Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2947

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
18-950042-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende ruim twee en een half jaar deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten waaronder de invoer van harddrugs uit de Dominicaanse Republiek en het witwassen van de daaruit verkregen opbrengsten. Verdachte wordt gezien als de rechterhand van de leider van de organisatie. Daarnaast heeft verdachte (volautomatische) wapens voorhanden gehad en overgedragen. De rechtbank overweegt dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren op zijn plaats is. Verdachte heeft belastende verklaringen ten aanzien van medeverdachten afgelegd, mede waardoor het opsporingsonderzoek succesvol is afgerond. Verdachte heeft ten gevolge van ernstige bedreigingen, beschermingsmaatregelen moeten inroepen. Ook heeft hij zijn voorlopige hechtenis onder beperkende omstandigheden moeten doorbrengen. De rechtbank veroordeelt verdachte, rekening houdend met voormelde bijzondere omstandigheden, tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2017-03-01
Wetboek van Strafrecht 420, geldigheid: 2010-09-01
Opiumwet 2, geldigheid: 2006-07-01
Opiumwet 10, geldigheid: 2007-11-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950042-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2015, 15 maart 2016, 3 juni 2016, 30 augustus 2016, 22 november 2016, 16 juni 2017, 27 juni 2017 en 18 juli 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.J. Kuiters, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en/of elders in Nederland en/of in België en/of in de Bondsrepubliek Duitsland en/of in Zweden en/of in Colombia, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit

als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne en/of amfetamine, in elk geval een of meer middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer ander heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen

plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/is hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens):

- afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om die cocaïne en/of die amfetamine, althans dat/die middel(en), te kopen en/of in ontvangst te nemen en/of betreffende de wijze waarop die cocaïne en/of die amfetamine, althans dat/die middel(en), zou(den) worden gekocht en/of geleverd en/of afgenomen en/of (naar Nederland) zou(den) worden vervoerd en/of verder vervoerd en/of

- een (grote) hoeveelheid geld voorhanden gehad en/of uitgegeven om het transport te

financieren en/of

- transporteur(s) benaderd voor het regelen van transport van de containers uit Antwerpen en/of

- een of meer mededaders en/of anderen benaderd en/of betaald en/of van geld en/of (andere) middelen voorzien om die cocaïne en/of die amfetamine, althans dat/die middel(en), in ontvangst te nemen en/of te vervoeren, en/of (andere) hand- en spandiensten verricht en/of

- een lasser gevraagd de bergplaats(en) in de container(s) waarin die cocaïne en/of die

amfetamine, althans dat/die middel(en), was/waren verborgen met behulp van lasapparatuur open te branden/maken

(een en ander heeft betrekking op:

- ( ZD 1), 22 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne en/of

- ( ZD 2), 66 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne en/of

- ( ZD 3), 400 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne);

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 30 april 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (vanuit de Dominicaanse Republiek en/of vanuit België) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid cocaïne, te weten een partij van ongeveer 22 kilo en/of een partij van ongeveer 66 kilo, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

3.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

4.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, te [pleegplaats 1] , althans in Nederland, (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit (onder meer) [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] ,

welke organisatie (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel10a, eerste lid van de Opiumwet en/of

- het handelen in strijd met artikel 26 en/of 31 van de Wet wapens en munitie en/of

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het Wetboek van

Strafrecht;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

- A.

van een of meer voorwerpen, te weten

- een of meer geldbedragen (onder andere) gebruikt voor betaling nota's aan

dienstverleners, betalingen naar het buitenland, betaling huur woonruimte, een of meer vakanties en/of levensonderhoud)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of verhuld, dan wel

- B.

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het onder A genoemde

voorwerp(en) was/waren en/of

- C.

heeft verborgen en/of verhuld wie de/het onder A genoemde voorwerp(en) voorhanden

had(den) en/of

- D.

de/het onder A genoemde voorwerp(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte en/of die mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en)

vermoeden, dat de/het onder A genoemde voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

hebbende verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van

bovengenoemd witwassen een gewoonte gemaakt;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

- een of meer wapens van categorie II, te weten een of meer vuurwapens, geschikt om

automatisch te vuren, te weten een Skorpion en/of een Kalashnikov, en/of

- een of meer wapens van categorie III, te weten een of meer geweren, pistolen en/of

revolvers, en/of

- een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten een aantal patronen,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

art 31 lid 1 Wet wapens en munitie

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Bewijs

Inleidende opmerkingen van de rechtbank

In de loop van 2013 en 2014 komt informatie bij de politie binnen dat [medeverdachte 1] uit [woonplaats medeverdachte 1] zich, samen met anderen, zou bezighouden met handel in verdovende middelen en witwassen. Op 11 april 2014 wordt een opsporingsonderzoek gestart onder de [naam onderzoek] . Binnen het onderzoek werd bewijs verzameld door onder andere het tappen van telefoons, het uitvoeren van observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) en het vorderen van diverse gegevens. Het [naam onderzoek] kwam in een stroomversnelling toen duidelijk werd dat er op 16 september 2015, tijdens een bijeenkomst van een aantal verdachten in het onderzoek, in de woning van [medeverdachte 1] was geschoten met een vuurwapen. Er werd besloten om op 18 september 2015 in te grijpen en tot aanhouding van verdachten over te gaan. Tevens zijn op die datum, en ook later nog, een aantal woningen en panden doorzocht. Op diverse plaatsen werden onder andere (volautomatische) vuurwapens, munitie en drugs inbeslaggenomen. Tevens zijn digitale gegevensdragers en diverse administratieve bescheiden in beslag genomen.

Het opsporingsonderzoek heeft geresulteerd in een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie Eenheid Noord-Nederland, onder de naam " [naam onderzoek] ", nummer 3DRW14013, bestaande uit 59 ordners, onder meer bevattende zaaksdossiers (hierna: ZD), persoonsdossiers (hierna: PD), ambtshandelingen (hierna: AH), forensisch digitaal onderzoek (hierna: FDO) en dossier inbeslagname (hierna: IBN).

Verdenking

Het onderzoek heeft tot de verdenking geleid dat in georganiseerd verband verschillende misdrijven zijn gepleegd. Kort weergegeven gaat het om de volgende feiten:

- een tweetal transporten van verdovende middelen, van respectievelijk 22 en 66 kilogram cocaïne, vanuit de Dominicaanse Republiek naar Nederland;

- het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet ten aanzien van voornoemde transporten, ten aanzien van een transport van 400 kilogram cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek, ten aanzien van invoer van cocaïne vanuit Colombia en uitvoer naar Zweden en Duitsland van cocaïne en/of (grondstoffen voor) XTC en/of speed;

- de handel (dan wel het aanwezig hebben) van cocaïne in Nederland;

- het voorhanden hebben en overdragen van wapens en/of munitie;

- het (gewoonte)witwassen van geldbedragen en andere voorwerpen;

- deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11b van de Opiumwet.

De beschuldiging aan verdachte

[verdachte] wordt –samengevat- verweten deel uit te hebben gemaakt van een criminele organisatie die zich onder andere bezig hield met het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten - waaronder het voorbereiden en importeren van meerdere harddrugstransporten naar Nederland en export van harddrugs vanuit Nederland naar Zweden en Duitsland, drugshandel in Nederland -, het witwassen van de daaruit verkregen opbrengsten en het voorhanden hebben en overdragen van wapens en munitie.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie een

bewezenverklaring van alle feiten gevorderd en op onderdelen partiële vrijspraak.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat de verdachte terzake

van feit 5 dient te worden vrijgesproken. Daarnaast dient verdachte ter zake van de feiten 1 en 4 op onderdelen te worden vrijgesproken.

DE RECHTBANK OVERWEEGT ALS VOLGT

Algemene bewijsoverweging

Verdachte is een van de verdachten die op 18 september 2015 zijn aangehouden. Aanvankelijk heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen, maar in zijn 6e verhoor op 14 oktober 2015 geeft hij aan bereid te zijn “om het hele verhaal aan u te vertellen. Het is alles of niks.”1

De bekennende verklaringen van verdachte vinden in overwegende mate voldoende mate steun in andere bewijsmiddelen. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij de hem tenlastegelegde feiten heeft begaan. De inhoud van zijn verklaringen wordt, met name waar het de handelingen en de rol van de medeverdachten betreft, op wezenlijke onderdelen in ruime mate bevestigd door de inhoud van andere bewijsmiddelen, waaronder - voor zover van toepassing opgenomen in de hierna vermelde bewijsmiddelen - tot het bewijs gebezigde tapgesprekken, PGP-berichten, OVC-gesprekken, alsmede verklaringen van medeverdachten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in overwegende mate aan het bewijsminimum wordt voldaan. De rechtbank zal hierna het bewijs per feit bespreken.

Beoordeling van het bewijs en bewijsmiddelen

Onder feit 1 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- (het medeplegen van) voorbereidingshandelingen ten aanzien van de invoer en uitvoer van verdovende middelen, in diverse varianten.

Onder feit 2 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd het :

- ( het medeplegen van) de import naar Nederland van 22 kilo en 66 kilo cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek.

De rechtbank zal hieronder voornoemde feiten in onderdelen bespreken, waarbij elk bewijsmiddel slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor en de invoer van 22 respectievelijk 66 kilo cocaïne .

De verklaringen van verdachte

Vanaf 14 oktober 2015 heeft verdachte onder andere verklaard over cocaïnetransporten die zouden hebben plaatsgevonden. Hij verklaart dat er in november 2014 via de haven van Antwerpen een container is binnengekomen vanuit de Dominicaanse Republiek waarin een hoeveelheid van 22 kilo cocaïne verstopt zat in de balken van de container. In maart 2015 zijn er drie containers binnengekomen waarin per container 22 kilo cocaïne zat verstopt. In beide gevallen was de hoofdlading een partij kokosnoten.2

Transport van november 2014

Uit de verklaringen van verdachte3 blijkt dat [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) het idee had om zelf een cocaïnelijn te beginnen. Hij werd in contact gebracht met twee mannen uit [plaats 1] , en via hen met een man genaamd [persoon 7] die een huis had in de Dominicaanse Republiek en daar contacten had. Er vonden ontmoetingen plaats in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] . Bij de besprekingen waren meestal [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), de mannen uit [plaats 1] en verdachte zelf aanwezig. Resultaat van de besprekingen was om een transport te laten komen via het [Duits bedrijf] (hierna: [Duits bedrijf] ), een bedrijf dat sinds 1 november 2013 op naam was gekomen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] .

In november 2014 werd op naam van [Duits bedrijf] een zeecontainer, [nummer 1] , met als deklading 600 zakken kokosnoten, vanuit de Dominicaanse Republiek via de haven van Antwerpen naar Nederland gebracht. In de vier deurstijlen van deze container zat in totaal 22 kilo cocaïne verstopt, per deurstijl 11 blokken van een halve kilo.

Na verscheping van de container worden originele documenten verstuurd naar [Duits bedrijf] , de zogeheten [lading] . Deze BL-nummers zijn een unieke code die bij de desbetreffende container horen enzijn nodig om de container in te klaren. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] hebben een inklaarder gezocht, het [bevrachtingskantoor] te Antwerpen.

De container is op 27 november 2014 in de haven van Antwerpen ingeklaard en werd door verdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) opgehaald. Om de containers te kunnen ophalen is een bedrijf opgericht door verdachte en [medeverdachte 4] , [bedrijf] . Verdachte en [medeverdachte 4] hebben een trekker gehuurd. In Rotterdam is een containeroplegger gehuurd. Vervolgens zijn verdachte en [medeverdachte 4] naar Antwerpen gereden. In de haven van Antwerpen moest de chauffeur, [medeverdachte 4] , een test doen. Omdat hij daarvoor zakte, kreeg hij de container niet mee. [medeverdachte 5] heeft toen contact gezocht met de inklaarder en afgesproken dat de container van het haventerrein zou worden opgehaald en naar een bedrijf zou worden gebracht buiten het haventerrein. De dag daarop heeft [medeverdachte 4] de container opgehaald en naar de loods in [plaats 4] gebracht. Daar zijn de deurstijlen opengemaakt door [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ), de ‘lasser’, en is de cocaïne verwijderd.

Transport van maart 2015

Over dit transport heeft verdachte verklaard4 dat in februari/maart 2015 op naam van [Duits bedrijf] drie zeecontainers, genummerd [nummer 1] , [nummer 1] en [nummer 1] , vanuit de Dominicaanse Republiek zijn verscheept naar de haven van Antwerpen waarbij in de deurstijlen in totaal 66 kilo cocaïne zat verstopt. Ook nu was de officiële lading een partij kokosnoten.

Na inklaring, opnieuw door het [bevrachtingskantoor] , zijn de containers met een gehuurde vrachtauto, [kenteken 1] , en drie opleggers, [kenteken 2] , [kenteken 3] en [kenteken 4] , opgehaald door [medeverdachte 4] en verdachte van [bedrijf] en [persoon 1] van [transportbedrijf] .

De 1e container is door [medeverdachte 4] en verdachte naar [pleegplaats 1] gebracht waar in een gehuurde loods de cocaïne uit de deurstijlen is gehaald door [medeverdachte 7] , dezelfde lasser als bij het transport van november 2014. Omdat er kennelijk ruzie ontstond met de vaste huurder van de loods zijn de 2e en 3e container naar [plaats 5] vervoerd, naar een loods van het [bedrijf 1] , op het [bedrijventerrein] . Daar is de cocaïne verwijderd door [medeverdachte 7] .

Een deel van de kokosnoten is naar [plaats 6] gebracht en achtergelaten op het erf van de ouders van [medeverdachte 6] , en later verkocht aan [bedrijf 2] te [plaats 7] .

Steunbewijs

Naar aanleiding van de verklaringen van verdachte heeft nader onderzoek plaatsgevonden. Medeverdachten en getuigen zijn gehoord. Er is onder andere onderzoek gedaan in de administratie van [Duits bedrijf] en in de aangetroffen en inbeslaggenomen laptops van verdachte en van [medeverdachte 6] . Daaruit is het volgende naar voren gekomen.

Verklaringen medeverdachten

De verklaringen van verdachte zijn gedetailleerd en concreet. Hetgeen hij verklaart over deze transporten komt in grote lijnen en op essentiële punten overeen met de verklaringen van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] .

Zo bevestigt [medeverdachte 4] de gang van zaken rondom het transport van maart 2015. Hij moest een veiligheidsexamen doen op het douaneterrein in Antwerpen. Omdat hij daarvoor zakte, kreeg hij de container niet mee.5 Over het transport van november 2014 verklaart [medeverdachte 4] dat het klopt wat [medeverdachte 5] daar over heeft verklaard.6

[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij directeur/aandeelhouder was van [Duits bedrijf] en dat hij door financiële problemen betrokken is geraakt bij cocaïnesmokkel. Het idee kwam van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] . Hij vertelt over besprekingen bij het [hotel 1] in [plaats 8] , bij de [eetgelegenheid] in [pleegplaats 1] en een [eetgelegenheid 1] in de buurt van [plaats 1] en [plaats 9] . Er werd een inklaarder gezocht en transport moest worden geregeld. Hij zou €50.000,-- krijgen, maar kreeg 1,2 kilo cocaïne, die versneden was.7

[medeverdachte 6] heeft in een laat stadium, op 14 april 2016, een verklaring afgelegd dat hij directeur/ aandeelhouder was van [Duits bedrijf] , dat het bedrijf in financiële moeilijkheden raakte, dat [medeverdachte 1] toen met het idee kwam om kokosnoten uit de Dominicaanse Republiek te importeren en op die manier 22 kilo cocaïne te smokkelen. Hij verklaart over een bespreking bij de [eetgelegenheid 1] in [plaats 9] . De container is in november 2014 gearriveerd en werd opgehaald door een oom van [medeverdachte 1] . Hij zou voor zijn medewerking €50.000,-- krijgen, maar kreeg 1,2 kilo cocaïne. Die wilde hij niet hebben. [medeverdachte 1] zou toen het geld van [medeverdachte 6] meenemen als inzet bij het volgende transport. [Duits bedrijf] was inmiddels op naam gekomen van [persoon 2] , maar toen die plotseling dood ging, heeft [medeverdachte 6] geregeld dat de containers uit de haven van Antwerpen konden worden gehaald. [medeverdachte 6] heeft ook de kokosnoten verkocht aan [bedrijf 2] .8

Overig steunbewijs met betrekking tot het transport van november 2014:

 E-mail-verkeer tussen [medeverdachte 6] namens [Duits bedrijf] , en [persoon 3] namens [bevrachtingskantoor] , d.d. 11 november 2014, betreffende de inklaringsprocedure en douaneafhandeling.9

 Factuur van [Duits bedrijf] , [plaats 10] , aan [bedrijf 5] , [plaats 11] , d.d. 24 november 2014, Rechnungs-Nr. [factuurnummer] , voor de levering van een partij kokosnoten voor een totaalbedrag van € 11.235,--, afleveradres: [adres 1] [plaats 4] .10

 Factuur van [bedrijf 6] aan [Duits bedrijf] , d.d. 28 oktober 2014, [factuurnummer] , voor de levering van 600 sacos de coco categoria 40, voor een bedrag van totaal € 2.695,38.11

 Een Certificado Fitosanitario, [factuurnummer] , gedateerd Noviembre 12, 2014, bestemd voor [Duits bedrijf] , met betrekking tot 600 sacos / 18.000 kgs coco, marcas distintivas [nummer 2] .12

 Bill of Lading, [BL nummer] , ontvangende partij [Duits bedrijf] , [plaats 10] , met betrekking tot de 40-feet container [nummer 2] met 600 bags dry coconut, shipped on board op 11 oktober 2014.13

 Via het HARC-team van de Belastingdienst/Douane is de gebruikte container [nummer 2] achterhaald en fysiek onderzocht.14 Daarbij is het volgende vastgesteld:

  • -

    aan de boven- en onderkant van de verticale kokerbalken was roestvorming te zien;

  • -

    aan de boven- en onderkant van de verticale kokerbalken was duidelijk te zien dat daar opnieuw verf is aangebracht;

  • -

    met name aan de bovenkant van de verticale kokerbalken waren lassporen te zien.

Deze container is in gebruik genomen op 1 januari 2012 en sindsdien zijn diverse reparatierapporten opgesteld, maar laswerkzaamheden zijn nooit nodig geweest.

Bij het onderzoek is door middel van een haakse slijper de bovenkant van de vier kokerbalken en één onderkant opengeslepen. De deurstijlen bleken alle vier hol te zijn.

[verdachte] heeft nog verklaard over een vettige substantie (“grease”) waarmee de kokerbalken zouden zijn afgevuld. Bij het onderzoek is een vettige substantie achtergebleven op de sjorband die bij het onderzoek is gebruikt aan de binnenkant van de deurstijlen.

Overig steunbewijs met betrekking tot het transport van maart 2015:

 Factuur van [bevrachtingskantoor] , [factuurnummer] , d.d. 11 maart 2015, geadresseerd aan [Duits bedrijf] , [plaats 10] , met betrekking tot 3 containers met elk 575 boxes coconuts.15

 Original Bill of Lading, [BL nummer] , geadresseerd aan [Duits bedrijf] , [plaats 10] , met betrekking tot 3 containers met elk 575 dozen coconuts.16

 [huurovereenkomst] , d.d. 12 maart 2015, op naam van [bedrijf] , [plaats 1] , voor de huur van een voertuig met [kenteken 2] , met bijbehorende factuur.17

 [huurovereenkomst] , d.d. 13 maart 2015, op naam van [bedrijf] , [plaats 1] , voor de huur van een voertuig met [kenteken 3] , met bijbehorende factuur.18

 [huurovereenkomst] , d.d. 13 maart 2015, op naam van [bedrijf] , [plaats 1] , voor de huur van een voertuig met [kenteken 4] , met bijbehorende factuur.19

 [huurovereenkomst 1] , d.d. 12 maart 2015, op naam van [bedrijf] , [plaats 1] , voor de huur van een voertuig met [kenteken 1] .20

 De gehuurde vrachtauto met [kenteken 1] was voorzien van een GPS-systeem. De gegevens van dat systeem zijn neergelegd in een zogeheten movement report. Die gegevens tijdens de verhuurperiode van 12 maart 2015 tot en met 15 maart 2015 sluiten aan bij de verklaringen van [verdachte] , [medeverdachte 4] en getuige [persoon 1] over de gemaakte vervoersbewegingen.21

 Bij het inleveren van de containers bij [Depot] te Antwerpen is schade vastgesteld aan de container [nummer 3] , te weten: “dirty floor, cut corner plate, rusted roof corrugated, rusted front header PI”.22

 Een van de bij het transport van maart 2015 gebruikte containers, [nummer 4] , is fysiek onderzocht.23 Daarbij is het volgende vastgesteld:

  • -

    er is roestvorming aan de boven- en onderzijde van de verticale kokerbalken;

  • -

    met name aan de bovenzijde van de kokerbalken was te zien dat verf was aangebracht;

  • -

    met name aan de bovenzijde van de verticale kokerbalken waren lassporen te zien.

De kokerbalken bleken hol, hadden een afmeting van 255 x 9 x 4,5 en een inhoud van 10.327,5 cm3.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot, en de daadwerkelijke invoer van, een partij van 22 kilo cocaïne in november 2014, en een partij van 66 kilo cocaïne in maart 2015, als bedoeld in de Opiumwet.

Dat geen cocaïne is aangetroffen is naar het oordeel van de rechtbank geen beletsel om tot bewezenverklaring te komen. In de eerste plaats valt uit de hierboven aangehaalde verklaringen van zowel [verdachte] als [medeverdachte 5] af te leiden dat het daadwerkelijk om cocaïne ging, maar daarnaast is ook de geschetste gang van zaken volstrekt zinloos als het niet om cocaïne zou gaan.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de invoer van 400 kilo cocaïne uit de Dominicaanse Republiek

De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft in de verhoren bij de politie -zakelijk weergegeven- over de voorgenomen import van drugs uitgebreid en gedetailleerd verklaard.24 Zakelijk weergegeven heeft hij verklaard dat er in 2015 een partij van 400 kilo cocaïne klaar lag in de Dominicaanse Republiek. Deze partij zou worden verscheept vanuit de Dominicaanse Republiek naar de haven in Antwerpen en zou worden verborgen in de bodem van de container met een vracht kokosnoten. Vervolgens zou de partij met vrachtwagens vervoerd worden naar een plek in Nederland. De contacten over de invoer van de cocaïne verliepen tussen [medeverdachte 1] en verdachte enerzijds en twee mannen afkomstig uit [plaats 1] anderzijds. De mannen werkten in opdracht van een zekere [persoon 7] (dezelfde personen als bij de eerdere transporten). De container zou door [Duits bedrijf] , waarvan verdachte in die periode de eigenaar was, worden ingevoerd en vervolgens worden getransporteerd naar een plek in Nederland. Voor het gebruiken van de bedrijfsnaam van [Duits bedrijf] zou een vergoeding worden betaald door de mannen. De mannen uit [plaats 1] zouden er voor zorgen dat de cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek werd verscheept naar Antwerpen.

In [plaats 1] heeft verdachte van de mannen informatie over het transport gekregen. Hij is daar samen met [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) naar toe gereden. [medeverdachte 3] heeft niet deelgenomen aan het gesprek met de mannen uit [plaats 1] , maar wist wel dat verdachte en [medeverdachte 1] samen met de mannen cocaïne importeerden. De exacte data van invoer kende hij niet. Er zijn tot 18 september 2015 verschillende ontmoetingen geweest waarin afspraken zijn gemaakt over het transport van de 400 kilo cocaïne. In mei 2015 hebben [medeverdachte 1] en verdachte een ontmoeting gehad met de mannen in [plaats 1] . Op een parkeerplaats is €33.000 aan de mannen overhandigd als inzet van [medeverdachte 1] voor 3 kilo cocaïne uit het transport van de 400 kilo. Later in mei is dit bedrag in overleg met de twee mannen uit [plaats 1] teruggehaald door [medeverdachte 1] . In mei heeft er nog een ontmoeting plaatsgevonden tussen beide mannen en [medeverdachte 1] en verdachte bij een tankstation in [plaats 1] .

De deal met betrekking tot de invoer van 400 kilo cocaïne en de deelname van [medeverdachte 1] en verdachte is beklonken op 16 september 2015 in de woning van [medeverdachte 1] in [woonplaats medeverdachte 1] . Daar waren [medeverdachte 1] , verdachte en de twee mannen uit [plaats 1] aanwezig. Afspraak was dat [medeverdachte 1] uit het transport 60 kilo cocaïne zou krijgen en zijn plan was nog eens 10 kilo bij te zetten. De rest van de 400 kilo cocaïne zou naar de andere investeerders gaan. [medeverdachte 1] en verdachte zouden €100.000 naar de mannen in [plaats 1] brengen in het kader van de voorbereiding van het transport. De bedoeling was de drugs in de laatste week van september 2015 te versturen zodat ze in de tweede of derde week van oktober zouden aankomen in Antwerpen.

In het kader van de voorbereidingen van het onderhavige transport heeft verdachte, in overleg met [medeverdachte 1] , in de periode 1 mei 2015 tot 18 september 2015 gesprekken gevoerd met de chauffeur [persoon 1] over het vervoer van de lading vanuit Antwerpen naar Nederland. Als inklaarder zou opnieuw [bevrachtingskantoor] in Antwerpen worden benaderd. Er zou een lasser uit [plaats 5] worden ingeschakeld om de cocaïne uit de bodem te halen. Het was de bedoeling dat verdachte een loods in Nederland zou huren waar de lading naar toe gebracht kon worden. Hij heeft hierover met zijn vader overleg gevoerd. [medeverdachte 4] was nog niet betrokken bij dit specifieke transport. Hij heeft wel aangegeven dat hij graag weer voor [medeverdachte 1] en verdachte wilde rijden omdat hij geld nodig had.

De voorbereidingen ten aanzien van de invoer van 400 kilo zijn door de aanhoudingen van verdachten op 18 september 2015 gestopt. Van een onderweg zijnd transport is in het onderzoek niet gebleken.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt onder feit 1 onder meer verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de invoer van 400 kilo cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek. De vraag die de rechtbank in dit verband dient te beantwoorden is of de door [verdachte] afgelegde verklaringen -waaruit eenduidig naar voren komt dat verdachte genoemde handelingen tezamen met anderen heeft gepleegd- in voldoende mate steun vinden in ander bewijsmateriaal en dat deze verklaringen van [verdachte] derhalve verifieerbaar en controleerbaar zijn.

In de periode vanaf 13 mei 2014 tot de aanhouding van verdachte op 18 september 2015 zijn er in het kader van het opsporingsonderzoek onder meer telefoons getapt, observaties uitgevoerd en is er met behulp van een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie (OVC) tussen verdachte en medeverdachten of derden opgenomen.

De rechtbank constateert dat in de in het procesdossier uitgeschreven OVC-gesprekken tussen verdachte en medeverdachten permanent sprake is van versluierd taalgebruik. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit bewust is gedaan om de werkelijke inhoud en doel van die gesprekken te maskeren.

Er worden in gesprekken die vanaf april 2015 zijn opgenomen woorden/uitdrukkingen gebruikt als: "geld inzetten, meezetten”, “Dominicaan”, “container sturen”, “mijn eigen lijn”, “blokken”, “transporteren”, “dat geld van die drie terug kan”, “geld ophalen”, “zaterdag gelijk naar broers”, “drie containers, 150 duizend”, “huur transportbedrijf”, “goede lasser hebben” en “als vierhonderd komen”.25 Ondanks het versluierde taalgebruik zijn de gebruikte woorden en uitdrukkingen naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar te herleiden tot de door [verdachte] in zijn verklaringen geschetste gang van zaken met betrekking tot het beoogde transport van 400 kilo cocaïne in september/oktober 2015 vanuit de Dominicaanse Republiek naar Antwerpen en de doorvoer van dat transport naar Nederland. Daarbij komt dat [verdachte] tijdens de verhoren is geconfronteerd met specifieke OVC-gesprekken en dat hij in zijn reacties26 daarop naadloos en gedetailleerd wist aan te geven om welke handelingen of gebeurtenissen met betrekking tot het bedoelde transport het gaat.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte vindt ook steun in de door hem in juni 2015 gevoerde gesprekken met zijn [vader]27 en de observatie op 23 juni 2015, toen is gezien dat hij samen met zijn vader een loods in Oldemarkt bekijkt28. Deze objectieve onderzoeksgegevens stroken met de door [verdachte] afgelegde verklaring dat hij overleg heeft gehad met zijn vader bij het zoeken naar een loods en sluit voorts aan bij het opgenomen OVC-gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] van 11 mei 2015 waarin laatstgenoemde aangeeft dat de vader van verdachte gewoon een plek kan regelen.29

Ook de verklaring van verdachte dat hij in het kader van de voorbereiding op het transport contact heeft gehad met de beoogde transporteur [persoon 1] is verifieerbaar. Op 13 mei, 23 juni en 2 september 2015 vinden er gesprekken plaats tussen verdachte en [persoon 1] over een komend transport van een lading kokosnoten. Deze gesprekken zijn uitgeschreven en bevinden zich in het procesdossier.30

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank de raadsman van verdachte dan ook niet volgen in zijn betoog dat er onvoldoende steunend bewijs is voor de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen die hij ter terechtzitting onverkort heeft bevestigd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdacht zich, tezamen met anderen, heeft schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van 400 kilo cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne uit Colombia

De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft in de verhoren bij de politie -zakelijk weergegeven- over de voorgenomen import van drugs uitgebreid en gedetailleerd verklaard.31 Zo heeft hij verklaard dat [medeverdachte 1] in 2014 twee of drie keer naar Colombia is geweest en daar activiteiten begon te ontplooien voor het opzetten van een cocaïnelijn. Hij had een eigen contact in Colombia voor een coke-deal. In Colombia fungeerde [persoon 4] als tolk. [persoon 4] kon via zijn familie 50 kilo coke regelen en [medeverdachte 1] zou vervolgens naar Colombia reizen om de cocaïne te inspecteren. [medeverdachte 1] nam steeds een bedrag van net geen €10.000 mee naar Colombia om geen problemen op het vliegveld te krijgen. Verdachte heeft via verschillende kantoren van Western Union geld overgemaakt naar [medeverdachte 1] in Colombia. Op de tweede reis naar Colombia heeft [medeverdachte 1] de bankpas van verdachte meegenomen. Verdachte zorgde ervoor dat er voldoende geld op de rekening stond zodat [medeverdachte 1] kon pinnen. De cokedeal in Colombia is uiteindelijk niet doorgegaan.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd in het kader van de invoer van cocaïne uit Colombia. Hoewel de rechtbank op zich geen aanleiding ziet de verklaringen van verdachte in twijfel te trekken, vinden deze verklaringen in onvoldoende mate steun in ander bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

De rechtbank zal verdachte derhalve van dit onderdeel van feit 1 van de tenlastelegging vrijspreken.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de uitvoer naar Zweden van amfetamine en/of cocaïne

De verklaringen van [verdachte]

heeft in de verhoren bij de politie verklaard over het voorbereiden van export van cocaïne en amfetamine naar Zweden. Daarbij waren [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en hijzelf betrokken. [medeverdachte 3] kwam veel in Zweden, kende Zweden goed en heeft daar een heel netwerk opgebouwd. Soms was hij daar meerdere maanden achtereen. [medeverdachte 3] had een appartement in Stockholm, aan [adres 2] , ondergehuurd van een Zweedse man. [verdachte] wijst deze woning aan op Google maps.32 [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn de enigen geweest die contact hebben gehad met de Zweden.

[verdachte] met betrekking tot amfetamine

Volgens [verdachte] zou de export van amfetamine (speed) naar Zweden zo’n 10 jaar geleden zijn begonnen.33 Eerst ging er kant en klare speed naar Zweden. Die was gemaakt in het laboratorium bij [medeverdachte 2] . Later, nadat het lab bij [medeverdachte 2] was opgerold, werden de grondstoffen naar Zweden gebracht en werd de speed daar gemaakt. Het ging dan om A-olie. [medeverdachte 2] had een manier bedacht om de A-olie in plastic flessen te doen zodanig dat de seal intact blijft. Niemand kan zien dat die fles open is geweest. Er is op die manier zeker 5 keer A-olie naar Zweden gebracht, steeds 6 liter per keer. Dat is goed om 20 kilo speed te maken. [verdachte] heeft zo zelf een keer 6 liter A-olie naar Zweden gebracht. Dat was samen met [medeverdachte 3] .

Andere grondstoffen betroffen methanol en zwavelzuur. Die werden in grote hoeveelheden per auto naar Zweden gebracht. Methanol is ook brandstof voor radiografisch bestuurbare autootjes. Dat was een hobby van [persoon 5] (hierna: [persoon 5] ). [persoon 5] had meerdere malen methanol geleverd. Ook de autootjes werden van [persoon 5] geleend, om een verhaal te hebben bij de douane.

In Zweden werd de speed gemaakt en verkocht door [medeverdachte 3] , [verdachte] en [persoon 6] .

[medeverdachte 1] financieerde de grondstoffen.

De Zweedse klanten maakten geld over door middel van Money Transfers van Western Union. Daar waren verschillende personen bij betrokken, onder andere ene [persoon 7] , volgens [verdachte] een groot afnemer van speed. Ontvangers in Nederland waren onder andere [verdachte] zelf, [medeverdachte 3] en [persoon 5] . Het geld is ook wel eens opgehaald in Kopenhagen, door [medeverdachte 1] , [verdachte] en [persoon 8] .

[verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] van de speedhandel in Zweden 50% van de winst zou krijgen.34

Steunbewijs met betrekking tot amfetamine

De verklaringen van [verdachte] over de export van amfetamine naar Zweden worden onder meer ondersteund door het volgende.

 Een OVC-gesprek van 18 april 201535 tussen [medeverdachte 3] en [persoon 9] , over drugshandel, speed, A-olie, halve liter opsturen naar Zweden.

 Een OVC-gesprek van 22 april 201536 tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] , over o.a. A-olie, zwavel, methadon, maken van speed:

[medeverdachte 1] : (…) Ook al koop je voor 30. We gaan maken en brengen die drie kilo, met a olie.

[medeverdachte 1] : (…) Ja, maar ik zeg precies tegen jou, ik breng de spullen, jij brengt de a.

[verdachte] : Ja.

[medeverdachte 1] : lk breng zwavel en methadon [de rechtbank begrijpt: methanol].

 [persoon 5] heeft verklaard37 dat hij meerdere malen methanol heeft geleverd en dat ze wel eens een radiogestuurde auto van hem hebben meegenomen. Die gebruikte methanol. [persoon 5] verklaart voorts dat hij een pasje van Western Union had. Hij is misschien twee keer betrokken geweest bij moneytransfers tussen Nederland en Zweden, uitgevoerd door Western Union. Op 9 februari stelde [persoon 10] vanuit Zweden een bedrag ter waarde van 16.500 Zweedse Kronen aan hem ter beschikking. Hij had daar contact over met [verdachte] . Hij had het geld naar hem toe gebracht. [medeverdachte 1] was er ook wel eens bij geweest omdat hij altijd samen met [verdachte] was. Het geld kwam ook wel eens van [persoon 11] .

 Uit een proces-verbaal van bevindingen38 blijkt dat op 29 oktober 2015 bij een doorzoeking een mobiele telefoon in beslag werd genomen die volgens [verdachte] in gebruik was bij [medeverdachte 1] . Deze telefoon is ontsleuteld door het NFI. In deze telefoon stond de volgende notitie: [persoon 7] [adres 3] . Deze heeft als enige een deurbel beneden bij de deur. [persoon 12] [adres 4] . Trap op middelste deur.

 Uit opgevraagde gegevens van Western Union39 over periode februari/maart 2015 komen diverse overboekingen op naam van [verdachte] (of op naam van katvangers) naar voren

 Uit tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 3] een tijd in Zweden is verbleven. Via Western Union boekt hij diverse malen een bedrag over zoals blijkt uit de opgevraagde gegevens.40 Namen die daarbij naar voren komen zijn: [persoon 7] , [persoon 13] en [persoon 11] . Veel van die transacties blijven net onder de meldgrens van 10.000 Zweedse Kronen.41

 [De broer van medeverdachte 3] verklaart42 dat hij money transfers van zijn broer [medeverdachte 3] kreeg. Het geld kwam als het goed is uit Zweden.

 Op 18 september 2015 zijn doorzoekingen verricht43 op het [adres 5] te [woonplaats medeverdachte 1] en [adres 6] te [woonplaats medeverdachte 1] , verblijfplaatsen van [medeverdachte 3] . Daarbij zijn onder meer in beslag genomen een treinticket Hamburg-Kopenhagen v.v. d.d. 15- 07-2015 en een nota van verblijf te Hamburg.

 In een inbeslaggenomen telefoon44 op een verblijfadres van [medeverdachte 3] staan in de contactenlijst onder andere [persoon 7] , [persoon 13] en [persoon 11] . Ook wordt zijn naam genoemd in combinatie met [persoon 11] (Zweeds contact) in sms-berichten van een inbeslaggenomen telefoon van [verdachte] .

 [medeverdachte 3] verklaarde45 dat hij in december 2014 met de trein naar Stockholm is gegaan. Een tijdje na hem kwam [verdachte] naar Zweden. [medeverdachte 3] verklaarde in december 2012, in 2013 en eind 2014 in Zweden te zijn geweest.

[verdachte] met betrekking tot cocaïne

[verdachte] heeft -zakelijk weergegeven- verklaard46 dat een deel van de geïmporteerde cocaïne naar Zweden is gegaan. Het ging om versneden coke, die door [medeverdachte 1] en hem werd versneden. De Zweden gaven op enig moment aan belangstelling te hebben voor cocaïne. Op verzoek van [medeverdachte 1] is [verdachte] toen naar Zweden gevlogen om de deal in gang te zetten. [medeverdachte 3] was daar al. [medeverdachte 3] had de contacten maar was volgens [medeverdachte 1] niet de man om de afspraken te maken.

De bedoelíng van de Zweden was om per kilo af te nemen en dit dan 1 à 2 keer per maand. [verdachte] heeft toen gesproken met iemand genaamd [persoon 14] en een vriend. Eind augustus 2015 zijn [persoon 14] en een andere vriend naar Nederland gekomen. [verdachte] heeft hen, samen met [medeverdachte 3] , opgehaald bij Schiphol. De reden waarom de twee Zweedse mannen naar Nederland waren gekomen, was om geld te brengen, 100.000 Zweedse kronen, dat is ongeveer €10.000,-, en om nadere afspraken te maken. De Zweden betaalden €55,- per gram cocaïne. De cocaïne was voor 35% versneden. De coke is aan verschillende personen in Zweden verkocht.

[verdachte] vertelt verder dat hij wel eens 400 gram cocaïne heeft meegenomen naar Zweden om daar te verkopen. Dat is toen niet gelukt. Hij heeft de resterende cocaïne toen in Duitsland afgeleverd.

Steunbewijs met betrekking tot cocaïne

 Uit een proces-verbaal van bevindingen47 blijkt dat er op l4 augustus 2015 door twee personen uit Zweden een ontmoeting heeft plaatsgevonden met [verdachte] en [medeverdachte 3] . Dat was bij het [hotel 2] op Schiphol. Het betrof twee personen uit Zweden genaamd [persoon 14] en [persoon 15] .

Rechtshulpverzoeken Zweden

Het Internationaal Rechtshulp Centrum Noord Nederland48 ontving bij brief met bijlagen d.d. 9 december 2015, het antwoord van de Zweedse autoriteiten op een rechtshulpverzoek. Gemeld worden de bevindingen inzake een op 1 september 2015 verrichte doorzoeking ter inbeslagneming op het [adres 2] in de regio Stockholm (de door [medeverdachte 3] gehuurde woning). Bij die doorzoeking zijn o.a. inbeslaggenomen:

- beperkte hoeveelheden drugs (o.a. XTC);

- twee plastic jerrycans van 20 liter met markeringen 'Methanol 99%' en 'Netherlands';

- een telefoonkaart uit Nederland, aangetroffen in de vrachtwagen van betreffende verdachte [persoon 16] ;

- een kopie van een Western Union-moneytransfer ad SEK 25.000 d.d. 8/6 naar Nederland:.

Afzender: [medeverdachte 3] of [medeverdachte 3] , [geboortedatum medeverdachte 3] en [ontvanger] , bedrag: €.2.250.

Voorts zijn via een rechtshulpverzoek foto’s ontvangen van een aantal Zweedse ingezetenen. Van deze fotomap herkent [verdachte]49 [persoon 7] (foto 36), een grote afnemer van speed die in Stockholm woonde. De persoon op foto 37 wordt herkend als [persoon 13] . Hij was een klant van [medeverdachte 3] en heeft zelf veel speed verhandeld in Zweden. Ook [persoon 11] (foto 39) wordt herkend door [verdachte] . [persoon 11] heeft hoeveelheden coke afgenomen en in de loop van de tijd meerdere kilo's speed. De persoon op foto 40 wordt door [verdachte] herkend als de man die ook in [pleegplaats 2] is geweest met de hem bekende [persoon 14] ( [persoon 15] ). De persoon op foto 41 wordt herkend als de genoemde [persoon 14] . Deze [persoon 14] is in [pleegplaats 2] geweest en heeft in Zweden 10 kilo's speed afgenomen en heeft later speed leren maken. [medeverdachte 3] heeft dit aan hem geleerd.

Via een rechtshulpverzoek is voorts een aantal Zweedse ingezetenen gehoord door de Nederlandse politie. Het gaat om [persoon 10] , [persoon 11] , [persoon 7] , [persoon 17] , [persoon 13] en [persoon 16] . Voor zover dezen betrokken waren bij het sturen van money transfers, hebben zij verklaard dat dat te maken had met speelschulden of de aanschaf van een gitaar.

[persoon 7] herkent [verdachte] en [medeverdachte 3] van een foto.

[persoon 16] verklaarde50 dat de woning aan [adres 2] van hem is, maar dat hij er niet zoveel heeft gewoond. Hij kent geen [medeverdachte 3] . Hij herkent [medeverdachte 3] van een foto, maar hij noemt hem [bijnaam medeverdachte 3] . Hij wist niet dat hij [medeverdachte 3] heet. [medeverdachte 3] heeft vier keer in zijn appartement gewoond. Hij komt van oorsprong uit Marokko, gelooft hij.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat de verklaringen van [verdachte] over de export naar Zweden van amfetamine en cocaïne onder meer worden ondersteund door OVC-gesprekken, tapgesprekken, money transfers vanuit Zweden, de inbeslagname van voorwerpen in Nederland en in een door [medeverdachte 3] gehuurde woning in Stockholm en de resultaten van rechtshulpverzoeken.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het buiten het grondgebied van Nederland brengen, te weten naar Zweden, van amfetamine en cocaïne. De rechtbank zal verdachte van het meer of anders ten laste gelegde vrijspreken.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van verdovende middelen naar de Bondsrepubliek Duitsland

De verklaringen van [verdachte]

heeft verklaard over het voorbereiden van export van cocaïne naar de Bondsrepubliek Duitsland. Bij de transporten waren hijzelf, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] betrokken. Een deel van de geïmporteerde cocaïne is naar Duitsland gegaan. Vaste afnemer daar is [persoon 18] uit [plaats 12] .51 Er werd geleverd in partijen van 500 gram of 1000 gram per keer. De man uit Duitsland heeft een kleine 2 jaar cocaïne gekocht van [medeverdachte 1] .52

[verdachte] en [medeverdachte 1] versneden de cocaïne zelf; 1,5 tot 2 kilo pure cocaïne werd versneden tot 3 kilo. 53 Dat werd verkocht voor €35,- de gram.

[verdachte] verklaart dat de cocaïnelijn naar Duitsland van hem was. Hij kende [persoon 18] via zijn [broer van verdachte] . [medeverdachte 1] financieerde en deelde mee in de winst.54 Het is begonnen in 2013. In 2015 ging 500 gram tot 1 kilo cocaïne per keer naar Duitsland.55 Er ging ook wel weed naar [persoon 18] , maar dat waren aparte transporten vanwege de risicospreiding.

[medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ) is een contact van [medeverdachte 6] .56 [medeverdachte 8] reed 1 tot 2 keer in de maand coke naar Duitsland. Hij kreeg daar €1000,- per keer voor.

[medeverdachte 1] en [verdachte] maakten de cocaïne klaar, dat was een halve kilo of hele kilo per keer. Zij huurden een auto voor [medeverdachte 8] of hij ging met zijn eigen auto. Hij had de cocaïne in de auto. [medeverdachte 6] en [verdachte] reden er in de [auto 1] van [medeverdachte 6] achteraan. Zij hebben dit vijf à zes keer gedaan.

[verdachte] berekent dat 1 kilo versneden cocaïne €20.000 kost. Dat werd verkocht voor €35.000. Na aftrek van onkosten werd de opbrengst verdeeld, 50/50 tussen hem en [medeverdachte 1] of, als [medeverdachte 6] meedeed, 1/3.

Er werd ook wel cocaïne verkocht aan een oom van [medeverdachte 1] , genaamd [naam 1] . Die woonde in Duitsland en nam het mee terug als hij in Nederland op familiebezoek was geweest. Dat ging om ongeveer 300 gram.

[verdachte] vertelt verder dat hij wel eens 400 gram cocaïne heeft meegenomen naar Zweden om daar te verkopen. Dat is toen niet gelukt. Hij heeft de resterende cocaïne toen in Duitsland afgeleverd, bij [persoon 18] .

Steunbewijs

 Uit afgetapte telefoongesprekken op 26 mei 2015 komt naar voren dat [verdachte] naar Duitsland gaat, en als hij terug is heeft hij geld.

 Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt57 dat uit tapgesprekken, OVC-gesprekken en observaties het volgende kan blijken. Op 29 mei 2015 is [verdachte] , tezamen met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] naar [plaats 12] in Duitsland geweest. [verdachte] en [medeverdachte 6] zaten samen in een auto. [medeverdachte 8] reed in een door [verdachte] gehuurde auto voorop. In [plaats 12] had [verdachte] een afspraak met een klant, een onbekende man. Alvorens men naar Duitsland ging trof [verdachte] nog enige voorbereidingen, hij had een vacuümmachine en zakken voor een vacuümmachine nodig.

 Bij een observatie op 21 juli 2015 wordt gezien dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [verdachte] een ontmoeting hebben met [medeverdachte 8] en een onbekende man.

 Bij een observatie op 16 juli 2015 wordt gezien dat [verdachte] een ontmoeting heeft in Havelte met 2 mannen in een auto met een Duits nummerbord. Een van de mannen is [persoon 18] .

 OVC-gesprek van 4 september 201558: [verdachte] zit in de auto en is telefonisch in gesprek:

[verdachte] : kom morgen in [plaats 12] (…) ben met [medeverdachte 6] dan (…) binnenkort is het feest.

 OVC- gesprek59 van 31 augustus 2015; [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 6] zitten in een auto. [medeverdachte 6] en [verdachte] praten over dat die Duitser gek wordt. [medeverdachte 6] vraagt of hij niks anders wil, [verdachte] zegt dat hij ook wel een kilo coke wil, maar hij eerst een kilo weed wil. [medeverdachte 6] zegt dat hij vanavond naar hem toegaat in [plaats 1] .

 Uit gesprekken blijkt dat er auto's door [medeverdachte 6] werden gehuurd op naam van [medeverdachte 8] .60

 Tapgesprek van 26 mei 2015: [verdachte] wordt gebeld door [broer van verdachte] :

[verdachte] : Ik heb nu een hele goede man, een oude man van 65, net pak, die gaat dat doen.

 [broer van verdachte] verklaart dat hij [verdachte] in contact heeft gebracht met [persoon 18] . Hij wist dat [persoon 18] mensen kende die weed wilden hebben.

 Verdachte [medeverdachte 3]61 verklaart dat hij in december 2014 naar Stockholm is gegaan. Een tijdje na hem kwam [verdachte] naar Zweden. Die had coke bij zich. Vervolgens zijn zij met de trein naar Duitsland gegaan. Die coke heeft [verdachte] uiteindelijk in Duitsland verkocht. Mogelijk aan [persoon 18] .

 Uit forensisch onderzoek blijkt62 dat in de telefoon in gebruik bij [medeverdachte 6] in de notities relevante financiële gegevens staan betreffende betalingen. Ook verwijderde notities. Hierin staat onder andere [persoon 18] afgelost 11000 en de [namen A en B] met geldbedragen en hoeveelheid grammen.

 Voorts blijkt van intensief telefoonverkeer en sms-verkeer tussen de [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , in gebruik bij [verdachte] , en het [telefoonnummer 3] , in gebruik bij [persoon 18] .63

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat de verklaringen van [verdachte] over de export van cocaïne naar Duitsland worden ondersteund door onder meer OVC-gesprekken, tapgesprekken en het uitlezen van de telefoon van [medeverdachte 6] . Daarnaast is er een observatie waarbij [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 8] naar [plaats 12] gaan, naar een klant.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het buiten het grondgebied van Nederland brengen, te weten naar Duitsland, van cocaïne. De rechtbank zal verdachte van het meer of anders ten laste gelegde vrijspreken.

Onder feit 3 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd:

- (het medeplegen van) drugshandel (cocaïne en/of amfetamine) in Nederland.

Verdachte heeft verklaard -zakelijk weergeven- dat [medeverdachte 1] de door hem verkregen cocaïne op meerdere plekken heeft verborgen64en vervolgens in kleinere hoeveelheden -van 100 gram tot meerdere kilo’s- heeft doorverkocht aan verschillende afnemers. Een deel hiervan is in Nederland afgezet.65 In 2015 is er bij benadering wel een bedrag van 1,5 tot 2 miljoen door [medeverdachte 1] omgezet.66

Op 18 september 2015 hebben er zoekingen plaatsgevonden onder meer in de woning van [medeverdachte 1] aan het [adres 7] te [woonplaats medeverdachte 1] . Tijdens deze zoeking werd een laptop van het merk Levono, type G50-70 in beslaggenomen. Deze laptop is onderzocht door het Team Digitale Expertise Noord Nederland. Op de digitale bestanden zijn lijsten met daarop getallen, hoeveelheden, bedragen, namen en initialen aangetroffen. Deze bestanden zijn door de verbalisanten aangeduid als ‘het kasboek’.67

Verdachte is over het kasboek gehoord door de verbalisanten en heeft -zakelijk weergegeven- verklaard dat het zijn laptop betreft en dat hij het kasboek beheerde. Hij heeft uitleg gegeven over de getallen, namen en afkortingen die in het kasboek zijn opgenomen.68 Het betreft de administratie van [medeverdachte 1] , aldus verdachte, waarbij het gaat om afnemers van drugs, vooral cocaïne, die het verschuldigde bedrag voor de door [medeverdachte 1] geleverde drugs niet gelijk betaalden. In het kasboek staan de bedragen opgenomen die de verschillende afnemers van drugs aan [medeverdachte 1] nog verschuldigd zijn voor de leveringen door [medeverdachte 1] .69Verdachte heeft ten aanzien van een aantal in het kasboek vermelde afnemers aangegeven welke drugs, hoeveelheden en in welke frequentie door ieder van hen werden gekocht en afgenomen.70 Deze personen zijn door de politie gehoord en geven bijna allemaal aan [medeverdachte 1] en verdachte te kennen71. Een aantal van hen ( [persoon 19] , [persoon 20] en [persoon 6] ) geeft aan drugs van [medeverdachte 1] en/of verdachte te hebben gekocht of gekregen.72[persoon 21] heeft verklaard dat er bij hem in huis onder meer cocaïne en speed werd bewaard en dat er vanuit zijn woning werd gedeald door onder andere [persoon 22] en dat hij denkt dat [persoon 22] dat deed voor [medeverdachte 1] .73[persoon 22] is volgens de verklaring van verdachte in het kasboek opgenomen.74

Verdachte heeft verder in zijn verklaringen een aantal personen genoemd die relatief grote hoeveelheden cocaïne van [medeverdachte 1] hebben afgenomen en daarvoor direct contant hebben betaald. Deze personen zijn dus niet opgenomen in het kasboek.75

Verdachte heeft ten aanzien van de verschillende personen verklaard over de hoeveelheden, vergoedingen voor de cocaïne en de frequentie van de leveringen. Één van die afnemers is volgens verdachte een persoon genaamd [afnemer] . In zijn verklaring geeft verdachte aan dat [medeverdachte 1] en hij deze [afnemer] in Arnhem 2 kilo cocaïne heeft geleverd. [afnemer] heeft hiervoor €54.000 betaald. [medeverdachte 1] en verdachte zijn vervolgens rechtstreeks naar een garagebedrijf in Apeldoorn gereden en hebben daar een Mini Cooper voor de vriendin van [medeverdachte 1] gekocht, aldus verdachte.76 In het procesdossier bevindt zich een app-bericht van [medeverdachte 1] aan zijn vriendin waarin een foto van verdachte met een stapel bankbiljetten is opgenomen en waarin het gesprek gaat over de aankoop van een Mini Cooper .77

In 2015 zijn er in het kader van het opsporingsonderzoek onder meer telefoons getapt en OVC-gesprekken opgenomen tussen verdachte met of over medeverdachten.78 In deze gesprekken worden hoeveelheden en bedragen genoemd en termen gebruikt als “geld daarvoor” “tientje korting” “alles betalen” “hoeveelheid meegenomen” en “spul teruggebracht”.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, op grond van het bovenstaande, het medeplegen van drugshandel (cocaïne) in Nederland wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met een verwijzing naar de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig tegenover de verbalisanten heeft bekend en hij onverkort bij de eerder afgelegde bekentenis is gebleven.

Onder 4 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd:

- de deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van bepaalde misdrijven van de Opiumwet (artikel 11b van de Opiumwet) en het plegen van misdrijven (van de Wet wapens en munitie en (gewoonte)witwassen) als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt als volgt

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat een organisatie een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Hierbij is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van de betreffende misdrijven van de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en (gewoonte)witwassen.

De rechtbank is van oordeel dat de groep rondom [medeverdachte 1] kan worden aangemerkt als een criminele organisatie. Er is sprake van een gestructureerd samenwerkingsverband met een hiërarchische structuur en een duidelijke rolverdeling die aansluit bij de specifieke expertise van de verschillende personen.

De zeven verdachten in het opsporingsonderzoek [naam onderzoek] vormen de vaste kern van de criminele organisatie. Er is sprake van duurzaamheid: gedurende zo'n 2½ jaar blijft de groep bij elkaar, met uitzondering van [medeverdachte 5] die na december 2014 eruit stapt danwel aan de kant wordt gezet. Er zijn intensieve, onderlinge contacten, zowel per telefoon als in persoon.79

[verdachte] heeft verschillende verklaringen afgelegd over de hiërarchische structuur en de rolverdeling.80

[medeverdachte 1] is de leider. Dat verklaart [verdachte] , maar wordt ook door anderen bevestigd.81 In een proces-verbaal van bevindingen noteren verbalisanten op 3 augustus 2012: "Wij hoorden [medeverdachte 1] zeggen: Ik ben de baas van hun."82 [medeverdachte 1] financiert de cocaïnetransporten.83

[verdachte] is de rechterhand van [medeverdachte 1] en fungeert als boekhouder. Hij heeft verstand van bedrijven en is onder andere betrokken bij de oprichting van [bedrijf] , [bedrijf 7] en [bedrijf 8] . [verdachte] beheert de digitale administratie, het kasboek. In een tapgesprek op 8 mei 2015 zegt [medeverdachte 1] op de vraag van iemand hoeveel hij nog moet betalen: "Dat weet [verdachte] . Ik weet het niet (….). Hij heeft alles genoteerd."84

[medeverdachte 2] lijkt wat meer aan de zijlijn te staan, maar zijn legale bedrijf in [plaats 13] speelt een belangrijke rol als ontmoetingsplek en stash voor geld en drugs. In een tapgesprek van 4 augustus 2015 zegt [medeverdachte 1] : "Laatst met [medeverdachte 2] , ik zeg pak even van mijn geld, twee!" Voorts zou [medeverdachte 2] volgens [verdachte] veel verstand hebben van het productieproces voor synthetische drugs (speed en xtc). En in een tapgesprek van 22 augustus 2015 zegt [medeverdachte 1] : "Op boerderij heb ik ook verstopt, ja toch?"85

[medeverdachte 3] is belangrijk voor de lijn naar Zweden. Verder bewaarde hij drugs en wapens voor [medeverdachte 1] , en is hij vaak chauffeur.

[medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] zijn als eigenaren van [Duits bedrijf] faciliterend voor de import van cocaïne.

Daarnaast is [medeverdachte 6] , samen met [verdachte] , grotendeels verantwoordelijk voor de lijn naar Duitsland.

[medeverdachte 4] speelt als vrachtwagenchauffeur een kleine, maar essentiële rol bij het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de containers waarin de cocaïne zat verborgen.

Er is sprake van een zeer professionele werkwijze binnen het criminele samenwerkingsverband.

Dat blijkt onder meer uit de eerder genoemde digitale administratie, het 'kasboek', en uit het gebruik van PGP-telefoons.

Daarnaast worden verschillende bedrijven gebruikt als dekmantel om de criminele activiteiten te verhullen:

- [Duits bedrijf] : voor het binnenhalen van de cocaïnetransporten;

- [bedrijf] : voor het ophalen van de containers;

- [bedrijf 7] : om legaal inkomen te creëren en geld wit te wassen;

- [bedrijf 9] : naast de reguliere, legale activiteiten wordt het bedrijf van [medeverdachte 2] gebruikt als ontmoetingsplek en als stash voor geld en drugs;

- [bedrijf 8] : voor de import van cocaïne door middel van houtskool uit Ecuador.

De criminele organisatie rondom [medeverdachte 1] heeft als oogmerk het plegen van misdrijven met betrekking tot de Opiumwet:

- invoer en uitvoer van drugs (voornamelijk cocaïne en speed);

- drugshandel in Nederland;

- fabriceren drugs (amfetamine, MDMA);

en daarnaast het (gewoonte)witwassen van de daarmee gegenereerde opbrengsten.

De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie tevens het oogmerk had op de handel in wapens

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de bewijsmiddelen/-overwegingen die zijn gebruikt voor de bewezenverklaarde feiten onder 1, 2, 3 en 5 alsmede op wat hierna wordt overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (witwassen en/of gewoontewitwassen) en bepaalde misdrijven van de Opiumwet. De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie tevens het oogmerk had op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 26 en/of 31 van de Wet wapens en munitie. Van dit onderdeel zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Onder feit 5 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd:

- (het medeplegen van) (gewoonte)witwassen.

Het wettelijk kader

Volgens vaste jurisprudentie86 is voor de beoordeling van witwassen vereist dat het betreffende voorwerp of betreffende voorwerpen, middellijk of onmiddellijk afkomstig is of zijn uit enig misdrijf. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag vervolgens van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp of de voorwerpen. Indien een dergelijke verklaring door de verdachte niet kan worden gegeven, kan de rechter concluderen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een legale herkomst heeft, en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Als het gaat om verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf, wordt van de verdachte van witwassen een handeling gevergd die erop is gericht om zijn eigen criminele opbrengsten veilig te stellen. De verdachte dient het voorwerp dan niet alleen maar te hebben verworven of voorhanden te hebben gehad, maar zijn gedragingen dienen ook gericht te zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Dat geldt niet voor die gevallen waarin sprake is van voorwerpen die ‘middellijk’ afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf doordat deze direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen.

Bij de beantwoording van de vraag of een voorwerp onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, kan mede van belang zijn hetgeen met voldoende concretisering door verdachte is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben van dit door eigen misdrijf verkregen voorwerp.

De rechtbank overweegt als volgt

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van geldbedragen die hij heeft gebruikt voor de in de tenlastelegging opgenomen bestedingen.

Ter terechtzitting heeft verdachte erkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen ten aanzien van deze geldbedragen. Hij heeft ter terechtzitting verklaard de betreffende bestedingen te hebben gedaan en te hebben geweten dat dit geld afkomstig was uit de handel in verdovende middelen, waaraan hij deelnam.

De raadsman heeft aangevoerd dat het gaat om gelden uit eigen misdrijf van verdachte en dat weliswaar de transporten van cocaïne werden verhuld, maar niet de gelden die in de tenlastelegging zijn opgenomen. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De rechtbank stelt vast dat de -in de tenlastelegging opgenomen- door hem verworven geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf, de opbrengsten uit de handel in verdovende middelen. Om het illegale karakter van die handel voor de opsporingsinstanties te maskeren is door verdachte -die binnen de criminele organisatie belast was met het regelen van de praktische zaken- onder meer gebruik gemaakt van geregistreerde ondernemingen ( [Duits bedrijf] en [bedrijf] ), zogenaamde money-transfers waarbij ook katvangers zijn gebruikt, versluierd taalgebruik in gesprekken over de handel in verdovende middelen, verschillende locaties om de opbrengsten uit die handel in verdovende middelen te verbergen en van PGP-telefoons waarmee versleutelde berichten kunnen worden verzonden.87 Aangenomen dient te worden dat de opbrengsten van verdachte uit die handel contant en niet geregistreerd aan hem zijn verstrekt. Door met deze door hem verworven contante geldbedragen uit de handel in verdovende middelen vervolgens op verschillende momenten relatief geringe contante, in de tenlastelegging opgenomen, geldbedragen te gebruiken om de genoemde bestedingen te doen, wordt naar het oordeel van de rechtbank, mede in het licht van de hiervoor vermelde handelwijze om buiten het zicht van opsporingsinstanties te blijven, de daadwerkelijke herkomst van deze geldbedragen door verdachte bewust verhuld.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen met betrekking tot de hieronder bewezenverklaarde voorwerpen.

Onder feit 6 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd:

- ( het medeplegen van) het voorhanden hebben en overdragen van wapens en munitie .

In de periode 18 september 2015 tot en met 25 november 2015 hebben diverse doorzoekingen plaatsgevonden waarbij wapens en/of munitie zijn aangetroffen.

Voorts zijn bij zoekingen in het water van 22 tot en met 26 februari 2016 een wapen, onderdelen van wapens en munitie aangetroffen.

Verdachte heeft in de verhoren bij de politie uitgebreid en gedetailleerd verklaard over zowel zijn eigen betrokkenheid als die van anderen, onder wie medeverdachten, bij de aangetroffen wapens en munitie. Ter terechtzitting heeft verdachte zijn verklaringen onverkort gehandhaafd.

Gelet daarop acht de rechtbank het feit onder 6 wettig en overtuigend bewezen en volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2017.

2. naar wettelijk voorschrift opgemaakte processen-verbaal van Politie Noord-Nederland, Dienst Regionale Recherche, Team Wapens, Munitie en Explosieven, met bijlagen, alle d.d. 17 februari 2016.88

3. naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland, Dienst Regionale Recherche, Team Forensische Opsporing, met bijlagen, d.d. 21 maart 2016.89

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015 in Nederland en/of in België en/of in de Bondsrepubliek Duitsland en/of in Zweden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens om een feit

als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het verkopen, afleveren, vervoeren binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne en/of amfetamine,

voor te bereiden,

- anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, mede te plegen, en/of om

daarbij behulpzaam te zijn en

- zich en/of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en zijn mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen:

- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en al dan niet in versluierd taalgebruik telefoongesprekken en besprekingen en onderhandelingen gevoerd met en inlichtingen en aanwijzingen en opdrachten gegeven aan zijn mededaders en/of anderen, om die cocaïne en/of die amfetamine, te kopen en in ontvangst te nemen en betreffende de wijze waarop die cocaïne en/of die amfetamine, zouden worden gekocht en/of geleverd en/of afgenomen en/of (naar Nederland) zouden worden vervoerd en/of verder vervoerd en

- een grote hoeveelheid geld voorhanden gehad en uitgegeven om het transport te

financieren en

- transporteurs benaderd voor het regelen van transport van de containers uit Antwerpen en

- mededaders en anderen benaderd en betaald en/of van geld en/of middelen voorzien om die cocaïne en/of die amfetamine, in ontvangst te nemen en/of te vervoeren, en

- een lasser gevraagd de bergplaatsen in de containers waarin die cocaïne waren

verborgen met behulp van lasapparatuur open te maken

een en ander heeft betrekking op:

- 22 kilo cocaïne en/of

- 66 kilo cocaïne;

2.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 november 2014 tot en met 30 april 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk vanuit de Dominicaanse Republiek en vanuit België binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid cocaïne, te weten een partij van ongeveer 22 kilo en een partij van ongeveer 66 kilo, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I;

3.

hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I;

4.

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel10a, eerste lid

van de Opiumwet en

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het Wetboek van

Strafrecht;

5.

hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, telkens

voorwerpen, te weten

- geldbedragen gebruikt voor betaling nota's aan dienstverleners, betalingen

naar het buitenland, betaling huur woonruimte, vakanties en levensonderhoud

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte telkens wist, dat de genoemde voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf,

hebbende verdachte van bovengenoemd witwassen een gewoonte gemaakt;

6.

hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens

- wapens van categorie II, te weten vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren, te

weten een Skorpion en een Kalashnikov, en

- wapens van categorie III, te weten pistolen en

- een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten patronen,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door:

een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen en/of daar bij behulpzaam te zijn en

zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en

voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

meermalen gepleegd;

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd;

3. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd;

4. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet

en

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

5. gewoontewitwassen;

6. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, en artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en de feiten begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Daarnaast heeft hij gevorderd onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte in beslaggenomen (vuur)wapens en verbeurdverklaring van de overige strafvorderlijk en conservatoir inbeslaggenomen voorwerpen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er bij de strafbepaling rekening mee dient te worden gehouden dat verdachte schoon schip heeft gemaakt en met zijn coöperatieve houding bij het opsporingsonderzoek. De gevolgen die hij hierdoor heeft ondervonden zijn zwaar. Hij heeft zijn voorlopige hechtenis vanwege de veiligheidsrisico’s moeten doorbrengen in zware beperkingen en ook daarna kon hij nog steeds niet gaan en staan waar hij zou willen. Hij heeft zijn les geleerd. Een hernieuwde detentie zal wederom onder eerdergenoemde zware omstandigheden plaatsvinden, hetgeen inhumaan moet worden geacht, aldus de raadsman. De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, min of meer gelijk aan het voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling met name rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft ruim twee en een half jaar deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten met betrekking tot harddrugs, waaronder invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek (via België) naar Nederland en voorbereidingshandelingen voor (verdere) invoer van cocaïne en export van cocaïne en amfetamine naar Duitsland en Zweden. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Verder heeft verdachte automatische vuurwapens, pistolen en munitie voorhanden gehad en overgedragen.

Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven als hiervoor genoemd en de overige misdrijven een ernstige en ontoelaatbare ondermijning van de rechtsorde betekenen. Hiertegen dient dan ook hard te worden opgetreden.

Het gaat hier om een professionele drugsorganisatie, waarbij verdachte als rechterhand van de leider [medeverdachte 1] fungeerde. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen en dat gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Van de handel in verdovende middelen is bovendien algemeen bekend dat dit steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit. Daarnaast mag niet onvermeld blijven dat de voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van drugs de negatieve beeldvorming van Nederland in het buitenland op het gebied van haar drugsbeleid versterkt.

Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld. Door de vermenging van illegaal geld met legale geldstromen wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstig schade toegebracht.

Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk enkel gehandeld uit eigen financieel gewin en, gelet op zijn verklaring, uit een behoefte aan spanning en avontuur.

Tot slot had verdachte de beschikking over automatische vuurwapens - namelijk een Skorpion en een Kalashnikov-, pistolen en munitie. Het voorhanden hebben van (vuur)wapens en bijbehorende munitie brengt grote veiligheidsrisico’s met zich mee. In dit verband wijst de rechtbank op het schietincident op 16 september 2015 in de woning van [medeverdachte 1] , dat volgens verdachte maar net goed is afgelopen. Het ongecontroleerde bezit van (vuur)wapens met munitie verhoogt het risico op levensbedreigende geweldsdelicten. Het bezit en het gebruik van (vuur)wapens en munitie zijn vanwege de daaraan verbonden gevaarzetting misdrijven die stevig dienen te worden bestraft.

Ondanks het feit dat verdachte geen voor deze strafzaak relevant strafblad heeft, rechtvaardigen deze feiten op zichzelf zonder meer een flinke onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank overweegt hierbij dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren op zijn plaats is. De rechtbank zal daartoe in dit bijzondere geval niet overgaan en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft vrijwel meteen na zijn aanhouding zijn volledige medewerking verleend aan het lopende politieonderzoek en heeft in niet geringe mate bijgedragen aan het succesvol afronden ervan. Hij heeft meerdere belastende verklaringen over zichzelf en zijn medeverdachten afgelegd en heeft aldus in belangrijke mate bijgedragen aan het opsporingsonderzoek naar de betrokkenheid van de medeverdachten bij voornoemde strafbare feiten, die veelal niet of slechts summier hebben willen verklaren.

Verdachte heeft sterk nadelige gevolgen ondervonden door te verklaren zoals hij heeft gedaan. Door zijn verklaringen heeft hij serieuze bedreigingen ontvangen en om zichzelf in veiligheid te brengen heeft verdachte beschermende maatregelen van justitie in moeten roepen. Hierdoor is zijn leven drastisch veranderd. Verdachte is ruim 13 maanden voorlopig gehecht geweest en heeft zijn detentie, uit veiligheidsoverwegingen, onder uitermate beperkende omstandigheden moeten doorbrengen, hetgeen hem zeer zwaar is gevallen. Na de schorsing van deze hechtenis heeft hij als bedreigde verdachte zijn leefomgeving moeten verlaten en zal daar, naar het zich laat aanzien, voor langere tijd of misschien wel nooit meer terug kunnen keren. Ter terechtzitting is gebleken dat voorgaande situatie nog steeds actueel is.

Gezien eerder geschetste bijzondere omstandigheden als ernstig bedreigde verdachte danwel gedetineerde, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van voormelde duur geen rechtdoet aan een juiste rechtstoepassing. De rechtbank zal alles afwegende, verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank zal het inbeslaggenomen horloge bewaren voor de rechthebbende nu deze thans niet bekend is.

De rechtbank zal geen beslissing nemen over de overige onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, nu op deze voorwerpen conservatoir beslag is gelegd in het kader van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en de officier van justitie heeft aangegeven tegen verdachte een ontnemingsvordering te zullen dienen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 56, 57, 63, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen horloge:

- Cartier.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter,

mr. H.H.A. Fransen en mr. R. Depping, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 augustus 2017.

1 PD [medeverdachte 2] , pag. 82 e.v.

2 PD [medeverdachte 2] , pag. 100

3 PD [medeverdachte 2] , pag. 116 e.v.

4 PD [medeverdachte 2] , pag. 134 e.v.

5 PD [medeverdachte 4] , pag. 302

6 PD. [medeverdachte 4] , pag. 390-4 en 390-5

7 PD [medeverdachte 5] , pag. 60 t/m 70

8 PD [medeverdachte 6] , pag. 260-0 t/m 262-11

9 FDO, map 19, pag. 353 en 354

10 ZD 1, bijlage 2

11 PD [medeverdachte 2] , pag. 212, bijlage 4B

12 PD [medeverdachte 2] , pag. 214, bijlage 4D

13 PD [medeverdachte 2] , pag. 215, bijlage 4E

14 AH-382, map AH-14, pag. 4534-4577

15 PD. [medeverdachte 4] , pag.283, bijlage II

16 PD [medeverdachte 2] , pag. 213, bijlage 4C

17 PD [medeverdachte 4] , pag. 292 en 293, bijlage I

18 PD [medeverdachte 4] , pag. 294 en 295, bijlage II

19 PD [medeverdachte 4] , pag. 296 en 297, bijlage III

20 PD [medeverdachte 4] , pag. 298, bijlage IV

21 AH-178, map 11, pag. 3773-3798

22 PD [persoon 1] , pag. 178, bijlage

23 AH-366, map 13, pag. 4456 t/m 4481

24 PD [medeverdachte 2] , pag. 100 en 193 e.v.

25 ZD 3, pag. 35 e.v.

26 ZD 3, pag. 17 e.v.

27 ZD 3, pag.25

28 ZD 3, pag. 28

29 ZD 3, pag. 50

30 ZD 3, pag. 22 e.v.

31 PD [medeverdachte 2] , pag. 100 en 193 e.v.

32 PD [medeverdachte 2] , pag. 321 en 322

33 PD [medeverdachte 2] , pag. 164 e.v.

34 PD [medeverdachte 2] , pag. 437

35 ZD 4.2., pag. 14, bijl 2

36 ZD 4.2., bijl 12

37 ZD 5 PD [persoon 5] , pag. 266 e.v.

38 FDO-009-10-01, B.B. map 22

39 AH-FIN-009

40 AH-FIN-008-009

41 ZD 4.2, pag. 24

42 FDO-001-11

43 IBN-006-01

44 FDO06-01-01 en FDO-09-01-01, B.B. MAP 22.

45 bij rechter-commissaris d.d. 6 december 2016

46 PD [medeverdachte 2] , pag. 125

47 BOB-135-05

48 RHV-008, BB map, pag.171 t/m 545

49 PD [medeverdachte 2] , pag. 187 e.v.

50 Verhoor in Zweden d.d. 24 augustus 2016 d.t.v. RC

51 PD [medeverdachte 2] , pag. 168

52 PD [medeverdachte 2] , pag. 172

53 PD [medeverdachte 2] , pag. 149

54 PD [medeverdachte 2] , pag. 399

55 PD [medeverdachte 2] , pag. 399

56 PD [medeverdachte 2] , pag. 180

57 AH-103, FDO-11-03-03, map 24, pag. 2354-2365

58 ZD 4.1., bijl. 29

59 ZD 4.1, bijl. 16

60 ZD 4.1., bijl. 12

61 verklaring bij rechter-commissaris d.d. 6 december 2016

62 FDO-11-03-03, map 24, pag. 2354-2365

63 ZD 4.1, pag. 40 e.v.

64 PD [medeverdachte 2] , pag. 194 e.v.

65 PD [medeverdachte 2] , pag. 148 e.v. en 392 e.v.

66 PD [medeverdachte 2] , pag. 150

67 ZD 5, map 2, pag. 571 e.v.

68 PD [medeverdachte 2] , pag. 150 e.v.

69 PD [medeverdachte 2] , pag. 150 e.v. en 295 e.v.

70 PD [medeverdachte 2] 295 e.v.

71 ZD 5, pag. 6 e.v.

72 ZD 5, pag. 75 e.v., 162, 456 e.v.

73 PD [naam 2] , pag. 2 e.v.

74 PD [medeverdachte 2] , pag. 296

75 PD [medeverdachte 2] , pag. 172 e.v.

76 PD [medeverdachte 2] , pag. 148

77 PD [medeverdachte 2] , pag. 134 e.v.

78 ZD 5, pag. 193, 209, 228, 351

79 ZD 8, tabellen pag. 60-63

80 PD [medeverdachte 2] , pag. 99-102 en 176-181

81 PD [medeverdachte 6] , pag. 262-01 t/m 262-21

82 AH 196, map 12, pag. 4025-4027

83 PD [medeverdachte 2] , pag. 194-195

84 ZD 8, pag. 148

85 PD [medeverdachte 2] , pag. 204

86 Hoge Raad 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842

87 ZD 8, pag. 74 e.v.

88 map 13, AH-369 tot en met AH-374, pag. 4486 e.v.

89 map 14, AH-386, pag. 4582 e.v.