Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:3005

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
18/830135-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake mishandeling en een poging tot zware mishandeling van zijn ex-vriendin veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden en een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uren met als bijzondere voorwaarde ambulante behandelverplichting.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830135-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 juli 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende PPC Zwolle, Huub van Doornestraat 15 te Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

20 juli 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van Assendelft de Coningh, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door

mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 31 maart 2017 te Groningen aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken linker oogkas en/of een

gebroken neus en/of een afgebroken kies heeft toegebracht door meermalen,

althans eenmaal, met kracht met gebalde vuist in/tegen het gezicht van die

[slachtoffer] te slaan (waarbij zij op de grond viel) en/of door meermalen,

althans eenmaal, met gebalde vuist in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] te

slaan terwijl zij op de grond lag;

subsidiair

hij op of omstreeks 31 maart 2017 te Groningen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer]),

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met kracht met gebalde vuist in/tegen het gezicht

van die [slachtoffer] heeft geslagen (waarbij zij op de grond viel) en/of

meermalen, althans eenmaal, met gebalde vuist in/tegen het gezicht van die

[slachtoffer] heeft geslagen terwijl zij op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 31 maart 2017 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met kracht met gebalde vuist in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] te slaan (waarbij zij op

de grond viel) en/of door meermalen, althans eenmaal, met gebalde vuist

in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] te slaan terwijl zij op de grond lag;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot 31 maart 2017 te

Groningen meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer] heeft mishandeld door,

-tegen de rechter bovenarm van die [slachtoffer] te trappen en/of

-die [slachtoffer] met kracht bij de keel te pakken en/of door met kracht in de

keel van die [slachtoffer] te knijpen en/of

-een klap in het gezicht van die [slachtoffer] te geven.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde en veroordeling voor het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde, met dien verstande dat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is bewezen dat verdachte in de periode 1 januari 2017 tot 31 maart 2017 aangeefster [slachtoffer] één keer heeft geslagen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, op basis van de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 juli 2017, kan worden bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer] een klap in het gezicht heeft gegeven.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd, nu medisch ingrijpen niet noodzakelijk is geweest en uit het dossier niets is gebleken omtrent de duur van het herstel.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

ten aanzien van feit 1

1. De door verdachte op de terechtzitting van 20 juli 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 31 maart 2017 te Groningen heb ik [slachtoffer] een stoot op de mond gegeven.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster van Politie Noord-Nederland d.d. 2 april 2017 met bijlagen, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier met nummer Pl0100-2017082741 d.d. 2 april 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Mijn linkeroogkas is gebroken. Mijn neus is ook gebroken.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 1 april 2017, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:

Op 31 maart 2017 was ik samen met mijn vriendin [slachtoffer] in Groningen. [verdachte] sloeg met een gebalde vuist en met grote kracht twee keer in het gezicht van [slachtoffer]. Zij viel daardoor op de grond. Terwijl [slachtoffer] op de grond lag, sloeg [verdachte] meerdere malen met gebalde vuisten en grote kracht mijn vriendin in het gezicht. [slachtoffer] had ten gevolge van de mishandeling behoorlijk letsel opgelopen. Ik zag een diepe snee in haar wenkbrauw en haar gezicht was behoorlijk opgezwollen.

4. Een schriftelijk bescheid, te weten een formulier "opvragen medische informatie", op

2 juni 2017 opgemaakt en ondertekend door dr. E.F.M. Veldhuis, chirurg, los gevoegd bij voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

Welk(e) letsel(s) dan wel afwijking(en) heeft u bij betrokkene [slachtoffer] geconstateerd?

1. licht traumatisch schedel hersenletsel (hersenschudding)

2. neusbeen breuk li + re

3. breuk in voorwand kaakholte rechts.

ten aanzien van feit 2

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 juli 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster van Politie Noord-Nederland d.d. 2 april 2017, opgenomen op pagina 11 e.v. van voormeld dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer].

Ongeveer drie weken geleden hadden we ook ruzie. Toen had hij mij twee keer met de vlakke hand in mijn gezicht geslagen. Ik had toen ook een blauw oog.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank ten aanzien van feit 1 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, zoals subsidiair is ten laste gelegd. Verdachte heeft bekend dat hij aangeefster een "stoot" tegen de mond heeft gegeven. De rechtbank acht op grond van de stukken bewezen dat verdachte aangeefster meerdere vuistslagen tegen het gezicht heeft gegeven. Door aldus te handelen heeft verdachte opzet gehad op de mogelijkheid dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank acht ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde bewezen dat verdachte aangeefster een klap in het gezicht heeft gegeven. Op grond van de verklaringen van aangeefster en verdachte met betrekking tot deze klap ziet de rechtbank aanleiding het begin van de pleegperiode te stellen op 1 maart 2017.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

subsidiair

hij op 31 maart 2017 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht met gebalde vuist tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen (waarbij zij op de grond viel) en meermalen met gebalde vuist tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen terwijl zij op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode van 1 maart 2017 tot 31 maart 2017 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld door een klap in het gezicht van die [slachtoffer] te geven.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair poging tot zware mishandeling;

2. mishandeling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarden een ambulante behandeling bij de AFPN (ook als dat inhoudt dat verdachte medicatie moet innemen) en reclasseringstoezicht op het naleven van die behandelverplich-ting.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest (tot 20 juli 2017) en als stok achter de deur een voorwaardelijke taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 22 juni 2017, opgemaakt door

C.J.F. Kemperman, psychiater, en de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 6 juli 2017, opgemaakt door M.F. Raven, GZ-psycholoog, de reclasseringsrapporten van 4 april 2017,

28 april 2017 en 13 juli 2017, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich binnen een maand schuldig gemaakt aan mishandeling en een poging tot zware mishandeling van zijn (ex) vriendin door haar in het gezicht te slaan respectievelijk meerdere malen te stompen. Als gevolg van de poging tot zware mishandeling heeft het slachtoffer meerdere breuken in het gezicht opgelopen. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten rechtvaardigen zonder meer het opleggen van een aanzienlijke gevangenisstraf.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder - recentelijk - onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling.

Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte te kampen heeft met psychische problematiek. De gedragsdeskundigen hebben in hun rapportages geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een cannabisgebruik stoornis en een gokstoornis, gefundeerd op een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en schizo typische trekken en een milde intellectuele beperking, en dat hiervan ook sprake was ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Beide gedragsdeskundigen hebben geadviseerd verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen, gelet op de onderbouwing hiervan, neemt deze over en oordeelt met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Beide gedragsdeskundigen hebben de rechtbank geadviseerd als bijzondere voorwaarde een behandelverplichting bij de AFPN op te leggen (als voortzetting van de daar al eerder aangevangen behandeling) voor zijn verstoorde agressieregulatie en persoonlijkheidsstoor-nis, met toezicht door de reclassering ter controle op het naleven door verdachte van de opgelegde behandeling, teneinde het gevaar voor recidive zoveel mogelijk te verlagen.

De reclassering heeft in haar rapport d.d. 13 juli 2017 uiteengezet dat (intensief) reclasseringstoezicht onuitvoerbaar is, gelet op de agressieve bejegening van onder andere een reclasseringswerker door verdachte ten tijde van het toezicht op verdachte in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) en geconstateerd vergelijkbaar gedrag naar andere hulpverleners c.q. deskundigen die bemoeienis met hem hebben gehad. Eerdere reclasseringstrajecten, zo blijkt uit de rapporten van de reclassering, zijn moeizaam verlopen.

Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 20 juli 2017 verklaard dat hij in vervolg op zijn behandeling bij de AFPN in het kader van een VI op vrijwillige basis bij de AFPN in behandeling is gebleven, dat het traject goed verliep en dat hij zijn medicatie inneemt. Uit de rapportages is naar voren gekomen dat vóór de aanhouding en preventieve hechtenis van verdachte in verband met onderhavige strafzaak een behandeling van de verstoorde agressieregulatie nog geen aanvang had genomen, omdat bij verdachte psychotische symptomen naar voren kwamen die eerst dienden te worden onderzocht c.q. behandeld.

Alles overwegende zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf en een voorwaardelijke taakstraf opleggen. Omdat de rechtbank behandeling van de problematiek van verdachte van belang acht om herhaling van soortgelijke delicten te voorkomen, zal zij aan de voorwaardelijke taakstraf de door de gedragsdeskundigen geadviseerde behandelverplichting als bijzondere voorwaarde koppelen. De rechtbank zal tevens bepalen dat de reclassering toezicht moet houden op de naleving van deze behandelverplichting. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 20 juli 2017 is namens de reclassering toegezegd dat dit toezicht zal worden uitgeoefend als de rechtbank díe opdracht mocht geven.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de duur van 60 uren.

Bepaalt dat deze taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord (AFPN) op de tijden en plaatsen als door of namens de AFPN aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn verstoorde agressieregulatie en persoonlijkheidsstoornis, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven, ook als deze aanwijzingen inhouden dat de veroordeelde zich houdt aan medicatievoorschriften.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 30 juli 2017.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Smeets, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en

mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juli 2017.

Mr. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.