Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2953

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
18-930033-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft enkele maanden deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten met betrekking tot harddrugs, waaronder invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek (via België) naar Nederland, alsmede witwassen. De rechtbank houdt bij de strafbepaling rekening met de verstrekkende gevolgen die de meewerkende proceshouding voor verdachte en zijn gezin heeft gehad. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden.

Wetsverwijzingen
Invoeringswet Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2002-01-01
Wetboek van Strafrecht 56, geldigheid: 2010-09-01
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2008-03-26
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2017-03-01
Opiumwet 2, geldigheid: 2006-07-01
Opiumwet 10, geldigheid: 2007-11-01
Opiumwet 10a, geldigheid: 2006-07-01
Opiumwet 11b, geldigheid: 2016-08-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930033-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2016, 30 augustus 2016, 16 juni 2017, 27 juni 2017, 28 juni 2017 en 18 juli 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.B Stenger, advocaat te Amsterdam . Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, bij gewijzigde tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks

de periode van 1 september 2014 tot en met 31 december 2014 te [pleegplaats 1] en/of

[pleegplaats 2] en/of elders in Nederland en/of in België en/of in de Bondsrepubliek

Duitsland en/of in Zweden en/of in Colombia, tezamen en in vereniging met een

of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit

als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer ander heeft getracht te bewegen om dat/die feit (en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of

- zich en/of een of meer ander (en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of

ernstige reden had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot

het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/is hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen (telkens):

- afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd

taalgebruik) telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen

gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven

aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om die cocaïne, althans

dat/die middel (en) , te kopen en/of in ontvangst te nemen en/of betreffende

de wijze waarop die cocaïne, althans dat/die middel (en) , zou(den) worden

gekocht en/of geleverd en/of afgenomen en/of (naar Nederland) zou (den)

worden vervoerd en/of verder vervoerd en/of

- het bedrijf [bedrijfsnaam 1] opgericht en/of het geld daarvoor beschikbaar

gesteld, en/of

- een (grote) hoeveelheid geld voorhanden gehad en/of uitgegeven om het

transport te financieren en/of

- transporteur(s) benaderd voor het regelen van transport van de containers

uit Antwerpen en/of

- een of meer mededaders en/of anderen benaderd en/of betaald en/of van geld

en/of (andere) middelen voorzien om die cocaïne, althans dat/die middel (en) ,

in ontvangst te nemen en/of te vervoeren, en/of (andere) hand- en

spandiensten verricht

(een en ander heeft betrekking op:

- ( ZD 1), 22 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne)’;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 31 december 2014, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (vanuit de Dominicaanse Republiek en/of vanuit België) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid cocaïne, te weten een partij van ongeveer 22 kilo, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1hf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

3.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks

de periode van 1 september 2014 tot en met 31 december 2014, te [pleegplaats 2] ,

althans in Nederland, (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit (onder meer) [medeverdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en/of [medeverdachte 6] ,

welke organisatie (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of

artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en/of

- het handelen in strijd met artikel 26 en/of artikel 31 van de Wet wapens en

munitie en/of

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het

Wetboek van Strafrecht;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks

de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

- A.

van een of meer voorwerpen, te weten

- een of meer geldbedragen ((onder andere) gebruikt voor levensonderhoud)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel

- B.

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het onder A

genoemde voorwerp(en) was/waren en/of

- C.

heeft verborgen en/of verhuld wie de/het onder A genoemde voorwerp(en)

voorhanden had (den) en/of

- D.

de/het onder A genoemde voorwerp(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat voorwerp (en)

gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte en/of die mededader(s) (telkens) wist(en), althans

redelijkerwijs moest (en) vermoeden, dat de/het onder A genoemde voorwerp(en)

-onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Verweren ten aanzien van de voorvragen

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair aangevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde - witwassen - nietig dient te worden verklaard. Zij acht onvoldoende duidelijk en concreet waartegen verdachte zich dient te verdedigen, nu onduidelijk is welke geldbedragen worden bedoeld. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de dagvaarding voor wat betreft de zinsnede "onder andere" partieel nietig dient te worden verklaard, nu onvoldoende feitelijk is omschreven op welke andere bedragen het verwijt ziet.

De officier van justitie heeft betoogd dat de tenlastelegging van feit 4 in het licht van het dossier duidelijk is, zodat de verdachte kon weten waarvan hij wordt verdacht en waartegen hij zich moet verdedigen. Hij acht de tenlastelegging geldig.

De rechtbank verwerpt zowel het primair als subsidiair gedane verweer van de raadsvrouw. De tenlastelegging voldoet, naar het oordeel van de rechtbank, aan de vereisten die de wet daaraan in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdachte zich naar behoren tegen de aanklacht kunnen verdedigen.

Bewijs

Inleidende opmerkingen van de rechtbank

In de loop van 2013 en 2014 komt informatie bij de politie binnen dat verdachte [medeverdachte] uit [plaats 7] zich, samen met anderen, zou bezighouden met handel in verdovende middelen en witwassen. Op 11 april 2014 wordt een opsporingsonderzoek gestart onder de naam [naam onderzoek] . Binnen het onderzoek werd bewijs verzameld door onder andere het tappen van telefoons, het uitvoeren van observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) en het vorderen van diverse gegevens. Het onderzoek [naam onderzoek] kwam in een stroomversnelling toen duidelijk werd dat er op 16 september 2015, tijdens een bijeenkomst van een aantal verdachten in het onderzoek, in de woning van [medeverdachte] was geschoten met een vuurwapen. Er werd besloten om op 18 september 2015 in te grijpen en tot aanhouding van verdachten over te gaan. Tevens zijn op die datum, en ook later nog, een aantal woningen en panden doorzocht. Op diverse plaatsen werden onder andere (volautomatische) vuurwapens, munitie en drugs inbeslaggenomen. Tevens zijn digitale gegevensdragers en diverse administratieve bescheiden in beslag genomen.

Het opsporingsonderzoek heeft geresulteerd in een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie Eenheid Noord-Nederland, onder de naam " [naam onderzoek] ", nummer [nummer 1] , bestaande uit 59 ordners, onder meer bevattende zaaksdossiers (hierna: ZD), persoonsdossiers (hierna: PD), ambtshandelingen (hierna: AH), forensisch digitaal onderzoek (hierna: FDO) en dossier inbeslagname (hierna: IBN).

Verdenking

Het onderzoek heeft tot de verdenking geleid dat in georganiseerd verband verschillende misdrijven zijn gepleegd. Kort weergegeven gaat het om de volgende feiten:

- een transport van 22 kilogram cocaïne, vanuit de Dominicaanse Republiek naar Nederland;

- het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet ten aanzien van voornoemd transport en/of andere transporten en uitvoer naar Zweden en Duitsland van cocaïne en/of (grondstoffen voor) XTC en/of speed;

- de handel (dan wel het aanwezig hebben) van cocaïne in Nederland;

- het voorhanden hebben en overdragen van wapens en/of munitie;

- het (gewoonte)witwassen van geldbedragen en andere voorwerpen;

- deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11b van de Opiumwet.

De beschuldiging aan verdachte

[verdachte] wordt -samengevat- verweten deel uit te hebben gemaakt van een criminele organisatie die zich onder andere bezig hield met het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten - waaronder het voorbereiden en importeren van meerdere harddrugstransporten naar Nederland en export van harddrugs vanuit Nederland naar Zweden en Duitsland -, en het witwassen van de daaruit verkregen opbrengsten.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie een

bewezenverklaring voor de feiten 1, 2 en 3 gevorderd en op onderdelen partiële vrijspraak.

Daarnaast heeft hij vrijspraak voor feit 4 gevorderd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft op gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat de verdachte terzake

van feit 3 en 4 dient te worden vrijgesproken.

DE RECHTBANK OVERWEEGT ALS VOLGT

Algemene bewijsoverwegingen

Artikel 6 EVRM

[medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) is een van de verdachten die op 18 september 2015 zijn aangehouden. Aanvankelijk heeft [medeverdachte 2] zich op zijn zwijgrecht beroepen, maar in zijn 6e verhoor op 14 oktober 2015 geeft hij aan bereid te zijn “om het hele verhaal aan u te vertellen. Het is alles of niks.”1

Namens verdachte is bepleit dat de bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 2] van het bewijs moeten worden uitgesloten. In de eerste plaats is daartoe onder verwijzing naar de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 2] op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal terwijl de verdediging [medeverdachte 2] niet op een effectieve manier als getuige heeft kunnen ondervragen. [medeverdachte 2] is, op verzoek van de raadslieden van zijn medeverdachten, als getuige in de zaken tegen die medeverdachten bij de rechter-commissaris gehoord, maar heeft zich bij die gelegenheid op zijn verschoningsrecht beroepen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie, recent nog bevestigd door de Hoge Raad2, geldt dat in de situatie dat een getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt, een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging ontbreekt.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging niet op een behoorlijke en effectieve wijze gebruik heeft kunnen maken van het ondervragingsrecht. Voor dit gebrek is de verdediging niet op enige wijze gecompenseerd. De rechtbank is van oordeel dat het via een videoverbinding kunnen volgen van het verhoor van [medeverdachte 2] door de rechtbank ter gelegenheid van de behandeling van zijn strafzaak niet als voldoende compensatie kan gelden. Het tot bewijs gebruiken van de door [medeverdachte 2] bij de politie afgelegde en de zijn medeverdachten belastende verklaringen zou onder deze omstandigheden in strijd kunnen komen met het bij artikel 6 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de mens) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Die verklaringen zijn desondanks bruikbaar voor het bewijs, aldus de Hoge Raad, indien de betrokkenheid van verdachte niet in beslissende mate op de verklaringen van deze getuige wordt gebaseerd, maar in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaringen van de getuige die door de verdachte worden betwist.

De rechtbank zal voor de bewezenverklaring van strafbare feiten dan ook slechts die onderdelen van de belastende verklaringen van [medeverdachte 2] gebruiken die in voldoende mate steun vinden in andere, in de bewijsconstructie opgenomen bewijsmiddelen. In zoverre doet de situatie waarop de Vidgen-jurisprudentie ziet, zich in de zaak van verdachte niet voor.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 2]

Ten tweede is aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 2] wegens inconsistenties, tegenstrijdigheden en leugens als onbetrouwbaar terzijde moeten worden gesteld.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 2] betrouwbaar zijn en kunnen worden gebruikt voor het bewijs. [medeverdachte 2] heeft meerdere uitgebreide en zeer gedetailleerde verklaringen afgelegd die voor de politie aanleiding zijn geweest nader onderzoek te verrichten. De inhoud van zijn verklaringen wordt, met name waar het de handelingen en de rol van de medeverdachten betreft, op wezenlijke onderdelen in ruime mate bevestigd door de inhoud van andere bewijsmiddelen, waaronder - voor zover van toepassing opgenomen in de hierna vermelde bewijsmiddelen - tot het bewijs gebezigde tapgesprekken, PGP-berichten en OVC-gesprekken. Verder is van belang dat in die gevallen waarin de verklaringen van [medeverdachte 2] concreet verifieerbaar waren, zij veelal in overeenstemming bleken te zijn met de werkelijkheid.

Naast het feit dat hetgeen [medeverdachte 2] heeft verklaard voor een groot deel wordt bevestigd door overig bewijsmateriaal, merkt de rechtbank op dat [medeverdachte 2] in 37 verhoren nagenoeg volledige openheid van zaken heeft gegeven, waarbij hij ook uitgebreid belastend over zichzelf en zijn eigen aandeel in de strafbare feiten heeft verklaard. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat [medeverdachte 2] op onderdelen heeft doen voorkomen alsof zijn rol minder is geweest dan uit overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid, overweegt de rechtbank dat - al aangenomen dat daarvan in enigerlei mate sprake is geweest - dat niet in zodanige mate afbreuk doet aan de kern van zijn verklaringen dat deze als onbetrouwbaar of ongeloofwaardig zouden moeten worden aangemerkt.

Beoordeling van het bewijs en bewijsmiddelen

Onder feit 1 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- ( het medeplegen van) voorbereidingshandelingen ten aanzien van de invoer en uitvoer van verdovende middelen, in diverse varianten.

Onder feit 2 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- ( het medeplegen van) de import naar Nederland van een 22 kilogram cocaïne vanuit de Dominicaanse republiek.

De rechtbank zal hieronder voornoemde feiten in onderdelen bespreken, waarbij elk bewijsmiddel slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de invoer van 22 kilo cocaïne

De verklaringen van [medeverdachte 2]

Vanaf 14 oktober 2015 heeft [medeverdachte 2] onder andere verklaard over cocaïnetransporten die zouden hebben plaatsgevonden. Hij verklaart dat er in november 2014 via de haven van Antwerpen een container is binnengekomen vanuit de Dominicaanse Republiek waarin een hoeveelheid van 22 kilo cocaïne verstopt zat in de balken van de container. De hoofdlading was een partij kokosnoten.3

Uit de verklaringen van [medeverdachte 2]4 blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) het idee had om zelf een cocaïnelijn te beginnen. Hij werd in contact gebracht met twee mannen uit [plaats 1] , en via hen met een man genaamd [voornaam 1] die een huis had in de Dominicaanse Republiek en daar contacten had. Er vonden ontmoetingen plaats in Almere, Lelystad en Meppel . Bij de besprekingen waren meestal [medeverdachte] , [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), verdachte, de mannen uit [plaats 1] en [medeverdachte 2] zelf aanwezig. Resultaat van de besprekingen was om een transport te laten komen via het Duitse bedrijf [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] ), een bedrijf dat sinds 1 november 2013 op naam was gekomen van [medeverdachte 6] en verdachte.

In november 2014 werd op naam van [bedrijfsnaam 1] een zeecontainer, genummerd [nummer 2] /1, met als deklading 600 zakken kokosnoten, vanuit de Dominicaanse Republiek via de haven van Antwerpen naar Nederland gebracht. In de vier deurstijlen van deze container zat in totaal 22 kilo cocaïne verstopt, per deurstijl 11 blokken van een halve kilo.

Na verscheping van de container werden originele documenten verstuurd naar [bedrijfsnaam 1] , de zogeheten Bill of Lading. Deze BL-nummers zijn een unieke code die bij de desbetreffende container horen en zijn nodig om de container in te klaren. [medeverdachte 6] en [verdachte] hebben een inklaarder gezocht, het bevrachtingskantoor [bedrijfsnaam 2] te [plaats 2] .

De container is op 27 november 2014 in de haven van Antwerpen ingeklaard en werd door verdachte [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) opgehaald. Om de containers te kunnen ophalen is een bedrijf opgericht door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] , [bedrijfsnaam 3] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] hebben een trekker gehuurd. In Rotterdam is een containeroplegger gehuurd. Vervolgens zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] naar Antwerpen gereden. In de haven van Antwerpen moest de chauffeur, [medeverdachte 5] , een test doen. Omdat hij daarvoor zakte, kreeg hij de container niet mee. Verdachte heeft toen contact gezocht met de inklaarder en afgesproken dat de container van het haventerrein zou worden opgehaald en naar een bedrijf zou worden gebracht buiten het haventerrein. De dag daarop heeft [medeverdachte 5] de container opgehaald en naar de loods in [plaats 3] gebracht. Daar zijn de deurstijlen opengemaakt door [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ), de ‘lasser’, en is de cocaïne verwijderd.

Steunbewijs

Naar aanleiding van de verklaringen van [medeverdachte 2] heeft nader onderzoek plaatsgevonden. Medeverdachten en getuigen zijn gehoord. Er is onder andere onderzoek gedaan in de administratie van [bedrijfsnaam 1] en in de aangetroffen en inbeslaggenomen laptops van [medeverdachte 2] en van [medeverdachte 6] . Daaruit is het volgende naar voren gekomen.

Verklaringen medeverdachten

De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] zijn gedetailleerd en concreet. Hetgeen hij verklaart over dit transport komt in grote lijnen en op essentiële punten overeen met de verklaringen van verdachte, [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] .

Verdachte heeft verklaard dat hij directeur/aandeelhouder was van [bedrijfsnaam 1] en dat hij door financiële problemen betrokken is geraakt bij cocaïnesmokkel. Het idee kwam van [medeverdachte] en [medeverdachte 6] . Hij vertelt over besprekingen bij het Van der Valk hotel in Zwolle, bij de McDonalds in Meppel en een Kentucky Fried Chicken in de buurt van Almere en Lelystad. Er werd een inklaarder gezocht en transport moest worden geregeld. Hij zou €50.000,-- krijgen, maar kreeg 1,2 kilo cocaïne, die versneden was.5

[medeverdachte 5] heeft over het transport van november 2014 verklaard dat het klopt wat verdachte daar over heeft verklaard.6

[medeverdachte 6] heeft in een laat stadium, op 14 april 2016, een verklaring afgelegd dat hij directeur/ aandeelhouder was van [bedrijfsnaam 1] , dat het bedrijf in financiële moeilijkheden raakte, dat [medeverdachte] toen met het idee kwam om kokosnoten uit de Dominicaanse Republiek te importeren en op die manier 22 kilo cocaïne te smokkelen. Hij verklaart over een bespreking bij de Kentucky Fried Chicken in Lelystad. De container is in november 2014 gearriveerd en werd opgehaald door een oom van [medeverdachte] .7

Overig steunbewijs

 E-mail-verkeer tussen [medeverdachte 6] namens [bedrijfsnaam 1] , en [persoon] namens [bedrijf 1] , d.d. 11 november 2014, betreffende de inklaringsprocedure en douaneafhandeling.8

 Factuur van [bedrijfsnaam 1] , [plaats 4] , aan [bedrijf 2] , [plaats 5] , d.d. 24 november 2014, Rechnungs-Nr. [nummer 3] , voor de levering van een partij kokosnoten voor een totaalbedrag van € 11.235,--, afleveradres: [adres] .9

 Factuur van [bedrijf 3] aan [bedrijfsnaam 1] , d.d. 28 oktober 2014, Factura [nr.] , voor de levering van 600 sacos de coco categoria 40, voor een bedrag van totaal € 2.695,38.10

 Een Certificado Fitosanitario, nummer [nummer 4] , gedateerd Noviembre 12, 2014, bestemd voor [bedrijfsnaam 1] , met betrekking tot 600 sacos / 18.000 kgs coco, marcas distintivas [nummer 2] .1.11

 Bill of Lading, BL-nummer SUDU245170695003, ontvangende partij [bedrijfsnaam 1] , [plaats 4] , met betrekking tot de 40-feet container [nummer 2] met 600 bags dry coconut, shipped on board op 11 oktober 2014.12

 Via het HARC-team van de Belastingdienst/Douane is de gebruikte container [nummer 2] /1 achterhaald en fysiek onderzocht.13 Daarbij is het volgende vastgesteld:

  • -

    aan de boven- en onderkant van de verticale kokerbalken was roestvorming te zien;

  • -

    aan de boven- en onderkant van de verticale kokerbalken was duidelijk te zien dat daar opnieuw verf is aangebracht;

  • -

    met name aan de bovenkant van de verticale kokerbalken waren lassporen te zien.

Deze container is in gebruik genomen op 1 januari 2012 en sindsdien zijn diverse reparatierapporten opgesteld, maar laswerkzaamheden zijn nooit nodig geweest.

Bij het onderzoek is door middel van een haakse slijper de bovenkant van de vier kokerbalken en één onderkant opengeslepen. De deurstijlen bleken alle vier hol te zijn.

[medeverdachte 2] heeft nog verklaard over een vettige substantie (“grease”) waarmee de kokerbalken zouden zijn afgevuld. Bij het onderzoek is een vettige substantie achtergebleven op de sjorband die bij het onderzoek is gebruikt aan de binnenkant van de deurstijlen.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot, en de daadwerkelijke invoer van, een partij van 22 kilo cocaïne in november 2014, als bedoeld in de Opiumwet.

Dat geen cocaïne is aangetroffen is naar het oordeel van de rechtbank geen beletsel om tot bewezenverklaring te komen. In de eerste plaats valt uit de hierboven aangehaalde verklaringen van zowel [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] als verdachte zelf af te leiden dat het daadwerkelijk om cocaïne ging, maar daarnaast is ook de geschetste gang van zaken volstrekt zinloos als het niet om cocaïne zou gaan.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne anders dan genoemde partij van 22 kilo, en voor de uitvoer van drugs naar Duitsland en Zweden.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd in het kader van de de invoer van cocaïne anders dan hiervoor bewezen is geacht, of ten behoeve van de export van cocaïne en/of amfetamine naar Duitsland en Zweden. De rechtbank zal verdachte derhalve van dit onderdeel van feit 1 van de tenlastelegging vrijspreken.

Onder feit 3 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd:

- de deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van bepaalde misdrijven van de Opiumwet (artikel 11b van de Opiumwet) en het plegen van misdrijven (van de Wet wapens en munitie en (gewoonte)witwassen) als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt als volgt

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat een organisatie een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Hierbij is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van de betreffende misdrijven van de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en (gewoonte)witwassen.

De rechtbank is van oordeel dat de groep rondom [medeverdachte] kan worden aangemerkt als een criminele organisatie. Er is sprake van een gestructureerd samenwerkingsverband met een hiërarchische structuur en een duidelijke rolverdeling die aansluit bij de specifieke expertise van de verschillende personen.

De zeven verdachten in het opsporingsonderzoek [naam onderzoek] vormen de vaste kern van de criminele organisatie. Er is sprake van duurzaamheid: gedurende zo'n 2½ jaar blijft de groep bij elkaar, met uitzondering van [verdachte] die na december 2014 eruit stapt danwel aan de kant wordt gezet. Er zijn intensieve, onderlinge contacten, zowel per telefoon als in persoon.14

[medeverdachte 2] heeft verschillende verklaringen afgelegd over de hiërarchische structuur en de rolverdeling.15

[medeverdachte] is de leider. Dat verklaart [medeverdachte 2] , maar wordt ook door anderen bevestigd.16 In een proces-verbaal van bevindingen noteren verbalisanten op 3 augustus 2012: "Wij hoorden [medeverdachte] zeggen: Ik ben de baas van hun."17 [medeverdachte] financiert de cocaïnetransporten.18

[medeverdachte 2] is de rechterhand van [medeverdachte] en fungeert als boekhouder. Hij heeft verstand van bedrijven en is onder andere betrokken bij de oprichting van [bedrijfsnaam 3] , [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] . [medeverdachte 2] beheert de digitale administratie, het kasboek. In een tapgesprek op 8 mei 2015 zegt [medeverdachte] op de vraag van iemand hoeveel hij nog moet betalen: "Dat weet [medeverdachte 2] . Ik weet het niet (….). Hij heeft alles genoteerd."19

[medeverdachte 3] lijkt wat meer aan de zijlijn te staan, maar zijn legale bedrijf in [plaats 6] speelt een belangrijke rol als ontmoetingsplek en stash voor geld en drugs. In een tapgesprek van 4 augustus 2015 zegt [medeverdachte] : "Laatst met [voornaam 2] , ik zeg pak even van mijn geld, twee!" Voorts zou [medeverdachte 3] volgens [medeverdachte 2] veel verstand hebben van het productieproces voor synthetische drugs (speed en xtc). En in een tapgesprek van 22 augustus 2015 zegt [medeverdachte] : "Op boerderij heb ik ook verstopt, ja toch?"20

[medeverdachte 4] is belangrijk voor de lijn naar Zweden. Verder bewaarde hij drugs en wapens voor [medeverdachte] , en is hij vaak chauffeur.

[medeverdachte 6] en [verdachte] zijn als eigenaren van [bedrijfsnaam 1] faciliterend voor de import van cocaïne.

Daarnaast is [medeverdachte 6] , samen met [medeverdachte 2] , grotendeels verantwoordelijk voor de lijn naar Duitsland.

[medeverdachte 5] speelt als vrachtwagenchauffeur een kleine, maar essentiële rol bij het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de containers waarin de cocaïne zat verborgen.

Er is sprake van een zeer professionele werkwijze binnen het criminele samenwerkingsverband.

Dat blijkt onder meer uit de eerder genoemde digitale administratie, het 'kasboek', en uit het gebruik van PGP-telefoons.

Daarnaast worden verschillende bedrijven gebruikt als dekmantel om de criminele activiteiten te verhullen:

- [bedrijfsnaam 1] : voor het binnenhalen van de cocaïnetransporten;

- [bedrijfsnaam 3] : voor het ophalen van de containers;

- [bedrijfsnaam 4] : om legaal inkomen te creëren en geld wit te wassen;

- [bedrijfsnaam 6] : naast de reguliere, legale activiteiten wordt het bedrijf van [medeverdachte 3] gebruikt als ontmoetingsplek en als stash voor geld en drugs;

- [bedrijfsnaam 5] : voor de import van cocaïne door middel van houtskool uit Ecuador.

De criminele organisatie rondom [medeverdachte] heeft als oogmerk het plegen van misdrijven met betrekking tot de Opiumwet:

- invoer en uitvoer van drugs (voornamelijk cocaïne en speed);

- drugshandel in Nederland;

- fabriceren drugs (amfetamine, MDMA);

en daarnaast het (gewoonte)witwassen van de daarmee gegenereerde opbrengsten.

De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie tevens het oogmerk had op de handel in wapens.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de bewijsmiddelen/-overwegingen die zijn gebruikt voor de bewezenverklaarde feiten onder 1 en 2 alsmede op wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (witwassen en/of gewoontewitwassen) en bepaalde misdrijven van de Opiumwet. De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie tevens het oogmerk had op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 26 en/of 31 van de Wet wapens en munitie. Van dit onderdeel zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Onder feit 4 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- (het medeplegen van) (schuld)witwassen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 september 2014 tot en met 31 december 2014 in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit

als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen het

grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne,

voor te bereiden, telkens

- zich en anderen gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en zijn mededaders wisten dat die bestemd waren tot

het plegen van dat feit,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen:

- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad om die cocaïne te kopen en in ontvangst te nemen en betreffende de wijze waarop die cocaïne zou worden gekocht en geleverd en afgenomen en naar Nederland zou worden vervoerd en

- een grote hoeveelheid geld voorhanden gehad en uitgegeven om het transport te financieren en

- transporteurs benaderd voor het regelen van transport van de container uit Antwerpen,

een en ander heeft betrekking op:

- 22 kilo cocaïne;

2.

hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 31 december 2014, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk vanuit de Dominicaanse Republiek en vanuit België binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid cocaïne, te weten een partij van ongeveer 22 kilo, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I;

3.

hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 31 december 2014 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit [medeverdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 6] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of

artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het

Wetboek van Strafrecht.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door:

zich of een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

en

voorwerpen, vervoermiddelen en/of gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

meermalen gepleegd;

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

3. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet;

en

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft hij verbeurdverklaring gevorderd van de onder verdachte conservatoir inbeslaggenomen voorwerpen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte heeft een verklaring afgelegd over zijn rol en de rol van anderen binnen het onderzoek. Deze proceshouding heeft voor verdachte en zijn gezin verstrekkende nadelige consequenties gehad, waaronder het terechtkomen in het Stelsel Bewaken en Beveiligen van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft enkele maanden deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten met betrekking tot harddrugs, waaronder invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek (via België) naar Nederland, alsmede witwassen.

Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven als hiervoor genoemd en de overige misdrijven een ernstige en ontoelaatbare ondermijning van de rechtsorde betekenen. Hiertegen dient dan ook hard te worden opgetreden.

Het gaat hier om een professionele drugsorganisatie. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen en gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Van de handel in verdovende middelen is bovendien algemeen bekend dat dit steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat de rol van verdachte beperkt is gebleven tot de voorbereiding en de daadwerkelijke invoer van één drugstransport en het gedurende die periode deel uitmaken van voornoemde criminele organisatie.

Daarnaast heeft de rechtbank gezien dat verdachte een relatief beperkt strafblad heeft en heeft zij kennisgenomen van de reclasseringsrapportages.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met hetgeen hiervoor is overwogen en met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De ernst van de feiten rechtvaardigt het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank betrekt bij de bepaling van de duur van deze vrijheidsstraf echter ook de proceshouding van verdachte, die tot op zeker hoogte als positief en meewerkend kan worden aangemerkt. Voorts houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de verstrekkende gevolgen die de gekozen proceshouding voor verdachte en zijn gezin heeft gehad.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden opgelegd dient te worden.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank zal geen beslissing nemen over de (voor zover) onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, nu op deze voorwerpen conservatoir beslag is gelegd in het kader van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en de officier van justitie heeft aangegeven tegen verdachte een ontnemingsvordering te zullen dienen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 56, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter,

mr. H.H.A. Fransen en mr. R. Depping, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 augustus 2017.

1 PD [medeverdachte 2] , pag. 82 e.v.

2 Hoge Raad, 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016

3 PD [medeverdachte 2] , pag. 100

4 PD [medeverdachte 2] , pag. 116 e.v.

5 PD [verdachte] , pag. 60 t/m 70

6 PD. [medeverdachte 5] , pag. 390-4 en 390-5

7 PD [medeverdachte 6] , pag. 260-0 t/m 262-11

8 FDO, map 19, pag. 353 en 354

9 ZD 1, bijlage 2

10 PD [medeverdachte 2] , pag. 212, bijlage 4B

11 PD [medeverdachte 2] , pag. 214, bijlage 4D

12 PD [medeverdachte 2] , pag. 215, bijlage 4E

13 AH-382, map AH-14, pag. 4534-4577

14 ZD 8, tabellen pag. 60-63

15 PD [medeverdachte 2] , pag. 99-102 en 176-181

16 PD [medeverdachte 6] , pag. 262-01 t/m 262-21

17 AH 196, map 12, pag. 4025-4027

18 PD [medeverdachte 2] , pag 194-195

19 ZD 8, pag. 148

20 PD [medeverdachte 2] , pag. 204