Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2952

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
18-930325-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een jaar deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten met betrekking tot harddrugs, waaronder invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek (via België) naar Nederland en voorbereidingshandelingen voor (verdere) invoer van cocaïne en export van cocaïne en amfetamine naar Duitsland. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

- De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2012-01-01
Opiumwet 2, geldigheid: 2006-07-01
Opiumwet 10a, geldigheid: 2006-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930325-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

wonende te [woonadres verdachte] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 maart 2016, 3 juni 2016, 30 augustus 2016, 14 juni 2017, 15 juni 2017, 19 juni 2017, 26 juni 2017, 27 juni 2017, 28 juni 2017 en 18 juli 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Veldman, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 18 september 2015 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en/of elders in Nederland en/of in België en/of in de Bondsrepubliek Duitsland en/of in Zweden en/of in Colombia, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit

als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer ander heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had (den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/is hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens):

- afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om die cocaïne, althans dat/die middel(en), te kopen en/of in ontvangst te nemen en/of betreffende de wijze waarop die cocaïne, althans dat/die middel(en), zou(den) worden gekocht en/of geleverd en/of afgenomen en/of (naar Nederland) zou(den) worden vervoerd en/of verder vervoerd en/of

- het [Duits bedrijf] opgericht en/of het geld daarvoor beschikbaar gesteld, en/of

- een (grote) hoeveelheid geld voorhanden gehad en/of uitgegeven om het transport te financieren en/of

- transporteur(s) benaderd voor het regelen van transport van de containers uit Antwerpen en/of

- een of meer mededaders en/of anderen benaderd en/of betaald en/of van geld en/of (andere) middelen voorzien om die cocaïne, althans dat middel, in ontvangst te nemen en/of te vervoeren, en/of (andere) hand- en spandiensten verricht

(een en ander heeft betrekking op:

- ( ZD 1), 22 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne en/of

- ( ZD 2), 66 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne);

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 30 april 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (vanuit de Dominicaanse Republiek en/of vanuit België) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

3.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 18 september 2015, te [pleegplaats 1] , althans in Nederland, (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit (onder meer) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en/of [verdachte] ,

welke organisatie (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel10a, eerste lid van de Opiumwet en/of

- het handelen in strijd met artikel 26 en/of artikel 31 van de Wet wapens en munitie en/of

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1

januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

heeft

- A.

van een of meer voorwerpen, te weten

- een of meer geldbedragen ((onder andere) gebruikt voor betaling woonruimte, aankoop/lease auto, betaling nota's dienstverleners, aflossing lening en/of levensonderhoud)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing

verborgen en/of verhuld, dan wel

- B.

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het onder A genoemde

voorwerp(en) was/waren en/of

- C.

heeft verborgen en/of verhuld wie de/het onder A genoemde voorwerp(en) voorhanden

had(den) en/of

- - D.

de/het onder A genoemde voorwerp(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat voorwerp(en) gebruik heeft

gemaakt,

terwijl verdachte en/of die mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en)

vermoeden, dat de/het onder A genoemde voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

hebbende verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van

bovengenoemd witwassen een gewoonte gemaakt;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Verweren ten aanzien van de voorvragen

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair onder meer aangevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde -(gewoonte)witwassen- nietig dient te worden verklaard, nu onvoldoende duidelijk en concreet is waartegen verdachte zich dient te verdedigen met betrekking tot de vraag over welke geldbedragen het gaat. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de dagvaarding voor wat betreft de zinsnede "onder andere" partieel nietig dient te worden verklaard, nu onvoldoende feitelijk is omschreven op welke andere bedragen het verwijt ziet.

De officier van justitie heeft betoogd dat de tenlastelegging van feit 4 in het licht van het dossier duidelijk is, zodat de verdachte kon weten waarvan hij wordt verdacht en waartegen hij zich moet verdedigen. Hij acht de tenlastelegging geldig.

De rechtbank verwerpt zowel het primair als subsidiair gedane verweer van de raadsvrouw. De tenlastelegging voldoet, naar het oordeel van de rechtbank, aan de vereisten die de wet daaraan in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdachte zich naar behoren tegen de aanklacht kunnen verdedigen.

Bewijs

Inleidende opmerkingen van de rechtbank

In de loop van 2013 en 2014 komt informatie bij de politie binnen dat [medeverdachte 1] uit [pleegplaats 1] zich, samen met anderen, zou bezighouden met handel in verdovende middelen en witwassen. Op 11 april 2014 wordt een opsporingsonderzoek gestart onder de [naam onderzoek] . Binnen het onderzoek werd bewijs verzameld door onder andere het tappen van telefoons, het uitvoeren van observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) en het vorderen van diverse gegevens. Het onderzoek [naam onderzoek] kwam in een stroomversnelling toen duidelijk werd dat er op 16 september 2015, tijdens een bijeenkomst van een aantal verdachten in het onderzoek, in de woning van [medeverdachte 1] was geschoten met een vuurwapen. Er werd besloten om op 18 september 2015 in te grijpen en tot aanhouding van verdachten over te gaan. Tevens zijn op die datum, en ook later nog, een aantal woningen en panden doorzocht. Op diverse plaatsen werden onder andere (volautomatische) vuurwapens, munitie en drugs inbeslaggenomen. Tevens zijn digitale gegevensdragers en diverse administratieve bescheiden in beslag genomen.

Het opsporingsonderzoek heeft geresulteerd in een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie Eenheid Noord-Nederland, onder de naam " [naam onderzoek] ", nummer 3DRW14013, bestaande uit 59 ordners, onder meer bevattende zaaksdossiers (hierna: ZD), persoonsdossiers (hierna: PD), ambtshandelingen (hierna: AH), forensisch digitaal onderzoek (hierna: FDO) en dossier inbeslagname (hierna: IBN).

Verdenking

Het onderzoek heeft tot de verdenking geleid dat in georganiseerd verband verschillende misdrijven zijn gepleegd. Kort weergegeven gaat het om de volgende feiten:

- een tweetal transporten van verdovende middelen, van respectievelijk 22 en 66 kilogram cocaïne, vanuit de Dominicaanse Republiek naar Nederland;

- het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet ten aanzien van voornoemde transporten, ten aanzien van een transport van 400 kilogram cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek, ten aanzien van de invoer van cocaïne vanuit Colombia en uitvoer naar Zweden en Duitsland van cocaïne en/of (grondstoffen voor) XTC en/of speed;

- de handel (dan wel het aanwezig hebben) van cocaïne in Nederland;

- het voorhanden hebben en overdragen van wapens en/of munitie;

- het (gewoonte)witwassen van geldbedragen en andere voorwerpen;

- deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11b van de Opiumwet.

De beschuldiging aan verdachte

[verdachte] wordt - samengevat - verweten deel uit te hebben gemaakt van een criminele organisatie die zich onder andere bezig hield met het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten - waaronder het voorbereiden en importeren van meerdere harddrugstransporten naar Nederland en export van harddrugs vanuit Nederland naar Zweden en Duitsland - en het witwassen van de daaruit verkregen opbrengsten.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie een

bewezenverklaring van alle feiten gevorderd en op onderdelen partiële vrijspraak.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft op gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat de verdachte terzake

van feit 1 op onderdelen en terzake van de feiten 3 en 4 helemaal dient te worden vrijgesproken.

DE RECHTBANK OVERWEEGT ALS VOLGT

Algemene bewijsoverwegingen

Artikel 6 EVRM

[medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) is een van de verdachten die op 18 september 2015 zijn aangehouden. Aanvankelijk heeft [medeverdachte 2] zich op zijn zwijgrecht beroepen, maar in zijn 6e verhoor op 14 oktober 2015 geeft hij aan bereid te zijn “om het hele verhaal aan u te vertellen. Het is alles of niks.”1

Namens verdachte is bepleit dat de bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 2] van het bewijs moeten worden uitgesloten. In de eerste plaats is daartoe onder verwijzing naar de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 2] op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal terwijl de verdediging [medeverdachte 2] niet op een effectieve manier als getuige heeft kunnen ondervragen. [medeverdachte 2] is, op verzoek van de raadslieden van zijn medeverdachten, als getuige in de zaken tegen die medeverdachten bij de rechter-commissaris gehoord, maar heeft zich bij die gelegenheid op zijn verschoningsrecht beroepen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie, recent nog bevestigd door de Hoge Raad2, geldt dat in de situatie dat een getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt, een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging ontbreekt.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging niet op een behoorlijke en effectieve wijze gebruik heeft kunnen maken van het ondervragingsrecht. Voor dit gebrek is de verdediging niet op enige wijze gecompenseerd. De rechtbank is van oordeel dat het via een videoverbinding kunnen volgen van het verhoor van [medeverdachte 2] door de rechtbank ter gelegenheid van de behandeling van zijn strafzaak niet als voldoende compensatie kan gelden. Het tot bewijs gebruiken van de door [medeverdachte 2] bij de politie afgelegde en de zijn medeverdachten belastende verklaringen zou onder deze omstandigheden in strijd kunnen komen met het bij artikel 6 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Die verklaringen zijn desondanks bruikbaar voor het bewijs, aldus de Hoge Raad, indien de betrokkenheid van verdachte niet in beslissende mate op de verklaringen van deze getuige wordt gebaseerd, maar in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaringen van de getuige die door de verdachte worden betwist.

De rechtbank zal voor de bewezenverklaring van strafbare feiten dan ook slechts die onderdelen van de belastende verklaringen van [medeverdachte 2] gebruiken die in voldoende mate steun vinden in andere, in de bewijsconstructie opgenomen bewijsmiddelen. In zoverre doet de situatie waarop de Vidgen-jurisprudentie ziet, zich in de zaak van verdachte niet voor.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 2]

Ten tweede is aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 2] wegens inconsistenties, tegenstrijdigheden en leugens als onbetrouwbaar terzijde moeten worden gesteld.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 2] betrouwbaar zijn en kunnen worden gebruikt voor het bewijs. [medeverdachte 2] heeft meerdere uitgebreide en zeer gedetailleerde verklaringen afgelegd die voor de politie aanleiding zijn geweest nader onderzoek te verrichten. De inhoud van zijn verklaringen wordt, met name waar het de handelingen en de rol van de medeverdachten betreft, op wezenlijke onderdelen in ruime mate bevestigd door de inhoud van andere bewijsmiddelen, waaronder - voor zover van toepassing opgenomen in de hierna vermelde bewijsmiddelen - tot het bewijs gebezigde tapgesprekken, PGP-berichten en OVC-gesprekken. Verder is van belang dat in die gevallen waarin de verklaringen van [medeverdachte 2] concreet verifieerbaar waren, zij veelal in overeenstemming bleken te zijn met de werkelijkheid.

Naast het feit dat hetgeen [medeverdachte 2] heeft verklaard voor een groot deel wordt bevestigd door overig bewijsmateriaal, merkt de rechtbank op dat [medeverdachte 2] in 37 verhoren nagenoeg volledige openheid van zaken heeft gegeven, waarbij hij ook uitgebreid belastend over zichzelf en zijn eigen aandeel in de strafbare feiten heeft verklaard. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat [medeverdachte 2] op onderdelen heeft doen voorkomen alsof zijn rol minder is geweest dan uit overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid, overweegt de rechtbank dat - al aangenomen dat daarvan in enigerlei mate sprake is geweest - dat niet in zodanige mate afbreuk doet aan de kern van zijn verklaringen dat deze als onbetrouwbaar of ongeloofwaardig zouden moeten worden aangemerkt.

Beoordeling van het bewijs en bewijsmiddelen

Onder feit 1 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- (het medeplegen van) voorbereidingshandelingen ten aanzien van de invoer en uitvoer van verdovende middelen, in diverse varianten.

Onder feit 2 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- ( het medeplegen van) de import naar Nederland van 22 kilo en 66 kilo cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek.

De rechtbank zal hieronder voornoemde feiten in onderdelen bespreken, waarbij elk bewijsmiddel slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor en de invoer van 22 respectievelijk 66 kilo cocaïne .

De verklaringen van [medeverdachte 2]

Vanaf 14 oktober 2015 heeft [medeverdachte 2] onder andere verklaard over cocaïnetransporten die zouden hebben plaatsgevonden. Hij verklaart dat er in november 2014 via de haven van Antwerpen een container is binnengekomen vanuit de Dominicaanse Republiek waarin een hoeveelheid van 22 kilo cocaïne verstopt zat in de balken van de container. In maart 2015 zijn er drie containers binnengekomen waarin per container 22 kilo cocaïne zat verstopt. In beide gevallen was de hoofdlading een partij kokosnoten.3

Transport van november 2014

Uit de verklaringen van [medeverdachte 2]4 blijkt dat [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) het idee had om zelf een cocaïnelijn te beginnen. Hij werd in contact gebracht met twee mannen uit [plaats 1] , en via hen met een man genaamd [persoon 1] die een huis had in de Dominicaanse Republiek en daar contacten had. Er vonden ontmoetingen plaats in [plaats 1] , [plaats 2] en [pleegplaats 1] . Bij de besprekingen waren meestal [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), verdachte, de broers uit [plaats 1] en [medeverdachte 2] zelf aanwezig. Resultaat van de besprekingen was om een transport te laten komen via het Duitse bedrijf [Duits bedrijf] (hierna: [Duits bedrijf] ), een bedrijf dat sinds 1 november 2013 op naam was gekomen van verdachte en [medeverdachte 6] .

In november 2014 werd op naam van [Duits bedrijf] een zeecontainer, genummerd [nummer] met als deklading 600 zakken kokosnoten, vanuit de Dominicaanse Republiek via de haven van Antwerpen naar Nederland gebracht. In de vier deurstijlen van deze container zat in totaal 22 kilo cocaïne verstopt, per deurstijl 11 blokken van een halve kilo.

Na verscheping van de container worden originele documenten verstuurd naar [Duits bedrijf] , de zogeheten Bill of Lading. Deze BL-nummers zijn een unieke code die bij de desbetreffende container horen en zijn nodig om de container in te klaren. [verdachte] en [medeverdachte 6] hebben een inklaarder gezocht, het [bevrachtingskantoor] te Antwerpen.

De container is op 27 november 2014 in de haven van Antwerpen ingeklaard en werd door [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) opgehaald. Om de containers te kunnen ophalen is een bedrijf opgericht door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] , [Transportbedrijf] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] hebben een trekker gehuurd. In Rotterdam is een containeroplegger gehuurd. Vervolgens zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] naar Antwerpen gereden. In de haven van Antwerpen moest de chauffeur, [medeverdachte 5] , een test doen. Omdat hij daarvoor zakte, kreeg hij de container niet mee. [medeverdachte 6] heeft toen contact gezocht met de inklaarder en afgesproken dat de container van het haventerrein zou worden opgehaald en naar een bedrijf zou worden gebracht buiten het haventerrein. De dag daarop heeft [medeverdachte 5] de container opgehaald en naar een loods in [plaats 3] gebracht. Daar zijn de deurstijlen opengemaakt door [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ), de ‘lasser’, en is de cocaïne verwijderd.

Transport van maart 2015

Over dit transport heeft [medeverdachte 2] verklaard5 dat in februari/maart 2015 op naam van [Duits bedrijf] drie zeecontainers, genummerd [nummer], [nummer] en [nummer] vanuit de Dominicaanse Republiek zijn verscheept naar de haven van Antwerpen waarbij in de deurstijlen in totaal 66 kilo cocaïne zat verstopt. Ook nu was de officiële lading een partij kokosnoten.

Na inklaring, opnieuw door [bevrachtingskantoor] , zijn de containers met een gehuurde vrachtauto, [kenteken 1] , en drie opleggers, [kenteken 2] , [kenteken 3] en [kenteken 4] , opgehaald door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] van [Transportbedrijf] en [persoon 2] van [transportbedrijf 1] .

De 1e container is door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] naar [pleegplaats 1] gebracht waar in een gehuurde loods de cocaïne uit de deurstijlen is gehaald door [medeverdachte 7] , dezelfde lasser als bij het transport van november 2014. Omdat er kennelijk ruzie ontstond met de vaste huurder van de loods zijn de 2e en 3e container naar [plaats 4] vervoerd, naar een loods van het [bedrijf] van [medeverdachte 7] , op het [bedrijventerrein] . Daar is de cocaïne verwijderd door [medeverdachte 7] .

Een deel van de kokosnoten is naar [plaats 5] gebracht en achtergelaten op het erf van de ouders van verdachte, en later verkocht aan [bedrijf 1] te [plaats 6] .

Steunbewijs

Naar aanleiding van de verklaringen van [medeverdachte 2] heeft nader onderzoek plaatsgevonden. Medeverdachten en getuigen zijn gehoord. Er is onder andere onderzoek gedaan in de administratie van [Duits bedrijf] en in de aangetroffen en inbeslaggenomen laptops van [medeverdachte 2] en van [verdachte] . Daaruit is het volgende naar voren gekomen.

Verklaringen van verdachte en medeverdachten

De verklaringen van [medeverdachte 2] zijn gedetailleerd en concreet. Hetgeen hij verklaart over deze transporten komt in grote lijnen en op essentiële punten overeen met de verklaringen van verdachte, [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] .

Zo bevestigt [medeverdachte 5] de gang van zaken rondom het transport van maart 2015. Hij moest een veiligheidsexamen doen op het douaneterrein in Antwerpen. Omdat hij daarvoor zakte, kreeg hij de container niet mee.6 Over het transport van november 2014 verklaart [medeverdachte 5] dat het klopt wat [medeverdachte 6] daar over heeft verklaard.7

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij directeur/aandeelhouder was van [Duits bedrijf] en dat hij door financiële problemen betrokken is geraakt bij cocaïnesmokkel. Het idee kwam van [medeverdachte 1] en verdachte. Hij vertelt over besprekingen bij het [hotel] in [plaats 7] , bij [eetgelegenheid 1] in [pleegplaats 1] en een [eetgelegenheid 2] in de buurt van [plaats 1] en [plaats 2] . Er werd een inklaarder gezocht en transport moest worden geregeld. Hij zou €50.000,-- krijgen, maar kreeg 1,2 kilo cocaïne, die versneden was.8

Verdachte heeft in een laat stadium, op 14 april 2016, een verklaring afgelegd dat hij directeur/aandeelhouder was van [Duits bedrijf] , dat het bedrijf in financiële moeilijkheden raakte, dat [medeverdachte 1] toen met het idee kwam om kokosnoten uit de Dominicaanse Republiek te importeren en op die manier 22 kilo cocaïne te smokkelen. Hij verklaart over een bespreking bij de [eetgelegenheid 2] in [plaats 2] . De container is in november 2014 gearriveerd en werd opgehaald door een oom van [medeverdachte 1] . Hij zou voor zijn medewerking €50.000,-- krijgen, maar kreeg 1,2 kilo cocaïne. Die wilde hij niet hebben. [medeverdachte 1] zou toen het geld van verdachte meenemen als inzet bij het volgende transport. [Duits bedrijf] was inmiddels op naam gekomen van [persoon 3] , maar toen die plotseling dood ging, heeft verdachte geregeld dat de containers uit de haven van Antwerpen konden worden gehaald. Verdachte heeft ook de kokosnoten verkocht aan [bedrijf 1] .9

Overig steunbewijs met betrekking tot het transport van november 2014:

 E-mail-verkeer tussen [verdachte] namens [Duits bedrijf] , en [persoon 4] namens [bevrachtingskantoor] ., d.d. 11 november 2014, betreffende de inklaringsprocedure en douaneafhandeling.10

 Factuur van [Duits bedrijf] , [adres 1] , d.d. 24 november 2014, Rechnungs-Nr. [factuurnummer], voor de levering van een partij kokosnoten voor een totaalbedrag van € 11.235,--, afleveradres: [plaats 3] .11

 Factuur van [bedrijf 2] aan [Duits bedrijf] , d.d. 28 oktober 2014, [factuurnummer], voor de levering van 600 sacos de coco categoria 40, voor een bedrag van totaal € 2.695,38.12

 Een Certificado Fitosanitario, [nummer], gedateerd Noviembre 12, 2014, bestemd voor [Duits bedrijf] , met betrekking tot 600 sacos / 18.000 kgs coco, marcas distintivas [nummer].13

 Bill of Lading, BL-nummer [nummer], ontvangende partij [Duits bedrijf] , [adres 1] , met betrekking tot de 40-feet container [nummer] met 600 bags dry coconut, shipped on board op 11 oktober 2014.14

 Via het HARC-team van de Belastingdienst/Douane is de gebruikte container [nummer] achterhaald en fysiek onderzocht.15 Daarbij is het volgende vastgesteld:

  • -

    aan de boven- en onderkant van de verticale kokerbalken was roestvorming te zien;

  • -

    aan de boven- en onderkant van de verticale kokerbalken was duidelijk te zien dat daar opnieuw verf is aangebracht;

  • -

    met name aan de bovenkant van de verticale kokerbalken waren lassporen te zien.

Deze container is in gebruik genomen op 1 januari 2012 en sindsdien zijn diverse reparatierapporten opgesteld, maar laswerkzaamheden zijn nooit nodig geweest.

Bij het onderzoek is door middel van een haakse slijper de bovenkant van de vier kokerbalken en één onderkant opengeslepen. De deurstijlen bleken alle vier hol te zijn.

[medeverdachte 2] heeft nog verklaard over een vettige substantie (“grease”) waarmee de kokerbalken zouden zijn afgevuld. Bij het onderzoek is een vettige substantie achtergebleven op de sjorband die bij het onderzoek is gebruikt aan de binnenkant van de deurstijlen.

Overig steunbewijs met betrekking tot het transport van maart 2015:

 Factuur van [bevrachtingskantoor] , [factuurnummer], d.d. 11 maart 2015, geadresseerd aan [Duits bedrijf] , [adres 1] , met betrekking tot 3 containers met elk 575 boxes coconuts.16

 Original Bill of Lading, BL-[nummer], geadresseerd aan [Duits bedrijf] , [adres 1] , met betrekking tot 3 containers met elk 575 dozen coconuts.17

 Huurovereenkomst [bedrijf 3] , d.d. 12 maart 2015, op naam van [Transportbedrijf] , [plaats 1] , voor de huur van een voertuig met [kenteken 2] , met bijbehorende factuur.18

 Huurovereenkomst [bedrijf 3] , d.d. 13 maart 2015, op naam van [Transportbedrijf] , [plaats 1] , voor de huur van een voertuig met [kenteken 3] , met bijbehorende factuur.19

 Huurovereenkomst [bedrijf 3] , d.d. 13 maart 2015, op naam van [Transportbedrijf] , [plaats 1] , voor de huur van een voertuig met [kenteken 4] , met bijbehorende factuur.20

 Huurovereenkomst [bedrijf 4] , d.d. 12 maart 2015, op naam van [Transportbedrijf] , [plaats 1] , voor de huur van een voertuig met [kenteken 1] .21

 De gehuurde vrachtauto met [kenteken 1] was voorzien van een GPS-systeem. De gegevens van dat systeem zijn neergelegd in een zogeheten movement report. Die gegevens tijdens de verhuurperiode van 12 maart 2015 tot en met 15 maart 2015 sluiten aan bij de verklaringen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en getuige [persoon 2] over de gemaakte vervoersbewegingen.22

 Bij het inleveren van de containers bij [depot] te Antwerpen is schade vastgesteld aan de container [nummer], te weten: “dirty floor, cut corner plate, rusted roof corrugated, rusted front header PI”.23

 Een van de bij het transport van maart 2015 gebruikte containers, [nummer], is fysiek onderzocht.24 Daarbij is het volgende vastgesteld:

  • -

    er is roestvorming aan de boven- en onderzijde van de verticale kokerbalken;

  • -

    met name aan de bovenzijde van de kokerbalken was te zien dat verf was aangebracht;

  • -

    met name aan de bovenzijde van de verticale kokerbalken waren lassporen te zien.

De kokerbalken bleken hol, hadden een afmeting van 255 x 9 x 4,5 en een inhoud van 10.327,5 cm3.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot, en de daadwerkelijke invoer van, een partij van 22 kilo cocaïne in november 2014, en een partij van 66 kilo cocaïne in maart 2015, als bedoeld in de Opiumwet.

Dat geen cocaïne is aangetroffen is naar het oordeel van de rechtbank geen beletsel om tot bewezenverklaring te komen. In de eerste plaats valt uit de hierboven aangehaalde verklaringen van zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 6] en verdachte zelf af te leiden dat het daadwerkelijk om cocaïne ging, maar daarnaast is ook de geschetste gang van zaken volstrekt zinloos als het niet om cocaïne zou gaan.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne anders dan genoemde partijen van 22 en 66 kilo, en voor de uitvoer van amfetamine en/of cocaïne naar Zweden.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot de invoer van cocaïne anders dan hiervoor bewezen is geacht, of ten behoeve van de export van amfetamine en/of cocaïne naar Zweden. De rechtbank zal verdachte derhalve van dit onderdeel van feit 1 van de tenlastelegging vrijspreken.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van verdovende middelen naar de Bondsrepubliek Duitsland

De verklaringen van [medeverdachte 2]

heeft verklaard over het voorbereiden van export van cocaïne naar de Bondsrepubliek Duitsland. Bij de transporten waren hijzelf, [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken. Een deel van de geïmporteerde cocaïne is naar Duitsland gegaan. Vaste afnemer daar is [persoon 5] uit [plaats 8] .25 Er werd geleverd in partijen van 500 gram of 1000 gram per keer. De man uit Duitsland heeft een kleine 2 jaar cocaïne gekocht van [medeverdachte 1] .26

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] versneden de cocaïne zelf; 1,5 tot 2 kilo pure cocaïne werd versneden tot 3 kilo. 27 Dat werd verkocht voor €35,- de gram.

[medeverdachte 2] verklaart dat de cocaïnelijn naar Duitsland van hem was. Hij kende [persoon 5] via [broer medeverdachte 2] [medeverdachte 1] financieerde en deelde mee in de winst.28 Het is begonnen in 2013. In 2015 ging 500 gram tot 1 kilo cocaïne per keer naar Duitsland.29 Er ging ook wel weed naar [persoon 5] , maar dat waren aparte transporten vanwege de risicospreiding.

[medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ) is een contact van [verdachte] .30 [medeverdachte 8] reed 1 tot 2 keer in de maand coke naar Duitsland. Hij kreeg daar €1000,- per keer voor.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maakten de cocaïne klaar, dat was een halve kilo of hele kilo per keer. Zij huurden een auto voor [medeverdachte 8] of hij ging met zijn eigen auto. Hij had de cocaïne in de auto. [verdachte] en [medeverdachte 2] reden er in de [auto] van [verdachte] achteraan. Zij hebben dit vijf à zes keer gedaan.

[medeverdachte 2] berekent dat 1 kilo versneden cocaïne €20.000 kost. Dat werd verkocht voor €35.000. Na aftrek van onkosten werd de opbrengst verdeeld, 50/50 tussen hem en [medeverdachte 1] of, als [verdachte] meedeed, 1/3.

Er werd ook wel cocaïne verkocht aan een oom van [medeverdachte 1] , genaamd [oom medeverdachte 2] . Die woonde in Duitsland en nam het mee terug als hij in Nederland op familiebezoek was geweest. Dat ging om ongeveer 300 gram.

[medeverdachte 2] vertelt verder dat hij wel eens 400 gram cocaïne heeft meegenomen naar Zweden om daar te verkopen. Dat is toen niet gelukt. Hij heeft de resterende cocaïne toen in Duitsland afgeleverd, bij [persoon 5] .

Steunbewijs

 Uit afgetapte telefoongesprekken op 26 mei 2015 komt naar voren dat [medeverdachte 2] naar Duitsland gaat, en als hij terug is heeft hij geld.

 Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt31 dat uit tapgesprekken, OVC-gesprekken en observaties het volgende kan blijken. Op 29 mei 2015 is [medeverdachte 2] , tezamen met [verdachte] en [medeverdachte 8] naar [plaats 8] in Duitsland geweest. [medeverdachte 2] en [verdachte] zaten samen in een auto. [medeverdachte 8] reed in een door [medeverdachte 2] gehuurde auto voorop. In [plaats 8] had [medeverdachte 2] een afspraak met een klant, een onbekende man. Alvorens men naar Duitsland ging trof [medeverdachte 2] nog enige voorbereidingen, hij had een vacuümmachine en zakken voor een vacuümmachine nodig.

 Bij een observatie op 21 juli 2015 wordt gezien dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] een ontmoeting hebben met [medeverdachte 8] en een onbekende man.

 Bij een observatie op 16 juli 2015 wordt gezien dat [medeverdachte 2] een ontmoeting heeft in [plaats 9] met 2 mannen in een auto met een Duits nummerbord. Een van de mannen is [persoon 5] .

 OVC-gesprek van 4 september 201532: [medeverdachte 2] zit in de auto en is telefonisch in gesprek:

[medeverdachte 2]: kom morgen in [plaats 8] (…) ben met [verdachte] dan (…) binnenkort is het feest.

 OVC- gesprek33 van 31 augustus 2015; [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zitten in een auto. [verdachte] en [medeverdachte 2] praten over dat die Duitser gek wordt. [verdachte] vraagt of hij niks anders wil, [medeverdachte 2] zegt dat hij ook wel een kilo coke wil, maar hij eerst een kilo weed wil. [verdachte] zegt dat hij vanavond naar hem toegaat in [plaats 1] .

 Uit gesprekken blijkt dat er auto's door [verdachte] werden gehuurd op naam van [medeverdachte 8] .34

 Tapgesprek van 26 mei 2015: [medeverdachte 2] wordt gebeld door [broer medeverdachte 2] :

[medeverdachte 2]: Ik heb nu een hele goede man, een oude man van 65, net pak, die gaat dat doen.

 [broer medeverdachte 2] verklaart dat hij [medeverdachte 2] in contact heeft gebracht met [persoon 5] . Hij wist dat [persoon 5] mensen kende die weed wilden hebben.

 Verdachte [medeverdachte 4]35 verklaart dat hij in december 2014 naar Stockholm is gegaan. Een tijdje na hem kwam [medeverdachte 2] naar Zweden. Die had coke bij zich. Vervolgens zijn zij met de trein naar Duitsland gegaan. Die coke heeft [medeverdachte 2] uit eindelijk in Duitsland verkocht. Mogelijk aan [persoon 5] .

 Uit forensisch onderzoek blijkt36 dat in de telefoon in gebruik bij [verdachte] in de notities relevante financiële gegevens staan betreffende betalingen. Ook verwijderde notities. Hierin staat onder andere [persoon 5] afgelost 11000 en de [namen A en B] met geldbedragen en hoeveelheid grammen.

 Voorts blijkt van intensief telefoonverkeer en sms-verkeer tussen de [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , in gebruik bij [medeverdachte 2] , en het [telefoonnummer 3] , in gebruik bij [persoon 5] .37

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat de verklaringen van [medeverdachte 2] over de export van cocaïne naar Duitsland worden ondersteund door onder meer OVC-gesprekken, tapgesprekken en het uitlezen van de telefoon van [verdachte] . Daarnaast is er een observatie waarbij [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] naar [plaats 8] gaan, naar een klant.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het buiten het grondgebied van Nederland brengen, te weten naar Duitsland, van cocaïne. De rechtbank zal verdachte van het meer of anders ten laste gelegde vrijspreken.

Onder feit 3 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd:

- de deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van bepaalde misdrijven van de Opiumwet (artikel 11b van de Opiumwet) en het plegen van misdrijven (van de Wet wapens en munitie en (gewoonte)witwassen) als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt als volgt

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat een organisatie een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Hierbij is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van de betreffende misdrijven van de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en (gewoonte)witwassen.

De rechtbank is van oordeel dat de groep rondom [medeverdachte 1] kan worden aangemerkt als een criminele organisatie. Er is sprake van een gestructureerd samenwerkingsverband met een hiërarchische structuur en een duidelijke rolverdeling die aansluit bij de specifieke expertise van de verschillende personen.

De zeven verdachten in het opsporingsonderzoek [naam onderzoek] vormen de vaste kern van de criminele organisatie. Er is sprake van duurzaamheid: gedurende zo'n 2½ jaar blijft de groep bij elkaar, met uitzondering van [medeverdachte 6] die na december 2014 eruit stapt danwel aan de kant wordt gezet. Er zijn intensieve, onderlinge contacten, zowel per telefoon als in persoon.38

[medeverdachte 2] heeft verschillende verklaringen afgelegd over de hiërarchische structuur en de rolverdeling.39

[medeverdachte 1] is de leider. Dat verklaart [medeverdachte 2] , maar wordt ook door anderen bevestigd.40 In een proces-verbaal van bevindingen noteren verbalisanten op 3 augustus 2012: "Wij hoorden [medeverdachte 1] zeggen: Ik ben de baas van hun."41 [medeverdachte 1] financiert de cocaïnetransporten.42

[medeverdachte 2] is de rechterhand van [medeverdachte 1] en fungeert als boekhouder. Hij heeft verstand van bedrijven en is onder andere betrokken bij de oprichting van [Transportbedrijf] , [bedrijf 5] en [bedrijf 5] . [medeverdachte 2] beheert de digitale administratie, het kasboek. In een tapgesprek op 8 mei 2015 zegt [medeverdachte 1] op de vraag van iemand hoeveel hij nog moet betalen: "Dat weet [medeverdachte 2] . Ik weet het niet (….). Hij heeft alles genoteerd."43

[medeverdachte 3] lijkt wat meer aan de zijlijn te staan, maar zijn legale bedrijf in [plaats 10] speelt een belangrijke rol als ontmoetingsplek en stash voor geld en drugs. In een tapgesprek van 4 augustus 2015 zegt [medeverdachte 1] : "Laatst met [medeverdachte 3], ik zeg pak even van mijn geld, twee!" Voorts zou [medeverdachte 3] volgens [medeverdachte 2] veel verstand hebben van het productieproces voor synthetische drugs (speed en xtc). En in een tapgesprek van 22 augustus 2015 zegt [medeverdachte 1] : "Op boerderij heb ik ook verstopt, ja toch?"44

[medeverdachte 4] is belangrijk voor de lijn naar Zweden. Verder bewaarde hij drugs en wapens voor [medeverdachte 1] , en is hij vaak chauffeur.

[verdachte] en [medeverdachte 6] zijn als eigenaren van [Duits bedrijf] faciliterend voor de import van cocaïne.

Daarnaast is [verdachte] , samen met [medeverdachte 2] , grotendeels verantwoordelijk voor de lijn naar Duitsland.

[medeverdachte 5] speelt als vrachtwagenchauffeur een kleine, maar essentiële rol bij het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de containers waarin de cocaïne zat verborgen.

Er is sprake van een zeer professionele werkwijze binnen het criminele samenwerkingsverband.

Dat blijkt onder meer uit de eerder genoemde digitale administratie, het 'kasboek', en uit het gebruik van PGP-telefoons.

Daarnaast worden verschillende bedrijven gebruikt als dekmantel om de criminele activiteiten te verhullen:

- [Duits bedrijf] : voor het binnenhalen van de cocaïnetransporten;

- [Transportbedrijf] : voor het ophalen van de containers;

- [bedrijf 5] : om legaal inkomen te creëren en geld wit te wassen;

- [bedrijf 6] : naast de reguliere, legale activiteiten wordt het bedrijf van [medeverdachte 3] gebruikt als ontmoetingsplek en als stash voor geld en drugs;

- [bedrijf 5] : voor de import van cocaïne door middel van houtskool uit Ecuador.

De criminele organisatie rondom [medeverdachte 1] heeft als oogmerk het plegen van misdrijven met betrekking tot de Opiumwet:

- invoer en uitvoer van drugs (voornamelijk cocaïne en speed);

- drugshandel in Nederland;

- fabriceren drugs (amfetamine, MDMA);

en daarnaast het (gewoonte)witwassen van de daarmee gegenereerde opbrengsten.

De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie tevens het oogmerk had op de handel in wapens.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de bewijsmiddelen/-overwegingen die zijn gebruikt voor de bewezenverklaarde feiten onder 1, 2 en 4 alsmede op wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (witwassen en/of gewoontewitwassen) en bepaalde misdrijven van de Opiumwet. De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie tevens het oogmerk had op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 26 en/of 31 van de Wet wapens en munitie. Van dit onderdeel zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Onder feit 4 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- (het medeplegen van) (gewoonte)witwassen.

Het wettelijk kader

Volgens vaste jurisprudentie 45is voor de beoordeling voor witwassen vereist dat het betreffende voorwerp of de betreffende voorwerpen, middellijk of onmiddellijk afkomstig is of zijn uit enig misdrijf. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag vervolgens van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp of de voorwerpen. Indien een dergelijke verklaring door de verdachte niet kan worden gegeven, kan de rechter concluderen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een legale herkomst heeft, en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Als het gaat om verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf, wordt van de verdachte van witwassen een handeling gevergd die erop is gericht om zijn eigen criminele opbrengsten veilig te stellen. De verdachte dient het voorwerp dan niet alleen maar te hebben verworven of voorhanden te hebben gehad, maar zijn gedragingen dienen ook gericht te zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Dat geldt niet voor die gevallen waarin sprake is van voorwerpen die ‘middellijk’ afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf doordat deze direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen.

Bij de beantwoording van de vraag of een voorwerp onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, kan mede van belang zijn hetgeen met voldoende concretisering door verdachte is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben van dit door eigen misdrijf verkregen voorwerp.

De rechtbank overweegt als volgt

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van geldbedragen die hij heeft gebruikt voor de in de tenlastelegging opgenomen bestedingen.

Uit door de Belastingdienst verstrekte gegevens blijkt dat verdachte in de jaren 2011 tot en met 2013 telkens meer uitgaven heeft gedaan dan aan de hand van zijn aangegeven inkomsten te verklaren is. Vanaf 1 november 2013 tot 18 februari 2015 was hij directeur van [Duits bedrijf] . In de jaren 2013 en 2014 zijn er van hem geen looninkomsten uit dienstbetrekking bij de Belastingdienst bekend46.

Desondanks heeft verdachte geldbedragen gebruikt voor de betaling van woonruimte gelegen aan het [adres 2] te [plaats 5]47, de aankoop/lease van een auto, een [auto] , met het [kenteken 5]48 en om te voorzien in zijn levensonderhoud. De overige in de tenlastelegging genoemde bestedingen (betaling nota’s dienstverleners en aflossing lening) acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen -zakelijk weergegeven- dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan strafbare handelingen in het kader van de Opiumwet en dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte in die periode met de handel in verdovende middelen aanzienlijke inkomsten (in totaal ongeveer €70.000,--) heeft gegenereerd uit deze door hem gepleegde strafbare gedragingen49. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen vermelde omstandigheden het vermoeden van witwassen door verdachte ten aanzien van de hiervoor vermelde geldbedragen.

Verdachte heeft verklaard dat hij deze geldbedragen heeft verworven met pokeren. Bij de politie en ook ter terechtzitting is verdachte meermalen verzocht de door hem gestelde pokerinkomsten nader te onderbouwen en te concretiseren. Die onderbouwing heeft verdachte niet kunnen of willen geven. De te elfder ure door verdachte meegebrachte en ter terechtzitting ondervraagde getuige [persoon 6] is daarin evenmin geslaagd. Ook hij heeft ter terechtzitting geen, althans volstrekt onvoldoende, antwoord kunnen of willen geven op vragen van de rechtbank die er op waren gericht concrete en verifieerbare antwoorden te krijgen met betrekking tot de door verdachte gestelde pokerinkomsten.

Daarbij komt dat een zogenoemd ‘ pokerkasboek’, waarin verdachte zijn pokerinkomsten zou hebben geregistreerd, niet onder de inbeslaggenomen zaken is aangetroffen50. De stelling van verdachte dat dit pokerkasboek door de politie zou zijn inbeslaggenomen en daarna zou zijn zoekgeraakt, is niet onderbouwd en acht de rechtbank reeds daarom onaannemelijk.

De rechtbank acht het - mede gelet op de hiervoor vermelde verklaring van [medeverdachte 2] over de door verdachte genoten inkomsten uit de handel in verdovende middelen - uitgesloten dat de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen een legale herkomst hebben.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat de door verdachte verworven geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf, de opbrengsten uit de handel in verdovende middelen. Aangenomen dient te worden dat deze opbrengsten contant en niet geregistreerd aan verdachte zijn verstrekt. Door met dit geld vervolgens op verschillende momenten relatief geringe contante bestedingen te doen in het kader van de hiervoor genoemde woning en auto en voor dagelijks levensonderhoud, wordt naar het oordeel van de rechtbank de daadwerkelijke herkomst van deze geldbedragen door verdachte bewust verhuld. Daarbij komt dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de [auto] op naam stond van [Duits bedrijf] , waarvan verdachte geen bestuurder meer was, terwijl de auto in gebruik was bij verdachte51. Door deze handelwijze is het traceren van de herkomst van het geld dat is gebruikt voor de betalingen met betrekking tot deze auto ook bewust bemoeilijkt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van het voorstaande derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen met betrekking tot de hieronder bewezenverklaarde bestanddelen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 september 2014 tot en met 18 september 2015 in Nederland en in België en in de Bondsrepubliek Duitsland, tezamen en in vereniging anderen, telkens om een feit

als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne,

voor te bereiden,

- zich en/of anderen gelegenheid en middelen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en zijn mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen:

- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en al dan niet in versluierd taalgebruik telefoongesprekken gevoerd met zijn mededaders, om die cocaïne te kopen en in ontvangst te nemen en betreffende de wijze waarop die cocaïne zou worden gekocht en geleverd en afgenomen en naar Nederland zou worden vervoerd en verder vervoerd en/of

- een grote hoeveelheid geld voorhanden gehad en uitgegeven om het transport te financieren en

- transporteurs benaderd voor het regelen van transport van de containers uit Antwerpen

een en ander heeft betrekking op:

- 22 kilo cocaïne en/of

- 66 kilo cocaïne;

2.

hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 30 april 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk vanuit de Dominicaanse Republiek en vanuit België binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I;

3.

hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 18 september 2015 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [verdachte] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel10a, eerste lid van de Opiumwet en

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht;

4.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, telkens

voorwerpen, te weten

- geldbedragen gebruikt voor betaling woonruimte, aankoop/lease auto en levensonderhoud, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet en van die voorwerpen gebruik gemaakt heeft,

terwijl verdachte wist dat genoemde voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf,

hebbende verdachte van bovengenoemd witwassen een gewoonte gemaakt.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door:

zich of een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en

voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

meermalen gepleegd;

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod

meermalen gepleegd;

3. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet;

en

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

4. gewoontewitwassen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, gelet op de ernst van de feiten, gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft hij verbeurdverklaring gevorderd van de onder verdachte conservatoir inbeslaggenomen voorwerpen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit om, ter zake van de feiten 1 en 2, een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest met eventueel een zeer aanzienlijk voorwaardelijk deel. Verdachte kan dan zijn baan behouden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de straffen die voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een jaar deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten met betrekking tot harddrugs, waaronder invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek (via België) naar Nederland en voorbereidingshandelingen voor (verdere) invoer van cocaïne en export van cocaïne en amfetamine naar Duitsland. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven als hiervoor genoemd een ernstige en ontoelaatbare ondermijning van de rechtsorde betekent. Hiertegen dient dan ook hard te worden opgetreden. De rechtbank zal laten doorklinken in de strafmaat dat verdachte de drugsimporten heeft (mede)gefinancierd en dat de drugsexporten naar Duitsland omvangrijk waren.

Het gaat hier om een professionele drugsorganisatie. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen en dat gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Van de handel in verdovende middelen is bovendien algemeen bekend dat dit steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit. Daarnaast mag niet onvermeld blijven dat de voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van drugs de negatieve beeldvorming van Nederland in het buitenland op het gebied van haar drugsbeleid versterkt.

Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld. Door de vermenging van illegaal geld met legale geldstromen wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstig schade toegebracht.

Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk enkel gehandeld uit eigen financieel gewin.

De rechtbank heeft gezien dat verdachte betreffende deze strafzaak geen relevant strafblad heeft.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met hetgeen hiervoor is overwogen en met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank zal geen beslissing nemen over de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, nu op deze voorwerpen conservatoir beslag is gelegd in het kader van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en de officier van justitie heeft aangegeven tegen verdachte een ontnemingsvordering te zullen dienen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 56, 57, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter,

mr. H.H.A. Fransen en mr. R. Depping, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 augustus 2017.

1 PD [medeverdachte 2] , pag. 82 e.v.

2 Hoge Raad, 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016

3 PD [medeverdachte 2] , pag. 100

4 PD [medeverdachte 2] , pag. 116 e.v.

5 PD [medeverdachte 2] , pag. 134 e.v.

6 PD [medeverdachte 5] , pag. 302

7 PD. [medeverdachte 5] , pag. 390-4 en 390-5

8 PD [medeverdachte 6] , pag. 60 t/m 70

9 PD [verdachte] , pag. 260-0 t/m 262-11

10 FDO, map 19, pag. 353 en 354

11 ZD 1, bijlage 2

12 PD [medeverdachte 2] , pag. 212, bijlage 4B

13 PD [medeverdachte 2] , pag. 214, bijlage 4D

14 PD [medeverdachte 2] , pag. 215, bijlage 4E

15 AH-382, map AH-14, pag. 4534-4577

16 PD. [medeverdachte 5] , pag.283, bijlage II

17 PD [medeverdachte 2] , pag. 213, bijlage 4C

18 PD [medeverdachte 5] , pap 292 en 293, bijlage I

19 PD [medeverdachte 5] , pap 294 en 295, bijlage II

20 PD [medeverdachte 5] , pap 296 en 297, bijlage III

21 PD [medeverdachte 5] , pap 298, bijlage IV

22 AH-178, map 11, pag. 3773-3798

23 PD [persoon 2] , pag. 178, bijlage

24 AH-366, map 13, pag. 4456 t/m 4481

25 [medeverdachte 2] , pag. 168

26 PD [medeverdachte 2] , pag. 172

27 PD [medeverdachte 2] , pag. 149

28 PD [medeverdachte 2] , pag. 399

29 PD [medeverdachte 2] , pag. 399

30 PD [medeverdachte 2] , pag. 180

31 AH-103, FDO-11-03-03, map 24, pagina 2354-2365

32 ZD 4.1., bijl. 29

33 ZD 4.1, bijl. 16

34 ZD 4.1., bijl. 12

35 verklaring bij rechter-commissaris d.d. 6 december 2016

36 FDO-11-03-03, map 24, pagina 2354-2365):

37 ZD 4.1, pag. 40 e.v.

38 ZD 8, tabellen pag. 60-63

39 PD [medeverdachte 2] , pag 99-102 en 176-181

40 PD [verdachte] , pag 262-01 t/m 262-21

41 AH 196, map 12, pag. 4025-4027

42 PD [medeverdachte 2] , pag 194-195

43 ZD 8, pag. 148

44 PD [medeverdachte 2] , pag. 204

45 Hoge Raad 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842

46 ZD 7, blz 82

47 ZD 7, blz 85

48 ZD 7, blz 86

49 PD [medeverdachte 2] , pag.413

50 ZD 7, blz. 83 en PD [medeverdachte 2] , pag.106

51 PD [medeverdachte 2] , pag. 438