Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2999

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
18/730174-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2021:6208, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden heeft op 27 juli 2017 een 42-jarige man uit Leeuwarden wegens het medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd, en het medeplegen van uitlokking van de invoer van drugs veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. Verdachte heeft op berekenende wijze kwetsbare jongeren die in een moeilijke (financiële) situatie zaten ertoe aangezet drugs te smokkelen. De slachtoffers liepen daarbij het risico gepakt te worden en in een buitenlandse gevangenis te belanden, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt. De twee slachtoffers hebben ten gevolge van door verdachte georganiseerde drugstransporten jarenlang vastgezeten in de gevangenis in Ecuador.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 273f
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730174-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 juli 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L. Rinsma, advocaat te Maastricht.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.F. Severs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 13 oktober 2012

te Leeuwarden en/of elders in Nederland, en in Ecuador,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen,

althans eenmaal, een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

A)

(telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

door dreiging met geweld en/of (een) andere feitlijkhe(i)d(en) en/of afpersing

en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het

oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (sub 1°), en/of

- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten

van arbeid of diensten dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige

handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs

moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich daardoor

beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

(sub 4°), en/of

immers heeft hij, verdachte, tezamen met zijn medeverdachte(n), althans

alleen, (telkens)

- nadat hij, verdachte, de vriendschap en/of vertrouwen van die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] had weten te winnen/verkrijgen, en/of wist dat die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] drugs gebruikte(n) en/of schuld(en) had(den), en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] benaderd met het verzoek verdovende

middelen voor hem vanuit het buitenland naar Nederland te vervoeren, en/of

- voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (een)(retour)vliegticket(s) betaald

naar Ecuador en/of (een) hotelovernachting(en) in Ecuador, althans het

verschaffen en/of regelen van onderdak in Ecuador, geregeld en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (een) geldbedrag(en) beloofd voor het

vervoer van verdovende middelen vanuit Ecuador naar Nederland en/of

- door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1]

een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan hij/zij zich niet

heeft/hebben kunnen onttrekken en/of ten gevolge waarvan hij/zij geen

weerstand aan verdachte heeft/hebben kunnen bieden en/of

- aldus en/of op enigerlei (andere) wijze in de communicatieve en/of

feitelijke omgang met die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] een situatie gecreëerd

en/of in stand gehouden, waarin verdachte door de feitelijke omstandigheden

een overwicht verkreeg over die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of misbruik

heeft gemaakt van het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

dat verdachte over die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] had;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 25 oktober 2009

te Leeuwarden en/of elders in Nederland, en in Turkije, en in Griekenland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen,

althans eenmaal, een ander of anderen, te weten [slachtoffer 3],

A)

(telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

door dreiging met geweld en/of (een) andere feitlijkhe(i)d(en) en/of afpersing

en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke

omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare

positie

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het

oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 3] (sub 1°), en/of

- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten

van arbeid of diensten dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige

handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs

moest vermoeden dat die [slachtoffer 3] zich daardoor beschikbaar zou stellen

tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4°), en/of

B)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die/een

ander of anderen, te weten [slachtoffer 3], (sub 6°),

immers heeft hij, verdachte, tezamen met zijn medeverdachte(n), althans

alleen, (telkens)

- nadat hij, verdachte, de vriendschap en/of vertrouwen van die [slachtoffer 3]

had weten te winnen/verkrijgen, en/of door het laten zetten van een

tatoeage met tekst "[tekst]" lid gemaakt van zijn, verdachtes, groep en/of onder

zijn controle/macht gebracht, en/of wist dat die [slachtoffer 3] drugs

gebruikte en/of schuld(en) had, en/of

- die [slachtoffer 3] benaderd met het verzoek verdovende middelen voor hem

vanuit het buitenland naar Nederland te vervoeren, en/of

- voor die [slachtoffer 3] (een)(retour)vliegticket(s) betaald naar Turkije

en/of Griekenland en/of (een) hotelovernachting(en) in Turkije en/of

Griekenland, althans het verschaffen en/of regelen van onderdak in Turkije

en/of Griekenland, geregeld en/of

- die [slachtoffer 3] (een) geldbedrag(en) beloofd voor het vervoer van

verdovende middelen vanuit Turkije naar Griekenland en/of Nederland en/of

- overhandigen van (een) geldbedrag(en) aan die [slachtoffer 3] bij terugkeer

in Nederland en/of na overhandiging en/of in ontvangstneming van die

verdovende middelen

- door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer 3] een

(afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan zij zich niet heeft kunnen

onttrekken en/of ten gevolge waarvan zij geen weerstand aan verdachte(n)

heeft kunnen bieden en/of

- aldus en/of op enigerlei (andere) wijze in de communicatieve en/of

feitelijke omgang met die [slachtoffer 3] een situatie gecreëerd en/of in

stand gehouden, waarin verdachte door de feitelijke omstandigheden een

overwicht verkreeg over die [slachtoffer 3] en/of misbruik heeft gemaakt van

het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht dat verdachte over

die [slachtoffer 3] had;

3.

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere

personen,

in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 25 oktober 2012 te

Leeuwarden en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met elkaar en/of

een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, als

bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, hoeveelheden en/of een hoeveelheid

van een materiaal bevattende cocaïne, en/of hoeveelheden en/of een hoeveelheid

van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens)

een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte, tezamen en in vereniging met

zijn mededader(s), althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 januari

2008 tot en met 25 oktober 2012 te Leeuwarden en/of elders in Nederland

door gift(en) en/of belofte(n) en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of

bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of

middelen en/of inlichtingen, te weten het

- betalen van (een) vliegticket(s) van en/of naar Ecuador en/of (een)

hotelovernachting(en) in Ecuador voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

althans het verschaffen van onderdak in Ecuador aan die [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] beloven van(een) geldbedrag(en) voor het

vervoer van verdovende middelen naar Nederland

en/of

- betalen van (een) vliegticket(s) van en/of naar Turkije en/of

Griekenland en/of (een) hotelovernachting(en) in Turkije en/of Griekenland

voor die [slachtoffer 3], althans het verschaffen van onderdak in Turkije

en/of Griekenland aan die [slachtoffer 3] en/of

- die [slachtoffer 3] beloven van(een) geldbedrag(en) voor het vervoer van

verdovende middelen naar Nederland en/of

- bij terugkeer in Nederland en/of na overhandiging van die verdovende

middelen (een) geldbedrag(en) aan die [slachtoffer 3] overhandigen,

opzettelijk heeft uitgelokt;

althans invoer van stoffen lijst I Opiumwet in vereniging.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen.

In het bijzonder zal de rechtbank het onder 3. ten laste gelegde voor zover betrekking hebbend op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], lezen als uitlokking van de poging tot invoer van verdovende middelen in plaats van uitlokking van het voltooide delict. Blijkens het dossier, in het bijzonder het proces-verbaal van de politie, kan er geen misverstand bestaan over het feit dat de invoer van verdovende middelen niet is voltooid en dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de aanvang van de terugreis naar Nederland in Ecuador zijn aangehouden. Evident is dat het bij een poging is gebleven en dat het uitlokken van die poging is wat verdachte verweten wordt. Onder de gegeven omstandigheden en de ten laste gelegde feiten in hun onderlinge samenhang beziend, is geen twijfel mogelijk dat sprake is van een kennelijke misslag.

De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1. en 3. primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat deze feiten bewezen kunnen worden op basis van de (onder andere in Ecuador afgelegde) verklaringen van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]), onder meer ondersteund door de observaties van de Koninklijke Marechaussee op Schiphol. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte door misleiding en misbruik van een kwetsbare positie [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] drugs heeft laten smokkelen.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 2. ten laste gelegde, daar er onvoldoende wettig bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij dit feit is. Enkel [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]) heeft verklaard over een aandeel van verdachte en deze verklaring wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde primair aangevoerd dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet in een kwetsbare positie verkeerden en subsidiair dat verdachte niet op de hoogte was van de kwetsbare positie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat van oogmerk tot uitbuiting derhalve geen sprake was.

Ten aanzien van de kwetsbare positie van [slachtoffer 2] heeft de verdediging benadrukt dat verdachte niet met [slachtoffer 2] samenwoonde en dat hij geen weet had van haar financiële situatie.

Met betrekking tot het onder 2. ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat niet kan worden bewezen dat sprake was van dwangmiddelen, noch dat verdachte een wezenlijke bijdrage aan de mensenhandel ten opzichte van [slachtoffer 3] heeft geleverd.

Het onder 3. ten laste gelegde kan ten aanzien van [slachtoffer 3] niet bewezen worden, gelet op hetgeen reeds ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde is aangevoerd. Ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan geen sprake zijn van uitlokking van drugssmokkel nu de drugssmokkel niet is voltooid.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1.

Uit de op te nemen bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 7 oktober 2012 door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) naar Schiphol werden gebracht. Op 13 oktober 2012 werden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangehouden in Ecuador. In hun tassen werd anderhalve kilo cocaïne aangetroffen.

Uit verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bleek - kort gezegd - dat zij door verdachte, zijnde de toenmalige vriend van [slachtoffer 2], werden benaderd om een drugstransport uit te voeren, waarmee zij elk duizenden euro's zouden verdienen. Oorspronkelijk zou [naam] het drugstransport samen met [slachtoffer 1] doen, maar dat vonden verdachte en [medeverdachte] geen goed idee, omdat [slachtoffer 1] en [naam] beide veel dronken en feestten. Verdachte en [medeverdachte] planden het transport en de reis naar Ecuador vervolgens. [medeverdachte] ging met [slachtoffer 2] mee naar een afspraak in Londen alwaar [slachtoffer 2] instructies voor het transport kreeg. Verdachte gaf [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vliegtickets, rugzakken en het geld voor de hotelovernachting en de reis. Op 7 oktober 2012 brachten verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar Schiphol en gaven ze hun de laatste instructies alvorens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar Ecuador gingen om de drugs te smokkelen.

De centrale vragen die de rechtbank dient te beantwoorden ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde is - kort gezegd - of verdachte en/of zijn medeverdachte voornoemde handelingen verrichtte met het oogmerk om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit te buiten (sub 1) en of [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met enig dwangmiddel door verdachte en/of zijn medeverdachte zijn gedwongen of bewogen om een drugstransport te doen (sub 4).

De rechtbank overweegt dat de vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), niet in algemene termen is te beantwoorden, maar sterk is verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling of de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald.1

De rechtbank stelt vast dat het uitvoeren van een drugstransport een strafbare activiteit is en dat 'uitbuiting van strafbare activiteiten' ten tijde van de ten laste gelegde periode - te weten voor de uitbreiding van de wettekst van artikel 273f, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op 15 november 2013 - onder de uitbuitingsvorm 'gedwongen of verplichte arbeid of diensten' viel.

Voor de drugskoeriers kleven er grote risico's aan de transporten, waaronder het in het buitenland betrapt worden met een grote hoeveelheid drugs, hetgeen doorgaans - en zo ook in het geval van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - forse gevangenisstraffen oplevert. De opdrachtgever of tussenpersoon blijft ondertussen op veilige afstand en loopt aanzienlijk minder risico. Dit terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat er grote geldbedragen gemoeid zijn met de internationale drugshandel en dat het financiële gewin voor de opdrachtgevers, maar ook de tussenpersonen zoals verdachte, groot is. Gelet op deze omstandigheden is sprake van uitbuiting. Dat geldt te meer nu [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich in een uitbuitingssituatie bevonden, gelet op hun kwetsbare positie, waarover de rechtbank hierna een en ander overweegt.

Ten aanzien van de dwangmiddelen misbruik van een kwetsbare positie en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, overweegt de rechtbank als volgt. Voor het bewijs van door "misbruik" handelen is toereikend dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat tenminste voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer.2

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] financiële problemen hadden en dat [slachtoffer 1] een aanzienlijk drankprobleem had. Dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hierdoor in een kwetsbare positie verkeerden, staat naar het oordeel van de rechtbank vast. De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte hiervan opzettelijk misbruik heeft gemaakt. Voor een bevestigend antwoord is tenminste nodig dat verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich in een kwetsbare positie bevonden en dat hij die kans op de koop toe heeft genomen.

De rechtbank overweegt dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] heeft verklaard vanwege de slechte financiële situatie te hebben ingestemd met het voorstel van verdachte om drugs te gaan smokkelen. Uit het dossier blijkt dat er vaak aanmaningen bij [slachtoffer 2] thuis lagen en dat er deurwaarders bij haar aan de deur kwamen.

De rechtbank constateert dat verdachte - naast de relatie met zijn vaste vriendin - gedurende enkele maanden voorafgaand aan het smokkelen van drugs een relatie met [slachtoffer 2] had. De rechtbank acht het dan ook volstrekt ongeloofwaardig dat verdachte in het geheel niet op de hoogte was van de situatie waar [slachtoffer 2] in verkeerde. Dat verdachte niet met [slachtoffer 2] samenwoonde, maakt dit niet anders.

Uit de verklaring van [slachtoffer 2] valt af te leiden dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] veel alcohol dronk en graag naar feestjes ging; om die reden hadden verdachte en [medeverdachte] er volgens [slachtoffer 2] niet veel vertrouwen in dat [slachtoffer 1] het drugstransport samen met een vriend tot een goed einde zou brengen. Ten aanzien van [slachtoffer 1] was verdachte zich er derhalve van bewust dat hij zich in een kwetsbare positie bevond.

De rechtbank is van oordeel dat eveneens bewezen kan worden dat verdachte zich bewust was van de kwetsbare positie waar [slachtoffer 2] zich in bevond, door haar - in de situatie waarin haar kwetsbare broer reeds door verdachte en [medeverdachte] gestrikt was om het drugstransport uit te voeren - voor te stellen om het drugstransport samen met [slachtoffer 1] te doen en daar veel geld mee te verdienen.

Ten aanzien van [slachtoffer 1] is de rechtbank voorts van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan misleiding door [slachtoffer 1] voor te houden dat er wel een kans bestaat dat hij zou worden gearresteerd, maar dat ze de politie in Ecuador zouden betalen en dat ze hem zouden helpen als hij, [slachtoffer 1], toch gepakt zou worden, hetgeen niet het geval bleek te zijn. Sterker nog; verdachte en [medeverdachte] hebben helemaal niets meer van zich laten horen toen bleek dat [slachtoffer 1] (en [slachtoffer 2]) in Ecuador vastzat(en).

Door onder voornoemde omstandigheden - kort gezegd - te regelen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een drugstransport gingen doen waaraan verdachte geld zou verdienen, heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan de mensenhandel zoals ten laste gelegd onder 1., sub-onderdelen 1 en 4.

Feit 2.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 2. ten laste gelegde medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 3] door haar met gebruik van dwangmiddelen dertien drugstransporten te laten uitvoeren niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Feit 3.

In navolging van de vrijspraak van verdachte voor het onder 2. ten laste gelegde acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3. primair ten laste gelegde medeplegen van uitlokking van invoer van heroïne en/of cocaïne door [slachtoffer 3]. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel vrijspreken.

Op basis van hetgeen reeds is overwogen met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde is de rechtbank eveneens van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 3. primair ten laste gelegde medeplegen van uitlokking van - kort gezegd - poging tot het invoeren van cocaïne door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman inhoudende dat de drugssmokkel door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet is voltooid en dat uitlokking daarom niet bewezen kan worden. Deze opvatting vindt geen steun in het recht. De rechtbank overweegt dat voor uitlokking niet is vereist dat het uitgelokte delict is voltooid; een strafbare poging daartoe is ook voldoende. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat sprake was van een strafbare poging tot invoer van cocaïne in het Nederlands grondgebied door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Hiertoe waren zij door verdachte en [medeverdachte] uitgelokt op de wijze zoals reeds beschreven met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 13 juli 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] samen met [medeverdachte] naar Schiphol gebracht. Ik had een relatie met [slachtoffer 2]. Toen [slachtoffer 2] in de gevangenis in Ecuador zat, heb ik geen contact meer met haar opgenomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 2 juni 2015, opgenomen op pagina 144 e.v. van het dossier met proces-verbaal nummer 02102013-HPV-01, gesloten op 27 oktober 2015, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik herkende mezelf op de foto's van Schiphol. De tatoeage op mijn rechterarm betekent [tekst]. Het klopt dat ik vroeger "[naam]" genoemd werd.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 27 oktober 2015, opgenomen op pagina 1 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn op 13 oktober 2012 in Ecuador aangehouden voor het aantreffen van 1.5 kilo cocaïne in hun bagage op uitreis naar Panama.

4. Een schriftelijk bescheid, te weten een op 22 oktober 2014 in Ecuador afgelegde verklaring van [slachtoffer 1], opgenomen op pagina 633 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Ik heb [verdachte] en [medeverdachte] ongeveer in februari 2012 in Nederland leren kennen. Ik ontmoette hen via mijn zus. Op een dag vroeg [verdachte] mij of ik geld wilde verdienen. Ik had het wel moeilijk omdat ik geen geld had dus toen heb ik met hem gepraat en toen vroeg ik hem of ze mij dan zouden kunnen arresteren en hij zei tegen mij dat er een kans bestaat om er doorheen te komen, dat dit met een risico van 10 procent gepaard gaat, dat men de politie in Ecuador zou betalen en als ze mij zouden aanhouden, dan zouden zij mij helpen, maar ik werd aangehouden en niemand heeft mij geholpen.

Aangezien [verdachte] mij vertelde dat het zo'n makkelijke wijze was om geld te verdienen, ben ik akkoord gegaan met het afreizen naar Ecuador met de bedoeling om uit dit land drugs naar Engeland mee te nemen. Dit was in oktober 2012. Het vliegticket was van Ecuador naar Nederland. Daarna had ik nog een ander ticket om naar Engeland te gaan. Deze reis heb ik samen met mijn zus [slachtoffer 2] gemaakt. [verdachte] was diegene die ons de vliegtickets voor de vliegreis heeft gegeven, samen met een rugzak (voor ieder van ons een rugzak), het geld voor de eerste nacht in het hotel en het geld voor de reis naar Machala.

Ik beschouwde [verdachte] en [medeverdachte] als mijn vrienden. De laatste dagen voorafgaand aan de reis naar Ecuador ging ik met hen stappen, ging ik met hen drinken en rookte ik marihuana met hen samen. [verdachte] en [medeverdachte] boden voor het maken van deze reis ongeveer vier duizend euro aan mij en vier duizend euro aan mijn zus plus de betaling van de vakantie op Curaçao.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris d.d. 2 november 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik had niet zo’n best leven in Nederland. Ik dronk en blowde veel en had nooit geld.

[verdachte] en [medeverdachte] hebben ons weggebracht naar Schiphol. [slachtoffer 2] en ik hadden geen auto en [verdachte] wel. [medeverdachte] ging mee om ons uit te zwaaien en ook om ons gerust te stellen over de reis. Je bent toch wat zenuwachtig. Hij vertelde ons wat er precies zou gaan gebeuren. [medeverdachte] vertelde ons dat we niet moesten vergeten naar welk hotel we moesten gaan als we in Ecuador waren aangekomen.

6. Een schriftelijk bescheid, te weten een op 22 oktober 2014 in Ecuador afgelegde verklaring van [slachtoffer 2], opgenomen op pagina 629 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Mijn ex vriend [verdachte] heeft mij gevraagd of ik drugs wilde smokkelen. Hij vertelde mij dat mijn broer samen met een vriend van hem drugs wilde smokkelen. Aangezien beiden veel alcohol dronken en graag naar feestjes gingen, hadden [verdachte] en [medeverdachte] om deze reden er niet veel vertrouwen in en hij vroeg aan mij of ik het samen met mijn broer wilde doen. En ik zei: ja, ik ga met mijn broer en daarmee uit. Ik had had geld nodig. Ik had een moeilijke economische situatie. Om deze reden heb ik het geaccepteerd. Daarna zijn zij, [verdachte] en [medeverdachte], nagegaan naar welk land en op welke datum, in welk hotel, ze gingen plannen maken uit welk land ik drugs naar Nederland zou brengen. Ze zeiden tegen mij dat het Ecuador zou zijn.

Op zondag 7 oktober 2012 ben ik uit Nederland met het vliegtuig naar Ecuador vertrokken. We zijn naar een hotel gegaan en op 8 oktober 2012 zijn wij naar Machala met de bus gegaan. In Machala verbleven wij in het New York Hotel. Daar hebben wij ongeveer vijf dagen verbleven. We kregen daar bezoek van een Nigeriaanse persoon. Hij gaf ons twee reistassen, één voor mij en één voor mijn broer [slachtoffer 1]. Deze meneer heeft onze reistassen die wij uit Nederland hadden meegebracht, meegenomen. Deze reistassen bevatten drugs in de dubbele bodem.

Wij zijn op 13 oktober 2012 naar Guayaquil gegaan. Op het vliegveld werd mijn rugzak doorzocht. Een politieman doorzocht rugzak van [slachtoffer 1] en ontdekte dat er drugs in zat. Toen werden [slachtoffer 1] en ik aangehouden.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 2 juni 2015, opgenomen op pagina 144 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

Het klopt dat [verdachte] ons naar Schiphol heeft gebracht. De echte personen zitten niet in Nederland, die zijn in Londen. Daar werd ons alles verteld en kregen we geld. Na een paar dagen zijn we via Panama naar Ecuador gegaan.

Ik had ontzettend veel schulden. [verdachte] heeft mij de situatie uitgelegd hoe het zou gaan, dat mijn broer en een vriend van mijn broer zouden gaan. Maar [verdachte] vertrouwde het niet en daarom praatte hij met mij. Toen heb ik gezegd dat ik wel wilde gaan en het geld wel wilde verdienen met mijn broer. Ik ben ook nog zonder [slachtoffer 1] naar Londen geweest om met die contacten te praten. Als die jongens er niet waren geweest, dan had ik geen contact in Londen gehad. Het was niet mijn idee. In eerste instantie zouden mijn broer en een vriend van hem gaan, maar [medeverdachte] en [verdachte] vertrouwden het niet, dat zij gingen.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 30 oktober 2015, opgenomen op pagina 136 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam]:

V: Hoe kwam het dat [slachtoffer 2] dit heeft gedaan?

A: Als ze dit heeft gedaan kwam het allemaal alleen maar door het geld. Ze had schulden.

Ik kwam vaak bij haar op de kamer en zag daar vaak brieven liggen met die blauwe strepen en zo. Ja, dan weet je wel wat dat is. Ook kwamen er vaak deurwaarders en dat betekent dat je schulden hebt. Af en toe liep ze ook een beetje achter met de huur en zo.

V: Hoe kwam het dat [slachtoffer 2] niet zo'n goed contact had met haar familie?

A: Nou, ik weet dat [slachtoffer 2] wel bij jeugdzorg kwam.

Ik had niet zoveel contact met [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] dronk altijd heel veel. Voor mij was hij gewoon een alcoholist. Als hij wakker werd, zat hij al gelijk aan het bier.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris d.d. 20 januari 2015, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik ben één nacht in Londen geweest. [medeverdachte] was met mij mee. Ik had met twee mannen contact in Londen. We bespraken hoeveel drugs ik mee zou nemen, hoeveel geld ik zou krijgen en wie mij zou helpen in Ecuador.

[slachtoffer 1] blowt en drinkt veel.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 3. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 13 oktober 2012 te Leeuwarden en elders in Nederland, en in Ecuador, tezamen en in vereniging met anderen, anderen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2],

telkens door misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie

- heeft geworven en vervoerd met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (sub 1), en

- heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten (sub 4)

immers heeft hij, verdachte, tezamen met zijn medeverdachten,

- nadat hij, verdachte, de vriendschap en het vertrouwen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] had weten te winnen en wist dat die [slachtoffer 2] schulden had, en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] benaderd met het verzoek verdovende middelen voor hem vanuit het buitenland naar Nederland te vervoeren, en

- voor die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vliegtickets betaald naar Ecuador en een hotelovernachting in Ecuador en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een geldbedrag beloofd voor het vervoer van verdovende middelen vanuit Ecuador naar Nederland.

3. primair

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 25 oktober 2012 in Ecuador

tezamen en in vereniging met elkaar en anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben getracht te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders in de periode van 1 januari 2012 tot en met 25 oktober 2012 te Leeuwarden en elders in Nederland door giften en beloften en door het verschaffen van gelegenheid en

middelen en inlichtingen, te weten het

- betalen van vliegtickets van en naar Ecuador en een hotelovernachting in Ecuador voor die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2],

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beloven van geldbedragen voor het vervoer van verdovende middelen naar Nederland

opzettelijk heeft uitgelokt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde

personen, meermalen gepleegd.

3. primair Medeplegen van uitlokking van medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 3. primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd dat verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, eventueel aan te vullen met een taakstraf. De raadsman acht de eis van de officier van justitie te hoog en heeft erop gewezen dat de door de officier van justitie gevorderde vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde een sterk(er) matigende werking op de te vorderen straf zou moeten hebben. Het onder 2. ten laste gelegde ziet immers op 13 drugstransporten en na vrijspraak voor dit feit zou er slechts één drugstransport (dat van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) overblijven, hetgeen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren niet rechtvaardigt. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte zijn leven op orde heeft en de afgelopen jaren niet met justitie in aanraking is geweest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapporten d.d. 1 juni 2015, 27 augustus 2015 en 23 maart 2017, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 16 juni 2017, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd, en het medeplegen van uitlokken van medeplegen van poging tot de invoer van cocaïne, meermalen gepleegd. Verdachte heeft op berekenende wijze twee kwetsbare jongeren die in een moeilijke (financiële) situatie zaten en/of verslaafd waren aan drank ertoe aangezet drugs te smokkelen.

De slachtoffers liepen daarbij het risico gepakt te worden en in een buitenlandse gevangenis te belanden, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt. De slachtoffers hebben ten gevolge van het door verdachte georganiseerde transport lange tijd vastgezeten in een gevangenis in Ecuador, terwijl verdachte veilig in Nederland zat en niets meer van zich liet horen, zelfs niet toen een van de slachtoffers van zijn kind beviel.

Verdachte heeft zijn eigen geldelijke gewin boven de belangen van de slachtoffers gesteld en heeft zich volstrekt ongevoelig getoond voor de grote gevolgen voor de slachtoffers.

De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder voor Opiumwet gerelateerde strafbare feiten is veroordeeld, doch niet in het recente verleden. In het recente verleden is verdachte - ook na de bewezenverklaarde feiten - veroordeeld voor overtredingen. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is derhalve aan de orde, echter gelet op de aard van deze overtredingen en de ernst van de feiten in de onderhavige zaak ziet de rechtbank geen aanleiding de op te leggen straf om die reden te matigen.

Uit het meest recente reclasseringsrapport blijkt dat verdachte - na vroeger zowel op Curaçao als (vervolgens) in Nederland deel te hebben uitgemaakt van een crimineel netwerk - zijn leven tegenwoordig aardig op orde heeft en dat hij reeds tien jaren werkzaam is bij een schoonmaakbedrijf. Gelet op de ontkenning van verdachte kan de reclassering geen inschatting van het recidiverisico maken. De reclassering ontraadt om in geval van een veroordeling een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de duur van het voorarrest aan verdachte op te legen, daar een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf de baan en het gezinsleven van verdachte in gevaar zou kunnen brengen.

Naar het oordeel van de rechtbank doet het voorstel van de raadsman noch het advies van de reclassering recht aan de bewezenverklaarde feiten. Gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen voor de slachtoffers is de rechtbank van oordeel dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. De duur van de op te leggen gevangenisstraf is lager dan door de officier van justitie gevorderd, nu de rechtbank met de raadsman van oordeel is dat bij de geëiste straf onvoldoende rekening is gehouden met de vrijspraak van - kort gezegd - de betrokkenheid van verdachte bij de (dertien) drugstransporten uitgevoerd door [slachtoffer 3]. De rechtbank wijst er in dit verband op dat aan medeverdachte [medeverdachte] een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren wegens mensenhandel ten opzichte van [slachtoffer 1] (feit 1) en [slachtoffer 3] (feit 2) en uitlokking van drugssmokkel door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (feit 3) is opgelegd. De rechtbank acht in de zaak van verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 47, 57, 63 en 273f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 3. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juli 2017.

Mr. Nolta is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099.

2 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099.