Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3048

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
C/17/144074 / HA ZA 15-284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Opzegging kredietrelatie. Geen schending zorgplicht bank. Uitkering borgstelling MKB-kredieten gedurende procedure: geen last om vordering van Staat op eigen naam te incasseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2017-0257
AR 2017/4303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/144074 / HA ZA 15-284

Vonnis van 9 augustus 2017

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

statutair gevestigd te Amsterdam,

als gevolg van fusie rechtsopvolgster onder algemene titel van de coöperatie

Coöperatieve Rabobank Apeldoorn en omgeving U.A.,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. O.J.W. Reijnders te Eindhoven,

tegen

1 [vennoot 1] , en

2. [vennoot 2],

vennoten van gedaagde sub 3,

beiden krachtens de Basisregistratie Personen een postadres hebbende te [plaats] ,

maar feitelijk zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of elders,

3. de vennootschap onder firma

[naam v.o.f.] ,

ten tijde van de inschrijving in het Handelsregister gevestigd te [plaats] ,

maar feitelijk zonder bekend adres waar zij kantoor houdt in Nederland of elders,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. D. Maat te Groningen.

Partijen zullen hierna Rabobank, [vennoot 1] , [vennoot 2] en [naam v.o.f.] genoemd worden.

[vennoot 1] , [vennoot 2] en [naam v.o.f.] zullen gezamenlijk [vennoten c.s.] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 december 2016,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 maart 2017,

  • -

    de akte van Rabobank van 5 april 2017,

  • -

    de antwoordakte van [vennoten c.s.] van 19 april 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling in conventie en reconventie

2.1.

Bij tussenvonnis van 14 december 2016 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, onder meer teneinde partijen te bevragen over de in r.o. 5.7 van het tussenvonnis aangestipte onderwerpen met betrekking tot - kort gezegd - de gang van zaken bij de opzegging van de financieringsovereenkomst, de incasso namens de Staat uit hoofde van de borgstelling en de positie van later opgerichte vennootschap onder firma [naam v.o.f.] (gedaagde sub 3). De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis.

2.2.

Ten aanzien van de positie van [naam v.o.f.] (gedaagde sub 3) overweegt de rechtbank het volgende. Ten tijde van het aangaan van de onderhavige financieringsovereenkomst door de kredietnemers [vennoot 1] (tevens h.o.d.n. " [naam v.o.f.] ") en [vennoot 2] bestond de vennootschap onder firma [naam v.o.f.] (gedaagde sub 3) nog niet. Deze vennootschap is namelijk pas op 30 september 2014 opgericht. [vennoten c.s.] heeft ter gelegenheid van de comparitie van 16 maart 2017 onweersproken naar voren gebracht dat de catamaran op de balans van deze vennootschap is opgenomen en dat [vennoot 1] en [vennoot 2] inmiddels in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, zodat Rabobank zich op het gehele vermogen van [vennoten c.s.] zal kunnen verhalen. Gelet hierop en nu tegen de in conventie gevorderde hoofdelijke veroordeling van [naam v.o.f.] (gedaagde sub 3) geen verweer is gevoerd, zal de rechtbank bij de verdere beoordeling ervan uitgaan dat de verplichtingen uit hoofde van de financieringsovereenkomst ook op [naam v.o.f.] (gedaagde sub 3) zijn komen te rusten. Van enige (paulianeuze) benadeling van de Rabobank is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu het voorgaande de betalingsverplichtingen van [vennoot 1] en [vennoot 2] jegens Rabobank onverlet laat.

2.3.

De rechtbank komt thans toe aan de beantwoording van de vraag of de opzegging van de financieringsovereenkomst het beoogde rechtsgevolg heeft gehad en of Rabobank in de gegeven omstandigheden gehouden is om met [vennoten c.s.] tot een minnelijke regeling te komen. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat op de tussen hen (althans de rechtsvoorgangster van Rabobank) gesloten financieringsovereenkomst, zoals weergegeven in r.o. 2.2 van het tussenvonnis, de Algemene Bankvoorwaarden (hierna: ABV) van toepassing zijn. Artikel 27 ABV bepaalt:

"Als de cliënt in verzuim is met de nakoming van enige verplichting jegens de bank, mag de bank haar vorderingen op de cliënt door opzegging onmiddellijk opeisbaar maken, tenzij dit gelet op de geringe betekenis van het verzuim niet gerechtvaardigd is. Een dergelijke opzegging geschiedt schriftelijk met vermelding van de reden."

2.4.

Blijkens de brief van 14 mei 2016 (r.o. 2.6 tussenvonnis) heeft Rabobank onder meer het niet nakomen van de financiële verplichtingen aan de bank en de ongeoorloofde overstand op de rekening-courant van € 45.538,44 aan de opzegging van de financieringsovereenkomst ten grondslag gelegd. [vennoten c.s.] heeft niet betwist dat de kredietnemers hun betalingsverplichtingen jegens de bank niet (altijd) zijn nagekomen en dat er een aanzienlijke overstand was op de rekening-courant. Dat het verzuim van de kredietnemers slechts van geringe betekenis was is de rechtbank niet gebleken. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor de gebruikmaking van de bevoegdheid tot het opeisen van de kredieten als bedoeld in artikel 27 ABV is voldaan.

2.5.

Voor het antwoord op de vraag of de opzegging van de financiering door Rabobank het beoogde rechtsgevolg heeft gehad, neemt de rechtbank de maatstaf uit het arrest ING Bank/De Keijzer (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929, JOR 2015/8) tot uitgangspunt (waarin wordt verwezen naar het door [vennoten c.s.] aangehaalde arrest Rabobank/Aarding van het gerechtshof Arnhem van 18 februari 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF5233). Deze maatstaf komt erop neer dat slechts in het geval waarin de overeengekomen opzeggingsbevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, de beëindiging van de financieringsovereenkomst niet rechtsgeldig is.

2.6.

Tegen voormelde achtergrond overweegt de rechtbank als volgt. Onbetwist is door Rabobank gesteld (en dit volgt ook uit de opzeggingsbrief van 14 mei 2014) dat [naam v.o.f.] , welke onderneming [vennoot 1] destijds in de vorm van een eenmanszaak dreef, zich ten tijde van de opzegging al geruime tijd in financiële problemen bevond, dat er sprake was van een negatief eigen vermogen, alsmede dat de financiële verplichtingen jegens de bank niet meer door de kredietnemers werden nagekomen. Op het moment van de opzegging bedroeg de overstand op de rekening-courantrekening, zoals hiervoor reeds overwogen,

€ 45.538,44. Op een financiering van ongeveer € 411.000,- in totaal (r.o. 2.2 tussenvonnis), vormt dit een aanzienlijke overstand. Voorts volgt uit een e-mailbericht van [vennoot 1] van 27 november 2014 (productie 25 bij dagvaarding) dat zij de catamaran, die het hart van de onderneming van [naam v.o.f.] vormt, in 2013 reeds zelf te koop had aangeboden, hetgeen de bank naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs zo mocht opvatten dat [vennoot 1] (destijds) bezig was haar onderneming te beëindigen. Na de opzegging van de financiering, met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, heeft Rabobank op verzoek van de kredietnemers de datum van feitelijke opeising van de financiering uitgesteld tot 1 november 2014 (r.o. 2.9 tussenvonnis). In de tussenliggende periode heeft [vennoot 1] getracht de catamaran te verkopen. Rabobank heeft in dat verband op verzoek van de kredietnemers ingestemd met een onderhandse verkoop voor een lagere prijs dan de getaxeerde onderhandse verkoopwaarde (r.o. 2.11 tussenvonnis) en royement van haar hypotheekrecht. In verband met het uitblijven van de verkoop van de catamaran heeft

[vennoot 1] een nieuw marketingplan voor de onderneming aan Rabobank willen presenteren, waarmee Rabobank ook heeft ingestemd (r.o. 2.12 tussenvonnis). Nadat Rabobank de haalbaarheid van het plan had onderzocht heeft zij besloten daarmee niet in te stemmen, wegens - kort gezegd - gebrek aan onderbouwing van de omzetprognoses en onvoldoende dekking door de resterende zekerheden. Onweersproken is door Rabobank gesteld dat zij, om executie te voorkomen, op verzoek van de door [vennoten c.s.] ingeschakelde heer [naam medewerker] van FC&S Financial Consultancy, heeft aangegeven dat zij bereid is zich te buigen over een voorstel voor onderhandse afwikkeling indien er een schriftelijke offerte voor herfinanciering van de catamaran en een taxatie van het recreatiechalet zou worden aangeleverd. De concretisering van de mogelijkheid tot herfinanciering en verkoop van het chalet is echter niet door [vennoten c.s.] aangeleverd (r.o. 2.15 tussenvonnis). Vaststaat dat externe financiering van de catamaran niet mogelijk is gebleken.

2.7.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Rabobank niet onzorgvuldig jegens [vennoten c.s.] heeft gehandeld ter zake van de opzegging van de financiering en dat het opeisen van de kredieten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Daargelaten de vraag of Rabobank [vennoten c.s.] had moeten waarschuwen voorafgaand aan het eerste gesprek over de overstand op de

rekening-courantrekening en de daaropvolgende opzegging (in verband met het door [vennoten c.s.] aangevoerde gedoogbeleid van Friesland Bank), heeft Rabobank [vennoten c.s.] na de opzegging nog voldoende tijd gegund om maatregelen te treffen en om aan Rabobank voorstellen te doen om alternatieve zekerheden te verstrekken. De omstandigheid dat [vennoten c.s.] daarin niet is geslaagd kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan Rabobank worden toegerekend. Dat Rabobank onvoldoende onderzoek naar de levensvatbaarheid van de onderneming en de (verstrekkende) gevolgen van de opzegging voor [vennoten c.s.] zou hebben gedaan, is de rechtbank niet gebleken. Uit de bestudering van het marketingplan en de bereidheid om tot een oplossing te komen in de vorm van een mogelijke herfinanciering van de catamaran en de verkoop van het chalet volgt eerder het tegendeel. Concrete feiten of omstandigheden waaruit volgt dat Rabobank [vennoten c.s.] onder bijzonder beheer had moeten plaatsen zijn door [vennoten c.s.] niet tot haar verweer aangevoerd en zijn de rechtbank ook overigens niet gebleken, zodat niet is komen vast te staan dat Rabobank haar zorgplicht in zoverre heeft geschonden.

2.8.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat [vennoten c.s.] in het licht van de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de executoriale verkoop van het chalet en de afwikkeling van het borgstellingskrediet onvoldoende heeft gesteld om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat de bank bij de executie onzorgvuldig te werk is gegaan. Zo valt de stelling dat er door de executoriale verkoop van het chalet schade is berokkend, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te begrijpen. Zo is gesteld noch gebleken dat onder de gegeven omstandigheden Rabobank een hogere executieopbrengst had kunnen of moeten realiseren. Voor wat betreft de inroeping van de borgstelling in het kader van het Besluit Borgstelling MKB-kredieten 1997 geldt dat evenmin feiten en omstandigheden gesteld zijn die het oordeel kunnen dragen dat [vennoten c.s.] in haar belangen is geschaad. Zo is gesteld noch gebleken dat in de onderhavige situatie het borgstellingskrediet buiten invordering had kunnen of moeten worden gesteld. Tevens is niet gebleken dat het te laat indienen van de verliesnota, wat blijkens de door Rabobank als productie 48 overgelegde brief van 14 januari 2016 heeft geleid tot het weigeren van rentevergoeding, het gevolg is van feiten of omstandigheden die aan Rabobank toe te rekenen zijn. Gelet hierop is niet vast komen te staan dat Rabobank haar zorgplicht in zoverre heeft geschonden.

2.9.

Ook de door [vennoten c.s.] aangevoerde persoonlijke omstandigheden en de verstrekkende gevolgen van de kredietopzegging voor [vennoten c.s.] in privé, gelet op de hiervoor in r.o. 2.4 geschetste omstandigheden, niet afdoen aan de rechtsgeldigheid van de opzegging en/of de uitwinning van de zekerheden.

2.10.

Het in conventie gevoerde verweer en het in reconventie aan Rabobank gemaakte verwijt van [vennoten c.s.] dat Rabobank onrechtmatig en in strijd met de zorgplicht de onderhandelingen over een regeling in der minne heeft afgebroken, kan [vennoten c.s.] ook niet baten. Het staat Rabobank vrij om al dan niet in te stemmen met het laatste voorstel van [vennoten c.s.] van 25 maart 2016 (r.o. 2.18 tussenvonnis). In het bijzonder kan Rabobank niet verplicht worden tot het aangaan van een minnelijke regeling met betrekking tot de opzegging van de financiering en/of de opeising van de kredieten. De hiervoor onder r.o. 2.6 geschetste gedragingen van Rabobank, waaronder het gunnen van extra tijd en de getoonde bereidheid om tot een oplossing te komen, hebben naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet het gerechtvaardigd vertrouwen bij [vennoten c.s.] kunnen wekken dat er een minnelijke regeling tot stand zou komen. Evenmin zijn er feiten of omstandigheden gesteld waaronder het afbreken van onderhandelingen daarover, voor zover daarvan gesproken kan worden, onaanvaardbaar zou zijn. Van onrechtmatig handelen of strijd met de zorgplicht is dan ook geen sprake.

2.11.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van Rabobank in conventie in beginsel kunnen worden toegewezen, behoudens voor zover hierna anders zal worden beslist en met uitzondering van inmiddels door Rabobank ontvangen bedragen, en dat de vorderingen van [vennoten c.s.] in reconventie zullen worden afgewezen.

2.12.

Volgens Rabobank bedraagt haar vordering, na ontvangst van (rente)betalingen van [vennoten c.s.] en de executie-opbrengst van het recreatiechalet ad € 21.088,79, in totaal € 299.071,46 (inclusief rente tot 15 juni 2016), bestaande uit de saldi op de rekeningen 3033.905.587, 3033.905.692, 3033.906.621 en 1021.18.744. Het gedurende deze procedure in het kader van het Besluit Borgstelling MKB-kredieten 1997 door de Staat uitgekeerde bedrag van € 40.680,- is niet op de hoofdsom (en lopende renteverplichtingen) in mindering gebracht door Rabobank, omdat volgens Rabobank sprake is van een lastgeving door de Staat aan Rabobank om op eigen naam het uitgekeerde bedrag te incasseren. [vennoten c.s.] betwist dat Rabobank hangende de procedure een andere hoedanigheid kan aannemen (te weten, die van gevolmachtigde van de Staat). Volgens [vennoten c.s.] volgt uit de door Rabobank overgelegde Wijziging Uitvoeringsregeling BMKB 1997 slechts dat Rabobank als gevolmachtigde van de Staat optreedt. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

2.13.

Ter onderbouwing van haar stelling dat de Staat aan Rabobank de last heeft gegeven om de vordering van de Staat op eigen naam te incasseren, heeft Rabobank verwezen naar artikel 11 lid 1 van Bijlage 1 (model overeenkomst bedrijfsborgstellingskrediet; één kredietinstelling) bij de (per 1 januari 2002 gewijzigde) Uitvoeringsregeling BMKB 1997. Hierin staat: "(…) is de Bank gehouden die pogingen in het werk te stellen om namens de staat het door de staat betaalde bedrag in te vorderen, die de Bank in het werk zou hebben gesteld indien het krediet voor eigen rekening en risico door de Bank zou zijn verstrekt. De staat machtigt met het oog hierop de Bank tot invoering bij de kredietnemer van de door deze aan de staat verschuldigde bedragen". Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewoordingen "namens de staat" en "de staat machtigt (…) de Bank", zonder nadere toelichting die Rabobank niet heeft gegeven, niet worden afgeleid dat Rabobank de last heeft gekregen om de vordering van de Staat op eigen naam te incasseren. Er zijn andere geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat met de Staat alsnog een dergelijke last is overeengekomen. De rechtbank zal de stelling van Rabobank dat sprake is van middellijke vertegenwoordiging daarom als onvoldoende adequaat onderbouwd passeren. Dit betekent dat Rabobank de uitkering ten bedrage van

€ 40.680,- niet bij conclusie van repliek van [vennoot 1] c.s kan vorderen namens de Staat, waaraan die regresvordering jegens [vennoten c.s.] inmiddels toekomt. De stelling van Rabobank dat [vennoten c.s.] niet in haar belangen is geschaad, is door [vennoten c.s.] gemotiveerd betwist en kan Rabobank, gelet op de vermindering van de (overigens niet betwiste) hoofdsom van € 299.071,46 (inclusief verschenen rente tot 15 juni 2016) met

€ 40.680,- niet baten. De omstandigheid dat [vennoten c.s.] voornoemd bedrag aan de Staat verschuldigd blijft, doet daar niet aan af. Aan hoofdsom zal daarom een bedrag van

€ 258.391,46 worden toegewezen. Gelet op het feit dat Rabobank bij conclusie van repliek niet heeft gespecificeerd welk deel van de openstaande hoofdsom op welke rekening betrekking heeft, zal de rechtbank de hoofdsom als totaalbedrag toewijzen en niet uitgesplitst per rekening, zoals bij dagvaarding gevorderd.

2.14.

Ten aanzien van de over de hoofdsom gevorderde rente en de gevorderde opslag van 2% beroept [vennoten c.s.] zich op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Onweersproken is door Rabobank gesteld dat de contractueel overeengekomen rente over de geldleningen met rekeningnummers 3033.905.587 en 3033.905.692: 7,70% bedraagt en over de lening met rekeningnummer 3033.906.621: 7,5%. De contractuele rente over de rekening-courantrekening met nummer 1021.18.744 bedraagt: 6,9% en de rente over de overstand op de rekening-courantrekening: 10,9%. Het bij conclusie van dupliek gevoerde verweer van [vennoten c.s.] dat nimmer is gekozen voor kredieten met een gemiddelde rente van meer dan 10% zal de rechtbank als tardief en onvoldoende adequaat onderbouwd passeren. Gelet op het feit dat het om een zakelijk krediet gaat ter financiering van de onderneming van de kredietnemers (thans [vennoten c.s.] ), acht de rechtbank de contractueel overeengekomen rentepercentages naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Gesteld noch gebleken is echter dat partijen de gevorderde opslag van 2% zijn overeengekomen, zodat de rechtbank in dit verband de subsidiair gevorderde wettelijke handelsrente zal toewijzen (over de verschenen contractuele rentes), na afloop van een jaar. De gevorderde contractuele rentes over de verschillende rekeningen zullen daarom worden toegewezen vanaf 15 juni 2016 (gelet op de toegewezen hoofdsom inclusief rente tot 15 juni 2016), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de verschenen contractuele rentes telkens na afloop van een jaar.

2.15.

Rabobank vordert voorts een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 5 sub b van de algemene voorwaarden bedrijfsfinancieringen 2010, te weten een bedrag van € 36.215,- (10% van de - oorspronkelijk - onbetaald gelaten vordering). [vennoten c.s.] voert gemotiveerd verweer. Blijkens de door Rabobank overgelegde specificaties wordt gedeeltelijk vergoeding van werkzaamheden gevorderd, waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te houden. Voor wat betreft de correspondentie met (onder meer) de heer [naam medewerker] gaat de rechtbank er vanuit dat dit was gericht op de totstandkoming van een minnelijke regeling, zodat er ook werkzaamheden zijn verricht, anders dan ter voorbereiding van de procedure. De rechtbank acht gelet op het vorenstaande termen aanwezig om de vergoeding van buitengerechtelijke kosten op grond van 242 Rv te matigen. De vordering zal daarom worden toegewezen conform de wettelijke staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Uitgaande van de bij dagvaarding gevorderde hoofdsom zal een bedrag van € 4.338,78 worden toegewezen.

2.16.

[vennoten c.s.] maakt bezwaar tegen de door Rabobank gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis. Volgens [vennoten c.s.] heeft een veroordeling onherroepelijk het faillissement of een toelating tot de WSNP van [vennoten c.s.] tot gevolg, waardoor een hoger beroep zinledig is bij een toewijzend vonnis ten gunste van Rabobank. Ook heeft Rabobank volgens [vennoten c.s.] geen zwaarwegend belang bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, omdat Rabobank te kennen heeft gegeven dat [vennoten c.s.] niets te vrezen heeft van een vonnis bij het treffen van een regeling, mits de regeling wordt nagekomen.

2.17.

Naar het oordeel van de rechtbank verzet noch de wet, noch de aard van de zaak zich tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Bij de beoordeling van de belangen van partijen dient de kans van slagen van een aangewend rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven (vgl. HR 19 juni 1992, NJ 1992/626). Voorts wordt vermoed dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft (vgl. HR 27 februari 1998, NJ 1998/512). Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel - de belangen afwegende - dat de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad toewijsbaar is.

2.18.

Tegen de gevorderde hoofdelijke veroordeling van [vennoten c.s.] is geen verweer gevoerd door [vennoten c.s.] , zodat de rechtbank de primaire vordering toewijsbaar acht. De stellingen en verweren ten aanzien van het subsidiair gevorderde behoeven daarom geen bespreking meer.

2.19.

[vennoten c.s.] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rabobank worden in conventie vastgesteld op:

- dagvaarding € 94,19

- overige kosten € 15,97

- griffierecht € 3.864,00

- salaris advocaat € 7.000,00 (3,5 × tarief € 2.000,00)

Totaal € 10.974,16.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.

2.20.

De kosten aan de zijde van Rabobank worden in reconventie vastgesteld op:

- salaris advocaat € 3.000,00 (3 punten × factor 0,5 × tarief € 2.000,00).

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt [vennoten c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Rabobank te betalen een bedrag van € 262.730,24, vermeerderd met de contractuele rentes over de verschillende rekeningen (3033.905.587, 3033.905.692, 3033.906.621 en 1021.18.744) en daarbij behorende openstaande bedragen ten bedrage van € 258.391,46 in totaal welke contractuele rentes telkens na afloop van een jaar zullen worden verhoogd met de wettelijke handelsrente, met ingang van 15 juni 2016 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [vennoten c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank tot op heden vastgesteld op € 10.974,16,

3.3.

veroordeelt [vennoten c.s.] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [vennoten c.s.] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat,

3.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.6.

wijst de vorderingen af,

3.7.

veroordeelt [vennoten c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank tot op heden vastgesteld op € 3.000,00,

3.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in tegenwoordigheid van mr. A. Hut, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2017.1

1 type: 698/ah coll: 588/ms