Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3057

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
18/920127-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte tot deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. Rechtbank legt niet de gevorderde ISD maatregel op in verband met recentelijke tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD maatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2017-03-01
Wetboek van Strafrecht 310, geldigheid: 2002-04-01
Wetboek van Strafrecht 312, geldigheid: 2017-03-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.920127-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 juli 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F. Visser, advocaat te Utrecht.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Wildeman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 07 april 2017 te Beilen, gemeente Midden-Drenthe, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een pakje shag en/of een fles Amaretto, althans drank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [naam winkel] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (medewerkers van de [naam winkel] ),

gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] dreigend de woorden "Laat mij er langs, ik heb een mes", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking heeft toegevoegd, en/of (daarbij) ten overstaan van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een beweging met zijn hand richting zijn jaszak heeft gemaakt, als wilde hij het laten lijken dat hij een mes zou pakken;

2.

hij op of omstreeks 18 oktober 2016 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd, zij het dat de onder 1 tenlastegelegde diefstal van een fles Amaretto niet bewezen kan worden geacht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde wegens het ontbreken van de overtuiging dat verdachte dat feit heeft gepleegd. Voor het onder 2 ten laste gelegde kan een bewezenverklaring volgen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht -anders dan de raadsman heeft betoogd- de onder 1 ten laste gelegde diefstal van een pakje shag wettig en overtuigend bewezen. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte daarbij met geweld heeft gedreigd.

De rechtbank ziet in de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen aanleiding om aan die verklaringen te twijfelen. De rechtbank acht die verklaringen betrouwbaar en consistent. Zij hebben bij de rechter-commissaris hun eerder bij de politie afgelegde verklaringen nog eens bevestigd.

Voorts kan op grond van de verklaringen van [naam] en [naam] niet gezegd worden dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde niet heeft begaan.

De rechtbank grondt haar oordeel op de hierna opgenomen bewijsmiddelen die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Feit 1

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 april 2017, opgenomen op pagina 16 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017089205 d.d. 7 april 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] namens [naam winkel] :

Op vrijdag 07 april 2017 was ik werkzaam bij de [naam winkel] in Beilen.

Ik liep uit het kantoor en zag bij de eerste kassa een man in de rij staan. Ik ben teruggelopen naar het kantoor. Ik zag dat de man twee pakjes shag, van het merk Pall Mall, uit het rek bij de kassa pakte. Ik zag dat hij één van de pakjes shag in zijn kontzak stopte. Ik zag dat hij de andere pak shag terug legde in het rek.

Ik ben vervolgens uit het kantoor gelopen, en naar de ingang/uitgang van de winkel

gegaan. Mijn collega, [slachtoffer 2], bleef op kantoor zitten om te kijken of de man het

pakje shag zou afrekenen bij de kassa. Wij zagen dat hij alleen een pakje vloei afrekende bij de kassa. De shag zat nog in zijn broekzak. De man liep naar de ingang/uitgang van de winkel. Mijn collega, [slachtoffer 2], heeft de man daar aangehouden.

Omdat wij de man hadden aangehouden wilden wij hem naar de kantine brengen.

Ik zag en voelde dat de man niet met ons mee wilde lopen. Daarom heb ik de man vast gepakt om hem mee te krijgen.

Uiteindelijk haalde hij toch het pakje shag uit zijn broekzak. Ik zag dat dit het pakje shag was van het merk Pall Mall dat hij uit de rekken bij de kassa had gepakt.

De man probeerde nog steeds weg te komen. Ik zag dat hij telkens richting de deur wilde lopen. Mijn collega en ik hebben hem tegen gehouden.

Ik zag dat hij zijn rechterhand in zijn rechter jas zak stak. Ik hoorde dat hij zei: "Laat mij er langs, ik heb een mes".

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 april 2017, opgenomen op pagina 22 van voormeld dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik ben als filiaalhouder werkzaam bij de [naam winkel] , vestiging Beilen.

Ik keek in de richting waar [slachtoffer 1] wees en ik zag inderdaad een kale man bij de eerste

kassa staan gezien vanuit ons kantoor. Ik zag dat deze man gelijk een greep in de shag deed. Ik zag dat hij twee pakjes shag van het merk Pall Mall pakte. Ik zag, dat de man een (1) pakje gelijk in de achterzak van zijn broek deed. Ik zag verder dat de man met het andere pakje wat aan het rommelen was en dit pakje weer teruglegde in het daarvoor bestemde vak.

Mijn collega [slachtoffer 1] is toen gelijk naar de uitgang gegaan.

Ik zag dat de man toen een pakje vloei pakte en deze bij de kassa afrekende. Hij rekende dus het pakje shag niet af.

Ik ben toen naar de uitgang gegaan en heb de man daar aangehouden.

Ik heb toen samen met collega [slachtoffer 1] de man vastgegrepen en meegenomen naar de kantine.

Ik zag dat de man het pakje shag uit zijn broekzak had gepakt.

Ik zag dat de man via het raam naar buiten wilde klimmen. Dat lukte niet.

Ik zag toen dat de man naar de deur holde en ons aan de kant probeerde te duwen. Er ontstond een worsteling tussen ons.

Ik zag toen op een gegeven moment, dat de man een hand in zijn jaszak deed. Ik hoorde

dat de man zei, dat hij een mes bij zich had. Ik hoorde, dat hij dit zei op een zeer dreigende toon. Het kwam op mij zeer overtuigend over. Ik schrok daar ook echt van.

Feit 2

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

3. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 juli 2017;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 oktober 2016, opgenomen op pagina 3 van het dossier van Politie Midden-Nederland met nummer PL0900-2016326019 d.d. 8 april 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. hij op 07 april 2017 te Beilen, gemeente Midden-Drenthe, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pakje shag toebehorende aan het winkelbedrijf [naam winkel] ,

welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , medewerkers van de [naam winkel] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] dreigend de woorden "Laat mij er langs, ik heb een mes" heeft toegevoegd en daarbij ten overstaan van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een beweging met zijn hand richting zijn jaszak heeft gemaakt;

2.

hij op 18 oktober 2016 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan [slachtoffer 3].

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

2. Diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daar aan verbonden bijzondere voorwaarden. De raadsman acht geen dringende redenen aanwezig voor het opleggen van de ISD-maatregel omdat recentelijk een andere rechtbank reeds de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD maatregel heeft bevolen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages van de reclassering, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een pakje shag bij de [naam winkel] gestolen en heeft nadat hij door medewerkers van de [naam winkel] was aangehouden, hen bedreigd om weg te kunnen komen omdat verdachte niet door de politie wilde worden aangehouden.

Voorts heeft verdachte een fiets uit een fietsenstalling gestolen.

Het betreffen vervelende feiten waarbij aangevers zich moeite moeten getroosten om het financieel nadeel te beperken dan wel te niet te doen.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Als passende reactie op hetgeen de rechtbank bewezen acht dient aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd.

Anders dan door de officier van justitie is gevorderd zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van de ISD maatregel. De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft op 20 juni 2017 de tenuitvoerlegging bevolen van een voorwaardelijk opgelegde ISD maatregel.

Hoewel verdachte van die beslissing in beroep is gekomen acht de rechtbank het niet wenselijk dat opnieuw een ISD maatregel aan verdachte wordt opgelegd. Het traject dat de officier van justitie op de terechtzitting heeft geschetst indien opnieuw de maatregel wordt opgelegd, acht de rechtbank te onzeker om de executie van één van de twee opgelegde maatregelen af te wenden. Ook laat de rechtbank meewegen dat de wetgever de duur van de maatregel heeft willen beperken tot (maximaal) twee jaren. Het nogmaals opleggen van de ISD maatregel in onderhavige zaak strookt niet met die termijn.

De rechtbank acht het wenselijk dat verdachte wordt ondersteund bij zijn voornemen om zijn leven blijvend een andere wending te geven. De rechtbank zal daarom ook een voorwaar-delijke gevangenisstraf opleggen met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden.

Benadeelde partij feit 2

[slachtoffer 3] heeft bij mailbericht van 10 juli 2017 als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van de gestolen fiets. Voor de hoogte van de vordering heeft de benadeelde partij verwezen naar de aangifte. De benadeelde partij beschikt niet meer over aanschafbonnen van de fiets.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de geleden schade dient te worden vergoed, zij het dat bij de hoogte van de schade rekening dient te worden gehouden met een afschrijving van 10% per jaar zijnde € 37,50 per jaar. Gelet hierop is de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 112,50.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde.

De benadeelde partij heeft in haar aangifte de waarde van de fiets gesteld op € 375,--. De fiets is in 2009 aangeschaft.

Gelet op het feit dat de benadeelde partij aangeeft niet meer over aanschafbonnen te beschikken vat de rechtbank het in de aangifte genoemde bedrag op als dat daar bedoeld wordt de aanschafprijs van de fiets.

Met in achtneming van een afschrijving zoals door de verdediging is aangegeven is de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 112,50.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 69 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde dient zich binnen 3 dagen volgend op het vonnis melden bij de GGZ VNN Assen, Overcingellaan 19, 9401 LA Assen (T 0592-306655). Hierna moet hij zich gedurende bepaalde perioden blijven melden zo frequent en zolang als de reclassering dat nodig acht;

2. de veroordeelde dient zich te laten behandelen aangaande psychische, verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek, zulks ter beoordeling van de reclassering en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

3. de veroordeelde zal zich onthouden van het gebruik van hard- en softdrugs en zal meewerken aan de controle daarop door middel van urinecontroles;

4. de veroordeelde zal meewerken aan het realiseren en behouden van een zinvolle dagbesteding.

De rechtbank geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, ingevolge artikel 14d lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 112,50 (zegge: honderdtwaalf euro en vijftig eurocent).

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 112,50 (zegge: honderdtwaalf euro en vijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Gelast de teruggave aan winkelbedrijf [naam winkel] , [straatnaam] Beilen, van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven pakje shag, merk Pall Mall.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven fles San Remo Amaretto.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. J. de Vroome en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 augustus 2017.

Mr. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.