Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2951

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
18-930253-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft ruim twee en een half jaar deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten met betrekking tot harddrugs, waaronder invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek (via België) naar Nederland en voorbereidingshandelingen voor (verdere) invoer van cocaïne en export van cocaïne en amfetamine naar Duitsland en Zweden. Verdachte heeft zich met name geruime tijd bezig gehouden met de voorbereiding van export van (grondstoffen voor de fabricage van) speed naar Zweden. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Verder heeft verdachte een automatisch vuurwapen, een pistool en munitie voorhanden gehad. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden.

Wetsverwijzingen
Invoeringswet Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2002-01-01
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2008-02-01
Wetboek van Strafrecht 63, geldigheid: 2017-03-01
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2017-03-01
Wetboek van Strafrecht 420bis, geldigheid: 2015-01-01
Wetboek van Strafrecht 420ter, geldigheid: 2015-01-01
Opiumwet 2, geldigheid: 2006-07-01
Opiumwet 10, geldigheid: 2007-01-01
Opiumwet 10a, geldigheid: 2006-07-01
Opiumwet 11b, geldigheid: 2016-08-01
Wet wapens en munitie 26, geldigheid: 2017-01-01
Wet wapens en munitie 55, geldigheid: 2015-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930253-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2015, 15 maart 2016, 03 juni 2016, 30 augustus 2016, 22 november 2016, 14 juni 2017, 15 juni 2017, 19 juni 2017, 22 juni 2017, 26 juni 2017, 27 juni 2017 en 18 juli 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en/of elders in Nederland en/of in België en/of in de Bondsrepubliek Duitsland en/of in Zweden en/of in Colombia, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit

als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne en/of amfetamine, in elk geval een of meer middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer ander heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen,

mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden

heeft gehad waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den)

om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/is hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens):

- afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om die cocaïne en/of die amfetamine, althans dat/die middel(en), te kopen en/of in ontvangst te nemen en/of betreffende de wijze waarop die cocaïne en/of die amfetamine, althans dat/die middel(en), zou(den) worden gekocht en/of geleverd en/of afgenomen en/of (naar Nederland) zou(den) worden vervoerd en/of verder vervoerd en/of

- een (grote) hoeveelheid geld voorhanden gehad en/of uitgegeven om het transport te financieren en/of

- transporteur(s) benaderd voor het regelen van transport van de containers uit Antwerpen en/of

- een of meer mededaders en/of anderen benaderd en/of betaald en/of van geld en/of (andere) middelen voorzien om die cocaïne en/of die amfetamine, althans dat/die middel(en), in ontvangst te nemen en/of te vervoeren, en/of (andere) hand- en spandiensten verricht

(een en ander heeft betrekking op:

- ( ZD 1), 22 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne en/of

- ( ZD 2), 66 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne) en/of

- ( ZD 3), 400 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne);

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 30 april 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (vanuit de Dominicaanse Republiek en/of vanuit België) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid cocaïne, te weten een partij van ongeveer 22 kilo en/of een partij van ongeveer 66 kilo, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

3.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

4.

hij op of omstreeks 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

5.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, te [pleegplaats 1] , althans in Nederland, (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit (onder meer) [medeverdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] ,

welke organisatie (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en/of

- het handelen in strijd met artikel 26 en/of 31 van de Wet wapens en munitie en/of

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

- A.

van een of meer voorwerpen, te weten

- een of meer geldbedragen ((onder andere) gebruikt voor reizen naar en woonruimte in Zweden, betalingen vanuit het buitenland naar Nederland, een of meer vakanties en/of levensonderhoud)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of verhuld, dan wel

- B.

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het onder A genoemde

voorwerp(en) was/waren en/of

- C.

heeft verborgen en/of verhuld wie de/het onder A genoemde voorwerp(en) voorhanden

had(den) en/of

- D.

de/het onder A genoemde voorwerp(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte en/of die mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en)

vermoeden, dat de/het onder A genoemde voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

hebbende verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van

bovengenoemd witwassen een gewoonte gemaakt;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

- een of meer wapens van categorie II, te weten een of meer vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren, te weten een Skorpion en/of een Kalashnikov, en/of

- een of meer wapens van categorie III, te weten een of meer geweren, pistolen en/of

revolvers (te weten (o.a.) een Glock 17), en/of

- een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten een aantal patronen,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

art 31 lid 1 Wet wapens en munitie

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Bewijs

Inleidende opmerkingen van de rechtbank

In de loop van 2013 en 2014 komt informatie bij de politie binnen dat [medeverdachte] uit [pleegplaats 1] zich, samen met anderen, zou bezighouden met handel in verdovende middelen en witwassen. Op 11 april 2014 wordt een opsporingsonderzoek gestart onder de naam [naam onderzoek] . Binnen het onderzoek werd bewijs verzameld door onder andere het tappen van telefoons, het uitvoeren van observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) en het vorderen van diverse gegevens. Het onderzoek [naam onderzoek] kwam in een stroomversnelling toen duidelijk werd dat er op 16 september 2015, tijdens een bijeenkomst van een aantal verdachten in het onderzoek, in de woning van [medeverdachte] was geschoten met een vuurwapen. Er werd besloten om op 18 september 2015 in te grijpen en tot aanhouding van verdachten over te gaan. Tevens zijn op die datum, en ook later nog, een aantal woningen en panden doorzocht. Op diverse plaatsen werden onder andere (volautomatische) vuurwapens, munitie en drugs inbeslaggenomen. Tevens zijn digitale gegevensdragers en diverse administratieve bescheiden in beslag genomen.

Het opsporingsonderzoek heeft geresulteerd in een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie Eenheid Noord-Nederland, onder de naam " [naam onderzoek] ", nummer [nummer] , bestaande uit 59 ordners, onder meer bevattende zaaksdossiers (hierna: ZD), persoonsdossiers (hierna: PD), ambtshandelingen (hierna: AH), forensisch digitaal onderzoek (hierna: FDO) en dossier inbeslagname (hierna: IBN).

Verdenking

Het onderzoek heeft tot de verdenking geleid dat in georganiseerd verband verschillende misdrijven zijn gepleegd. Kort weergegeven gaat het om de volgende feiten:

- een tweetal transporten van verdovende middelen, van respectievelijk 22 en 66 kilogram cocaïne, vanuit de Dominicaanse Republiek naar Nederland;

- het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet ten aanzien van voornoemde transporten, ten aanzien van een transport van 400 kilogram cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek, ten aanzien van invoer van cocaïne vanuit Colombia en uitvoer naar Zweden en Duitsland van cocaïne en/of (grondstoffen voor) XTC en/of speed;

- de handel (dan wel het aanwezig hebben) van cocaïne in Nederland;

- het voorhanden hebben en overdragen van wapens en/of munitie;

- het (gewoonte)witwassen van geldbedragen en andere voorwerpen;

- deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11b van de Opiumwet.

De beschuldiging aan verdachte

[verdachte] wordt - samengevat - verweten deel uit te hebben gemaakt van een criminele organisatie die zich onder andere bezig hield met het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten - waaronder het voorbereiden en importeren van meerdere harddrugstransporten naar Nederland en export van harddrugs vanuit Nederland naar Zweden en Duitsland en drugshandel in Nederland -, het witwassen van de daaruit verkregen opbrengsten en het voorhanden hebben en overdragen van wapens en munitie.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie een

bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 4, 5, 6 en 7 gevorderd en op onderdelen partiële vrijspraak. Daarnaast acht de officier van justitie feit 3 niet bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat de verdachte terzake

van feit 1, 2, 3, 5, 6 en op onderdelen van 7 dient te worden vrijgesproken.

DE RECHTBANK OVERWEEGT ALS VOLGT

Algemene bewijsoverwegingen

Artikel 6 EVRM

[medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) is een van de verdachten die op 18 september 2015 zijn aangehouden. Aanvankelijk heeft [medeverdachte 2] zich op zijn zwijgrecht beroepen, maar in zijn 6e verhoor op 14 oktober 2015 geeft hij aan bereid te zijn “om het hele verhaal aan u te vertellen. Het is alles of niks.”1

Namens verdachte is bepleit dat de bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 2] van het bewijs moeten worden uitgesloten. In de eerste plaats is daartoe onder verwijzing naar de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 2] op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal terwijl de verdediging [medeverdachte 2] niet op een effectieve manier als getuige heeft kunnen ondervragen. [medeverdachte 2] is, op verzoek van de raadslieden van zijn medeverdachten, als getuige in de zaken tegen die medeverdachten bij de rechter-commissaris gehoord, maar heeft zich bij die gelegenheid op zijn verschoningsrecht beroepen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie, recent nog bevestigd door de Hoge Raad2, geldt dat in de situatie dat een getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt, een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging ontbreekt.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging niet op een behoorlijke en effectieve wijze gebruik heeft kunnen maken van het ondervragingsrecht. Voor dit gebrek is de verdediging niet op enige wijze gecompenseerd. De rechtbank is van oordeel dat het via een videoverbinding kunnen volgen van het verhoor van [medeverdachte 2] door de rechtbank ter gelegenheid van de behandeling van zijn strafzaak niet als voldoende compensatie kan gelden. Het tot bewijs gebruiken van de door [medeverdachte 2] bij de politie afgelegde en de zijn medeverdachten belastende verklaringen zou onder deze omstandigheden in strijd kunnen komen met het bij artikel 6 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Die verklaringen zijn desondanks bruikbaar voor het bewijs, aldus de Hoge Raad, indien de betrokkenheid van verdachte niet in beslissende mate op de verklaringen van deze getuige wordt gebaseerd, maar in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaringen van de getuige die door de verdachte worden betwist.

De rechtbank zal voor de bewezenverklaring van strafbare feiten dan ook slechts die onderdelen van de belastende verklaringen van [medeverdachte 2] gebruiken die in voldoende mate steun vinden in andere, in de bewijsconstructie opgenomen bewijsmiddelen. In zoverre doet de situatie waarop de Vidgen-jurisprudentie ziet, zich in de zaak van verdachte niet voor.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 2]

Ten tweede is aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 2] wegens inconsistenties, tegenstrijdigheden en leugens als onbetrouwbaar terzijde moeten worden gesteld.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 2] betrouwbaar zijn en kunnen worden gebruikt voor het bewijs. [medeverdachte 2] heeft meerdere uitgebreide en zeer gedetailleerde verklaringen afgelegd die voor de politie aanleiding zijn geweest nader onderzoek te verrichten. De inhoud van zijn verklaringen wordt, met name waar het de handelingen en de rol van de medeverdachten betreft, op wezenlijke onderdelen in ruime mate bevestigd door de inhoud van andere bewijsmiddelen, waaronder - voor zover van toepassing opgenomen in de hierna vermelde bewijsmiddelen - tot het bewijs gebezigde tapgesprekken, PGP-berichten en OVC-gesprekken. Verder is van belang dat in die gevallen waarin de verklaringen van [medeverdachte 2] concreet verifieerbaar waren, zij veelal in overeenstemming bleken te zijn met de werkelijkheid.

Naast het feit dat hetgeen [medeverdachte 2] heeft verklaard voor een groot deel wordt bevestigd door overig bewijsmateriaal, merkt de rechtbank op dat [medeverdachte 2] in 37 verhoren nagenoeg volledige openheid van zaken heeft gegeven, waarbij hij ook uitgebreid belastend over zichzelf en zijn eigen aandeel in de strafbare feiten heeft verklaard. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat [medeverdachte 2] op onderdelen heeft doen voorkomen alsof zijn rol minder is geweest dan uit overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid, overweegt de rechtbank dat - al aangenomen dat daarvan in enigerlei mate sprake is geweest - dat niet in zodanige mate afbreuk doet aan de kern van zijn verklaringen dat deze als onbetrouwbaar of ongeloofwaardig zouden moeten worden aangemerkt.

Beoordeling van het bewijs en bewijsmiddelen

Onder feit 1 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- (het medeplegen van) voorbereidingshandelingen ten aanzien van de invoer en uitvoer van verdovende middelen, in diverse varianten.

Onder feit 2 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- ( het medeplegen van) de import naar Nederland van 22 kilo en 66 kilo cocaïne vanuit de Dominicaanse republiek.

De rechtbank zal hieronder genoemde onderdelen bespreken, waarbij elk bewijsmiddel slechts gebruikt wordt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de invoer van 22 kilo respectievelijk 66 kilo respectievelijk 400 kilo cocaïne vanuit de Dominicaanse republiek, de voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne vanuit Colombia en de export naar Duitsland van amfetamine en/of cocaïne.

- Met betrekking tot de daadwerkelijke invoer van 22 respectievelijk 66 kilo cocaïne.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot de invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek of vanuit Colombia. Evenmin kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte, als pleger of medepleger, 22 en/of 66 kilo cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Voorts kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot de export van amfetamine en/of cocaïne naar Duitsland. Weliswaar heeft [medeverdachte 2] voor verdachte belastende verklaringen afgelegd, maar deze verklaringen vinden in onvoldoende mate steun in ander bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.

De rechtbank zal verdachte derhalve van deze onderdelen van feit 1 van de tenlastelegging en van feit 2 vrijspreken.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de uitvoer naar Zweden van amfetamine en/of cocaïne

De verklaringen van [medeverdachte 2]

heeft in de verhoren bij de politie verklaard over het voorbereiden van export van cocaïne en amfetamine naar Zweden. Daarbij waren [verdachte] , [medeverdachte] en hijzelf betrokken. [verdachte] kwam veel in Zweden, kende Zweden goed en heeft daar een heel netwerk opgebouwd. Soms was hij daar meerdere maanden achtereen. [verdachte] had een appartement in Stockholm, aan [adres 1] , ondergehuurd van een Zweedse man. [medeverdachte 2] wijst deze woning aan op Google maps.3 [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn de enigen geweest die contact hebben gehad met de Zweden.

[medeverdachte 2] met betrekking tot amfetamine

Volgens [medeverdachte 2] zou de export van amfetamine (speed) naar Zweden zo’n 10 jaar geleden zijn begonnen.4 Eerst ging er kant en klare speed naar Zweden. Die was gemaakt in het laboratorium bij [medeverdachte 3] . Later, nadat het lab bij [medeverdachte 3] was opgerold, werden de grondstoffen naar Zweden gebracht en werd de speed daar gemaakt. Het ging dan om A-olie. [medeverdachte 3] had een manier bedacht om de A-olie in plastic flessen te doen zodanig dat de seal intact blijft. Niemand kan zien dat die fles open is geweest. Er is op die manier zeker 5 keer A-olie naar Zweden gebracht, steeds 6 liter per keer. Dat is goed om 20 kilo speed te maken. [medeverdachte 2] heeft zo zelf een keer 6 liter A-olie naar Zweden gebracht. Dat was samen met [verdachte] .

Andere grondstoffen betroffen methanol en zwavelzuur. Die werden in grote hoeveelheden per auto naar Zweden gebracht. Methanol is ook brandstof voor radiografisch bestuurbare autootjes. Dat was een hobby van [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ). [persoon 1] had meerdere malen methanol geleverd. Ook de autootjes werden van [persoon 1] geleend, om een verhaal te hebben bij de douane.

In Zweden werd de speed gemaakt en verkocht door [verdachte] , [medeverdachte 2] en [persoon 2] .

[medeverdachte] financieerde de grondstoffen.

De Zweedse klanten maakten geld over door middel van [naam] van [bedrijf 1] . Daar waren verschillende personen bij betrokken, onder andere ene [voornaam 1] , volgens [medeverdachte 2] een groot afnemer van speed. Ontvangers in Nederland waren onder andere [medeverdachte 2] zelf, [verdachte] en [persoon 1] . Het geld is ook wel eens opgehaald in Kopenhagen, door [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en [persoon 3] .

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [verdachte] van de speedhandel in Zweden 50% van de winst zou krijgen.5

Steunbewijs met betrekking tot amfetamine

De verklaringen van [medeverdachte 2] over de export van amfetamine naar Zweden worden onder meer ondersteund door het volgende.

 Een OVC-gesprek van 18 april 20156 tussen [verdachte] en [persoon 4] , over drugshandel, speed, A-olie, halve liter opsturen naar Zweden.

 Een OVC-gesprek van 22 april 20157 tussen [medeverdachte] en [medeverdachte 2] , over o.a. A-olie, zwavel, methadon, maken van speed:

[medeverdachte]: (…) Ook al koop je voor 30. We gaan maken en brengen die drie kilo, met a olie.

[medeverdachte]: (…) Ja, maar ik zeg precies tegen jou, ik breng de spullen, jij brengt de a.

[medeverdachte 2]: Ja.

[medeverdachte]: lk breng zwavel en methadon [de rechtbank begrijpt: methanol].

 [persoon 1] heeft verklaard8 dat hij meerdere malen methanol heeft geleverd en dat ze wel eens een radiogestuurde auto van hem hebben meegenomen. Die gebruikte methanol. [persoon 1] verklaart voorts dat hij een pasje van [bedrijf 1] had. Hij is misschien twee keer betrokken geweest bij moneytransfers tussen Nederland en Zweden, uitgevoerd door [bedrijf 1] . Op 9 februari stelde [persoon 5] vanuit Zweden een bedrag ter waarde van 16.500 Zweedse Kronen aan hem ter beschikking. Hij had daar contact over met [medeverdachte 2] . Hij had het geld naar hem toe gebracht. [medeverdachte] was er ook wel eens bij geweest omdat hij altijd samen met [medeverdachte 2] was. Het geld kwam ook wel eens van [persoon 6] .

 Uit een proces-verbaal van bevindingen9 blijkt dat op 29 oktober 2015 bij een doorzoeking een mobiele telefoon in beslag werd genomen die volgens [medeverdachte 2] in gebruik was bij [medeverdachte] . Deze telefoon is ontsleuteld door het NFI. In deze telefoon stond de volgende notitie: [persoon 7] [adres 2] . Deze heeft als enige een deurbel beneden bij de deur. [persoon 8] [adres 3] . Trap op middelste deur.

 Uit opgevraagde gegevens van [bedrijf 1]10 over periode februari/maart 2015 komen diverse overboekingen op naam van [medeverdachte 2] (of op naam van katvangers) naar voren

 Uit tapgesprekken blijkt dat [verdachte] een tijd in Zweden is verbleven. Via [bedrijf 1] boekt hij diverse malen een bedrag over zoals blijkt uit de opgevraagde gegevens.11 Namen die daarbij naar voren komen zijn: [persoon 7] , [persoon 9] en [persoon 6] . Veel van die transacties blijven net onder de meldgrens van 10.000 Zweedse Kronen.12

 [persoon 10] verklaart13 dat hij [naam] van zijn broer [verdachte] kreeg. Het geld kwam als het goed is uit Zweden.

 Op 18 september 2015 zijn doorzoekingen verricht14 op het [adres 4] te [pleegplaats 1] en [adres 5] te [pleegplaats 1] , verblijfplaatsen van [verdachte] . Daarbij zijn onder meer in beslag genomen een treinticket Hamburg-Kopenhagen v.v. d.d. 15- 07-2015 en een nota van verblijf te Hamburg.

 In een inbeslaggenomen telefoon15 op een verblijfadres van [verdachte] staan in de contactenlijst onder andere [persoon 7] , [persoon 9] en [persoon 6] . Ook wordt zijn naam genoemd in combinatie met [persoon 6] (Zweeds contact) in sms-berichten van een inbeslaggenomen telefoon van [medeverdachte 2] .

 [verdachte] verklaarde16 dat hij in december 2014 met de trein naar Stockholm is gegaan. Een tijdje na hem kwam [medeverdachte 2] naar Zweden. [verdachte] verklaarde in december 2012, in 2013 en eind 2014 in Zweden te zijn geweest.

[medeverdachte 2] met betrekking tot cocaïne

[medeverdachte 2] heeft -zakelijk weergegeven- verklaard17 dat een deel van de geïmporteerde cocaïne naar Zweden is gegaan. Het ging om versneden coke, die door [medeverdachte] en hem werd versneden. De Zweden gaven op enig moment aan belangstelling te hebben voor cocaïne. Op verzoek van [medeverdachte] is [medeverdachte 2] toen naar Zweden gevlogen om de deal in gang te zetten. [verdachte] was daar al. [verdachte] had de contacten maar was volgens [medeverdachte] niet de man om de afspraken te maken.

De bedoelíng van de Zweden was om per kilo af te nemen en dit dan 1 à 2 keer per maand. [medeverdachte 2] heeft toen gesproken met iemand genaamd [voornaam 2] en een vriend. Eind augustus 2015 zijn [voornaam 2] en een andere vriend naar Nederland gekomen. [medeverdachte 2] heeft hen, samen met [verdachte] , opgehaald bij Schiphol. De reden waarom de twee Zweedse mannen naar Nederland waren gekomen, was om geld te brengen, 100.000 Zweedse kronen, dat is ongeveer €10.000,-, en om nadere afspraken te maken. De Zweden betaalden €55,- per gram cocaïne. De cocaïne was voor 35% versneden. De coke is aan verschillende personen in Zweden verkocht.

[medeverdachte 2] vertelt verder dat hij wel eens 400 gram cocaïne heeft meegenomen naar Zweden om daar te verkopen. Dat is toen niet gelukt. Hij heeft de resterende cocaïne toen in Duitsland afgeleverd.

Steunbewijs met betrekking tot cocaïne

 Uit een proces-verbaal van bevindingen18 blijkt dat er op l4 augustus 2015 door twee personen uit Zweden een ontmoeting heeft plaatsgevonden met [medeverdachte 2] en [verdachte] . Dat was bij het Royal Amsterdam Hotel op Schiphol. Het betrof twee personen uit Zweden genaamd [persoon 11] en [persoon 12] .

Rechtshulpverzoeken Zweden

Het Internationaal Rechtshulp Centrum Noord Nederland19 ontving bij brief met bijlagen d.d. 9 december 2015, het antwoord van de Zweedse autoriteiten op een rechtshulpverzoek. Gemeld worden de bevindingen inzake een op 1 september 2015 verrichte doorzoeking ter inbeslagneming op het adres [adres 1] in de regio Stockholm (de door [verdachte] gehuurde woning). Bij die doorzoeking zijn o.a. inbeslaggenomen:

- beperkte hoeveelheden drugs (o.a. XTC);

- twee plastic jerrycans van 20 liter met markeringen 'Methanol 99%' en 'Netherlands';

- een telefoonkaart uit Nederland, aangetroffen in de vrachtwagen van betreffende verdachte Peter Lennart [persoon 8] ;

- een kopie van een [bedrijf 1] -moneytransfer ad SEK 25.000 d.d. 8/6 naar Nederland:.

Afzender: [verdachte] of [verdachte] , geb. [geboortedatum] en ontvanger: [persoon 13] , bedrag: €.2.250.

Voorts zijn via een rechtshulpverzoek foto’s ontvangen van een aantal Zweedse ingezetenen. Van deze fotomap herkent [medeverdachte 2]20 [persoon 7] (foto 36), een grote afnemer van speed in Stockholm woonde. De persoon op foto 37 wordt herkend als [persoon 9] . Hij was een klant van [verdachte] en heeft zelf veel speed verhandeld in Zweden. Ook [persoon 6] (foto 39) wordt herkend door [medeverdachte 2] . [persoon 6] heeft hoeveelheden coke afgenomen en in de loop van de tijd meerdere kilo's speed. De persoon op foto 40 wordt door [medeverdachte 2] herkend als de man die ook in Amsterdam is geweest met de hem bekende [voornaam 2] ( [persoon 9] , [voornamen] ). De persoon op foto 41 wordt herkend als de genoemde [voornaam 2] . Deze [voornaam 2] is in Amsterdam geweest en heeft in Zweden 10 kilo's speed afgenomen en heeft later speed leren maken. [verdachte] heeft dit aan hem geleerd.

Via een rechtshulpverzoek is voorts een aantal Zweedse ingezetenen gehoord door de Nederlandse politie. Het gaat om [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 14] , [persoon 9] en [persoon 8] . Voor zover deze betrokken waren bij het sturen van [naam] , hebben zij verklaard dat dat te maken had met speelschulden of de aanschaf van een gitaar.

[persoon 7] herkent [medeverdachte 2] en [verdachte] van een foto.

[persoon 8] verklaarde21 dat de woning aan [adres 1] van hem is, maar dat hij er niet zoveel heeft gewoond. Hij kent geen [verdachte] . Hij herkent [verdachte] van een foto, maar hij noemt hem [bijnaam] . Hij wist niet dat hij [verdachte] heet. [verdachte] heeft vier keer in zijn appartement gewoond. Hij komt van oorsprong uit Marokko, gelooft hij.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat de verklaringen van [medeverdachte 2] over de export naar Zweden van amfetamine en cocaïne onder meer worden ondersteund door OVC-gesprekken, tapgesprekken, [naam] vanuit Zweden, de inbeslagname van voorwerpen in Nederland en in een door [verdachte] gehuurde woning in Stockholm en de resultaten van rechtshulpverzoeken.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het buiten het grondgebied van Nederland brengen, te weten naar Zweden, van amfetamine en cocaïne. De rechtbank zal verdachte van het meer of anders ten laste gelegde vrijspreken.

Onder feit 3 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- (het medeplegen van) drugshandel (cocaïne en/of amfetamine) in Nederland.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank kan het verwijt dat verdachte onder 3 wordt gemaakt niet wettig en overtuigend worden bewezen. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

Onder feit 4 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd:

- het aanwezig hebben op 18 september 2015 van een materiaal bevattende cocaïne.

Het oordeel van de rechtbank

Tijdens de terechtzitting heeft verdachte ten aanzien van dit feit - het voorhanden hebben van een hoeveelheid cocaïne in de woning van zijn moeder - een bekennende verklaring afgelegd.

De rechtbank acht dit feit op basis van deze bekennende verklaring van verdachte, in samenhang met het aantreffen van de cocaïne op 18 september 2015 te [pleegplaats 1]22 en de uitkomsten van het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut23, en gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, wettig en overtuigend bewezen.

Onder feit 5 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd:

- de deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van bepaalde misdrijven van de Opiumwet (artikel 11b van de Opiumwet) en het plegen van misdrijven (van de Wet wapens en munitie en (gewoonte)witwassen) als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt als volgt

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat een organisatie een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Hierbij is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van de betreffende misdrijven van de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en (gewoonte)witwassen.

De rechtbank is van oordeel dat de groep rondom [medeverdachte] kan worden aangemerkt als een criminele organisatie. Er is sprake van een gestructureerd samenwerkingsverband met een hiërarchische structuur en een duidelijke rolverdeling die aansluit bij de specifieke expertise van de verschillende personen.

De zeven verdachten in het opsporingsonderzoek [naam onderzoek] vormen de vaste kern van de criminele organisatie. Er is sprake van duurzaamheid: gedurende zo'n 2½ jaar blijft de groep bij elkaar, met uitzondering van [medeverdachte 5] die na december 2014 eruit stapt danwel aan de kant wordt gezet. Er zijn intensieve, onderlinge contacten, zowel per telefoon als in persoon.24

[medeverdachte 2] heeft verschillende verklaringen afgelegd over de hiërarchische structuur en de rolverdeling.25

[medeverdachte] is de leider. Dat verklaart [medeverdachte 2] , maar wordt ook door anderen bevestigd.26 In een proces-verbaal van bevindingen noteren verbalisanten op 3 augustus 2012: "Wij hoorden [medeverdachte] zeggen: Ik ben de baas van hun."27 [medeverdachte] financiert de cocaïnetransporten.28

[medeverdachte 2] is de rechterhand van [medeverdachte] en fungeert als boekhouder. Hij heeft verstand van bedrijven en is onder andere betrokken bij de oprichting van [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . [medeverdachte 2] beheert de digitale administratie, het kasboek. In een tapgesprek op 8 mei 2015 zegt [medeverdachte] op de vraag van iemand hoeveel hij nog moet betalen: "Dat weet [medeverdachte 2] . Ik weet het niet (….). Hij heeft alles genoteerd."29

[medeverdachte 3] lijkt wat meer aan de zijlijn te staan, maar zijn legale bedrijf in [plaats 1] speelt een belangrijke rol als ontmoetingsplek en stash voor geld en drugs. In een tapgesprek van 4 augustus 2015 zegt [medeverdachte] : "Laatst met [voornaam 3] , ik zeg pak even van mijn geld, twee!" Voorts zou [medeverdachte 3] volgens [medeverdachte 2] veel verstand hebben van het productieproces voor synthetische drugs (speed en xtc). En in een tapgesprek van 22 augustus 2015 zegt [medeverdachte] : "Op boerderij heb ik ook verstopt, ja toch?"30

[verdachte] is belangrijk voor de lijn naar Zweden. Verder bewaarde hij drugs en wapens voor [medeverdachte] , en is hij vaak chauffeur.

[medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] zijn als eigenaren van [bedrijf 5] faciliterend voor de import van cocaïne.

Daarnaast is [medeverdachte 6] , samen met [medeverdachte 2] , grotendeels verantwoordelijk voor de lijn naar Duitsland.

[medeverdachte 4] speelt als vrachtwagenchauffeur een kleine, maar essentiële rol bij het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de containers waarin de cocaïne zat verborgen.

Er is sprake van een zeer professionele werkwijze binnen het criminele samenwerkingsverband.

Dat blijkt onder meer uit de eerder genoemde digitale administratie, het 'kasboek', en uit het gebruik van PGP-telefoons.

Daarnaast worden verschillende bedrijven gebruikt als dekmantel om de criminele activiteiten te verhullen:

- [bedrijf 5] : voor het binnenhalen van de cocaïnetransporten;

- [bedrijf 2] : voor het ophalen van de containers;

- [bedrijf 3] : om legaal inkomen te creëren en geld wit te wassen;

- [bedrijf 6] : naast de reguliere, legale activiteiten wordt het bedrijf van [medeverdachte 3] gebruikt als ontmoetingsplek en als stash voor geld en drugs;

- [bedrijf 4] : voor de import van cocaïne door middel van houtskool uit Ecuador.

De criminele organisatie rondom [medeverdachte] heeft als oogmerk het plegen van misdrijven met betrekking tot de Opiumwet:

- invoer en uitvoer van drugs (voornamelijk cocaïne en speed);

- drugshandel in Nederland;

- fabriceren drugs (amfetamine, MDMA);

en daarnaast het (gewoonte)witwassen van de daarmee gegenereerde opbrengsten.

De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie tevens het oogmerk had op de handel in wapens.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de bewijsmiddelen/-overwegingen die zijn gebruikt voor de bewezenverklaarde feiten onder 1, 4 en 6 alsmede op wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (witwassen en/of gewoontewitwassen) en bepaalde misdrijven van de Opiumwet. De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie tevens het oogmerk had op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 26 en/of 31 van de Wet wapens en munitie. Van dit onderdeel zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Onder feit 6 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- (het medeplegen van) (gewoonte)witwassen.

Het wettelijk kader

Volgens vaste jurisprudentie 31is voor de beoordeling voor witwassen vereist dat het betreffende voorwerp of de betreffende voorwerpen, middellijk of onmiddellijk afkomstig is of zijn uit enig misdrijf. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag vervolgens van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp of de voorwerpen. Indien een dergelijke verklaring door de verdachte niet kan worden gegeven, kan de rechter concluderen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een legale herkomst heeft, en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Als het gaat om verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf, wordt van de verdachte van witwassen een handeling gevergd die erop is gericht om zijn eigen criminele opbrengsten veilig te stellen. De verdachte dient het voorwerp dan niet alleen maar te hebben verworven of voorhanden te hebben gehad, maar zijn gedragingen dienen ook gericht te zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Dat geldt niet voor die gevallen waarin sprake is van voorwerpen die ‘middellijk’ afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf doordat deze direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen. Bij de beantwoording van de vraag of een voorwerp onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, kan mede van belang zijn hetgeen met voldoende concretisering door verdachte is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben van dit door eigen misdrijf verkregen voorwerp.

De rechtbank overweegt als volgt

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van geldbedragen die hij heeft gebruikt voor de in de tenlastelegging opgenomen bestedingen.

Uit door de Belastingdienst verstrekte gegevens is gebleken dat verdachte vanaf 2011 nauwelijks/geen geregistreerd vermogen beschikbaar heeft gehad en dat er geen loongegevens en/of toeslaggegevens bekend zijn.32 De rechtbank gaat er derhalve van uit dat verdachte niet of nauwelijks heeft kunnen beschikken over legaal geregistreerd inkomen of vermogen.

Desondanks heeft verdachte in de tenlastegelegde periode geldbedragen gebruikt voor reizen naar Zweden33, voor betalingen vanuit het buitenland naar Nederland34, voor een vakantie op Sardinië35 en moet er van worden uitgegaan dat hij bestedingen heeft gedaan om te voorzien in zijn levensonderhoud.36 De rechtbank acht - met de officier van justitie en de raadsman - niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geldbedragen heeft gebruikt voor woonruimte in Zweden en spreekt hem in zoverre vrij.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen -zakelijk weergegeven- dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan strafbare handelingen in het kader van de Opiumwet en dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte met de handel in verdovende middelen aanzienlijke inkomsten (in totaal tenminste €100.000,--) heeft gegenereerd37. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen vermelde omstandigheden het vermoeden van witwassen door verdachte ten aanzien van de hiervoor bedoelde geldbedragen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze geldbedragen heeft verworven met pokeren en uit kleinschalige verkoop van hennep. Ter terechtzitting is verdachte verzocht de gestelde pokerinkomsten nader te onderbouwen en te concretiseren. Nu verdachte dienaangaande geen antwoord heeft willen of kunnen geven op vragen van de rechtbank, zijn die door hem gestelde verdiensten op geen enkele wijze verifieerbaar en acht de rechtbank het - mede gelet op de hiervoor vermelde verklaring van [medeverdachte 2] en de verklaring van verdachte dat hij ook inkomsten heeft verkregen uit de verkoop van hennep - uitgesloten dat deze geldbedragen een legale herkomst hebben.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat deze door verdachte verworven geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf, namelijk de opbrengsten uit de handel in verdovende middelen. Aangenomen dient te worden dat die opbrengsten contant en niet geregistreerd aan verdachte zijn verstrekt. Door met dat geld vervolgens op verschillende momenten relatief geringe contante bestedingen te doen in het kader van zijn levensonderhoud, het verblijf tijdens zijn vakantie op Sardinië, betalingen naar Nederland en reizen naar Zweden, wordt naar het oordeel van de rechtbank de daadwerkelijke herkomst van deze geldbedragen door verdachte bewust verhuld. Daarbij komt dat in geval van de gebruikte geldbedragen voor betalingen vanuit het buitenland naar Nederland, gebruik is gemaakt van [naam] via [bedrijf 1] en niet van reguliere bankoverschrijvingen38, waardoor verdachte het traceren van de herkomst van dat geld bewust heeft bemoeilijkt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen met betrekking tot de hieronder in de bewezenverklaring vermelde bestanddelen.

Onder feit 7 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- ( het medeplegen van) het voorhanden hebben en overdragen van wapens en munitie.

In de periode 18 september 2015 tot en met 25 november 2015 hebben diverse doorzoekingen plaatsgevonden waarbij wapens en/of munitie zijn aangetroffen. Deze wapens en munitie betreffen - voor zover hier van belang, gelet op het aan verdachte ten laste gelegde -:

Doorzoekingen op 18 september 2015

 in de woning van de ouders van verdachte aan [adres 4] te [pleegplaats 1] : een machinepistool, model Skorpion, kaliber 7.65 mm Browning, twee patroonmagazijnen en 24 kogelpatronen;39 en

 in de woning van de broer van verdachte aan de [adres 5] te [pleegplaats 1] : een semi-automatisch pistool, merk Glock 17, met patroonmagazijn en veertien kogelpatronen;40

Doorzoeking op 29 oktober 2015

 in de woning van de moeder van [medeverdachte 2] aan [adres 6] te [plaats 2] : een machinepistool, merk/model Zastava M70 B2 (type Kalashnikov). 41

De verklaringen van [medeverdachte 2]
Vanaf 14 oktober 2015 heeft [medeverdachte 2] in de verhoren bij de politie uitgebreid en gedetailleerd verklaard over zowel zijn eigen betrokkenheid als die van anderen, onder wie verdachte, bij de aangetroffen wapens en munitie.
heeft onder meer verklaard dat hij voor [medeverdachte] wapens verplaatste van en naar verstopplekken (‘stashes’). Zo heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij voor [medeverdachte] een machinepistool, een Skorpion, naar de woning van de ouders van verdachte heeft gebracht, samen met een paar honderd gram [de rechtbank begrijpt: cocaïne]. Bij het machinepistool zat munitie. Verdachte heeft bij de woning van zijn ouders de deur voor [medeverdachte 2] geopend en de Skorpion van [medeverdachte 2] in ontvangst genomen.42

Voorts heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij in september 2015, op verzoek van [medeverdachte] , de Glock 17 voor hem had opgehaald. Die avond heeft [medeverdachte] per ongeluk in diens woning met de Glock 17 geschoten. Na het schietincident heeft [medeverdachte 2] , met toestemming van verdachte, de Glock 17 naar de woning van de broer van verdachte gebracht. [medeverdachte 2] had de sleutels van die woning gekregen van verdachte. De broer van verdachte wist daar niets van.43

[medeverdachte 2] heeft, in algemene zin, over de rol van verdachte in het crimineel samenwerkingsverband verklaard dat verdachte wapens heeft verstopt voor [medeverdachte] , onder andere in de woning van zijn ouders en in de woning van zijn broer. Verdachte beschikte over de sleutels van de woning van zijn broer. Daar was een inloophok waar onder andere coke en wapens werden bewaard.44

Steunbewijs

[persoon 10] , broer van verdachte, bevestigt in zijn verklaring dat verdachte sleutels van zijn woning heeft.45

Uit een tapgesprek d.d. 18 juli 2015 blijkt dat verdachte verblijft bij zijn ouders op het [adres 4] te [pleegplaats 1] . Voorts blijkt uit dat gesprek dat verdachte en [medeverdachte 2] onderling (een) sleutel(s) uitwisselen.46

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft, wat zijn betrokkenheid bij de aangetroffen wapens en/of munitie betreft, in de verhoren bij de politie hetzij zich beroepen op zijn zwijgrecht, hetzij ontkennende verklaringen afgelegd.

Ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat [medeverdachte 2] hem, bij de woning van zijn ouders, een tas met daarin een wapen en drugs heeft overhandigd. Verdachte wist dat er een wapen in die tas zat, maar hij heeft niet in die tas gekeken. Hij wist dus niet wat voor een wapen in die tas zat. Hij weet nu, dat dat wapen een Skorpion was.

Verdachte heeft verder verklaard dat hij van de Glock 17, die is aangetroffen in de woning van zijn broer, niets afweet. Evenmin weet verdachte iets af van een Kalashnikov.

Het oordeel van de rechtbank

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte, op enig moment in de tenlastegelegde periode, een Kalashnikov voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen.

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte de Skorpion en munitie voorhanden heeft gehad. Uit de verklaringen van [medeverdachte 2] en die van verdachte zelf blijkt dat [medeverdachte 2] de Skorpion aan verdachte heeft overhandigd bij de woning van de ouders van verdachte. De Skorpion en munitie zijn in de woning van zijn ouders aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat in de tas een wapen zat. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat verdachte wellicht niet wist dat en zo ja, hoeveel munitie bij de Skorpion zat, overweegt de rechtbank dat verdachte naar haar oordeel in elk geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er (een hoeveelheid) munitie bij zat, en wel zo’n hoeveelheid als is aangetroffen.

Uit de bewijsmiddelen volgt niet eenduidig op welk moment verdachte de Skorpion en munitie van [medeverdachte 2] heeft overhandigd gekregen. In elk geval kan worden vastgesteld dat verdachte de Skorpion en munitie voorhanden heeft gehad op 18 september 2015.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen voorts bewezen dat verdachte de Glock 17 en munitie voorhanden heeft gehad. Daarbij betrekt de rechtbank dat de Glock 17 en munitie in de woning van de broer van verdachte zijn aangetroffen. Zoals blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 2] , maar ook uit de verklaring van de broer van verdachte, beschikte verdachte over sleutels van de woning van zijn broer. Daar komt bij dat uit het tapgesprek van 18 juli 2015 blijkt dat [medeverdachte 2] en verdachte (een) sleutel(s) uitwisselden. De rechtbank acht, mede gelet op deze feiten en omstandigheden, de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij de Glock 17 met toestemming van verdachte naar de woning van diens broer heeft gebracht en dat hij de sleutels van die woning van verdachte had gekregen, voldoende betrouwbaar om tot het bewijs te kunnen dienen. Deze verklaring sluit ook aan bij de verklaring van [medeverdachte 2] dat bij die broer een verstopplek voor onder meer wapens was (het inloophok).

De rechtbank is van oordeel dat de Glock 17, op enig moment na het schietincident met dat wapen in de woning van [medeverdachte] op 16 september 2015, met medeweten van verdachte is verplaatst naar de woning van zijn broer. In elk geval op 18 september 2015 - het moment van aantreffen van de Glock 17 (en munitie) in de woning van de broer - had verdachte niet alleen wetenschap, maar ook beschikkingsmacht over de Glock 17 (en munitie). Dat verdachte, zoals de raadsman heeft betoogd, over de Glock 17 niet handelingsbevoegd was, doet daar niet aan af.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte op 18 september 2015 een Skorpion, een Glock 17 en munitie voorhanden heeft gehad. Van het meer of anders onder 7 tenlastegelegde zal verdachte worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015 in Nederland en/of in Zweden, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit

als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren, vervaardigen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid amfetamine,

voor te bereiden, telkens

- voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en zijn mededaders wisten, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen:

- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en al dan niet in versluierd taalgebruik telefoongesprekken en besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of aanwijzingen gegeven aan zijn mededaders of anderen, betreffende de wijze waarop die amfetamine zou worden geleverd en afgenomen en

- een hoeveelheid geld voorhanden gehad;

4.

hij op 18 september 2015 in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I;

5.

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit [medeverdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht;

6.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, telkens

voorwerpen, te weten

- geldbedragen gebruikt voor betalingen vanuit het buitenland naar Nederland, een vakantie en levensonderhoud

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte wist dat die voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf,

hebbende verdachte van bovengenoemd witwassen een gewoonte gemaakt;

7.

hij op 18 september 2015 in Nederland,

- een wapen van categorie II, te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch te vuren, te weten een Skorpion, en

- een wapen van categorie III, te weten een pistool, te weten een Glock 17, en

- een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten patronen,

voorhanden heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door:

voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

meermalen gepleegd;

4. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

5. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet

en

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

6. gewoontewitwassen;

7. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Daarnaast heeft hij gevorderd onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte in beslaggenomen (vuur)wapens en verbeurdverklaring van de overige strafvorderlijk en conservatoir inbeslaggenomen voorwerpen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft -bij bewezenverklaring van één of meer feiten- gepleit om aan verdachte geen langere gevangenisstraf op te leggen dan hij tot nu toe in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Verdachte is thans het goede pad ingeslagen en hernieuwde detentie zou dat doorkruisen. Tevens kan worden overwogen om aan verdachte een werkstraf op te leggen. De raadsman heeft bepleit om niet over te gaan tot verbeurdverklaring van de onder verdachte inbeslaggenomen geldbedragen, nu deze bedragen aan familie toebehoren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft ruim twee en een half jaar deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten met betrekking tot harddrugs, waaronder invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek (via België) naar Nederland en voorbereidingshandelingen voor (verdere) invoer van cocaïne en export van cocaïne en amfetamine naar Duitsland en Zweden. Verdachte heeft zich met name geruime tijd bezig gehouden met de voorbereiding van export van (grondstoffen voor de fabricage van) speed naar Zweden. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Verder heeft verdachte een automatisch vuurwapen, een pistool en munitie voorhanden gehad.

Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven als hiervoor genoemd en de overige misdrijven een ernstige en ontoelaatbare ondermijning van de rechtsorde betekenen. Hiertegen dient dan ook hard te worden opgetreden.

Het gaat hier om een professionele drugsorganisatie. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen en dat gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Van de handel in verdovende middelen is bovendien algemeen bekend dat dit steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit. Daarnaast mag niet onvermeld blijven dat de voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van drugs de negatieve beeldvorming van Nederland in het buitenland op het gebied van haar drugsbeleid versterkt.

Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld. Door de vermenging van illegaal geld met legale geldstromen wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstig schade toegebracht.

Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk enkel gehandeld uit eigen financieel gewin.

Tot slot had verdachte de beschikking over een automatisch vuurwapen - namelijk een Skorpion -, een pistool en munitie. Het voorhanden hebben van (vuur)wapens en (bijbehorende) munitie brengt grote veiligheidsrisico’s met zich mee. Het ongecontroleerde bezit van (vuur)wapens met munitie verhoogt het risico op levensbedreigende geweldsdelicten. Het bezit en het gebruik van (vuur)wapens en munitie zijn vanwege de daaraan verbonden gevaarzetting misdrijven die stevig dienen te worden bestraft.

Daarnaast heeft de rechtbank gezien dat verdachte eerder is veroordeeld terzake van een Opiumwetmisdrijf in 2010.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met hetgeen hiervoor is overwogen en met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, nu zij de voorbereidingshandelingen van cocaïne import (in feit 1) en de daadwerkelijke invoer van cocaïne (feit 2) niet bewezen heeft geacht.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank zal geen beslissing nemen over de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, nu op deze voorwerpen conservatoir beslag is gelegd in het kader van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en de officier van justitie heeft aangekondigd tegen verdachte een ontnemingsvordering te zullen dienen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter,

mr. H.H.A. Fransen en mr. R. Depping, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 augustus 2017.

1 PD [medeverdachte 2] , pag. 82 e.v.

2 Hoge Raad, 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016

3 PD [medeverdachte 2] , pag. 321 en 322

4 PD [medeverdachte 2] , pag. 164 e.v.

5 PD [medeverdachte 2] , pag. 437

6 ZD 4.2., pag. 14, bijl 2

7 ZD 4.2., bijl 12

8 ZD5, PD [persoon 1] , pag. 266 e.v.

9 FDO-009-10-01, B.B. map 22

10 AH-FIN-009

11 AH-FIN-008-009

12 ZD 4.2, pag 24).

13 FDO-001-11

14 IBN-006-01

15 FDO06-01-01 en FDO-09-01-01, B.B. MAP 22.

16 bij rechter-commissaris d.d. 6 december 2016

17 PD [medeverdachte 2] , pag. 125

18 BOB-135-05

19 RHV-008, BB map, 171 t/m 545

20 PD [medeverdachte 2] , pag. 187 e.v.

21 Verhoor in Zweden d.d. 24 augustus 2016 d.t.v. RC

22 IBN, pag. 191

23 AH, map 10, pag. 3381

24 ZD 8, tabellen pag. 60-63

25 PD [medeverdachte 2] , pag 99-102 en 176-181

26 PD [medeverdachte 6] , pag 262-01 t/m 262-21

27 AH 196, map 12, pag. 4025-4027

28 PD [medeverdachte 2] , pag 194-195

29 ZD 8, pag. 148

30 PD [medeverdachte 2] , pag. 204

31 Hoge Raad 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842

32 ZD 7, pag. 64

33 ZD 7, pag. 65 en 67

34 ZD 7,pag. 65

35 ZD 7 pag. 68

36 ZD 7, pag. 67 e.v.

37 PD [medeverdachte 2] , pag. 413

38 ZD 5, pag. 65

39 IBN, pag. 216; AH-373, pag. 4502 e.v.

40 IBN, pag. 245; AH-370, pag. 4491 e.v.

41 IBN, pag. 323; AH-374, pag. 4506 e.v.

42 PD [medeverdachte 2] , pag. 86, 174, 179

43 PD [medeverdachte 2] , pag. 86

44 PD [medeverdachte 2] , pag. 179

45 PD [persoon 10] , V-005, pag. 22-24

46 AH-115, pag. 2993