negers,

jonge echt", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of

strekking, en/of dreigend middels een tekstbericht en/of (zogenaamde)

what's-appbericht de woorden toegevoegd (letterlijk weergegeven): "Maar als ik

ga he dan ga jij mee geloof me ik zweer dst op [naam] dat je dan mee gaat ik

krijg jou ook al kost het me een ton aan geld".

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. De officier van justitie volgt de lezing van aangeefster nu de aangifte wordt ondersteund door de schriftelijke verklaring van de Gz-psycholoog van Lentis. Verdachte heeft aangeefster met zijn vuist geslagen net boven haar linkeroog. Het is een feit van algemene bekendheid is dat het oog een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam. Door met kracht op of net boven het oog te slaan is de kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk te achten. Verdachte heeft door te handelen zoals hij heeft gedaan de aanmerkelijke kans aanvaard dat er bij aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. Het opzet van verdachte was derhalve in de zin van voorwaardelijk opzet gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om heropening van het onderzoek omdat er sprake is van een onvolledig onderzoek. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster heeft geslagen. Zowel bij de politie als ter zitting heeft verdachte verklaard dat aangeefster door een paard is getrapt. De verklaring van verdachte is echter niet nader onderzocht. De verklaring van de oogarts die aangeefster op de spoedeisende hulp gezien heeft, ontbreekt. Op grond van de protocollen die voor dit soort medische zaken gelden kan uit deze verklaring worden geconcludeerd hoe de wond is ontstaan.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte integraal van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft betoogd dat op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

Door de verdediging is verzocht om heropening van het onderzoek omdat er sprake zou zijn van een onvolledig onderzoek. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de medische stukken die zich in het dossier bevinden waarin verslag wordt gedaan van het bezoek van aangeefster aan het ziekenhuis acht de rechtbank zich voldoende ingelicht. Bovendien acht de rechtbank de verklaring van aangeefster aannemelijk dat zij in eerste instantie - onder druk van verdachte - anders over de oorzaak van het oogletsel heeft verklaard. Het verzoek van de verdediging om het onderzoek te heropenen wordt derhalve afgewezen.

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 september 2016, opgenomen op pagina 24 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016284038 d.d. 5 oktober 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Tot voor kort had ik een relatie met [verdachte]. Op zaterdag 16 juli 2016 kregen [verdachte] en ik ruzie toen wij de oprit van onze woning aan de [straatnaam] te [pleegplaats] opreden. Toen [verdachte] en ik uitstapten, werd [verdachte] vreselijk boos. Ik zag dat [verdachte] zijn vuisten balde. Ik zag dat [verdachte] een zwaaiende beweging maakte met zijn rechter vuist. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij met opzet en kracht sloeg met zijn rechter vuist. Ik voelde kort daarop dat [verdachte] mij raakte net boven mijn linkeroog. Door de vuistslag van [verdachte] viel ik op de grond. In onze woning zag ik dat ik hevig bloedde. Voor de spiegel zag ik dat ik een gat boven mijn linker wenkbrauw had. Ik voelde dat het bloeden niet overging. Ook zag ik dat mijn linkeroog flink begon op te zwellen. Ik voelde hevige pijn aan mijn linkeroog. Ook voelde ik dat mijn oogbol opzwol. Ik kreeg de indruk mijn linkeroog op knappen stond. Niet even later vernam ik dat ik niets zag met mijn linkeroog. Vervolgens heb ik tegen [verdachte] gezegd dat ik niets meer kon zien met mijn linkeroog en dat ik de dokter wilde bellen. Ik hoorde van [verdachte], dat ik alleen de dokter mocht bellen, als ik tegen de dokter vertelde dat ik een trap van een paard had gehad. Bij de spoedeisende hulp hoorde ik dat ze wilden hechten, maar dat het met mijn linkeroog niet goed zat en mij door verwezen naar het UMCG te Groningen. In het UMCG te Groningen concludeerde de oogarts dat mijn oog flink beschadigd was. De oogarts in Stadskanaal kwam na onderzoeken tot de conclusie dat ik nog maar 1% zicht had in mijn linkeroog en dat herstel niet meer tot de mogelijkheden behoorde.

2. Een geneeskundige verklaring, d.d. 4 juli 2017, als los document gevoegd bij het dossier, voor zover inhoudende:

Op 11 november 2016 zag ik [slachtoffer].

Bezoekreden controle

Anamnese niet beter gaan zien met OS. Donker en vervormd beeld. Mevrouw geeft aan dat zij niet door een val van een paard haar oogprobleem heeft gekregen. Ze zit nu in een rechtszaak tegen haar ex-vriend. Het blijkt dat hij haar een klap op haar linker oog/kas heeft gegeven.

Oogheelkundig onderzoek

Visus zonder correctie OS: 0,01

Voorsegment: rel. afferent pupil defect OS, matig, linkeroog;

Beleidsplan expectatief; er is niets aan te doen, voor de rest van het leven blindheid links na trauma linkeroog.

3. Een schriftelijk bescheid, te weten verklaring omtrent mishandeling [slachtoffer] d.d. 29 september 2016, opgenomen op pagina 41 van voornoemd, voor zover inhoudende een verklaring van [naam]:

Op 1 augustus 2016 zou mw. [slachtoffer] bij ons komen voor het afnemen van een psychologisch onderzoek. In gesprek gegaan met beiden, waarbij ook verpleegkundigen

[naam], [naam] en psychiater R. Biering aanwezig waren. Er gingen veel verwijten over en weer en uiteindelijk gaf dhr. [verdachte] toe dat de verwonding aan het oog niet van een paard kwam, zoals mevr. eerder aan ons verklaard had, maar gevolg was van een ruzie die ze hadden gehad en door zijn toedoen kwam. Hij heeft haar geslagen en geduwd en toen is ze gevallen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 juli 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 maart 2017, opgenomen op pagina 19 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer

PL0100-2017078060 d.d. 19 april 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer].

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen het onder

1. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. Verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster heeft geslagen. Zowel bij de politie als ter zitting heeft hij verklaard dat aangeefster door een paard is getrapt. De rechtbank acht de lezing van verdachte niet aannemelijk gelet op de schriftelijke verklaring van de Gz-psycholoog van Lentis. Uit deze verklaring volgt dat verdachte in de aanwezigheid van de Gz-psycholoog en andere hulpverleners heeft toegegeven dat hij aangeefster heeft geslagen en dat de verwonding aan haar oog door zijn toedoen is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (anders dan de officier van justitie die uitgaat van voorwaardelijk opzet). Uit bovengenoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte boos is geworden op aangeefster, waarna hij haar met kracht net boven het linkeroog heeft geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het oog een kwetsbaar deel van het hoofd is. Door met kracht net boven het linkeroog van aangeefster te slaan, kan uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging van verdachte worden afgeleid dat verdachte de bedoeling heeft gehad om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 16 juli 2016 te [pleegplaats] aan zijn levensgezel genaamd [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten groot verlies van het zichtvermogen aan het linkeroog, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met kracht in het gezicht te slaan;

2.

hij op 23 maart 2017 te Ter Apel [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met verkrachting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend (telefonisch) de woorden toegevoegd: "ik knal je voor je fucking kankerkop, weet je dat.....Wist je dat ik dat ga doen, je hele leven ruïneren.... Nu heb je het voor elkaar, ik niks, jij niks, nu gaat het gebeuren. Jij gaat er aan mijn jonge..... Ik doe het nu op mijn manier, zoals ik dat wil. Je moet verkracht worden door tien negers, jonge echt" en dreigend middels een WhatsApp bericht de woorden toegevoegd (letterlijk weergegeven):

"Maar als ik ga he dan ga jij mee geloof me ik zweer dst op [naam] dat je dan mee gaat ik krijg jou ook al kost het me een ton aan geld".

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en verkrachting.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden de meldplicht en ambulante behandeling zoals omschreven in het rapport van de reclassering d.d. 20 juli 2017. Daarnaast acht de officier van justitie het noodzakelijk om gedurende de proeftijd een contactverbod met aangeefster op te leggen, in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voor het geval er door verdachte niet aan de maatregel wordt voldaan zal vervangende hechtenis worden toegepast. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat er niet door verdachte aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan door de verdediging bepleit, heeft de raadsman de rechtbank verzocht om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld hulpverlening.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van zijn toenmalige vriendin. Verdachte heeft haar met zijn gebalde vuist met kracht in of nabij haar oog geslagen. Uit de medische stukken volgt dat het linkeroog van aangeefster onherstelbaar is beschadigd waardoor zij de rest van haar leven bijna volledig blind is aan dit oog. De rechtbank is van oordeel dat verdachte een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring is de rechtbank gebleken welke grote gevolgen aangeefster dagelijks nog steeds door het handelen van verdachte ondervindt. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte aangeefster op grove wijze bedreigd met de dood en met verkrachting. Deze bedreigingen hebben bij aangeefster geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder wegens geweldsdelicten met justitie in aanraking is geweest.

Uit het rapport van de reclassering d.d. 20 juli 2017 volgt dat verdachte weinig zelfinzicht heeft. Zo ziet verdachte zichzelf eerder als temperamentvol, dan iemand bij wie sprake is van agressieregulatieproblematiek. Verdachte is niet goed in staat om te gaan met problemen waarmee hij geconfronteerd wordt. De reclassering ziet een man die verdriet heeft. Dit verdriet wordt veroorzaakt door het verlies van zijn relatie en het ontbreken van contact met zijn zoontje. De gevoelens van frustratie die hij hierdoor heeft kunnen mogelijk leiden tot geweld/agressie jegens aangeefster. Naar aanleiding van de verbale bedreiging van aangeefster is aan verdachte een gedragsaanwijzing uitgereikt, welke recent is verlengd. Verdachte heeft zich gehouden aan het contactverbod. Gelet op het bovenstaande lijkt verdachte vanuit een duidelijk kader (de gedragsaanwijzing) in staat zich te houden aan hetgeen hem is opgelegd. Een vrijwillig kader geeft verdachte te veel ruimte. De reclassering heeft aangegeven dat verdachte bij een veroordeling het meest gebaat is bij dwang en drang en heeft geadviseerd toezicht door de reclassering op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de door verdachte gepleegde feiten het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De gevolgen voor aangeefster zijn groot en blijvend, aangezien zij door toedoen van verdachte vrijwel geheel blind is geraakt aan haar linkeroog. Blijkens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) wordt als uitgangspunt voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik te maken van een wapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden gehanteerd. In dit geval weegt de rechtbank als strafverzwarend mee dat hij doelbewust heeft geprobeerd om de waarheid te verdraaien door aangeefster te laten verklaren dat ze door een paard was getrapt. Op die manier heeft verdachte geprobeerd zijn eigen aandeel te verbloemen. Daarnaast heeft verdachte aangeefster op een zeer ernstige manier bedreigd op het moment dat de impact van de eerder gepleegde zware mishandeling verdachte al bekend was. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Op grond van het advies van de reclassering d.d. 20 juli 2017 zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf, 4 maanden, in voorwaardelijke vorm opleggen met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden de meldplicht en de ambulante behandelverplichting nu de rechtbank het van belang acht dat verdachte binnen een strafrechtelijk kader wordt behandeld voor zijn persoonlijkheidsproblematiek.

Daarnaast zal de rechtbank ter voorkoming van strafbare feiten en gelet op de problematische relatie met aangeefster een maatregel opleggen strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat verdachte zich gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangeefster. Aangezien verdachte en aangeefster samen een minderjarig kind hebben, zal worden uitgezonderd die situatie dat verdachte middels een professionele derde, bijvoorbeeld een advocaat of een (jeugd)hulpverlener contact zoekt met aangeefster.

De maatregel zal dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens aangeefster. De rechtbank heeft voor dat oordeel in overweging genomen het strafblad van de verdachte, de rapportage die ten aanzien van zijn persoon is uitgebracht, de bewezenverklaring van de feiten op verschillende momenten jegens aangeefster gepleegd en hetgeen overigens uit het dossier is gebleken omtrent de verbroken relatie en het contact tussen de verdachte en aangeefster.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 426,60 ter vergoeding van materiële schade en € 25.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de reiskosten dienen te worden toegewezen tot 80% van het totaal opgevoerde bedrag nu het niet duidelijk is geworden wanneer de bezoeken hebben plaatsgevonden en de opgegeven kilometers niet overeenkomen met de door haar gebruikte routeplanner.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de post 'kleding' en de immateriële schade volledig dienen te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij inhoudelijk geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juli 2016.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich na een schriftelijke uitnodiging meldt bij Reclassering Nederland op het adres Leonard Springerlaan 21 te Groningen. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde verplicht is om een behandelaanbod gericht op zijn agressieproblematiek te volgen bij een forensische psychiatrische polikliniek zoals de APFN of de Waag waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

De rechtbank legt op de vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende dat de veroordeelde gedurende de proeftijd, tenzij contact is geboden over hun minderjarige kind middels tussenkomst van professionele derden, op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer].

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 14 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden (180 dagen).

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering benadeelde partij

Ten aanzien van 18/830387-16, feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 25.426,60 (zegge: vijfentwintigduizend vierhonderd zesentwintig euro en zestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] te betalen een bedrag van € 25.426,60 (zegge: vijfentwintigduizend vierhonderd zesentwintig euro en zestig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 162 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 426,60 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.B. Holsink, voorzitter, mr. F. de Jong en

mr. A.W. Wassink, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 augustus 2017.