Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2950

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
18-950055-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft ruim twee en een half jaar deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op onder meer het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten met betrekking tot harddrugs - waaronder invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek (via België) naar Nederland en voorbereidingshandelingen voor (verdere) invoer van cocaïne en export van cocaïne en amfetamine naar Duitsland en Zweden - en (gewoonte)witwassen. Verdachte heeft zich in het bijzonder schuldig gemaakt aan de exploitatie van een laboratorium ter vervaardiging van amfetamine en/of MDMA en witwassen. Verder is bij verdachte een patroon aangetroffen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2017-03-01
Wetboek van Strafrecht 63, geldigheid: 2008-02-01
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2012-01-01
Wetboek van Strafrecht 420bis, geldigheid: 2015-01-01
Opiumwet 2, geldigheid: 2006-07-01
Opiumwet 10, geldigheid: 2007-01-01
Opiumwet 10a, geldigheid: 2006-07-01
Opiumwet 11b, geldigheid: 2016-08-01
Wet wapens en munitie 26, geldigheid: 2017-01-01
Wet wapens en munitie 55, geldigheid: 2015-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950055-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,

wonende [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2016, 30 augustus 2016, 14 juni 2017, 15 juni 2017, 22 juni 2017, 27 juni 2017, 28 juni 2017 en 18 juli 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is bij gewijzigde tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks

de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015 te [pleegplaats 2] en/of

[pleegplaats 3] en/of elders in Nederland en/of in België en/of in de Bondsrepubliek

Duitsland en/of in Zweden en/of in Colombia, tezamen en in vereniging met een

of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit

als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne en/of

amfetamine en/of MDMA, in elk geval een of meer middelen vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer ander heeft getracht te bewegen om dat/die feit (en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of

- zich en/of een of meer ander (en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit (en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of

ernstige reden had (den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot

het plegen van dat/die feit(en) ,

immers heeft/is hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen (telkens):

- afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd

taalgebruik) telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen

gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven

aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om die cocaïne en/of die

amfetamine, althans dat/die middel (en) , te kopen en/of in ontvangst te nemen

en/of betreffende de wijze waarop die cocaïne en/of die amfetamine en/of die

MDMA, althans dat/die middel (en) , zou (den) worden gekocht en/of geleverd

en/of afgenomen en/of (naar Nederland) zou (den) worden vervoerd en/of verder

vervoerd en/of

- een (grote) hoeveelheid geld voorhanden gehad en/of uitgegeven om het

transport te financieren en/of

- een of meer mededaders en/of anderen benaderd en/of betaald en/of van geld

en/of (andere) middelen voorzien om die cocaïne en/of die amfetamine,

althans dat/die middel (en) , in ontvangst te nemen en/of te vervoeren, en/of

(andere) hand- en spandiensten verricht en/of

- een laboratorium/werkplaats bestemd voor de vervaardiging van amfetamine

en/of MDMA geëxploiteerd en/of in werking gehad

(een en ander heeft betrekking op:

- ( ZD 1), 22 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne en/of

- ( ZD 2), 66 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne en/of

- ( ZD 3), 400 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne);

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks

de periode van 1 november 2014 tot en met 30 april 2015, in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk (vanuit de Dominicaanse Republiek en/of vanuit België) binnen het

grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de

Opiumwet, een grote hoeveelheid cocaïne, te weten een partij van ongeveer 22 kilo en/of een partij van ongeveer 66 kilo, zijnde cocaïne (telkens) een middel als

bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die

wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

3 .

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks

de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, te [pleegplaats 2] ,

althans in Nederland, (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit (onder meer) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] ,

welke organisatie (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of

artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en/of

- het handelen in strijd met artikel 26 en/of 31 van de Wet wapens en munitie

en/of

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het

Wetboek van Strafrecht;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks

de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

- A.

van een of meer voorwerpen, te weten

- een of meer geldbedragen ((onder andere) gebruikt voor financiering van im- en export van en handel in harddrugs, exploitatie drugslaboratorium,

betaling geldboetes (voor een ander), aankoop een of meer auto's,

sieraden, een of meer vakanties en/of levensonderhoud)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel

- B.

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het onder A

genoemde voorwerp(en) was/waren en/of

- C.

heeft verborgen en/of verhuld wie de/het onder A genoemde voorwerp(en)

voorhanden had (den) en/of

- D.

de/het onder A genoemde voorwerp (en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat voorwerp (en)

gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte en/of die mededader(s) (telkens) wist (en) , althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat de/het onder A genoemde voorwerp(en)

-onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

hebbende verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans

alleen, van bovengenoemd witwassen een gewoonte gemaakt;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging

met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

- een of meer wapens van categorie III, te weten een of meer geweren, pistolen

en/of revolvers (te weten (o.a.) een CZ), en/of

- een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten een aantal patronen,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor

zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in

dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 31 lid 1 Wet wapens en munitie

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Bewijs

Inleidende opmerkingen van de rechtbank

In de loop van 2013 en 2014 komt informatie bij de politie binnen dat [medeverdachte 1] uit [pleegplaats 2] zich, samen met anderen, zou bezighouden met handel in verdovende middelen en witwassen. Op 11 april 2014 wordt een opsporingsonderzoek gestart onder de [naam onderzoek] . Binnen het onderzoek werd bewijs verzameld door onder andere het tappen van telefoons, het uitvoeren van observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) en het vorderen van diverse gegevens. Het onderzoek [naam onderzoek] kwam in een stroomversnelling toen duidelijk werd dat er op 16 september 2015, tijdens een bijeenkomst van een aantal verdachten in het onderzoek, in de woning van [medeverdachte 1] was geschoten met een vuurwapen. Er werd besloten om op 18 september 2015 in te grijpen en tot aanhouding van verdachten over te gaan. Tevens zijn op die datum, en ook later nog, een aantal woningen en panden doorzocht. Op diverse plaatsen werden onder andere (volautomatische) vuurwapens, munitie en drugs inbeslaggenomen. Tevens zijn digitale gegevensdragers en diverse administratieve bescheiden in beslag genomen.

Het opsporingsonderzoek heeft geresulteerd in een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie Eenheid Noord-Nederland, onder de naam " [naam onderzoek] ", [nummer] , bestaande uit 59 ordners, onder meer bevattende zaaksdossiers (hierna: ZD), persoonsdossiers (hierna: PD), ambtshandelingen (hierna: AH), forensisch digitaal onderzoek (hierna: FDO) en dossier inbeslagname (hierna: IBN).

Verdenking

Het onderzoek heeft tot de verdenking geleid dat in georganiseerd verband verschillende misdrijven zijn gepleegd. Kort weergegeven gaat het om de volgende feiten:

- een tweetal transporten van verdovende middelen, van respectievelijk 22 en 66 kilogram cocaïne, vanuit de Dominicaanse Republiek naar Nederland;

- het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet ten aanzien van voornoemde transporten, ten aanzien van een transport van 400 kilogram cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek, ten aanzien van invoer van cocaïne vanuit Colombia, uitvoer naar Zweden en Duitsland van cocaïne en/of (grondstoffen voor) XTC en/of speed, alsmede de exploitatie van een amfetamine/MDMA-laboratorium;

- de handel (dan wel het aanwezig hebben) van cocaïne in Nederland;

- het voorhanden hebben en overdragen van wapens en/of munitie;

- het (gewoonte)witwassen van geldbedragen en andere voorwerpen;

- deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11b van de Opiumwet.

De beschuldiging aan verdachte

[verdachte] wordt - samengevat - verweten deel uit te hebben gemaakt van een criminele organisatie die zich onder andere bezig hield met het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten - waaronder het voorbereiden en importeren van meerdere harddrugstransporten naar Nederland en export van harddrugs vanuit Nederland naar Zweden en Duitsland, drugshandel en -bezit in Nederland en de exploitatie van een amfetamine en/of XTC-laboratorium -, het witwassen van de daaruit verkregen opbrengsten en het voorhanden hebben en overdragen van wapens en munitie.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie een

bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 gevorderd en op onderdelen partiële vrijspraak.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat de verdachte ter zake

van feit 1, 2, 3 en 4 dient te worden vrijgesproken en dat ter zake van feit 5, het voorhanden hebben van een kogel, een veroordeling kan volgen.

DE RECHTBANK OVERWEEGT ALS VOLGT

Algemene bewijsoverwegingen

Artikel 6 EVRM

[medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) is een van de verdachten die op 18 september 2015 zijn aangehouden. Aanvankelijk heeft [medeverdachte 2] zich op zijn zwijgrecht beroepen, maar in zijn 6e verhoor op 14 oktober 2015 geeft hij aan bereid te zijn “om het hele verhaal aan u te vertellen. Het is alles of niks.”1

Namens verdachte is bepleit dat de bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 2] van het bewijs moeten worden uitgesloten. In de eerste plaats is daartoe onder verwijzing naar de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 2] op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal terwijl de verdediging [medeverdachte 2] niet op een effectieve manier als getuige heeft kunnen ondervragen. [medeverdachte 2] is, op verzoek van de raadslieden van zijn medeverdachten, als getuige in de zaken tegen die medeverdachten bij de rechter-commissaris gehoord, maar heeft zich bij die gelegenheid op zijn verschoningsrecht beroepen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie, recent nog bevestigd door de Hoge Raad2, geldt dat in de situatie dat een getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt, een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging ontbreekt.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging niet op een behoorlijke en effectieve wijze gebruik heeft kunnen maken van het ondervragingsrecht. Voor dit gebrek is de verdediging niet op enige wijze gecompenseerd. De rechtbank is van oordeel dat het via een videoverbinding kunnen volgen van het verhoor van [medeverdachte 2] door de rechtbank ter gelegenheid van de behandeling van zijn strafzaak niet als voldoende compensatie kan gelden. Het tot bewijs gebruiken van de door [medeverdachte 2] bij de politie afgelegde en de zijn medeverdachten belastende verklaringen zou onder deze omstandigheden in strijd kunnen komen met het bij artikel 6 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Die verklaringen zijn desondanks bruikbaar voor het bewijs, aldus de Hoge Raad, indien de betrokkenheid van verdachte niet in beslissende mate op de verklaringen van deze getuige wordt gebaseerd, maar in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaringen van de getuige die door de verdachte worden betwist.

De rechtbank zal voor de bewezenverklaring van strafbare feiten dan ook slechts die onderdelen van de belastende verklaringen van [medeverdachte 2] gebruiken die in voldoende mate steun vinden in andere, in de bewijsconstructie opgenomen bewijsmiddelen. In zoverre doet de situatie waarop de Vidgen-jurisprudentie ziet, zich in de zaak van verdachte niet voor.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 2]

Ten tweede is aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 2] wegens inconsistenties, tegenstrijdigheden en leugens als onbetrouwbaar terzijde moeten worden gesteld.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 2] betrouwbaar zijn en kunnen worden gebruikt voor het bewijs. [medeverdachte 2] heeft meerdere uitgebreide en zeer gedetailleerde verklaringen afgelegd die voor de politie aanleiding zijn geweest nader onderzoek te verrichten. De inhoud van zijn verklaringen wordt, met name waar het de handelingen en de rol van de medeverdachten betreft, op wezenlijke onderdelen in ruime mate bevestigd door de inhoud van andere bewijsmiddelen, waaronder - voor zover van toepassing opgenomen in de hierna vermelde bewijsmiddelen - tot het bewijs gebezigde tapgesprekken, PGP-berichten en OVC-gesprekken. Verder is van belang dat in die gevallen waarin de verklaringen van [medeverdachte 2] concreet verifieerbaar waren, zij veelal in overeenstemming bleken te zijn met de werkelijkheid.

Naast het feit dat hetgeen [medeverdachte 2] heeft verklaard voor een groot deel wordt bevestigd door overig bewijsmateriaal, merkt de rechtbank op dat [medeverdachte 2] in 37 verhoren nagenoeg volledige openheid van zaken heeft gegeven, waarbij hij ook uitgebreid belastend over zichzelf en zijn eigen aandeel in de strafbare feiten heeft verklaard. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat [medeverdachte 2] op onderdelen heeft doen voorkomen alsof zijn rol minder is geweest dan uit overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid, overweegt de rechtbank dat - al aangenomen dat daarvan in enigerlei mate sprake is geweest - dat niet in zodanige mate afbreuk doet aan de kern van zijn verklaringen dat deze als onbetrouwbaar of ongeloofwaardig zouden moeten worden aangemerkt.

Beoordeling van het bewijs en bewijsmiddelen

Onder feit 1 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- ( het medeplegen van) voorbereidingshandelingen ten aanzien van de invoer en uitvoer van verdovende middelen, in diverse varianten;

- ( het medeplegen van) voorbereidingshandelingen ten aanzien van de exploitatie van een laboratorium voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA.

Onder feit 2 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- ( het medeplegen van) de import naar Nederland van 22 kilo en 66 kilo cocaïne vanuit de Dominicaanse republiek.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor het in werking hebben en/of de exploitatie van een laboratorium voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA.

In oktober 2013 is een TCI-melding binnengekomen dat zich bij [naam seksboerderij] aan [adres 1] te [pleegplaats 1] (gemeente Meppel) een hennepkwekerij zou bevinden.3 Op 7 november 2013 heeft de politie op dat adres een onderzoek ingesteld. Daarbij is waargenomen dat uit een op het terrein staande grote schuur een zoemend geluid kwam.4

Bij een actie op 5 december 2013 heeft de politie op genoemd adres een laboratorium voor de vervaardiging van synthetische drugs aangetroffen.5 Het drugslaboratorium bevond zich in een los van de woning staande schuur. Voorts zijn op het terrein in twee zeecontainers (die aan het oog waren onttrokken door een houten constructie die om de containers heen was gebouwd) onder meer een tabletteermachine, een vacuümpomp, een granulaatmachine en middelen vermeld op lijst 1 van de Opiumwet aangetroffen.6

Verdachte is op 5 december 2013 en op 22 januari 2014 gehoord. Verdachte heeft verklaard dat hij eigenaar is van de schuur en de twee zeecontainers waarin het drugslaboratorium is aangetroffen. Hij heeft de schuur per eind juni 2013 verhuurd aan [naam huurder] dan wel [naam huurder] . Er is geen schriftelijke huurovereenkomst. Ook heeft verdachte [naam huurder] niet om een legitimatiebewijs gevraagd.
In augustus 2013 heeft verdachte twee zeecontainers op zijn terrein geplaatst, waaromheen hij een muur van steigerhout heeft gebouwd. Begin november 2013 heeft hij ook die twee zeecontainers aan [naam huurder] verhuurd. Verdachte had op beide zeecontainers een groot slot bevestigd, waarvan hij de sleutels aan [naam huurder] heeft gegeven. Verdachte hield ook zelf een set sleutels. Verdachte heeft de schuur en de twee zeecontainers voor het laatst zelf geopend toen [naam huurder] die ruimten ging huren. Verdachte had geen enkele wetenschap van de aanwezigheid van een drugslaboratorium in de schuur en de twee zeecontainers.7

Vervolgens is besloten de zaak met betrekking tot het drugslaboratorium op te leggen.8

Uit een rapport van 30 juni 2015 van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) blijkt dat een DNA-profiel dat is veiliggesteld bij het drugslaboratorium te [pleegplaats 1] een match heeft opgeleverd met het DNA-profiel van [medeverdachte 7] , geboren op [geboortedatum] 1979.9

De verklaringen van [medeverdachte 2]

heeft als verdachte in het onderzoek [naam onderzoek] in de verhoren bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] in 2013 een drugslaboratorium had op het terrein van verdachte. [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] verteld dat in het drugslab van b-olie a-olie werd gemaakt en van a-olie speed. Het oprollen van het drugslab door de politie heeft [medeverdachte 1] twee ton gekost.10

Voorts verklaart [medeverdachte 2] dat in het drugslab duizenden kilo’s speed zijn geproduceerd en dat daar veel geld mee is verdiend. Zeker 80% van die speed is in Nederland verkocht; de rest is naar het buitenland gegaan, met name Zweden.11

Volgens [medeverdachte 2] hebben [medeverdachte 1] en verdachte beiden het drugslab gefinancieerd en was [medeverdachte 1] degene die in het drugslab speed en xtc maakte. Er kwam wel eens een “kok” langs om te helpen. Verdachte wist alles van het productieproces en gaf hierover advies.12

[medeverdachte 2] heeft voorts verklaard dat hij zelf het drugslab nooit in bedrijf heeft gezien omdat het ‘vóór zijn tijd’ was. Op 5 december 2013, toen het drugslab werd opgerold, kende hij [medeverdachte 1] nog niet zo lang. [medeverdachte 1] en hij zaten samen in de auto, toen zij hoorden dat het drugslab was opgerold. [medeverdachte 1] raakte in paniek en heeft toen nog geld laten ophalen bij verdachte, aldus [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 2] kent geen [naam huurder] aan wie verdachte de schuur en de twee zeecontainers zou hebben verhuurd. [medeverdachte 1] heeft hem verteld dat verdachte een huurcontract had met een niet-bestaande persoon.13

Naar aanleiding van de verklaring van [medeverdachte 2] en de overige onderzoeksresultaten in het opsporingsonderzoek [naam onderzoek] , is het onderzoek naar het drugslaboratorium hervat en deel gaan uitmaken van de zaak [naam onderzoek] .14

Steunbewijs : PGP-berichten

Op 29 oktober 2015 zijn, op aanwijzing van [medeverdachte 2]15 bij een doorzoeking in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] verschillende telefoons in beslag genomen, waaronder PGP-telefoons.16 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de in beslag genomen telefoons voor het merendeel oude telefoons van [medeverdachte 1] zijn.17 Naar de inhoud van twee PGP-telefoons (met [kenmerk 1] respectievelijk [kenmerk 2] ) is onderzoek verricht door het NFI.18

[medeverdachte 2] heeft op 6 april 2016, in reactie op aan hem voorgehouden berichten afkomstig uit deze PGP-telefoons, uitleg gegeven over de inhoud van die berichten.19 De uitleg van [medeverdachte 2] houdt in dat de PGP-telefoons berichtenverkeer bevat tussen [medeverdachte 1] en anderen, onder wie verdachte. Volgens [medeverdachte 2] zijn de in de berichten gebruikte namen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ bijnamen van [medeverdachte 1] , en ‘ [bijnaam 3] ’ en ‘ [bijnaam 4] ’ bijnamen van verdachte.

De berichten gaan onder andere over:

- zware werkomstandigheden bij het productieproces (werken in rook en damp) en aan [verdachte] de tijd geven om de andere kant af te maken waarna de afzuiging in de containers kan worden geregeld (bericht van 31 augustus 2013)20 ; en

- dat voor €1250,- een PGP voor [verdachte] is gekocht, waarna berichtenwisseling volgt over “20 liter per week” en dat “die [bijnaam 3] ” wil weten wat gedraaid wordt (berichten van 20 september 2013).21

Berichten specifiek tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 4] ’, gaan onder andere over:

- vacuüm of stoom, waar de andere zak met geld ligt (berichten van 6 oktober 2013);22

- zacht of pasta, het (samen) slaan van pillen, PH 6.8 of 7 proberen, niet een grote emmer,
per kilo verpakken, 1 liter maken (berichten van 14 en 15 oktober 2013);23 en

- a-olie en het wegen en natellen van strips (berichten van 3 december 2013).24

Voorts is er berichtenwisseling van 5 december 2013 naar aanleiding van de politieactie die dag waarbij het drugslaboratorium op het terrein van verdachte is opgerold.25

In een proces-verbaal van bevindingen van 12 april 2016 hebben [verbalisant 1] en [verbalisant 2] uitgewerkt dat en waarom uit de in de twee PGP-telefoons aangetroffen berichten is op te maken dat verdachte betrokken was bij (de exploitatie van) het drugslaboratorium op zijn terrein.26 Daarbij is telkens verwezen naar de onderscheiden berichten en de over die berichten door [medeverdachte 2] op 6 april 2016 afgelegde verklaringen.

Voor de beantwoording van de vraag of kan worden vastgesteld dat de persoon genaamd ‘ [bijnaam 4] ’ inderdaad verdachte is, hebben verbalisanten gewezen op de volgende berichten:

- een bericht van 16 oktober 2013 van ‘ [bijnaam 4] ’ aan ‘ [bijnaam 1] ’, waarin ‘ [bijnaam 4] ’ schrijft dat hij [naam] even naar [plaats 2] brengt27, bezien in samenhang met een tapgesprek van 23 augustus 2015, waarin verdachte belt met zijn bedrijf aan [adres 1] te [pleegplaats 1] en een vrouw genaamd [naam] aan de lijn krijgt, aan wie hij opdraagt iets te doen28;

- berichtenwisseling tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 4] ’ van 26 oktober 2013, waaruit volgt dat ‘ [bijnaam 4] ’ de beschikking heeft over het wachtwoord en de gebruikersnaam van verdachte bij [naam website] .29; en
- berichtenwisseling tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 4] ’ van 16 januari 2014, waarin ‘ [bijnaam 4] ’ aan ‘ [bijnaam 1] ’ schrijft dat hij net een agent heeft gesproken die hem heeft gezegd dat het niet uitmaakt dat hij zijn DNA niet wil geven omdat nu andere papieren moeten worden aangevraagd om toch zijn DNA te krijgen,30 bezien in samenhang met het mutatierapport van 16 januari 2014, waarin de betreffende verbalisant schrijft dat hij op 16 januari 2014 telefonisch contact heeft gehad met verdachte waarbij deze aangaf dat hij, op advies van zijn advocaat, niet wilde meewerken aan het vrijwillig afstaan van DNA.31

Gelet op deze onderzoeksbevindingen, is in het proces-verbaal van bevindingen van 12 april 2016 geconcludeerd - voor zover hier van belang - dat de persoon genaamd ‘ [bijnaam 4] ’, verdachte betreft.

Verklaringen verdachte 13 en 14 april 2016

Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen is verdachte opnieuw gehoord. Verdachte heeft zich op vragen over het drugslaboratorium, de PGP-telefoons en het berichtenverkeer, beroepen op zijn zwijgrecht.32

Verklaringen ter terechtzitting

Ter terechtzitting heeft [medeverdachte 1] , gehoord als getuige in de strafzaak van verdachte, verklaard dat het op het terrein van verdachte aangetroffen drugslaboratorium van hem ( [medeverdachte 1] ) was en dat hij ( [medeverdachte 1] ) degene is die met gebruikmaking van, onder andere, de bijnamen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ de betreffende PGP-berichten over het drugslab heeft verzonden en ontvangen. [medeverdachte 1] exploiteerde het drugslaboratorium evenwel niet met verdachte, maar met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] gebruikte ‘ [bijnaam 4] ’ als bijnaam in de PGP-berichtenwisseling tussen hen. [medeverdachte 2] heeft zich, in contacten met derden over het drugslaboratorium, tegenover die derden voorgedaan als verdachte om het er op te laten lijken dat niet [medeverdachte 2] , maar verdachte bij de exploitatie van het drugslaboratorium was betrokken. Verdachte was er in het geheel niet van op de hoogte dat op zijn terrein een drugslaboratorium aanwezig was. De man genaamd ‘ [naam huurder] ’, aan wie verdachte de schuur en later de twee zeecontainers heeft verhuurd, was in werkelijkheid een stroman van [medeverdachte 1] . Desgevraagd heeft [medeverdachte 1] de werkelijke naam van deze stroman niet wil noemen.

In reactie op de getuigenverklaring van [medeverdachte 1] heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij dit hele verhaal nu, ter terechtzitting, voor het eerst hoort en dat hij geschokt is. Verdachte heeft ter terechtzitting verder verklaard dat hij nooit een PGP-telefoon heeft gehad.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat er geen reden is om te twijfelen aan de analyses van de PGP-berichten en de daarop gebaseerde conclusies in het hiervoor vermelde proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 12 april 2016. De rechtbank verenigt zich met deze conclusies en maakt die tot de hare. Dit betekent dat met zekerheid kan worden vastgesteld dat de persoon ‘ [bijnaam 4] ’ in de PGP-berichten verdachte is.


De rechtbank acht het ter terechtzitting door [medeverdachte 1] geschetste alternatieve scenario ongeloofwaardig. [medeverdachte 1] heeft bij de politie geen verklaring willen afleggen en komt eerst op de terechtzitting met het verhaal dat hij samen met [medeverdachte 2] het drugslaboratorium exploiteerde. Nadere gegevens omtrent [naam huurder] dan wel [naam huurder] heeft [medeverdachte 1] niet verstrekt, terwijl dit wel noodzakelijk is om deze verklaring te kunnen verifiëren. Voorts strookt de verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 2] gebruik maakte van de bijnaam ‘ [bijnaam 4] ’ in de PGP-berichtenwisseling niet met de hierboven getrokken conclusies in meervermeld proces-verbaal van bevindingen van 12 april 2016. Ten slotte merkt de rechtbank op dat, in tegenstelling tot het betoog van de raadsman van verdachte dat de PGP-telefoon van ‘ [bijnaam 4] ’ is geopend met gebruikmaking van een door [medeverdachte 2] verschafte toegangscode, uit het dossier is af te leiden dat beide PGP-telefoons zijn ontsloten door het NFI.33

Het voorgaande impliceert dat de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 2] omtrent de betrokkenheid van verdachte bij het drugslaboratorium betrouwbaar acht. Dat de wetenschap van [medeverdachte 2] goeddeels berust op van-horen-zeggen nu hij in de periode waarin het drugslaboratorium in werking was, (nog) niet (volledig) was toegetreden tot de groep rond [medeverdachte 1] , maakt dit niet anders. De verklaringen van [medeverdachte 2] omtrent de betrokkenheid van verdachte bij het drugslaboratorium zijn in essentie consistent en worden nadien ook bevestigd door de berichten uit de twee PGP-telefoons.

Aan de enkele verklaring van verdachte, dat hij nooit een PGP-telefoon heeft gehad, hecht de rechtbank, mede onder verwijzing naar het ter terechtzitting aan verdachte voorgehouden PGP-bericht van 20 september 2013 waarin staat dat “voor €1250,- een PGP voor [verdachte] is gekocht”, geen geloof.

De rechtbank acht derhalve dit onderdeel van het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

- Met betrekking tot de overige voorbereidingshandelingen (ten aanzien van de invoer van 22 kilo cocaïne in november 2014 en 66 kilo cocaïne in maart 2015, en van 400 kilo cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek, de invoer van cocaïne vanuit Colombia, en ten aanzien van de uitvoer van amfetamine en/of cocaïne naar Duitsland en Zweden).

- Met betrekking tot de daadwerkelijke invoer van 22 respectievelijk 66 kilo cocaïne.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte naast de hiervoor vermelde aan de productie van synthetische drugs inherente voorbereidingshandelingen, ook nog op andere wijze betrokken is geweest bij voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Evenmin kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdacht, als pleger of medepleger, 22 en/of 66 kilo cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

De rechtbank zal verdachte derhalve van deze onderdelen van feit 1 van de tenlastelegging en van feit 2 vrijspreken.

Onder feit 3 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd:

- de deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van bepaalde misdrijven van de Opiumwet (artikel 11b van de Opiumwet) en het plegen van misdrijven (van de Wet wapens en munitie en (gewoonte)witwassen) als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt als volgt

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat een organisatie een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Hierbij is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van de betreffende misdrijven van de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en (gewoonte)witwassen.

De rechtbank is van oordeel dat de groep rondom [medeverdachte 1] kan worden aangemerkt als een criminele organisatie. Er is sprake van een gestructureerd samenwerkingsverband met een hiërarchische structuur en een duidelijke rolverdeling die aansluit bij de specifieke expertise van de verschillende personen.

De zeven verdachten in het opsporingsonderzoek [naam onderzoek] vormen de vaste kern van de criminele organisatie. Er is sprake van duurzaamheid: gedurende zo'n 2½ jaar blijft de groep bij elkaar, met uitzondering van [medeverdachte 5] die na december 2014 eruit stapt danwel aan de kant wordt gezet. Er zijn intensieve, onderlinge contacten, zowel per telefoon als in persoon.34

[medeverdachte 2] heeft verschillende verklaringen afgelegd over de hiërarchische structuur en de rolverdeling.35

[medeverdachte 1] is de leider. Dat verklaart [medeverdachte 2] , maar wordt ook door anderen bevestigd.36 In een proces-verbaal van bevindingen noteren verbalisanten op 3 augustus 2012: "Wij hoorden [medeverdachte 1] zeggen: Ik ben de baas van hun."37 [medeverdachte 1] financiert de cocaïnetransporten.38

[medeverdachte 2] is de rechterhand van [medeverdachte 1] en fungeert als boekhouder. Hij heeft verstand van bedrijven en is onder andere betrokken bij de oprichting van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . [medeverdachte 2] beheert de digitale administratie, het kasboek. In een tapgesprek op 8 mei 2015 zegt [medeverdachte 1] op de vraag van iemand hoeveel hij nog moet betalen: "Dat weet [medeverdachte 2] . Ik weet het niet (….). Hij heeft alles genoteerd."39

[verdachte] lijkt wat meer aan de zijlijn te staan, maar zijn legale bedrijf in [pleegplaats 1] speelt een belangrijke rol als ontmoetingsplek en stash voor geld en drugs. In een tapgesprek van 4 augustus 2015 zegt [medeverdachte 1] : "Laatst met [verdachte] , ik zeg pak even van mijn geld, twee!" Voorts zou [verdachte] volgens [medeverdachte 2] veel verstand hebben van het productieproces voor synthetische drugs (speed en xtc). En in een tapgesprek van 22 augustus 2015 zegt [medeverdachte 1] : "Op boerderij heb ik ook verstopt, ja toch?"40

[medeverdachte 3] is belangrijk voor de lijn naar Zweden. Verder bewaarde hij drugs en wapens voor [medeverdachte 1] , en is hij vaak chauffeur.

[medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] zijn als eigenaren van [bedrijf 4] faciliterend voor de import van cocaïne.

Daarnaast is [medeverdachte 6] , samen met [medeverdachte 2] , grotendeels verantwoordelijk voor de lijn naar Duitsland.

[medeverdachte 4] speelt als vrachtwagenchauffeur een kleine, maar essentiële rol bij het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de containers waarin de cocaïne zat verborgen.

Er is sprake van een zeer professionele werkwijze binnen het criminele samenwerkingsverband.

Dat blijkt onder meer uit de eerder genoemde digitale administratie, het 'kasboek', en uit het gebruik van PGP-telefoons.

Daarnaast worden verschillende bedrijven gebruikt als dekmantel om de criminele activiteiten te verhullen:

- [bedrijf 4] : voor het binnenhalen van de cocaïnetransporten;

- [bedrijf 1] : voor het ophalen van de containers;

- [bedrijf 2] : om legaal inkomen te creëren en geld wit te wassen;

- [bedrijf 5] : naast de reguliere, legale activiteiten wordt het bedrijf van [verdachte] gebruikt als ontmoetingsplek en als stash voor geld en drugs;

- [bedrijf 3] : voor de import van cocaïne door middel van houtskool uit Ecuador.

De criminele organisatie rondom [medeverdachte 1] heeft als oogmerk het plegen van misdrijven met betrekking tot de Opiumwet:

- invoer en uitvoer van drugs (voornamelijk cocaïne en speed);

- drugshandel in Nederland;

- fabriceren drugs (amfetamine, MDMA);

en daarnaast het (gewoonte)witwassen van de daarmee gegenereerde opbrengsten.

De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie tevens het oogmerk had op de handel in wapens.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de bewijsmiddelen/-overwegingen die zijn gebruikt voor de bewezenverklaarde feiten onder 1 en 4 alsmede op wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (witwassen en/of gewoontewitwassen) en bepaalde misdrijven van de Opiumwet. De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie tevens het oogmerk had op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 26 en/of 31 van de Wet wapens en munitie. Van dit onderdeel zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Onder 4 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- (het medeplegen van) (gewoonte)witwassen.

Het wettelijk kader

Volgens vaste jurisprudentie41 is voor de beoordeling voor witwassen vereist dat het betreffende voorwerp of de betreffende voorwerpen, middellijk of onmiddellijk afkomstig is of zijn uit enig misdrijf. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag vervolgens van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp of de voorwerpen. Indien een dergelijke verklaring door de verdachte niet kan worden gegeven, kan de rechter concluderen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een legale herkomst heeft, en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Als het gaat om verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf, wordt van de verdachte van witwassen een handeling gevergd die erop is gericht om zijn eigen criminele opbrengsten veilig te stellen. De verdachte dient het voorwerp dan niet alleen maar te hebben verworven of voorhanden te hebben gehad, maar zijn gedragingen dienen ook gericht te zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Dat geldt niet in die gevallen waarin sprake is van voorwerpen die ‘middellijk’ afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf doordat deze direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen.

Bij de beantwoording van de vraag of een voorwerp onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, kan mede van belang zijn hetgeen met voldoende concretisering door verdachte is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben van dit door eigen misdrijf verkregen voorwerp.

De rechtbank overweegt als volgt

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van geldbedragen die hij heeft gebruikt voor de in de tenlastelegging opgenomen bestedingen.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen -zakelijk weergegeven- dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan strafbare handelingen in het kader van de Opiumwet en dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De rechtbank is van oordeel dat hij in 2013 tezamen met [medeverdachte 1] de voorbereidingen heeft getroffen in het kader van de exploitatie van een laboratorium om speed en/of XTC te produceren.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte niets heeft verdiend aan de handel in cocaïne; hij heeft alleen maar geïnvesteerd.42 Omdat verdachte heeft geïnvesteerd in het drugslaboratorium, gaat [medeverdachte 2] er van uit dat verdachte daaruit inkomsten zal hebben gehad.43

Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring niet voldoende om aan te kunnen nemen dat verdachte inkomsten uit Opiumwetmisdrijven heeft gegenereerd. De rechtbank stelt in dit verband vast dat verdachte in de tenlastegelegde periode een legaal bedrijf heeft geëxploiteerd, [bedrijf 5] , waarmee omzetten werden behaald en waaruit hij inkomsten heeft genoten.44 Onder de gegeven omstandigheden acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de geldbedragen die verdachte zou hebben geïnvesteerd in de exploitatie van genoemd drugslaboratorium en de import of export van cocaïne afkomstig zijn uit enig misdrijf. Niet uit te sluiten valt immers dat deze gelden geheel of grotendeels afkomstig zijn uit de legale inkomsten van verdachte.

Datzelfde geldt voor de geldbedragen die verdachte heeft gebruikt voor vakanties, sieraden en de betaling van een geldboete voor [medeverdachte 2] . Ook ten aanzien van deze voorwerpen valt niet uit te sluiten dat ze zijn bekostigd uit legale inkomsten verworven met de exploitatie van genoemde [bedrijf 5] .

Verdachte heeft vanaf 22 november 2013 een personenauto, Mercedes Benz E350 CDI, wit , met het kenteken [kenteken] op zijn naam gehad. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] het aankoopbedrag voor deze auto heeft betaald en dat laatstgenoemde feitelijk de beschikking over deze auto had. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat de auto op naam van verdachte is gezet omdat [medeverdachte 1] bang was dat de auto hem zou worden afgepakt door de politie.45

De rechtbank stelt allereerst vast dat al het geld van [medeverdachte 1] van misdrijf afkomstig is. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de Mercedes bewust op zijn naam heeft gezet om de werkelijke herkomst van het geldbedrag waarmee die auto door [medeverdachte 1] is aangekocht -de handel in verdovende middelen- te verhullen. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat verdachte tezamen met [medeverdachte 1] in 2013 betrokken is geweest bij de exploitatie van een laboratorium voor het vervaardigen van speed en/of XTC, waaruit valt af te leiden dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van de handel in verdovende middelen door [medeverdachte 1] en de herkomst van het geld van [medeverdachte 1] .

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen met betrekking tot het hieronder in de bewezenverklaring opgenomen bestanddeel.

Onder feit 5 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd:

- (het medeplegen van) het voorhanden hebben en overdragen van wapens en/of munitie.

Op 18 september 2015 heeft een doorzoeking plaatsgevonden van het bedrijf van verdachte aan [adres 1] te [pleegplaats 1] ( [bedrijf 5] ) en voorts van zijn woning aan [adres 3] te [pleegplaats 2] . In het bedrijf van verdachte zijn (onder de vloer) een pistool van het merk CZ en negen patronen in een patroonhouder aangetroffen. In zijn woning is een 9 mm patroon aangetroffen.46

Verdachte heeft op 28 september 2015 bij de politie verklaard dat het in zijn woning aangetroffen 9 mm patroon van hem is. Omtrent het wapen en de patronen die in zijn bedrijf zijn aangetroffen, heeft verdachte verklaard dat deze niet van hem zijn. Hij weet ook niet hoe het wapen en de patronen in zijn bedrijf zijn binnengekomen. Er lopen regelmatig klanten in en uit, aldus verdachte.47

Op 14 april 2016 heeft verdachte bij de politie aanvullend verklaard dat hij inmiddels weet dat het wapen van [medeverdachte 1] is. [medeverdachte 1] heeft dit schriftelijk verklaard. Desgevraagd heeft verdachte hieraan toegevoegd dat hij geen idee heeft, waarom [medeverdachte 1] dit wapen bij hem heeft neergelegd. Vervolgens heeft verdachte zich, op nadere vragen over betrokkenheid van verdachte en/of anderen bij de in het onderzoek [naam onderzoek] aangetroffen wapens en munitie, telkens beroepen op zijn zwijgrecht.48

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] , ondertekend op 15 maart 2016, als bijlage bij de pleitnota overgelegd. [medeverdachte 1] verklaart daarin dat het op 18 september 2015 in [bedrijf 5] ” aangetroffen vuurwapen met negen patronen in een patroonhouder aan hem toebehoort, dat hij het vuurwapen inclusief toebehoren in het werkhok heeft verstopt en dat hij het daar heeft achtergelaten zonder dat de exploitant(en) en/of leidinggevende(n) hiervan op de hoogte waren. De raadsman heeft bevestigd dat deze schriftelijke verklaring in eerste instantie is opgesteld om te worden gebruikt in een bestuursrechtelijke procedure op grond van de Wet Bibob, welke procedure ziet op vergunningverlening ten behoeve van de bedrijfsactiviteit van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de inhoud van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte kan worden bewezen dat verdachte op 18 september 2015 een patroon voorhanden heeft gehad, te weten het patroon dat is aangetroffen in zijn woning in [pleegplaats 2] .

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte het wapen met bijbehorende patronen dat is aangetroffen in zijn bedrijf “ [bedrijf 5] voorhanden heeft gehad, is doorslaggevend of verdachte over het wapen met bijbehorende patronen kon beschikken. In beginsel heeft te gelden dat degene, die over een verblijfsruimte de beschikkingsmacht heeft, voor hetgeen zich daarin bevindt verantwoordelijk is en daarvan ook wetenschap heeft. In dit geval is van belang dat, gelet op de bedrijfsactiviteit, meerdere personen toegang hadden tot het bedrijf van verdachte. Dit betekent dat uit de enkele omstandigheid dat verdachte de beschikkingsmacht had over zijn bedrijf, niet zonder meer volgt dat verdachte daarmee tevens beschikkingsmacht had over het wapen met bijbehorende patronen.

De rechtbank stel vast dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat die verdachte verbinden aan het wapen met bijbehorende patronen. De enkele verklaring van [medeverdachte 2] dat dit wapen ‘waarschijnlijk’ van verdachte zelf is 49, geeft de rechtbank onvoldoende aanleiding om bewustheid van en beschikkingsmacht over het wapen met toebehoren bewezen te achten.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 18 september 2015 een patroon voorhanden heeft gehad. Van het meer of anders onder 5 tenlastegelegde zal verdachte worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015 te [pleegplaats 2] , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen van een hoeveelheid amfetamine en/of MDMA,

voor te bereiden

- zich en/of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en zijn mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van dat feiten,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging anderen:

- een laboratorium/werkplaats bestemd voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA geëxploiteerd en in werking gehad;

3 .

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het

Wetboek van Strafrecht;

4.

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,

van een voorwerp, te weten

- een geldbedrag gebruikt voor de aankoop van een auto,

de werkelijke aard en de herkomst heeft verborgen en verhuld, en

heeft verborgen en verhuld wie de rechthebbende op genoemde auto was en

heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde auto voorhanden had,

terwijl verdachte wist dat het genoemde voorwerp -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf;

5.

hij op 18 september 2015 in Nederland, munitie van categorie III, te weten een patroon,

voorhanden heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door:

zich of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,

voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

3. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet

en

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

4. medeplegen van witwassen;

5. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Daarnaast heeft hij verbeurdverklaring gevorderd van de conservatoir inbeslaggenomen voorwerpen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft -indien er ondanks de bepleite vrijspraak een bewezenverklaring mocht volgen- gepleit om bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met het volgende. Door de strafzaak is het bedrijf van verdachte enige tijd gesloten geweest en heeft verdachte daardoor geen inkomsten gehad. Daarnaast is de relatie van verdachte met zijn vriendin door de strafzaak geëindigd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft ruim twee en een half jaar deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op onder meer het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten met betrekking tot harddrugs - waaronder invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek (via België) naar Nederland en voorbereidingshandelingen voor (verdere) invoer van cocaïne en export van cocaïne en amfetamine naar Duitsland en Zweden - en (gewoonte)witwassen. Verdachte heeft zich in het bijzonder schuldig gemaakt aan de exploitatie van een laboratorium ter vervaardiging van amfetamine en/of MDMA en witwassen. Verder is bij verdachte een patroon aangetroffen.

Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven als hiervoor genoemd en de overige misdrijven een ernstige en ontoelaatbare ondermijning van de rechtsorde betekenen. Hiertegen dient dan ook hard te worden opgetreden.

Het gaat hier om een professionele drugsorganisatie. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen en dat gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Van de handel in verdovende middelen is bovendien algemeen bekend dat dit steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld. Door de vermenging van illegaal geld met legale geldstromen wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstig schade toegebracht

Daarnaast heeft de rechtbank gezien dat verdachte een relatief beperkt strafblad heeft.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met hetgeen hiervoor is overwogen en met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De rechtbank komt tot een fors lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, nu zij de voorbereidingshandelingen van cocaïne import en export (in feit 1) en de daadwerkelijke invoer van cocaïne (feit 2) niet bewezen heeft geacht.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank zal geen beslissing nemen over de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, nu op deze voorwerpen conservatoir beslag is gelegd in het kader van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en de officier van justitie heeft aangekondigd tegen verdachte een ontnemingsvordering te zullen dienen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter,

mr. H.H.A. Fransen en mr. R. Depping, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 augustus 2017.

1 PD [medeverdachte 2] , pag. 82 e.v.

2 Hoge Raad, 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016)

3 ZD 9, pag. 36

4 ZD 9, pag. 151

5 ZD 9, pag. 152

6 ZD 9, pag. 4, pag. 88 e.v., 159 e.v. (foto’s drugslab); pag. 127 (plattegrond))

7 ZD 9, pag. 48 e.v., 146 e.v.

8 ZD 9, pag. 4

9 ZD 9, pag. 130

10 PD [medeverdachte 2] , pag. 86

11 PD [medeverdachte 2] , pag. 171

12 PD [medeverdachte 2] , pag. 179

13 PD [medeverdachte 2] , pag. 267 e.v.

14 ZD 9, pag. 4

15 PD [medeverdachte 2] , pag. 84

16 beslagdossier IBN, pag. 39 e.v.

17 PD [medeverdachte 2] , pag. 84 en 448

18 FDO-009-10-01, pag. 1957 e.v. en FDO-009-11-01, pag. 1983 e.v.

19 PD [medeverdachte 2] , pag. 448 e.v.

20 FDO-009-10-01, nr. 225

21 FDO-009-11-01, nr. 726

22 FDO-009-11-01, nr. 646

23 FDO-009-11-01, nrs. 601, 599 en 595

24 FDO-009-11-01, nr. 507

25 FDO-009-11-01, nr. 498, 497 en 496

26 AH-399, pag. 4735 e.v

27 FDO-009-11-01, nr. 592

28 PD [verdachte] , pag. 104;

29 FDO-009-11-01, nr. 561

30 FDO-009-11-01, nr. 382

31 AH, map 14, bijlage AH-399-02, pag. 4759

32 PD [verdachte] , pag. 93 e.v.

33 FDO-009-10-01, pag. 23, pag. 1957 (PGP-telefoon met kenmerk K.06.01.06) en FDO-009-11-01, map 23 pag. 1983 (PGP-telefoon met kenmerk K.06.01.08)

34 ZD 8, tabellen pag. 60-63

35 PD [medeverdachte 2] , pag 99-102 en 176-181

36 PD [medeverdachte 6] , pag 262-01 t/m 262-21

37 AH 196, map 12, pag. 4025-4027

38 PD [medeverdachte 2] , pag 194-195

39 ZD 8, pag. 148

40 PD [medeverdachte 2] , pag. 204

41 Hoge Raad 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842

42 PD [medeverdachte 2] , pag. 413

43 ZD 9, pag. 15

44 ZD 7, pag. 55

45 PD [medeverdachte 2] , pag. 430

46 IBN-008-05-01, pag. 256 e.v.; IBN-004-05-02, pag. 157 e.v.; AH-369, pag. 4486 e.v.

47 PD [verdachte] , pag. 56 e.v.

48 PD [verdachte] , pag. 119 e.v.

49 PD [medeverdachte 2] , pag. 427