Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2955

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
C/17/146260 / HA ZA 16-2
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht.

Inbreng van giften, geen verjaring, bevel tot verdeling ten overstaan van notaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0182

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/146260 / HA ZA 16-2

Vonnis van 2 augustus 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. P. Sipma te Drachten,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H. de Jong te Burgum,

3. [gedaagde 3],

wonende te Nijega,

gedaagde,

advocaat mr. F.V. Marquenie te Leeuwarden,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord zijdens [gedaagde 2] ;

- de conclusie van antwoord zijdens [gedaagde 3] ;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek zijdens [gedaagde 2] ;

- de conclusie van dupliek zijdens [gedaagde 3] ;

- de akte uitlating productie zijdens [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn de kinderen en erfgenamen van [naam vader] , overleden op

[datum overlijden] (hierna ook: erflater), en [naam moeder] , overleden op

[datum overlijden] (hierna ook: erflaatster).

2.2.

Partijen hebben de nalatenschappen van erflaters zuiver aanvaard en zijn ieder voor 1/5de deel daarin gerechtigd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

de afwikkeling van de nalatenschap van wijlen [naam vader] en [naam moeder] als

volgt vast te stellen en te bepalen, dat:

• het totale saldo van de bankrekeningen, te weten de Rabobank betaalrekening 32.09.43.119, de Rabobank rendementrekening 32.09.194.750 en de Postbank rekening-courant 597782, per datum van verdeling ieder van de erven voor eenvijfde deel toekomt;

• de kosten van de notaris, die gemoeid zijn met de afhandeling van de nalatenschap van wijlen [naam moeder] , ten laste komen van ieder van de erven voor eenvijfde deel;

• voormelde sieraden door verloting worden verdeeld onder de gedaagden 1, 3 en 4, alsmede eiseres;

• de lening/schenking van € 18.157,- van erflaatster aan gedaagde 1 in de nalatenschap ingebracht wordt;

• de schenking van € 2.270,- van erflaatster aan gedaagde 1 in de nalatenschap ingebracht wordt;

• de lening van erflaatster aan gedaagde 2 met als restantbedrag van € 27.236,- [ bij conclusie van repliek gewijzigd in: de schenking van erflaatster aan gedaagde 2 van

€ 5.674,00] in de nalatenschap ingebracht wordt;

• de schenking van erflaatster aan gedaagde 3 voor een bedrag van € 3.177,- in de nalatenschap ingebracht wordt;

• voormelde leningen en schenkingen vermeerderd dienen te worden met wettelijke rente, dan wel een andere redelijke rente, vanaf de datum van overlijden van erflaatster, te weten 13 augustus 2007, tot aan het moment van de feitelijke verdeling van de nalatenschap;

• het saldo van voormelde schenkingen en leningen, vermeerderd met voormelde rente, ieder van de erven voor eenvijfde deel toekomt;

[ bij akte uitlating productie ingetrokken: gedaagden te veroordelen medewerking verlenen aan het opstellen en ondertekenen van een verklaring van erfrecht, waarbij eiseres gevolmachtigd wordt namens de gezamenlijke erven te beschikken over voormelde bankrekeningen en/of inzage te verkrijgen in deze bankrekeningen, alsmede te bepalen dat de kosten van deze verklaring van erfrecht ten laste van de nalatenschap komen;]

gedaagden te veroordelen tot naleving van de afwikkeling van de nalatenschap, met de uitdrukkelijke bepaling, dat, indien zij hun medewerking aan de uitvoering van deze verdeling en verrekening weigeren, althans geen volledige medewerking verlenen aan de uitvoering van hetgeen in het kader van de verdeling en verrekening is bepaald, het in dezen te wijzen vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte notariële akte dan wel in de plaats zal treden van de voor uitvoering vereiste medewerking van gedaagden, althans op een wijze zoals uw Rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

alsmede gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding.

Het standpunt van [eiseres] (zakelijk weergegeven)

3.2.

[eiseres] licht toe dat het partijen ondanks pogingen van de notaris niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over de verdeling van de nalatenschap. De nalatenschap omvat de saldi van een aantal bankrekeningnummers en daarnaast is er volgens [eiseres] sprake geweest van (thans in te brengen dan wel terug te betalen) schenkingen en/of leningen, verstrekt door erflaters aan [gedaagde 1] ,

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] . Partijen verschillen van mening over deze schenkingen/leningen.

3.2.1.

[gedaagde 1] heeft, aldus [eiseres] , van erflaatster op 27 augustus 1999 een geldlening ontvangen van ƒ 40.000,00 (€ 18.157,00) en hiervan niets terugbetaald. [gedaagde 1] heeft daarover geschreven dat haar dit bedrag is kwijtgescholden. Daarnaast heeft [gedaagde 1] schriftelijk bevestigd dat zij in 1996 van erflaatster een schenking van ƒ 5.000,00 (€ 2.270,00) heeft ontvangen. Ter onderbouwing heeft [eiseres] producties overgelegd (productie 5 bij dagvaarding). Ten aanzien van de geldlening is [eiseres] primair van mening dat deze niet is afgelost en als geldvordering moet worden ingebracht in de nalatenschap, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van overlijden van erflaatster. Subsidiair stelt [eiseres] zich op het standpunt dat, indien de lening is kwijtgescholden, sprake is van een schenking, op grond waarvan dan een bedrag van € 18.157,00 als schenking in de nalatenschap dient te worden ingebracht. Daarnaast zou volgens [eiseres] voormeld bedrag van € 2.270,00 in de nalatenschap moeten worden ingebracht.

3.2.2.

[gedaagde 2] heeft, aldus [eiseres] , op 3 juli 1991 een bedrag van

ƒ 100.000,00 geleend van erflaatster in verband met de aankoop van de ouderlijke woning. Deze lening is niet volledig afgelost en dient voor het restantbedrag in de nalatenschap te worden betrokken. Dit restantbedrag stelt [eiseres] bij dagvaarding nog op een bedrag van € 27.236,00 (ƒ 60.000,00), maar na lezing van de conclusie van antwoord van

[gedaagde 2] stelt zij dit bedrag bij naar € 5.674,00 (ƒ 12.500,00), nu laatstgenoemd bedrag blijkens hetgeen [gedaagde 2] heeft aangevoerd aan hem is kwijtgescholden. Deze kwijtschelding merkt [eiseres] aan als een schenking.

3.2.3.

[gedaagde 3] erkent volgens [eiseres] dat zij in 1995 een schenking van ƒ 7.000,00 (€ 3.177,00) van erflaters heeft ontvangen. Ter onderbouwing heeft

[eiseres] een brief van [gedaagde 3] overgelegd (productie 7 bij dagvaarding).

In reactie op het bij conclusie van antwoord gevoerde verweer van [gedaagde 3] merkt

[eiseres] op dat zij zelf indertijd het aanbod om een bedrag geschonken te krijgen niet heeft geaccepteerd.

Verder merkt zij op dat het feit dat de schenkingen door beide erflaters zijn gedaan (en niet alleen door erflaatster) geen invloed heeft op de vordering (in die zin dat deze zou moeten worden gehalveerd), nu de vordering betrekking heeft op de nalatenschap van beide erflaters.

Na kennisname van de bij dupliek door [gedaagde 3] overgelegde producties, bestaande uit bankafschriften, heeft [eiseres] haar vordering, ertoe strekkende dat gedaagden zullen worden veroordeeld tot medewerking aan -kort gezegd- de totstandkoming van een verklaring van erfrecht, met daarin opgenomen een volmacht aan [eiseres] , ingetrokken.

Het standpunt van [gedaagde 2] (zakelijk weergegeven)

3.3.

[gedaagde 2] concludeert tot afwijzing van de door [eiseres] ingestelde vorderingen. Hij stelt daartoe dat al meer dan twintig jaar geleden het door hem van erflaters geleende bedrag van ƒ 100.000,00 is terugbetaald op een restantbedrag van ƒ 12.500,00 na, welk laatste bedrag aan hem is kwijtgescholden. [gedaagde 2] betwist (bij dupliek) dat deze kwijtschelding een schenking inhoudt die door hem zou moeten worden ingebracht in de nalatenschap. Tegenover deze kwijtschelding stonden namelijk door [gedaagde 2] ten behoeve van erflaters verrichte inspanningen (zoals het opruimen en weer opbouwen van het afgebrande hok van erflater en onderhoudswerkzaamheden gedurende langere tijd, verricht aan de schuur en aan de woning van erflaters).

3.3.1.

[gedaagde 2] merkt voorts op dat er nimmer enigerlei rente verschuldigd is geweest, althans dat hij al hetgeen hij verschuldigd was in overleg met erflaatster en daarvoor met erflater heeft geregeld.

Het standpunt van [gedaagde 3] (zakelijk weergegeven)

3.4.

[gedaagde 3] is van mening dat de saldi van de bankrekeningen kunnen worden verdeeld als is gevorderd. Zij acht niet redelijk dat haar wordt verzocht de schenking uit 1995 ad ƒ 7.000,00 (€ 3.177,00) in te brengen, nu alle erfgenamen indertijd een aanbod hebben gehad ter zake van deze schenking en daar vermoedelijk ook gebruik van hebben gemaakt (althans volgens haar in ieder geval [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ).

[gedaagde 3] wijst erop dat de schenking door beide erflaters is gedaan. Omdat de erflater al in 1996 is overleden, is, zo stelt [gedaagde 3] , de vordering tot inbreng in zijn nalatenschap van zijn deel van de schenking verjaard. Als er al sprake is van enige inbrengplicht dan betreft dit slechts de aan erflaatster toe te rekenen helft van de schenking, ofwel een bedrag van € 1.588,50.

[gedaagde 3] sluit zich verder aan bij hetgeen [eiseres] heeft opgemerkt over de schenkingen/leningen aan de overige erfgenamen.

3.4.1.

Bij dupliek heeft zij bankafschriften van rekeningen ten name van de erven

[naam moeder] overgelegd. Hieruit blijkt dat de saldi van de Rabo Basisrekening

NL68 RABO 0320 9431 19 en de Rabo Spaarrekening NL41 RABO 3209 1947 50 op 11 januari 2013 € 9.936,99 respectievelijk € 16.602,35 bedroegen ( [eiseres] leest abusievelijk -zo begrijpt de rechtbank- blijkens haar akte uitlating productie in plaats van laatstgenoemd bedrag een bedrag van € 16.298,38) en dat het saldo van de Postbank/ING betaalrekening NL09 INGB 0003 5977 82 op 5 augustus 2016 € 5.139,32 bedroeg.

4 De beoordeling

4.1.

De vorderingen van [eiseres] strekken ertoe dat de wijze van verdeling van de nalatenschappen van erflaters zal worden vastgesteld zoals bedoeld in artikel 3:185 BW. Daarnaast vordert [eiseres] dat zal worden bepaald dat
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de door [eiseres] genoemde leningen/schenkingen dienen (terug te betalen aan dan wel) in te brengen in de nalatenschap.

4.2.

Met betrekking tot de lening aan [gedaagde 1] van ƒ 40.000,00

(€ 18.157,00) is door haar in de (door [eiseres] twee maal overgelegde) brief van 12 januari 2009 aan notaris mr. Dantuma (productie 5 en 9 bij dagvaarding) verklaard dat ze deze lening van haar moeder niet hoefde terug te betalen. Gelet hierop was er op enig moment geen terugbetalingsverplichting meer, zodat de rechtbank, zoals ook
subsidiair doet, genoemd bedrag zal aanmerken als zijnde geschonken. Niet in geschil is dat daarnaast aan [gedaagde 1] in 1995 door erflaters een schenking is gedaan van ƒ 5.000,00 (€ 2.270,00). [gedaagde 1] zal de waarde van deze giften dienen in te brengen in de nalatenschap op grond van artikel 4:1132 BW (oud) jo. artikel 139 Ow NBW voor zover deze waarde de waarde van haar aandeel in de nalatenschap niet overstijgt als bedoeld in artikel 4:233 lid 2 BW, zodat in die zin zal worden bepaald, onder toewijzing in zoverre van het in deze gevorderde.

4.3.

[gedaagde 2] heeft een door hem en erflaters ondertekende verklaring d.d. 10 april 1995 overgelegd, voor gezien getekend en gestempeld door notaris mr. Dantuma, (productie 3 bij de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] ), onder meer inhoudende dat het restantbedrag van ƒ 12.500,00 "(…) bij deze wordt kwijtgescholden bij wijze van schenking (…)" . Tegenover dit overtuigende, door [gedaagde 2] zelf overgelegde bewijsstuk van het feit dat hem voormeld bedrag is geschonken, heeft hij ter onderbouwing van zijn bij dupliek naar voren gebrachte, andersluidende betoog -inhoudende, zakelijk weergegeven, dat het is gegaan om een tegenprestatie voor ten behoeve van erflaters verrichte werkzaamheden- naar het oordeel van de rechtbank te weinig aangedragen om te kunnen worden toegelaten tot het door hem te dier zake aangeboden bewijs. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de kwijtschelding van het restantbedrag van ƒ 12.500,00 (€ 5.674,00) overeenkomstig voormelde verklaring een schenking is geweest.

[gedaagde 2] dient de waarde van deze gift op grond van artikel 4:1132 BW (oud) jo. artikel 139 Ow NBW in te brengen in de nalatenschap voor zover deze de waarde van zijn aandeel daarin niet overstijgt als bedoeld in artikel 4:233 lid 2 BW, zodat in die zin zal worden bepaald, onder toewijzing in zoverre van het in deze gevorderde.

4.4.

In gelijke zin zal de rechtbank bepalen ten aanzien van de schenking van

ƒ 7.000,00 (€ 3.177,00) aan [gedaagde 3] .

4.4.1.

Voor zover het verweer van [gedaagde 3] inhoudt dat zij niet is gehouden tot inbreng van hetgeen haar in 1995 is geschonken, omdat alle erfgenamen toen een zelfde schenkingsaanbod hebben gekregen, gaat de rechtbank daarin niet mee. De inbrengplicht ten aanzien van giften geldt ongeacht de vraag of andere erfgenamen dezelfde gift hebben ontvangen, dan wel dezelfde gift aangeboden hebben gekregen maar geweigerd (zoals

[eiseres] stelt te hebben gedaan).

4.4.2.

De rechtbank volgt [gedaagde 3] evenmin in haar betoog dat de vordering tot inbreng van het aan haar geschonkene, voor zover de schenking kan worden toegerekend aan erflater, inmiddels is verjaard, omdat erflater reeds in 1996 is overleden. Daartoe overweegt de rechtbank dat een vordering tot verdeling van een onverdeeldheid te allen tijde kan worden gedaan en niet aan verjaring onderhevig is. Gelet hierop heeft dit naar het oordeel van de rechtbank ook te gelden voor een in het kader van een verdelingsvordering jegens een deelgenoot ingestelde inbrengvordering, nu beide vorderingen nauw aan elkaar verknocht zijn. Slechts in het kader van de verdeling kan immers worden vastgesteld wat op grond van de verplichting tot inbreng feitelijk moet worden ingebracht, omdat dit mede afhankelijk wordt gesteld van de waarde van het aandeel van de inbrengende erfgenaam (artikel 4:233 BW).

4.5.

Met betrekking tot de rentevordering merkt de rechtbank op dat in deze de wettelijke rente van artikel 4:233 lid 1 BW geldt (welk artikel onder meer inhoudt dat de waarde van de giften wordt verhoogd met een rente van 6% per jaar vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen). Nu [eiseres] zich wat betreft de periode waarover de rente moet worden berekend heeft beperkt tot de periode vanaf de datum van overlijden van erflaatster, te weten 13 augustus 2007, is deze ingangsdatum in deze procedure het uitgangspunt. In hetgeen [gedaagde 2] tegen de rentevordering heeft aangevoerd schuilt naar het oordeel van de rechtbank geen relevant argument voor afwijzing daarvan. Gelet hierop en nu tegen de rentevordering verder niet is opgekomen zal met betrekking tot de wettelijke rente worden bepaald als gevorderd.

Met betrekking tot de (wijze van) verdeling

4.6.

Het door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gevoerde verweer heeft zich gericht tegen de vorderingen van [eiseres] inzake de inbrengplicht van schenkingen en de terugbetalingsverplichting van leningen (en de tijdens de procedure door [eiseres] ingetrokken vordering). Zij hebben echter geen inhoudelijke bezwaren naar voren gebracht tegen de voorgestelde wijze van verdeling. Gelet hierop zal de rechtbank ten aanzien van de verdeling -met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen- beslissen overeenkomstig hetgeen is gevorderd. De rechtbank zal echter niet bepalen dat dit vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm opgemaakt notariële akte dan wel in de plaats zal treden van de vooruitvoering vereiste medewerking van gedaagden, nu zij aanleiding ziet om in afwijking daarvan een notaris te benoemen ten overstaan van wie de verdeling heeft plaats te vinden, alsmede een onzijdige persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW.

4.6.1.

Behoudens de sieraden, waarvoor overeenkomstig het gevorderde zal worden bepaald dat deze door middel van verloting moeten worden verdeeld onder
[eiseres] , [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , ligt het volgende ter verdeling voor:

- de saldi per datum verdeling van de Rabo basisrekening NL68 RABO 0320 9431 19 (op 11 januari 2013 bedragende: € 9.936,99), de Rabo Spaarrekening
NL41 RABO 3209 1947 50 (op 11 januari 2013 bedragende: € 16.602,35) en de Postbank/ING betaalrekening NL09 INGB 0003 5977 82 (op 5 augustus 2016 bedragende:

€ 5.139,32);

- de door [gedaagde 1] in te brengen waarde ter zake van de door haar ontvangen giften van € 18.157,00 en € 2.270,00;

- de door [gedaagde 2] in te brengen waarde ter zake van de door hem ontvangen gift van

€ 5.674,00;

- de door [gedaagde 3] in te brengen waarde ter zake van het door haar ontvangen gift van € 3.177,00;

- een rente van 6% per jaar over de waarde van de giften vanaf 13 augustus 2007 tot aan de dag der verdeling.

Daarbij geldt dat de hoogte van de in te brengen bedragen, inclusief rente, moet worden gemaximeerd tot de waarde van het aandeel van de tot inbreng verplichte erfgenaam in de nalatenschap.

4.6.2.

Met het oog op dit laatste wijst de rechtbank erop dat, gelet op het totaal van de hiervoor vermelde saldi op voormelde rekeningen, van € 31.678,66, welk totaal inmiddels waarschijnlijk nog enigszins is aangegroeid, alsmede gelet op de omvang van de schenkingen en rekening houdend met de daarover te berekenen rente, de door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in te brengen giften (op dit moment betreft dit, inclusief rente, bedragen van ruim € 9.000,00 respectievelijk € 5.000,00) de waarde van hun aandeel in de nalatenschappen niet zullen overstijgen. Dit is echter anders voor [gedaagde 1] , aangezien de waarde van de aan haar verstrekte giften, inclusief rente, inmiddels ruim

€ 32.400,00 bedraagt.

4.6.2.1. Om nu te berekenen hoeveel [gedaagde 1] moet inbrengen dienen de saldi van de bankrekeningen (op het moment van verdeling) en de door [gedaagde 2] en
[gedaagde 3] in te brengen waarden van de door hen verkregen giften, vermeerderd met rente (berekend tot het moment van verdeling), bij elkaar te worden opgeteld en vervolgens dient het aldus berekende totaalbedrag te worden gedeeld door vier. Het resultaat van deze breuk is dan de waarde die [gedaagde 1] feitelijk moet inbrengen. Omdat deze waarde gelijk is aan haar aandeel, zoals bedoeld in artikel 4:233 BW, en op dit aandeel volledig in mindering komt, kan [gedaagde 1] dus geen aanspraak maken op geld uit de nalatenschappen.

4.6.2.2. Voor de overige vier erfgenamen geldt dat hen een bedrag toekomt, gelijk aan het resultaat van voormelde breuk minus de waarde van de door hen in te brengen, met rente vermeerderde giften.

4.6.3.

Als notaris ten overstaan van wie de verdeling heeft plaats te vinden, zal de rechtbank daarbij aanwijzen notaris mr. T.A. Dantuma te Burgum. Voor het geval niet alle erfgenamen meewerken aan de verdeling, zal de rechtbank als onzijdige persoon aanwijzen advocaat mr. T.W. Delhaye.

4.6.4.

Omdat de werkzaamheden van de notaris niet alleen de afhandeling van de nalatenschap van erflaatster (zullen) betreffen, maar tevens die van de nalatenschap van erflater, zal de rechtbank, voor het overige de vordering van [eiseres] dienaangaande volgend, bepalen dat de kosten van de notaris, die gemoeid zijn met de afhandeling van de nalatenschappen van erflaters, ten laste komen van ieder van de erven voor 1/5de deel.

Met betrekking tot de proceskosten

4.7.

De rechtbank vindt aanleiding om de proceskosten aldus te compenseren dat elk der partijen de eigen kosten draagt, zulks gelet op de tussen partijen bestaande familiebanden en de aard van het geschil.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

beveelt de verdeling van de nalatenschappen van erflaters;

5.2.

beveelt partijen tot deze verdeling over te gaan ten overstaan van na te noemen notaris;

5.3.

wijst mr. T.A. Dantuma, notaris te Burgum, aan als notaris ten overstaan van wie partijen dienen over te gaan tot de verdeling;

5.4.

bepaalt daarbij de wijze van verdeling als volgt:

a. - de sieraden zullen door middel van verloting worden verdeeld onder [eiseres] , [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ;

b. - de saldi per datum verdeling van de Rabo basisrekening NL68 RABO 0320 9431 19, de Rabo Spaarrekening NL41 RABO 3209 1947 50 en de Postbank/ING betaalrekening NL09 INGB 0003 5977 82, vermeerderd met de door [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en

[gedaagde 3] in te brengen waarden van giften, inclusief rente, zullen aldus onder partijen worden verdeeld dat aan elk van hen 1/5de deel toekomt, zulks met inachtneming van artikel 4:233 BW en van hetgeen in de rechtsoverwegingen 4.6.1. tot en met 4.6.2.2. is overwogen;

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aan deze verdeling mee te werken;

5.6.

benoemt mr. T.W. Delhaye, advocaat te Burgum, tot onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW voor het geval niet alle personen voornoemd meewerken aan de verdeling;

5.7.

bepaalt dat de kosten van de werkzaamheden van de notaris ten laste komen van de erfgenamen, ieder voor 1/5de deel, en dat de eventuele kosten van de onzijdige persoon uitsluitend voor rekening komt van de erfgenaam die niet meewerkt aan de verdeling;

5.8.

verklaart dit vonnis wat betreft voormelde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.10.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna, rechter, en in het openbaar uitgesproken op

2 augustus 2017

c: 18