Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2946

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
18-950041-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft na oprichting ruim twee en een half jaar leiding gegeven aan een criminele organisatie gericht op het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten, waaronder de invoer van harddrugs uit de Dominicaanse Republiek en voorbereidingshandelingen voor (verdere) invoer van cocaïne en export van cocaïne naar Duitsland en Zweden. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de exploitatie van een laboratorium ter vervaardiging van amfetamine en/of MDMA en gewoontewitwassen. Verder heeft verdachte automatische vuurwapens, pistolen en munitie voorhanden gehad en overgedragen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2008-03-26
Wetboek van Strafrecht 63, geldigheid: 2017-03-01
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2012-01-01
Wetboek van Strafrecht 420bis, geldigheid: 2015-01-01
Opiumwet 2, geldigheid: 2006-07-01
Opiumwet 10, geldigheid: 2007-01-01
Opiumwet 10a, geldigheid: 2006-07-01
Opiumwet 11b, geldigheid: 2016-08-01
Wet wapens en munitie 26, geldigheid: 2017-01-01
Wet wapens en munitie 31, geldigheid: 2002-04-01
Wet wapens en munitie 55, geldigheid: 2015-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950041-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

thans verblijvende in het huis van bewaring Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2015, 15 maart 2016, 3 juni 2016, 30 augustus 2016, 22 november 2016, 14 februari 2017, 25 april 2017, 14 juni 2017, 15 juni 2017, 19 juni 2017, 22 juni 2017, 26 juni 2017, 27 juni 2017, 28 juni 2017 en 18 juli 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is bij ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en/of elders in Nederland en/of in België en/of in de Bondsrepubliek Duitsland en/of in Zweden en/of in Colombia, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit

als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA, in elk geval een of meer middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer ander heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/is hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens):

- afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om die cocaïne en/of die amfetamine, althans dat/die middel(en), te kopen en/of in ontvangst te nemen en/of betreffende de wijze waarop die cocaïne en/of die amfetamine en/of die MDMA, althans dat/die middel(en), zou(den) worden gekocht en/of geleverd en/of afgenomen en/of (naar Nederland) zou(den) worden vervoerd en/of verder vervoerd en/of

- een (grote) hoeveelheid geld voorhanden gehad en/of uitgegeven om het transport te financieren en/of

- transporteur(s) benaderd voor het regelen van transport van de containers uit Antwerpen en/of

- een of meer mededaders en/of anderen benaderd en/of betaald en/of van geld en/of (andere) middelen voorzien om die cocaïne en/of die amfetamine, althans dat/die middel(en), in ontvangst te nemen en/of te vervoeren, en/of (andere) hand- en spandiensten verricht en/of

- een lasser gevraagd de bergplaats(en) in de container(s) waarin die cocaïne en/of die amfetamine, althans dat/die middel(en), was/waren verborgen met behulp van lasapparatuur open te branden/maken en/of

- een laboratorium/werkplaats bestemd voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA geëxploiteerd en/of in werking gehad

(een en ander heeft betrekking op:

- ( ZD 1), 22 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne en/of

- ( ZD 2), 66 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne en/of

- ( ZD 3), 400 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne);

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 30 april 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (vanuit de Dominicaanse Republiek en/of vanuit België) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid cocaïne, te weten een partij van ongeveer 22 kilo en/of een partij van ongeveer 66 kilo, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

3.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

4.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, te [pleegplaats 1] , althans in Nederland, (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit (onder meer) [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] ,

welke organisatie (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en/of

- het handelen in strijd met artikel 26 en/of artikel 31 van de Wet wapens en munitie en/of

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het Wetboek van

Strafrecht

terwijl verdachte oprichter, leider en/of bestuurder van die organisatie was;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 140 lid 3 Wetboek van Strafrecht;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

- A.

van een of meer voorwerpen, te weten

- een of meer personenauto's ((onder andere)) een Mercedes AMG, een BMW X6, een Mini Cooper, een motorfiets en/of een quad) en/of

- een of meer geldbedragen ((onder andere) gebruikt voor het betalen van vakanties

van een of meer medeverdachten en/of levensonderhoud) en/of

- kleding en/of sieraden en/of (andere) luxe artikelen en/of

- een of meer artikelen bestemd voor het inrichten van een woning,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of verhuld, dan wel

- B.

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het onder A genoemde

voorwerp(en) was/waren en/of

- C.

heeft verborgen en/of verhuld wie de/het onder A genoemde voorwerp(en) voorhanden

had (den) en/of

- D.

geld heeft geïnvesteerd in de verbouw van een woning en/of de/het onder A genoemde

voorwerp(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of

omgezet en/of van die/dat voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte en/of die mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en)

vermoeden, dat de/het onder A genoemde voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

hebbende verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van

bovengenoemd witwassen een gewoonte gemaakt;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

- een of meer wapens van categorie II, te weten een of meer vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren, te weten een Skorpion en/of een Kalashnikov, en/of

- een of meer wapens van categorie III, te weten een of meer geweren, pistolen en/of

revolvers, en/of

- een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten een aantal patronen,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

art 31 lid 1 Wet wapens en munitie

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Bewijs

Inleidende opmerkingen van de rechtbank

In de loop van 2013 en 2014 komt informatie bij de politie binnen dat [verdachte] uit [plaats 5] zich, samen met anderen, zou bezighouden met handel in verdovende middelen en witwassen. Op 11 april 2014 wordt een opsporingsonderzoek gestart onder de naam [naam onderzoek] . Binnen het onderzoek werd bewijs verzameld door onder andere het tappen van telefoons, het uitvoeren van observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) en het vorderen van diverse gegevens. Het onderzoek [naam onderzoek] kwam in een stroomversnelling toen duidelijk werd dat er op 16 september 2015, tijdens een bijeenkomst van een aantal verdachten in het onderzoek, in de woning van [verdachte] was geschoten met een vuurwapen. Er werd besloten om op 18 september 2015 in te grijpen en tot aanhouding van verdachten over te gaan. Tevens zijn op die datum, en ook later nog, een aantal woningen en panden doorzocht. Op diverse plaatsen werden onder andere (volautomatische) vuurwapens, munitie en drugs inbeslaggenomen. Tevens zijn digitale gegevensdragers en diverse administratieve bescheiden in beslag genomen.

Het opsporingsonderzoek heeft geresulteerd in een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie Eenheid Noord-Nederland, onder de naam " [naam onderzoek] ", [nummer] , bestaande uit 59 ordners, onder meer bevattende zaaksdossiers (hierna: ZD), persoonsdossiers (hierna: PD), ambtshandelingen (hierna: AH), forensisch digitaal onderzoek (hierna: FDO), forensisch technisch onderzoek (hierna: FTO) en dossier inbeslagname (hierna: IBN).

Verdenking

Het onderzoek heeft tot de verdenking geleid dat in georganiseerd verband verschillende misdrijven zijn gepleegd. Kort weergegeven gaat het om de volgende feiten:

- een tweetal transporten van verdovende middelen, van respectievelijk 22 en 66 kilogram cocaïne, vanuit de Dominicaanse Republiek naar Nederland;

- het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet ten aanzien van voornoemde transporten, ten aanzien van een transport van 400 kilogram cocaïne uit de Dominicaanse Republiek, ten aanzien van invoer van cocaïne vanuit Colombia, uitvoer naar Zweden en Duitsland van cocaïne en/of (grondstoffen voor) XTC en/of speed, alsmede de exploitatie van een amfetamine/MDMA-laboratorium;

- de handel (dan wel het aanwezig hebben) van cocaïne in Nederland;

- het voorhanden hebben en overdragen van wapens en/of munitie;

- het (gewoonte)witwassen van geldbedragen en andere voorwerpen;

- oprichten van, leiding geven aan en deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11b van de Opiumwet.

De beschuldiging aan verdachte

Verdachte [verdachte] wordt -samengevat- verweten als oprichter en leider deel uit te hebben gemaakt van een criminele organisatie die zich onder andere bezig hield met het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten - waaronder het voorbereiden en importeren van meerdere harddrugstransporten naar Nederland en export van harddrugs vanuit Nederland naar Zweden en Duitsland, de exploitatie van een amfetamine en/of XTC-laboratorium en drugshandel in Nederland –, het witwassen van de daaruit verkregen opbrengsten en het voorhanden hebben en overdragen van wapens en munitie.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie een

bewezenverklaring van alle feiten gevorderd en op onderdelen partiële vrijspraak.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op gronden als vermeld in de pleitnota expliciet betoogd dat de verdachte terzake van feit 1 op onderdelen (export naar Zweden, voorbereiding import vanuit Colombia, voorbereiding import 400 kg) en van feit 6 (behoudens de pistolen CZ, Browning en Glock 17) dient te worden vrijgesproken.

DE RECHTBANK OVERWEEGT ALS VOLGT

Algemene bewijsoverwegingen

Artikel 6 EVRM

Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) is een van de verdachten die op 18 september 2015 zijn aangehouden. Aanvankelijk heeft [medeverdachte 1] zich op zijn zwijgrecht beroepen, maar in zijn 6e verhoor op 14 oktober 2015 geeft hij aan bereid te zijn “om het hele verhaal aan u te vertellen. Het is alles of niks.”1

Namens verdachte is bepleit dat de bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 1] van het bewijs moeten worden uitgesloten. In de eerste plaats is daartoe onder verwijzing naar de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal terwijl de verdediging [medeverdachte 1] niet op een effectieve manier als getuige heeft kunnen ondervragen. [medeverdachte 1] is, op verzoek van de raadslieden van zijn medeverdachten, als getuige in de zaken tegen die medeverdachten bij de rechter-commissaris gehoord, maar heeft zich bij die gelegenheid op zijn verschoningsrecht beroepen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie, recent nog bevestigd door de Hoge Raad2, geldt dat in de situatie dat een getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt, een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging ontbreekt.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging niet op een behoorlijke en effectieve wijze gebruik heeft kunnen maken van het ondervragingsrecht. Voor dit gebrek is de verdediging niet op enige wijze gecompenseerd. De rechtbank is van oordeel dat het via een videoverbinding kunnen volgen van het verhoor van [medeverdachte 1] door de rechtbank ter gelegenheid van de behandeling van zijn strafzaak niet als voldoende compensatie kan gelden. Het tot bewijs gebruiken van de door [medeverdachte 1] bij de politie afgelegde en de zijn medeverdachten belastende verklaringen zou onder deze omstandigheden in strijd kunnen komen met het bij artikel 6 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Die verklaringen zijn desondanks bruikbaar voor het bewijs, aldus de Hoge Raad, indien de betrokkenheid van verdachte niet in beslissende mate op de verklaringen van deze getuige wordt gebaseerd, maar in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaringen van de getuige die door de verdachte worden betwist.

De rechtbank zal voor de bewezenverklaring van strafbare feiten dan ook slechts die onderdelen van de belastende verklaringen van [medeverdachte 1] gebruiken die in voldoende mate steun vinden in andere, in de bewijsconstructie opgenomen bewijsmiddelen. In zoverre doet de situatie waarop de Vidgen-jurisprudentie ziet, zich in de zaak van verdachte niet voor.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]

Ten tweede is aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] wegens inconsistenties, tegenstrijdigheden en leugens als onbetrouwbaar terzijde moeten worden gesteld.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] betrouwbaar zijn en kunnen worden gebruikt voor het bewijs. [medeverdachte 1] heeft meerdere uitgebreide en zeer gedetailleerde verklaringen afgelegd die voor de politie aanleiding zijn geweest nader onderzoek te verrichten. De inhoud van zijn verklaringen wordt, met name waar het de handelingen en de rol van de medeverdachten betreft, op wezenlijke onderdelen in ruime mate bevestigd door de inhoud van andere bewijsmiddelen, waaronder - voor zover van toepassing opgenomen in de hierna vermelde bewijsmiddelen - tot het bewijs gebezigde tapgesprekken, PGP-berichten en OVC-gesprekken. Verder is van belang dat in die gevallen waarin de verklaringen van [medeverdachte 1] concreet verifieerbaar waren, zij veelal in overeenstemming bleken te zijn met de werkelijkheid.

Naast het feit dat hetgeen [medeverdachte 1] heeft verklaard voor een groot deel wordt bevestigd door overig bewijsmateriaal, merkt de rechtbank op dat [medeverdachte 1] in 37 verhoren nagenoeg volledige openheid van zaken heeft gegeven, waarbij hij ook uitgebreid belastend over zichzelf en zijn eigen aandeel in de strafbare feiten heeft verklaard. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat [medeverdachte 1] op onderdelen heeft doen voorkomen alsof zijn rol minder is geweest dan uit overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid, overweegt de rechtbank dat - al aangenomen dat daarvan in enigerlei mate sprake is geweest - dat niet in zodanige mate afbreuk doet aan de kern van zijn verklaringen dat deze als onbetrouwbaar of ongeloofwaardig zouden moeten worden aangemerkt.

Beoordeling van het bewijs en bewijsmiddelen

Onder feit 1 is verdachte - kort samengevat - tenlastegelegd :

- ( het medeplegen van) voorbereidingshandelingen ten aanzien van de invoer en uitvoer van verdovende middelen, in diverse varianten;

- ( het medeplegen van) voorbereidingshandelingen ten aanzien van de exploitatie van een amfetamine/MDMA-laboratorium.

Onder feit 2 is verdachte - kort samengevat - tenlastegelegd :

- ( het medeplegen van) de import naar Nederland van 22 kilo en 66 kilo cocaïne vanuit de Dominicaanse republiek.

De rechtbank zal hieronder voornoemde feiten in onderdelen bespreken, waarbij elk bewijsmiddel slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor en de invoer van 22 respectievelijk 66 kilo cocaïne.

De verklaringen van [medeverdachte 1]

Vanaf 14 oktober 2015 heeft [medeverdachte 1] onder andere verklaard over cocaïnetransporten die zouden hebben plaatsgevonden. Hij verklaart dat er in november 2014 via de haven van Antwerpen een container is binnengekomen vanuit de Dominicaanse Republiek waarin een hoeveelheid van 22 kilo cocaïne verstopt zat in de balken van de container. In maart 2015 zijn er drie containers binnengekomen waarin per container 22 kilo cocaïne zat verstopt. In beide gevallen was de hoofdlading een partij kokosnoten.3

Transport van november 2014

Uit de verklaringen van [medeverdachte 1]4 blijkt dat verdachte [verdachte] het idee had om zelf een cocaïnelijn te beginnen. Hij werd in contact gebracht met twee mannen uit [plaats 6] , en via hen met een man genaamd [alias 1] die een huis had in de Dominicaanse Republiek en daar contacten had. Er vonden ontmoetingen plaats in Almere, Lelystad en Meppel. Bij de besprekingen waren meestal [verdachte] , medeverdachte [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), medeverdachte [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), de mannen uit [plaats 6] en [medeverdachte 1] zelf aanwezig. Resultaat van de besprekingen was om een transport te laten komen via het Duitse [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ), een bedrijf dat sinds 1 november 2013 op naam was gekomen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] .

In november 2014 werd op naam van [naam bedrijf 1] een zeecontainer, genummerd [nummer] , met als deklading 600 zakken kokosnoten, vanuit de Dominicaanse Republiek via de haven van Antwerpen naar Nederland gebracht. In de vier deurstijlen van deze container zat in totaal 22 kilo cocaïne verstopt, per deurstijl 11 blokken van een halve kilo.

Na verscheping van de container werden originele documenten verstuurd naar [naam bedrijf 1] , de zogeheten Bill of Lading. Deze BL-nummers zijn een unieke code die bij de desbetreffende container horen en zijn nodig om de container in te klaren. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] hebben een inklaarder gezocht, het bevrachtingskantoor [naam kantoor] te Antwerpen.

De container is op 27 november 2014 in de haven van Antwerpen ingeklaard en werd door medeverdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) opgehaald. Om de containers te kunnen ophalen is een bedrijf opgericht door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , [naam transportbedrijf 1] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] hebben een trekker gehuurd. In Rotterdam is een containeroplegger gehuurd. Vervolgens zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] naar Antwerpen gereden. In de haven van Antwerpen moest de chauffeur, [medeverdachte 4] , een test doen. Omdat hij daarvoor zakte, kreeg hij de container niet mee. [medeverdachte 5] heeft toen contact gezocht met de inklaarder en afgesproken dat de container van het haventerrein zou worden opgehaald en naar een bedrijf zou worden gebracht buiten het haventerrein. De dag daarop heeft [medeverdachte 4] de container opgehaald en naar een loods in [plaats 7] gebracht. Daar zijn de deurstijlen opengemaakt door [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ), de ‘lasser’, en is de cocaïne verwijderd.

Transport van maart 2015

Over dit transport heeft [medeverdachte 1] verklaard5 dat in februari/maart 2015 op naam van [naam bedrijf 1] drie zeecontainers, genummerd [nummer] , [nummer] en [nummer] , vanuit de Dominicaanse Republiek zijn verscheept naar de haven van Antwerpen waarbij in de deurstijlen in totaal 66 kilo cocaïne zat verstopt. Ook nu was de officiële lading een partij kokosnoten.

Na inklaring, opnieuw door het bedrijf [naam kantoor] , zijn de containers met een gehuurde vrachtauto, [kenteken] , en drie opleggers, kentekens [kenteken] en [kenteken] , opgehaald door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] van [naam transportbedrijf 1] en [naam transporteur] van [naam transportbedrijf 2] .

De 1e container is door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] naar [pleegplaats 1] gebracht waar in een gehuurde loods de cocaïne uit de deurstijlen is gehaald door [medeverdachte 7] , dezelfde lasser als bij het transport van november 2014. Omdat er kennelijk ruzie ontstond met de vaste huurder van de loods zijn de 2e en 3e container naar [plaats 8] vervoerd, naar een loods van het bedrijf [naam bedrijf 2] van [medeverdachte 7] , op het bedrijventerrein aan [adres 1] . Daar is de cocaïne verwijderd door [medeverdachte 7] .

Een deel van de kokosnoten is naar [plaats 9] gebracht en achtergelaten op het erf van de ouders van [medeverdachte 6] , en later verkocht aan [bedrijf 1] te [plaats 10] .

Steunbewijs

Naar aanleiding van de verklaringen van [medeverdachte 1] heeft nader onderzoek plaatsgevonden. Medeverdachten en getuigen zijn gehoord. Er is onder andere onderzoek gedaan in de administratie van [naam bedrijf 1] en in de aangetroffen en inbeslaggenomen laptops van [medeverdachte 1] en van [medeverdachte 6] . Daaruit is het volgende naar voren gekomen.

Verklaringen medeverdachten

De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn gedetailleerd en concreet. Hetgeen hij verklaart over deze transporten komt in grote lijnen en op essentiële punten overeen met de verklaringen van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] .

Zo bevestigt [medeverdachte 4] de gang van zaken rondom het transport van maart 2015. Hij moest een veiligheidsexamen doen op het douaneterrein in Antwerpen. Omdat hij daarvoor zakte, kreeg hij de container niet mee.6 Over het transport van november 2014 verklaart [medeverdachte 4] dat het klopt wat [medeverdachte 5] daar over heeft verklaard.7

[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij directeur/aandeelhouder was van [naam bedrijf 1] en dat hij door financiële problemen betrokken is geraakt bij cocaïnesmokkel. Het idee kwam van [verdachte] en [medeverdachte 6] . Hij vertelt over besprekingen bij het Van der Valk hotel in Zwolle, bij de McDonalds in Meppel en een Kentucky Fried Chicken in de buurt van Almere en Lelystad. Er werd een inklaarder gezocht en transport moest worden geregeld. Hij zou €50.000,-- krijgen, maar kreeg 1,2 kilo cocaïne, die versneden was.8

[medeverdachte 6] heeft in een laat stadium, op 14 april 2016, een verklaring afgelegd dat hij directeur/ aandeelhouder was van [naam bedrijf 1] , dat het bedrijf in financiële moeilijkheden raakte, dat [verdachte] toen met het idee kwam om kokosnoten uit de Dominicaanse Republiek te importeren en op die manier 22 kilo cocaïne te smokkelen. Hij verklaart over een bespreking bij de Kentucky Fried Chicken in Lelystad. De container is in november 2014 gearriveerd en werd opgehaald door een oom van [verdachte] . Hij zou voor zijn medewerking €50.000,-- krijgen, maar kreeg 1,2 kilo cocaïne. Die wilde hij niet hebben. [verdachte] zou toen het geld van [medeverdachte 6] meenemen als inzet bij het volgende transport. [naam bedrijf 1] was inmiddels op naam gekomen van [naam persoon 1] , maar toen die plotseling dood ging, heeft [medeverdachte 6] geregeld dat de containers uit de haven van Antwerpen konden worden gehaald. [medeverdachte 6] heeft ook de kokosnoten verkocht aan [bedrijf 1] .9

Overig steunbewijs met betrekking tot het transport van november 2014:

 E-mail-verkeer tussen [medeverdachte 6] namens [naam bedrijf 1] , en [naam medewerker] namens [naam kantoor] , d.d. 11 november 2014, betreffende de inklaringsprocedure en douaneafhandeling.10

 Factuur van [naam bedrijf 1] aan [organisatie 1] , d.d. 24 november 2014, Rechnungs-Nr. [nummer] , voor de levering van een partij kokosnoten voor een totaalbedrag van € 11.235,--, afleveradres: [adres 2] .11

 Factuur van [organisatie 2] aan [naam bedrijf 1] d.d. 28 oktober 2014, Factura [nummer] , voor de levering van 600 sacos de coco categoria 40, voor een bedrag van totaal € 2.695,38.12

 Een Certificado Fitosanitario, [nummer] , gedateerd Noviembre 12, 2014, bestemd voor [naam bedrijf 1] , met betrekking tot 600 sacos / 18.000 kgs coco, marcas distintivas [nummer]13

 Bill of Lading, BL- [nummer] , ontvangende partij [naam bedrijf 1] , met betrekking tot de 40-feet container [nummer] met 600 bags dry coconut, shipped on board op 11 oktober 2014.14

 Via het HARC-team van de Belastingdienst/Douane is de gebruikte container [nummer] achterhaald en fysiek onderzocht.15 Daarbij is het volgende vastgesteld:

  • -

    aan de boven- en onderkant van de verticale kokerbalken was roestvorming te zien;

  • -

    aan de boven- en onderkant van de verticale kokerbalken was duidelijk te zien dat daar opnieuw verf is aangebracht;

  • -

    met name aan de bovenkant van de verticale kokerbalken waren lassporen te zien.

Deze container is in gebruik genomen op 1 januari 2012 en sindsdien zijn diverse reparatierapporten opgesteld, maar laswerkzaamheden zijn nooit nodig geweest.

Bij het onderzoek is door middel van een haakse slijper de bovenkant van de vier kokerbalken en één onderkant opengeslepen. De deurstijlen bleken alle vier hol te zijn.

[medeverdachte 1] heeft nog verklaard over een vettige substantie (“grease”) waarmee de kokerbalken zouden zijn afgevuld. Bij het onderzoek is een vettige substantie achtergebleven op de sjorband die bij het onderzoek is gebruikt aan de binnenkant van de deurstijlen.

Overig steunbewijs met betrekking tot het transport van maart 2015:

 Factuur van [naam kantoor] , factuurnummer [nummer] , d.d. 11 maart 2015, geadresseerd aan [naam bedrijf 1] , met betrekking tot 3 containers met elk 575 boxes coconuts.16

 Original Bill of Lading, BL-nummer [nummer] , geadresseerd aan [naam bedrijf 1] , met betrekking tot 3 containers met elk 575 dozen coconuts.17

 Huurovereenkomst [naam verhuurder 1] ., d.d. 12 maart 2015, op naam van [naam transportbedrijf 1] , [plaats 6] , voor de huur van een voertuig met [kenteken] , met bijbehorende factuur.18

 Huurovereenkomst [naam verhuurder 1] ., d.d. 13 maart 2015, op naam van [naam transportbedrijf 1] , [plaats 6] , voor de huur van een voertuig met [kenteken] met bijbehorende factuur.19

 Huurovereenkomst [naam verhuurder 1] ., d.d. 13 maart 2015, op naam van [naam transportbedrijf 1] , [plaats 6] , voor de huur van een voertuig met [kenteken] , met bijbehorende factuur.20

 Huurovereenkomst [naam verhuurder 2] , d.d. 12 maart 2015, op naam van [naam transportbedrijf 1] , [plaats 6] , voor de huur van een voertuig met [kenteken] .21

 De gehuurde vrachtauto met [kenteken] was voorzien van een GPS-systeem. De gegevens van dat systeem zijn neergelegd in een zogeheten movement report. Die gegevens tijdens de verhuurperiode van 12 maart 2015 tot en met 15 maart 2015 sluiten aan bij de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en getuige [naam transporteur] over de gemaakte vervoersbewegingen.22

 Bij het inleveren van de containers bij [adres 3] te Antwerpen is schade vastgesteld aan de container [nummer] , te weten: “dirty floor, cut corner plate, rusted roof corrugated, rusted front header PI”.23

 Een van de bij het transport van maart 2015 gebruikte containers, [nummer] , is fysiek onderzocht.24 Daarbij is het volgende vastgesteld:

  • -

    er is roestvorming aan de boven- en onderzijde van de verticale kokerbalken;

  • -

    met name aan de bovenzijde van de kokerbalken was te zien dat verf was aangebracht;

  • -

    met name aan de bovenzijde van de verticale kokerbalken waren lassporen te zien.

De kokerbalken bleken hol, hadden een afmeting van 255 x 9 x 4,5 en een inhoud van 10.327,5 cm3.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot, en de daadwerkelijke invoer van, een partij van 22 kilo cocaïne in november 2014, en een partij van 66 kilo cocaïne in maart 2015, als bedoeld in de Opiumwet.

Dat geen cocaïne is aangetroffen is naar het oordeel van de rechtbank geen beletsel om tot bewezenverklaring te komen. In de eerste plaats valt uit de hierboven aangehaalde verklaringen van zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] af te leiden dat het daadwerkelijk om cocaïne ging, maar daarnaast is ook de geschetste gang van zaken volstrekt zinloos als het niet om cocaïne zou gaan.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de invoer van 400 kilo cocaïne uit de Dominicaanse Republiek

De verklaringen van [medeverdachte 1]

heeft in de verhoren bij de politie - zakelijk weergegeven - over de voorgenomen import van drugs uitgebreid en gedetailleerd verklaard.25 Zakelijk weergegeven heeft hij verklaard dat er in 2015 een partij van 400 kilo cocaïne klaar lag in de Dominicaanse Republiek. Deze partij zou worden verscheept vanuit de Dominicaanse Republiek naar de haven van Antwerpen en zou worden verborgen in de bodem van de container met een vracht kokosnoten. Vervolgens zou de partij met vrachtwagens vervoerd worden naar een plek in Nederland. De contacten over de invoer van de cocaïne verliepen tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] enerzijds en twee mannen afkomstig uit [plaats 6] anderzijds. De mannen werkten in opdracht van een zekere [alias 1] (dezelfde personen als bij de eerdere transporten). De container zou door [naam bedrijf 1] , waarvan [medeverdachte 1] in die periode de eigenaar was, worden ingevoerd en vervolgens worden getransporteerd naar een plek in Nederland. Voor het gebruiken van de bedrijfsnaam van [naam bedrijf 1] zou een vergoeding worden betaald door de mannen. De mannen uit [plaats 6] zouden er voor zorgen dat de cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek werd verscheept naar Antwerpen.

In Almere heeft [medeverdachte 1] van de mannen informatie over het transport gekregen. Hij is daar samen met [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) naar toe gereden. [medeverdachte 3] heeft niet deelgenomen aan het gesprek met de mannen uit [plaats 6] , maar wist wel dat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen met de mannen cocaïne importeerden. De exacte data van invoer kende hij niet.

Er zijn tot 18 september 2015 verschillende ontmoetingen geweest waarin afspraken zijn gemaakt over het transport van de 400 kilo cocaïne. In mei 2015 hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] een ontmoeting gehad met de mannen in Almere. Op een parkeerplaats is €33.000 aan de mannen overhandigd als inzet van [verdachte] voor 3 kilo cocaïne uit het transport van de 400 kilo. Later in mei is dit bedrag in overleg met de twee mannen uit Almere teruggehaald door [verdachte] . In mei heeft er nog een ontmoeting plaatsgevonden tussen beide mannen en [verdachte] en [medeverdachte 1] bij een tankstation in Almere.

De deal met betrekking tot de invoer van 400 kilo cocaïne en de deelname van [verdachte] en [medeverdachte 1] is beklonken op 16 september 2015 in de woning van [verdachte] in [plaats 5] . Daar waren [verdachte] , [medeverdachte 1] en de twee mannen uit [plaats 6] aanwezig. Afspraak was dat [verdachte] uit het transport 60 kilo cocaïne zou krijgen en zijn plan was nog eens 10 kilo bij te zetten. De rest van de 400 kilo cocaïne zou naar de andere investeerders gaan. [verdachte] en [medeverdachte 1] zouden €100.000 naar de mannen in Almere brengen in het kader van de voorbereiding van het transport. De bedoeling was de drugs in de laatste week van september 2015 te versturen zodat ze in de tweede of derde week van oktober zouden aankomen in Antwerpen.

In het kader van de voorbereidingen van het onderhavige transport heeft [medeverdachte 1] , in overleg met [verdachte] , in de periode 1 mei 2015 tot 18 september 2015 gesprekken gevoerd met de chauffeur [naam transporteur] over het vervoer van de lading vanuit Antwerpen naar Nederland. Als inklaarder zou opnieuw [naam kantoor] in Antwerpen worden benaderd. De lasser uit [plaats 1] zou worden ingeschakeld om de cocaïne uit de bodem te halen. Het was de bedoeling dat [medeverdachte 1] een loods in Nederland zou huren waar de lading naar toe gebracht kon worden. Hij heeft hierover met zijn vader overleg gevoerd. [medeverdachte 4] was nog niet betrokken bij dit specifieke transport, maar hij had wel aangegeven dat hij graag weer voor [verdachte] en [medeverdachte 1] wilde rijden omdat hij geld nodig had.

De voorbereidingen ten aanzien van de invoer van 400 kilo zijn door de aanhoudingen van verdachten op 18 september 2015 gestopt. Van een onderweg zijnd transport is in het onderzoek niet gebleken.

De rechtbank overweegt als volgt

Verdachte wordt onder feit 1 onder meer verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de invoer van 400 kilo cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek. De vraag die de rechtbank in dit verband dient te beantwoorden is of de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen - waaruit eenduidig naar voren komt dat verdachte genoemde handelingen tezamen met anderen heeft gepleegd - in voldoende mate steun vinden in ander bewijsmateriaal en dat deze verklaringen van [medeverdachte 1] derhalve verifieerbaar en controleerbaar zijn.

In de periode vanaf 13 mei 2014 tot de aanhouding van verdachte op 18 september 2015 zijn er in het kader van het opsporingsonderzoek onder meer telefoons getapt, observaties uitgevoerd en OVC-gesprekken tussen verdachte en medeverdachten of derden opgenomen.

De rechtbank constateert dat in de in het procesdossier uitgeschreven OVC-gesprekken tussen verdachte en medeverdachten permanent sprake is van versluierd taalgebruik. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit bewust is gedaan om de werkelijke inhoud en doel van die gesprekken te maskeren.

In gesprekken opgenomen vanaf april 2015 worden woorden en uitdrukkingen gebruikt als: ‘geld inzetten, meezetten’, ‘Dominicaan’, ‘container sturen’, ‘mijn eigen lijn’, ‘blokken’, ‘transporteren’, ‘dat geld van die drie terug kan’, ‘geld ophalen’, ‘zaterdag gelijk naar broers’, ‘drie containers, 150 duizend’, ‘huur transportbedrijf”, ‘goede lasser hebben’ en ‘als vierhonderd komen’.26 Ondanks het versluierde taalgebruik zijn de gebruikte woorden en uitdrukkingen naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar te herleiden tot en te relateren aan de door [medeverdachte 1] in zijn verklaringen geschetste gang van zaken met betrekking tot het beoogde transport van 400 kilo cocaïne in september/oktober 2015 vanuit de Dominicaanse Republiek naar Antwerpen, en de doorvoer daarvan naar Nederland. Daarbij komt dat [medeverdachte 1] tijdens de verhoren is geconfronteerd met specifieke OVC-gesprekken en dat hij in zijn reacties27 daarop naadloos en gedetailleerd wist aan te geven om welke handelingen of gebeurtenissen met betrekking tot het bedoelde transport het gaat.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] vindt voorts steun in de door hem in juni 2015 gevoerde gesprekken met zijn vader [naam vader]28 en de observatie op 23 juni 2015, toen is gezien dat hij samen met zijn vader een loods in [plaats 2] bekijkt29. Deze objectieve onderzoeksgegevens stroken met de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaring dat hij overleg heeft gehad met zijn vader bij het zoeken naar een loods en sluit voorts aan bij het opgenomen OVC-gesprek tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] van 11 mei 2015 waarin laatstgenoemde aangeeft dat de vader van [medeverdachte 1] gewoon een plek kan regelen.30

Ook de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij in het kader van de voorbereiding op het transport contact heeft gehad met de beoogde transporteur [naam transporteur] is verifieerbaar. Op 13 mei, 23 juni en 2 september 2015 vinden er gesprekken plaats tussen [medeverdachte 1] en [naam transporteur] over een komend transport van een lading kokosnoten. Deze gesprekken zijn uitgeschreven en bevinden zich in het procesdossier.31

Verdachte heeft zich tijdens het verhoor bij de politie consequent beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting heeft hij verklaard -zakelijk weergegeven- dat de opgenomen gesprekken niet gaan over de invoer van 400 kilo cocaïne, maar dat hij onder invloed was van verdovende middelen en dat zijn uitlatingen berusten op grootspraak. Ook kon verdachte zich veel gesprekken niet meer herinneren. Gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 1] verifieerbaar en betrouwbaar. De door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaringen doen aan die betrouwbaarheid naar het oordeel van de rechtbank niet af.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, tezamen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen in het kader van de invoer van 400 kilo cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne uit Colombia

De verklaringen van [medeverdachte 1]

heeft in de verhoren bij de politie -zakelijk weergegeven- over de voorgenomen import van drugs vanuit Colombia uitgebreid en gedetailleerd verklaard.32 Zo heeft hij verklaard dat [verdachte] in 2014 twee of drie keer naar Colombia is geweest en daar activiteiten begon te ontplooien voor het opzetten van een cocaïnelijn. Hij had een eigen contact in Colombia voor een coke-deal. In Colombia fungeerde [naam persoon 2] als tolk. [naam persoon 2] kon via zijn familie 50 kilo coke regelen en [verdachte] zou vervolgens naar Colombia reizen om de cocaïne te inspecteren. [verdachte] nam steeds een bedrag van net geen €10.000 mee naar Colombia om geen problemen op het vliegveld te krijgen. [medeverdachte 1] heeft via verschillende kantoren van [bedrijf 2] geld overgemaakt naar [verdachte] in Colombia. Op de tweede reis naar Colombia heeft [verdachte] de bankpas van [medeverdachte 1] meegenomen. [medeverdachte 1] zorgde ervoor dat er voldoende geld op de rekening stond zodat [verdachte] kon pinnen. De cokedeal in Colombia is uiteindelijk niet doorgegaan.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot de invoer van cocaïne uit Colombia. Weliswaar heeft [medeverdachte 1] voor verdachte belastende verklaringen afgelegd, maar deze verklaringen vinden in onvoldoende mate steun in ander bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De rechtbank zal verdachte derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de uitvoer naar Zweden van amfetamine en/of cocaïne

De verklaringen van [medeverdachte 1]

heeft in de verhoren bij de politie verklaard over het voorbereiden van export van cocaïne en amfetamine naar Zweden. Daarbij waren [medeverdachte 3] , [verdachte] en hijzelf betrokken. [medeverdachte 3] kwam veel in Zweden, kende Zweden goed en heeft daar een heel netwerk opgebouwd. Soms was hij daar meerdere maanden achtereen. [medeverdachte 3] had een appartement in Stockholm, aan [adres 4] , ondergehuurd van een Zweedse man. [medeverdachte 1] wijst deze woning aan op Google maps.33 [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn de enigen geweest die contact hebben gehad met de Zweden.

[medeverdachte 1] met betrekking tot amfetamine

Volgens [medeverdachte 1] zou de export van amfetamine (speed) naar Zweden zo’n 10 jaar geleden zijn begonnen.34 Eerst ging er kant en klare speed naar Zweden. Die was gemaakt in het laboratorium bij [medeverdachte 2] . Later, nadat het lab bij [medeverdachte 2] was opgerold, werden de grondstoffen naar Zweden gebracht en werd de speed daar gemaakt. Het ging dan om A-olie. [medeverdachte 2] had een manier bedacht om de A-olie in plastic flessen te doen zodanig dat de seal intact blijft. Niemand kan zien dat die fles open is geweest. Er is op die manier zeker 5 keer A-olie naar Zweden gebracht, steeds 6 liter per keer. Dat is goed om 20 kilo speed te maken. [medeverdachte 1] heeft zo zelf een keer 6 liter A-olie naar Zweden gebracht. Dat was samen met [medeverdachte 3] .

Andere grondstoffen betroffen methanol en zwavelzuur. Die werden in grote hoeveelheden per auto naar Zweden gebracht. Methanol is ook brandstof voor radiografisch bestuurbare autootjes. Dat was een hobby van [naam persoon 3] (hierna: [naam persoon 3] ). [naam persoon 3] had meerdere malen methanol geleverd. Ook de autootjes werden van [naam persoon 3] geleend, om een verhaal te hebben bij de douane.

In Zweden werd de speed gemaakt en verkocht door [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [naam persoon 4] .

[verdachte] financieerde de grondstoffen.

De Zweedse klanten maakten geld over door middel van [naam 6] van [bedrijf 2] . Daar waren verschillende personen bij betrokken, onder andere ene [alias 2] , volgens [medeverdachte 1] een groot afnemer van speed. Ontvangers in Nederland waren onder andere [medeverdachte 1] zelf, [medeverdachte 3] en [naam persoon 3] . Het geld is ook wel eens opgehaald in Kopenhagen, door [verdachte] , [medeverdachte 1] en [naam persoon 5] .

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] van de speedhandel in Zweden 50% van de winst zou krijgen.35

Steunbewijs met betrekking tot amfetamine

De verklaringen van [medeverdachte 1] over de export van amfetamine naar Zweden worden onder meer ondersteund door het volgende.

 Een OVC-gesprek van 18 april 201536 tussen [medeverdachte 3] en [naam persoon 6] , over drugshandel, speed, A-olie, halve liter opsturen naar Zweden.

 Een OVC-gesprek van 22 april 201537 tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] , over o.a. A-olie, zwavel, methadon, maken van speed:

[verdachte] : (…) Ook al koop je voor 30. We gaan maken en brengen die drie kilo, met a olie.

[verdachte] : (…) Ja, maar ik zeg precies tegen jou, ik breng de spullen, jij brengt de a.

[medeverdachte 1] : Ja.

[verdachte] : lk breng zwavel en methadon [de rechtbank begrijpt: methanol].

 [naam persoon 3] heeft verklaard38 dat hij meerdere malen methanol heeft geleverd en dat ze wel eens een radiogestuurde auto van hem hebben meegenomen. Die gebruikte methanol. [naam persoon 3] verklaart voorts dat hij een pasje van [bedrijf 2] had. Hij is misschien twee keer betrokken geweest bij moneytransfers tussen Nederland en Zweden, uitgevoerd door [bedrijf 2] . Op 9 februari stelde [contactpersoon] vanuit Zweden een bedrag ter waarde van 16.500 Zweedse Kronen aan hem ter beschikking. Hij had daar contact over met [medeverdachte 1] . Hij had het geld naar hem toe gebracht. [verdachte] was er ook wel eens bij geweest omdat hij altijd samen met [medeverdachte 1] was. Het geld kwam ook wel eens van [naam persoon 7] .

 Uit een proces-verbaal van bevindingen39 blijkt dat op 29 oktober 2015 bij een doorzoeking een mobiele telefoon in beslag werd genomen die volgens [medeverdachte 1] in gebruik was bij [verdachte] . Deze telefoon is ontsleuteld door het NFI. In deze telefoon stond de volgende notitie: [naam 1] [adres 5] . Deze heeft als enige een deurbel beneden bij de deur. [medeverdachte 8] [adres 6] . Trap op middelste deur.

 Uit opgevraagde gegevens van [bedrijf 2]40 over periode februari/maart 2015 komen diverse overboekingen op naam van [medeverdachte 1] (of op naam van katvangers) naar voren

 Uit tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 3] een tijd in Zweden is verbleven. Via [bedrijf 2] boekt hij diverse malen een bedrag over zoals blijkt uit de opgevraagde gegevens.41 Namen die daarbij naar voren komen zijn: [naam 1] , [naam persoon 8] en [naam persoon 7] . Veel van die transacties blijven net onder de meldgrens van 10.000 Zweedse Kronen.42

 [medeverdachte 3] verklaart43 dat hij money transfers van zijn broer [naam broer] kreeg. Het geld kwam als het goed is uit Zweden.

 Op 18 september 2015 zijn doorzoekingen verricht44 op het [adres 7] te [pleegplaats 1] en [adres 8] te [pleegplaats 1] , verblijfplaatsen van [medeverdachte 3] . Daarbij zijn onder meer in beslag genomen een treinticket Hamburg-Kopenhagen v.v. d.d. 15- 07-2015 en een nota van verblijf te Hamburg.

 In een inbeslaggenomen telefoon45 op een verblijfadres van [medeverdachte 3] staan in de contactenlijst onder andere [alias 1] , [naam persoon 8] en [naam persoon 7] . Ook wordt zijn naam genoemd in combinatie met [naam persoon 7] (Zweeds contact) in sms-berichten van een inbeslaggenomen telefoon van [medeverdachte 1] .

 [medeverdachte 3] verklaarde46 dat hij in december 2014 met de trein naar Stockholm is gegaan. Een tijdje na hem kwam [medeverdachte 1] naar Zweden. [medeverdachte 3] verklaarde in december 2012, in 2013 en eind 2014 in Zweden te zijn geweest.

[medeverdachte 1] met betrekking tot cocaïne

[medeverdachte 1] heeft -zakelijk weergegeven- verklaard47 dat een deel van de geïmporteerde cocaïne naar Zweden is gegaan. Het ging om versneden coke, die door [verdachte] en hem werd versneden. De Zweden gaven op enig moment aan belangstelling te hebben voor cocaïne. Op verzoek van [verdachte] is [medeverdachte 1] toen naar Zweden gevlogen om de deal in gang te zetten. [medeverdachte 3] was daar al. [medeverdachte 3] had de contacten maar was volgens [verdachte] niet de man om de afspraken te maken.

De bedoelíng van de Zweden was om per kilo af te nemen en dit dan 1 à 2 keer per maand. [medeverdachte 1] heeft toen gesproken met iemand genaamd [naam 3] en een vriend. Eind augustus 2015 zijn [naam 3] en een andere vriend naar Nederland gekomen. [medeverdachte 1] heeft hen, samen met [medeverdachte 3] , opgehaald bij Schiphol. De reden waarom de twee Zweedse mannen naar Nederland waren gekomen, was om geld te brengen, 100.000 Zweedse kronen, dat is ongeveer €10.000,-, en om nadere afspraken te maken. De Zweden betaalden €55,- per gram cocaïne. De cocaïne was voor 35% versneden. De coke is aan verschillende personen in Zweden verkocht.

[medeverdachte 1] vertelt verder dat hij wel eens 400 gram cocaïne heeft meegenomen naar Zweden om daar te verkopen. Dat is toen niet gelukt. Hij heeft de resterende cocaïne toen in Duitsland afgeleverd.

Steunbewijs met betrekking tot cocaïne

 Uit een proces-verbaal van bevindingen48 blijkt dat er op l4 augustus 2015 door twee personen uit Zweden een ontmoeting heeft plaatsgevonden met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Dat was bij het Royal Amsterdam Hotel op Schiphol. Het betrof twee personen uit Zweden genaamd [naam 3] en [naam 4] .

Rechtshulpverzoeken Zweden

Het Internationaal Rechtshulp Centrum Noord Nederland49 ontving bij brief met bijlagen d.d. 9 december 2015, het antwoord van de Zweedse autoriteiten op een rechtshulpverzoek. Gemeld worden de bevindingen inzake een op 1 september 2015 verrichte doorzoeking ter inbeslagneming op het [adres 4] in de regio Stockholm (de door [medeverdachte 3] gehuurde woning). Bij die doorzoeking zijn o.a. inbeslaggenomen:

- beperkte hoeveelheden drugs (o.a. XTC);

- twee plastic jerrycans van 20 liter met markeringen 'Methanol 99%' en 'Netherlands';

- een telefoonkaart uit Nederland, aangetroffen in de vrachtwagen van betreffende verdachte [medeverdachte 8] ;

- een kopie van een [bedrijf 2] -moneytransfer ad [nummer] d.d. 8/6 naar Nederland:.

Afzender: [naam 5] of [medeverdachte 3] , geb. [geboortedatum] en ontvanger: [naam persoon 9] , bedrag: €.2.250.

Voorts zijn via een rechtshulpverzoek foto’s ontvangen van een aantal Zweedse ingezetenen. Van deze fotomap herkent [medeverdachte 1]50 [naam 1] (foto 36), een grote afnemer van speed die in Stockholm woonde. De persoon op foto 37 wordt herkend als [naam persoon 8] ( [naam persoon 8] ). Hij was een klant van [medeverdachte 3] en heeft zelf veel speed verhandeld in Zweden. Ook [naam persoon 7] (foto 39) wordt herkend door [medeverdachte 1] . [naam persoon 7] heeft hoeveelheden coke afgenomen en in de loop van de tijd meerdere kilo's speed. De persoon op foto 40 wordt door [medeverdachte 1] herkend als de man die ook in Amsterdam is geweest met de hem bekende [naam 3] ( [naam 4] ). De persoon op foto 41 wordt herkend als de genoemde [naam 3] . Deze [naam 3] is in Amsterdam geweest en heeft in Zweden 10 kilo's speed afgenomen en heeft later speed leren maken. [medeverdachte 3] heeft dit aan hem geleerd.

Via een rechtshulpverzoek is voorts een aantal Zweedse ingezetenen gehoord door de Nederlandse politie. Het gaat om [contactpersoon] , [naam persoon 7] , [naam 1] , [naam persoon 11] , [naam persoon 8] en [medeverdachte 8] . Voor zover deze betrokken waren bij het sturen van money transfers, hebben zij verklaard dat dat te maken had met speelschulden of de aanschaf van een gitaar.

[naam 1] herkent [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] van een foto.

[medeverdachte 8] verklaarde51 dat de woning aan [adres 4] van hem is, maar dat hij er niet zoveel heeft gewoond. Hij kent geen [medeverdachte 3] . Hij herkent [medeverdachte 3] van een foto, maar hij noemt hem [alias 3] . Hij wist niet dat hij [medeverdachte 3] heet. [medeverdachte 3] heeft vier keer in zijn appartement gewoond. Hij komt van oorsprong uit Marokko, gelooft hij.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat de verklaringen van [medeverdachte 1] over de export naar Zweden van amfetamine en cocaïne onder meer worden ondersteund door OVC-gesprekken, tapgesprekken, money transfers vanuit Zweden, de inbeslagname van voorwerpen in Nederland en in een door [medeverdachte 3] gehuurde woning in Stockholm en de resultaten van rechtshulpverzoeken.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het buiten het grondgebied van Nederland brengen, te weten naar Zweden, van amfetamine en cocaïne. De rechtbank zal verdachte van het meer of anders ten laste gelegde vrijspreken.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van verdovende middelen naar de Bondsrepubliek Duitsland

De verklaringen van [medeverdachte 1]

heeft verklaard over het voorbereiden van export van cocaïne naar de Bondsrepubliek Duitsland. Bij de transporten waren hijzelf, [verdachte] en [medeverdachte 6] betrokken. Een deel van de geïmporteerde cocaïne is naar Duitsland gegaan. Vaste afnemer daar is [naam afnemer] uit Bremerhaven .52 Er werd geleverd in partijen van 500 gram of 1000 gram per keer. De man uit Duitsland heeft een kleine 2 jaar cocaïne gekocht van [verdachte] .53

[medeverdachte 1] en [verdachte] versneden de cocaïne zelf; 1,5 tot 2 kilo pure cocaïne werd versneden tot 3 kilo. 54 Dat werd verkocht voor €35,- de gram.

[medeverdachte 1] verklaart dat de cocaïnelijn naar Duitsland van hem was. Hij kende [naam afnemer] via zijn broer [broer medeverdachte 1] . [verdachte] financieerde en deelde mee in de winst.55 Het is begonnen in 2013. In 2015 ging 500 gram tot 1 kilo cocaïne per keer naar Duitsland.56 Er ging ook wel weed naar [naam afnemer] , maar dat waren aparte transporten vanwege de risicospreiding.

[medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] ) is een contact van [medeverdachte 6] .57 [medeverdachte 9] reed 1 tot 2 keer in de maand coke naar Duitsland. Hij kreeg daar €1000,- per keer voor.

[verdachte] en [medeverdachte 1] maakten de cocaïne klaar, dat was een halve kilo of hele kilo per keer. Zij huurden een auto voor [medeverdachte 9] of hij ging met zijn eigen auto. Hij had de cocaïne in de auto. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] reden er in de Passat van [medeverdachte 6] achteraan. Zij hebben dit vijf à zes keer gedaan.

[medeverdachte 1] berekent dat 1 kilo versneden cocaïne €20.000 kost. Dat werd verkocht voor €35.000. Na aftrek van onkosten werd de opbrengst verdeeld, 50/50 tussen hem en [verdachte] of, als [medeverdachte 6] meedeed, 1/3.

Er werd ook wel cocaïne verkocht aan een oom van [verdachte] , genaamd [persoon 1] . Die woonde in Duitsland en nam het mee terug als hij in Nederland op familiebezoek was geweest. Dat ging om ongeveer 300 gram.

[medeverdachte 1] vertelt verder dat hij wel eens 400 gram cocaïne heeft meegenomen naar Zweden om daar te verkopen. Dat is toen niet gelukt. Hij heeft de resterende cocaïne toen in Duitsland afgeleverd, bij [naam afnemer] .

Steunbewijs

 Uit afgetapte telefoongesprekken op 26 mei 2015 komt naar voren dat [medeverdachte 1] naar Duitsland gaat, en als hij terug is heeft hij geld.

 Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt58 dat uit tapgesprekken, OVC-gesprekken en observaties het volgende kan blijken. Op 29 mei 2015 is [medeverdachte 1] , tezamen met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 9] naar Bremerhaven in Duitsland geweest. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] zaten samen in een auto. [medeverdachte 9] reed in een door [medeverdachte 1] gehuurde auto voorop. In Bremerhaven had [medeverdachte 1] een afspraak met een klant, een onbekende man. Alvorens men naar Duitsland ging trof [medeverdachte 1] nog enige voorbereidingen, hij had een vacuümmachine en zakken voor een vacuümmachine nodig.

 Bij een observatie op 21 juli 2015 wordt gezien dat [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] een ontmoeting hebben met [medeverdachte 9] en een onbekende man.

 Bij een observatie op 16 juli 2015 wordt gezien dat [medeverdachte 1] een ontmoeting heeft in Havelte met 2 mannen in een auto met een Duits nummerbord. Een van de mannen is [naam afnemer] .

 OVC-gesprek van 4 september 201559: [medeverdachte 1] zit in de auto en is telefonisch in gesprek:

[medeverdachte 1] : kom morgen in Bremerhaven (…) ben met [persoon 2] dan (…) binnenkort is het feest.

 OVC- gesprek60 van 31 augustus 2015; [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] zitten in een auto. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] praten over dat die Duitser gek wordt. [medeverdachte 6] vraagt of hij niks anders wil, [medeverdachte 1] zegt dat hij ook wel een kilo coke wil, maar hij eerst een kilo weed wil. [medeverdachte 6] zegt dat hij vanavond naar hem toegaat in Almere.

 Uit gesprekken blijkt dat er auto's door [medeverdachte 6] werden gehuurd op naam van [medeverdachte 9] .61

 Tapgesprek van 26 mei 2015: [medeverdachte 1] wordt gebeld door [broer medeverdachte 1] :

[medeverdachte 1] : Ik heb nu een hele goede man, een oude man van 65, net pak, die gaat dat doen.

 [broer medeverdachte 1] verklaart dat hij [medeverdachte 1] in contact heeft gebracht met [naam afnemer] . Hij wist dat [naam afnemer] mensen kende die weed wilden hebben.

 Verdachte [medeverdachte 3]62 verklaart dat hij in december 2014 naar Stockholm is gegaan. Een tijdje na hem kwam [medeverdachte 1] naar Zweden. Die had coke bij zich. Vervolgens zijn zij met de trein naar Duitsland gegaan. Die coke heeft [medeverdachte 1] uiteindelijk in Duitsland verkocht. Mogelijk aan [naam afnemer] .

 Uit forensisch onderzoek blijkt63 dat in de telefoon in gebruik bij [medeverdachte 6] in de notities relevante financiële gegevens staan betreffende betalingen. Ook verwijderde notities. Hierin staat onder andere [naam afnemer] afgelost 11000 en de namen [medeverdachte 1] en [alias 4] met geldbedragen en hoeveelheid grammen.

 Voorts blijkt van intensief telefoonverkeer en sms-verkeer tussen de nummers [nummer] en [nummer] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , en het nummer [nummer] , in gebruik bij [naam afnemer] .64

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat de verklaringen van [medeverdachte 1] over de export van cocaïne naar Duitsland worden ondersteund door onder meer OVC-gesprekken, tapgesprekken en het uitlezen van de telefoon van [medeverdachte 6] . Daarnaast is er een observatie waarbij [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] naar Bremerhaven gaan, naar een klant.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het buiten het grondgebied van Nederland brengen, te weten naar Duitsland, van cocaïne. De rechtbank zal verdachte van het meer of anders ten laste gelegde vrijspreken.

- Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor het in werking hebben en/of de exploitatie van een laboratorium voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA

In oktober 2013 is een TCI-melding binnengekomen dat zich bij [naam seksboerderij] ” aan [adres 9] (gemeente Meppel) een hennepkwekerij zou bevinden.65 Op 7 november 2013 heeft de politie op dat adres een onderzoek ingesteld. Daarbij is waargenomen dat uit een op het terrein staande grote schuur een zoemend geluid kwam.66

Bij een actie op 5 december 2013 heeft de politie op genoemd adres een laboratorium voor de vervaardiging van synthetische drugs aangetroffen.67 Het drugslaboratorium bevond zich in een los van de woning staande schuur. Voorts zijn op het terrein in twee zeecontainers (die aan het oog waren onttrokken door een houten constructie die om de containers heen was gebouwd) onder meer een tabletteermachine, een vacuümpomp, een granulaatmachine en middelen vermeld op lijst 1 van de Opiumwet aangetroffen.68

Medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) is op 5 december 2013 en op 22 januari 2014 als verdachte gehoord. [medeverdachte 2] heeft -kort samengevat- verklaard dat hij eigenaar is van de schuur en de twee zeecontainers waarin het drugslaboratorium is aangetroffen. Hij heeft de schuur per eind juni 2013 verhuurd aan [naam huurder] . Begin november 2013 heeft hij ook de twee zeecontainers aan [naam huurder] verhuurd. Hij had geen wetenschap van de aanwezigheid van een drugslaboratorium in de schuur en de twee zeecontainers.69

Vervolgens is besloten de zaak met betrekking tot het drugslaboratorium op te leggen.70

Uit een rapport van 30 juni 2015 van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) blijkt dat een DNA-profiel dat is veiliggesteld bij het drugslaboratorium te [adres 9] een match heeft opgeleverd met het DNA-profiel van [medeverdachte 10] , geboren op [geboortedatum] 1979.71

De verklaringen van [medeverdachte 1]

heeft in de verhoren bij de politie verklaard dat verdachte [verdachte] in 2013 een drugslaboratorium had op het terrein van [medeverdachte 2] . Het drugslab is gefinancieerd door verdachte en [medeverdachte 2] . In het drugslab zijn duizenden kilo’s speed geproduceerd waarvan zo’n 80% in Nederland is verkocht; de rest is naar het buitenland gegaan, met name Zweden. Verdachte was degene die in het drugslab speed en xtc maakte. Er kwam wel eens een ‘kok’ langs om te helpen.72

Naar aanleiding van de verklaringen van [medeverdachte 1] en de overige onderzoeksresultaten in het opsporingsonderzoek [naam onderzoek] , is het onderzoek naar het drugslaboratorium hervat en deel gaan uitmaken van de zaak [naam onderzoek] .73

PGP-berichten

Op 29 oktober 2015 zijn bij een doorzoeking verschillende telefoons in beslag genomen, waaronder PGP-telefoons.74 Naar de inhoud van twee PGP-telefoons (met [kenmerk] respectievelijk [kenmerk] ) is onderzoek verricht door het NFI.75

[medeverdachte 1] heeft op 6 april 2016, in reactie op aan hem voorgehouden berichten afkomstig uit deze PGP-telefoons, uitleg gegeven over de inhoud van die berichten.76 De uitleg van [medeverdachte 1] houdt in dat de PGP-telefoons berichtenverkeer bevat tussen verdachte en anderen, onder wie [medeverdachte 2] . Volgens [medeverdachte 1] zijn de in de berichten gebruikte namen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ bijnamen van verdachte, en ‘ [bijnaam 3] ’ en ‘ [bijnaam 4] ’ bijnamen van [medeverdachte 2] .

De berichten gaan onder andere over zware werkomstandigheden bij de productie van synthetische drugs (werken in rook en damp) en het regelen van afzuiging in de containers.77 Wat de berichten specifiek tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 4] ’ betreft, gaan deze onder andere over vacuüm of stoom, zacht of pasta, het (samen) slaan van pillen, PH 6.8 of 7 proberen, a-olie en het wegen en natellen van strips.78
Voorts is er berichtenwisseling van 5 december 2013 naar aanleiding van de politieactie op die dag waarbij het drugslaboratorium op het terrein van [medeverdachte 2] is opgerold.79

In een proces-verbaal van bevindingen van 12 april 2016 hebben [verbalisanten 1 en 2] uitgewerkt dat en waarom uit de in de twee PGP-telefoons aangetroffen berichten is op te maken dat verdachte en [medeverdachte 2] betrokken waren bij (de exploitatie van) het drugslaboratorium op het terrein van [medeverdachte 2] .80 Daarbij is telkens verwezen naar de onderscheiden berichten en de over die berichten door [medeverdachte 1] op 6 april 2016 afgelegde verklaringen. Gelet op de onderzoeksbevindingen is in voornoemd proces-verbaal van bevindingen geconcludeerd -voor zover hier van belang- dat de persoon genaamd ‘ [bijnaam 1] ’ verdachte is en de persoon genaamd ‘ [bijnaam 4] ’ [medeverdachte 2] is.

Verklaringen [medeverdachte 2] 13 en 14 april 2016

Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen is [medeverdachte 2] opnieuw verhoord. [medeverdachte 2] heeft zich op vragen over het drugslaboratorium, de PGP-telefoons en het berichtenverkeer, beroepen op zijn zwijgrecht.81

Verklaringen verdachte ter terechtzitting

Ter terechtzitting heeft verdachte voor het eerst verklaard over het op het terrein van [medeverdachte 2] aangetroffen drugslaboratorium. Verdachte heeft verklaard dat het drugslaboratorium van hem was. Verdachte was degene die met gebruikmaking van de bijnamen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ de betreffende PGP-berichten over het drugslab heeft verzonden en ontvangen. Verdachte exploiteerde het drugslaboratorium evenwel niet met [medeverdachte 2] , maar met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] gebruikte ‘ [bijnaam 4] ’ als bijnaam in de PGP-berichtenwisseling tussen hen. [medeverdachte 1] heeft zich in contacten met derden over het drugslaboratorium tegenover die derden voorgedaan als [medeverdachte 2] om het er op te laten lijken dat niet [medeverdachte 1] , maar [medeverdachte 2] bij de exploitatie van het drugslaboratorium was betrokken. [medeverdachte 2] was er in het geheel niet van op de hoogte dat op diens terrein een drugslaboratorium aanwezig was. De man genaamd ‘ [naam huurder] ’, aan wie [medeverdachte 2] de schuur en later de twee zeecontainers heeft verhuurd, was in werkelijkheid een stroman van verdachte waarvan verdachte de werkelijke naam niet wil noemen.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij het op het terrein van [medeverdachte 2] aangetroffen drugslaboratorium heeft geëxploiteerd. De rechtbank stelt vast dat de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van verdachte omtrent zijn (eigen) betrokkenheid bij het drugslaboratorium overeenkomen met hetgeen daarover vanaf 14 oktober 2015 door [medeverdachte 1] is verklaard.

De rechtbank acht het door verdachte ter terechtzitting geschetste alternatieve scenario, als zou [medeverdachte 1] degene zijn met wie verdachte het drugslaboratorium heeft geëxploiteerd, ongeloofwaardig, (reeds) gelet op de conclusie in het hiervoor vermelde proces-verbaal van bevindingen van 12 april 2016, welke conclusie de rechtbank tot de hare maakt. Hieruit volgt dat met zekerheid kan worden vastgesteld dat de persoon ‘ [bijnaam 4] ’ in de PGP-berichten [medeverdachte 2] is, en dus niet - zoals verdachte de rechtbank kennelijk wil doen geloven - [medeverdachte 1] .

Gelet op de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte dat hij het drugslaboratorium heeft geëxploiteerd, de verklaringen van [medeverdachte 1] , de DNA-match van [medeverdachte 10] en de inhoud van de PGP-berichten, kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte dit onderdeel van de tenlastelegging heeft gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met anderen. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte zich bezig heeft gehouden met de productie van synthetische drugs en daartoe de nodige voorbereidingshandelingen heeft verricht.

Onder feit 3 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- (het medeplegen van) drugshandel (cocaïne en/of amfetamine) in Nederland.

[medeverdachte 1] heeft verklaard -zakelijk weergeven- dat verdachte de door hem verkregen cocaïne op meerdere plekken heeft verborgen82en vervolgens in kleinere hoeveelheden -van 100 gram tot meerdere kilo’s- heeft doorverkocht aan verschillende afnemers. Een deel hiervan is in Nederland afgezet.83 In 2015 is er bij benadering wel een bedrag van 1,5 tot 2 miljoen door verdachte omgezet.84

Op 18 september 2015 hebben er zoekingen plaatsgevonden onder meer in de woning van verdachte aan het [adres verdachte] te [plaats 5] . Tijdens deze zoeking werd een laptop van het merk Levono, type G50-70 in beslag genomen. Deze laptop is onderzocht door het Team Digitale Expertise Noord Nederland. Op de digitale bestanden zijn lijsten met getallen, hoeveelheden, bedragen, namen en initialen aangetroffen. Deze bestanden zijn door de verbalisanten aangeduid als ‘het kasboek’.85

[medeverdachte 1] is over het kasboek gehoord door de verbalisanten en heeft -zakelijk weergegeven- verklaard dat het zijn laptop betreft en dat hij het kasboek beheerde. Hij heeft uitleg gegeven over de getallen, namen en afkortingen die in het kasboek zijn opgenomen.86 Het betreft de administratie van verdachte, aldus [medeverdachte 1] , waarbij het gaat om afnemers van drugs, vooral cocaïne, die het verschuldigde bedrag voor de door verdachte geleverde drugs niet gelijk betaalden. In het kasboek staan de bedragen opgenomen die de verschillende afnemers van drugs nog aan verdachte verschuldigd zijn voor de leveringen door verdachte.87[medeverdachte 1] heeft ten aanzien van een aantal in het kasboek vermelde afnemers aangegeven welke drugs, in welke hoeveelheden en met welke frequentie door ieder van hen werden gekocht en afgenomen.88

Deze personen zijn door de politie gehoord en geven bijna allemaal aan verdachte en [medeverdachte 1] te kennen89. Een aantal van hen ( [naam persoon 12] , [naam persoon 13] en [naam persoon 4] ) geeft aan drugs van verdachte en/of [medeverdachte 1] te hebben gekocht of gekregen.90[medeverdachte 11] heeft verklaard dat er bij hem in huis onder meer cocaïne en speed werd bewaard en dat er vanuit zijn woning werd gedeald door onder andere [naam dealer] en dat hij denkt dat [naam dealer] dat deed voor verdachte.91[naam dealer] is volgens de verklaring van [medeverdachte 1] in het kasboek opgenomen.92

[medeverdachte 1] heeft verder in zijn verklaringen een aantal personen genoemd die relatief grote hoeveelheden cocaïne van verdachte hebben afgenomen en daarvoor direct contant hebben betaald. Deze personen zijn niet opgenomen in het kasboek.93[medeverdachte 1] heeft ten aanzien van de verschillende personen verklaard over de hoeveelheden, de vergoedingen voor de cocaïne en de frequentie van de leveringen. Één van die afnemers is volgens [medeverdachte 1] een persoon genaamd [persoon 3] . In zijn verklaring geeft [medeverdachte 1] aan dat verdachte en hij 2 kilo cocaïne aan deze [persoon 3] in Arnhem hebben geleverd. [persoon 3] heeft hiervoor €54.000 betaald. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn vervolgens rechtstreeks naar een garagebedrijf in Apeldoorn gereden en hebben daar een Mini Cooper voor de vriendin van verdachte gekocht, aldus [medeverdachte 1] .94 In het procesdossier bevindt zich een app-bericht van verdachte aan zijn vriendin waarin een foto van [medeverdachte 1] met een stapel bankbiljetten is opgenomen en waarin het gesprek gaat over de aankoop van een Mini Cooper.95

In 2015 zijn er in het kader van het opsporingsonderzoek onder meer telefoons getapt en OVC-gesprekken opgenomen tussen verdachte met of over medeverdachten.96 In deze gesprekken worden hoeveelheden en bedragen genoemd en termen gebruikt als ‘geld daarvoor’, ‘tientje korting’, ‘alles betalen’, ‘hoeveelheid meegenomen’ en ‘spul teruggebracht’.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt onder feit 3 in de tenlastelegging verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met de Opiumwet, door -kort gezegd- in Nederland, al dan niet met anderen, te dealen in cocaïne. De vraag die de rechtbank in dit verband heeft te beantwoorden is of de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen -waaruit eenduidig naar voren komt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in de tenlastelegging opgenomen strafbare gedragingen- in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen en derhalve verifieerbaar en controleerbaar zijn.

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang bezien- acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gehandeld in strijd met de Opiumwet betreffende de in de tenlastelegging opgenomen handelingen ten aanzien van het dealen in cocaïne. [medeverdachte 1] heeft een gedetailleerde en op basis van overige bewijsmiddelen in voldoende mate verifieerbare en controleerbare verklaring afgelegd. Hij heeft uitleg gegeven voor de gegevens die in het kasboek zijn aangetroffen en heeft verklaard over leveringen van cocaïne aan personen die bij de levering direct contant betaalden.

De raadsman heeft aangevoerd dat voorzichtigheid moet worden betracht als het gaat om de interpretatie van de opgenomen gesprekken, die veelal voor meer dan één uitleg vatbaar zijn.

De rechtbank constateert dat in de uitgeschreven OVC-gesprekken vrijwel permanent sprake is van versluierd taalgebruik. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit bewust is gedaan om de werkelijke inhoud en het doel van die gesprekken te maskeren. Ondanks het versluierde taalgebruik zijn de in de gesprekken gebruikte woorden en uitdrukkingen naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar te herleiden tot de handel in verdovende middelen en de door [medeverdachte 1] in zijn verklaringen geschetste gang van zaken met betrekking tot de handel van [verdachte] in cocaïne.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld in strijd met de Opiumwet als het gaat om het dealen in amfetamine. Van dat onderdeel in de tenlastelegging spreekt de rechtbank verdachte vrij.

Onder 4 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd:

- de deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van bepaalde misdrijven van de Opiumwet (artikel 11b van de Opiumwet) en het plegen van misdrijven (van de Wet wapens en munitie en (gewoonte)witwassen) als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl verdachte oprichter, leider en/of bestuurder was van die organisatie.

De rechtbank overweegt als volgt

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat een organisatie een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Hierbij is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van de betreffende misdrijven van de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en (gewoonte)witwassen.

De rechtbank is van oordeel dat de groep rondom [verdachte] kan worden aangemerkt als een criminele organisatie. Er is sprake van een gestructureerd samenwerkingsverband met een hiërarchische structuur en een duidelijke rolverdeling die aansluit bij de specifieke expertise van de verschillende personen.

De zeven verdachten in het opsporingsonderzoek [naam onderzoek] vormen de vaste kern van de criminele organisatie. Er is sprake van duurzaamheid: gedurende zo'n 2½ jaar blijft de groep bij elkaar, met uitzondering van [medeverdachte 5] die na december 2014 eruit stapt danwel aan de kant wordt gezet. Er zijn intensieve, onderlinge contacten, zowel per telefoon als in persoon.97

[medeverdachte 1] heeft verschillende verklaringen afgelegd over de hiërarchische structuur en de rolverdeling.98

[verdachte] is de leider. Dat verklaart [medeverdachte 1] , maar wordt ook door anderen bevestigd.99 In een proces-verbaal van bevindingen noteren verbalisanten op 3 augustus 2012: "Wij hoorden [verdachte] zeggen: Ik ben de baas van hun."100 [verdachte] financiert de cocaïnetransporten.101

[medeverdachte 1] is de rechterhand van [verdachte] en fungeert als boekhouder. Hij heeft verstand van bedrijven en is onder andere betrokken bij de oprichting van [naam transportbedrijf 1] , [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4] . [medeverdachte 1] beheert de digitale administratie, het kasboek. In een tapgesprek op 8 mei 2015 zegt [verdachte] op de vraag van iemand hoeveel hij nog moet betalen: "Dat weet [medeverdachte 1] . Ik weet het niet (….). Hij heeft alles genoteerd."102

[medeverdachte 2] lijkt wat meer aan de zijlijn te staan, maar zijn legale bedrijf in [plaats 3] speelt een belangrijke rol als ontmoetingsplek en stash voor geld en drugs. In een tapgesprek van 4 augustus 2015 zegt [verdachte] : "Laatst met [medeverdachte 2] , ik zeg pak even van mijn geld, twee!" Voorts zou [medeverdachte 2] volgens [medeverdachte 1] veel verstand hebben van het productieproces voor synthetische drugs (speed en xtc). En in een tapgesprek van 22 augustus 2015 zegt [verdachte] : "Op boerderij heb ik ook verstopt, ja toch?"103

[medeverdachte 3] is belangrijk voor de lijn naar Zweden. Verder bewaarde hij drugs en wapens voor [verdachte] , en is hij vaak chauffeur.

[medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] zijn als eigenaren van [naam bedrijf 1] faciliterend voor de import van cocaïne.

Daarnaast is [medeverdachte 6] , samen met [medeverdachte 1] , grotendeels verantwoordelijk voor de lijn naar Duitsland.

[medeverdachte 4] speelt als vrachtwagenchauffeur een kleine, maar essentiële rol bij het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de containers waarin de cocaïne zat verborgen.

Er is sprake van een zeer professionele werkwijze binnen het criminele samenwerkingsverband.

Dat blijkt onder meer uit de eerder genoemde digitale administratie, het 'kasboek', en uit het gebruik van PGP-telefoons.

Daarnaast worden verschillende bedrijven gebruikt als dekmantel om de criminele activiteiten te verhullen:

- [naam bedrijf 1] : voor het binnenhalen van de cocaïnetransporten;

- [naam transportbedrijf 1] : voor het ophalen van de containers;

- [naam bedrijf 3] : om legaal inkomen te creëren en geld wit te wassen;

- [naam bedrijf 5] : naast de reguliere, legale activiteiten wordt het bedrijf van [medeverdachte 2] gebruikt als ontmoetingsplek en als stash voor geld en drugs;

- [naam bedrijf 4] Import: voor de import van cocaïne door middel van houtskool uit Ecuador.

De criminele organisatie rondom [verdachte] heeft als oogmerk het plegen van misdrijven met betrekking tot de Opiumwet:

- invoer en uitvoer van drugs (voornamelijk cocaïne en speed);

- drugshandel in Nederland;

- fabriceren drugs (amfetamine, MDMA);

en daarnaast het (gewoonte)witwassen van de daarmee gegenereerde opbrengsten.

[verdachte] neemt als oprichter binnen de organisatie in algemene zin de leidende rol.

De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie tevens het oogmerk had op de handel in wapens.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de bewijsmiddelen/-overwegingen die zijn gebruikt voor de bewezenverklaarde feiten onder 1, 2, 3 en 5 alsmede op wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (witwassen en/of gewoontewitwassen) en bepaalde misdrijven van de Opiumwet. De rechtbank acht niet bewezen dat de organisatie tevens het oogmerk had op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 26 en/of 31 van de Wet wapens en munitie. Op dit onderdeel zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Onder feit 5 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- (het medeplegen van) (gewoonte)witwassen.

Het wettelijk kader

Volgens vaste jurisprudentie is voor de beoordeling van witwassen vereist dat het betreffende voorwerp of de betreffende voorwerpen, middellijk of onmiddellijk afkomstig is of zijn uit enig misdrijf.104 Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag vervolgens van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp of de voorwerpen. Indien een dergelijke verklaring door de verdachte niet kan worden gegeven, kan de rechter concluderen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een legale herkomst heeft, en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Als het gaat om verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf, wordt van de verdachte van witwassen een handeling gevergd die erop is gericht om zijn eigen criminele opbrengsten veilig te stellen. De verdachte dient het voorwerp dan niet alleen maar te hebben verworven of voorhanden te hebben gehad, maar zijn gedragingen dienen ook gericht te zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Dat geldt niet voor die gevallen waarin sprake is van voorwerpen die ‘middellijk’ afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf doordat deze direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen.

Bij de beantwoording van de vraag of een voorwerp onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf kan mede van belang zijn hetgeen met voldoende concretisering door verdachte is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben van dit door eigen misdrijf verkregen voorwerp.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van voertuigen en geldbedragen die hij heeft gebruikt voor de in de tenlastelegging opgenomen bestedingen.

Uit door de Belastingdienst verstrekte gegevens is gebleken dat verdachte vanaf 2009 tot in 2015 geen geregistreerd vermogen beschikbaar heeft gehad en in die periode slechts in totaal tot een bedrag van ongeveer €3.000,-- aan looninkomsten en zorgtoeslag heeft genoten.105 De rechtbank gaat er derhalve van uit dat verdachte slechts heel beperkt heeft kunnen beschikken over legaal geregistreerd inkomen en vermogen.

Desondanks heeft hij in de tenlastegelegde periode auto’s, een motorfiets en een quad verworven en voorhanden gehad, alsmede geldbedragen gebruikt voor een vakantie op Sardinië, kleding en sieraden, investeringen voor en de inrichting van de woning aan [adres verdachte] te [plaats 5] en voorts moet er van worden uitgegaan dat hij bestedingen heeft gedaan in verband met zijn dagelijkse levensonderhoud.106 De rechtbank acht het gebruik van geldbedragen voor de overige in de tenlastelegging opgenomen bestedingen niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen -zakelijk weergegeven- dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode op omvangrijke schaal schuldig heeft gemaakt aan strafbare handelingen in het kader van de Opiumwet en dat hij heeft leiding gegeven en heeft deelgenomen aan een door hem opgerichte criminele organisatie. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte in die periode aanzienlijke inkomsten heeft gegenereerd uit deze door hem gepleegde strafbare gedragingen. In totaal heeft verdachte volgens [medeverdachte 1] meer dan een miljoen euro verworven met de handel in verdovende middelen.107Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen vermelde omstandigheden het vermoeden van witwassen door verdachte ten aanzien van de hiervoor bedoelde geldbedragen en voertuigen. Nu verdachte ter terechtzitting desgevraagd geen antwoord heeft willen geven op vragen van de rechtbank over de herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen bedragen en het geld waarmee de daarin opgenomen voertuigen zijn bekostigd, is het naar het oordeel van de rechtbank uitgesloten dat deze geldbedragen een legale herkomst hebben.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de in de tenlastelegging opgenomen voertuigen door hem zijn verworven en gebruikt. [medeverdachte 1] heeft dit ook verklaard en tevens aangegeven dat deze voertuigen door verdachte zijn bekostigd met geld dat hij uit de handel in verdovende middelen heeft verworven.108 De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat verdachte deze voertuigen met uit misdrijf verkregen geld, derhalve “middellijk”, heeft verworven. Met betrekking tot het verwerven en voorhanden hebben van die voertuigen heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom schuldig gemaakt aan witwassen, daargelaten de vraag of zijn handelen er mede op gericht is geweest de herkomst van die voertuigen te verbergen of te verhullen.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat de –in de tenlastelegging opgenomen- door hem verworven geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf, de opbrengsten uit de handel in verdovende middelen. Om het illegale karakter van die handel voor de opsporingsinstanties te maskeren is door onder meer verdachte, als leidinggevende van de door de rechtbank bewezenverklaarde criminele organisatie, gebruik gemaakt van geregistreerde ondernemingen ( [naam bedrijf 1] en [naam transportbedrijf 1] ), zogenaamde money-transfers waarbij ook katvangers zijn gebruikt om het traceren van de verplaatsing van contante bedragen te bemoeilijken, versluierd taalgebruik in gesprekken over de handel in verdovende middelen, verschillende locaties om de verworven geldbedragen uit die handel te verbergen en van PGP-telefoons, waarmee versleutelde berichten kunnen worden verzonden.109 Aangenomen dient te worden dat de opbrengsten van verdachte uit die handel contant en niet geregistreerd aan hem zijn verstrekt. Door met deze door hem verworven contante geldbedragen uit de handel in verdovende middelen vervolgens op verschillende momenten relatief geringe contante, in de tenlastelegging opgenomen, geldbedragen te gebruiken om bestedingen te doen in het kader van zijn levensonderhoud, de investering in en inrichting van genoemde woning, de vakantie op Sardinië alsmede de aanschaf van horloges en kleding, wordt naar het oordeel van de rechtbank, mede in het licht van de hiervoor vermelde handelwijze om buiten het zicht van opsporingsinstanties te blijven, de daadwerkelijke herkomst van deze geldbedragen door verdachte bewust verhuld.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen met betrekking tot de hieronder in de bewezenverklaring vermelde voorwerpen, en daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

Onder feit 6 is verdachte -kort samengevat- tenlastegelegd :

- ( het medeplegen van) het voorhanden hebben en overdragen van wapens en munitie.

In de periode 18 september 2015 tot en met 25 november 2015 hebben diverse doorzoekingen plaatsgevonden waarbij wapens en/of munitie zijn aangetroffen. Voorts zijn bij zoekingen in het water van 22 tot en met 26 februari 2016 een wapen, onderdelen van wapens en munitie aangetroffen.

Deze wapens en munitie betreffen -voor zover hier van belang-:

Doorzoekingen op 18 september 2015

 in de woning van verdachte aan [adres verdachte] te [plaats 5] : een projectiel;110

 in de woning van de ouders van [medeverdachte 3] aan [adres 7] te [plaats 5] : een machinepistool, model Skorpion, kaliber 7.65 mm Browning, twee patroonmagazijnen en 24 kogelpatronen;111

 in de woning van de broer van [medeverdachte 3] aan [adres 8] te [plaats 5] : een semi-automatisch pistool, merk Glock 17, met patroonmagazijn en veertien kogelpatronen;112

 in het bedrijf van [medeverdachte 2] aan [adres 9] : een pistool, merk CZ, met patroonmagazijn en negen kogelpatronen;113 en

 in de woning van [medeverdachte 11] aan [adres 10] te [plaats 5] : een geluiddemper en negen kogelpatronen.114

Doorzoeking op 29 oktober 2015

 in de woning van de moeder van [medeverdachte 1] aan [adres 11] te [plaats 4] : een machinepistool, merk/model Zastava M70 B2 (type Kalashnikov). 115

Doorzoeking op 25 november 2015

 in de woning van de ex-echtgenote van [persoon 5] aan [adres 12] te [plaats 5] : een semi-automatisch pistool, merk FN Browning, met patroonmagazijn en acht kogelpatronen.116

Zoekingen in het water, 22 tot en met 26 februari 2016

Tijdens een zoekactie in het water op locaties in [water 1] en [water 2] zijn aangetroffen117:

  • -

    een machinepistool, model Skorpion, met patroonmagazijn;

  • -

    een patroonmagazijn, bestemd voor een vuurwapen in de vorm van een machinegeweer van het merk/model Zastava, M70 AB2 (type Kalashnikov); en

  • -

    munitie van divers kaliber, behorend bij onder andere Kalashikov, Skorpion en Glock vuurwapens.

Op de Glock 17 is DNA-materiaal van verdachte aangetroffen.118

De verklaringen van [medeverdachte 1]

Vanaf 14 oktober 2015 heeft [medeverdachte 1] in de verhoren bij de politie uitgebreid en gedetailleerd verklaard over zowel zijn eigen betrokkenheid als die van anderen, onder wie verdachte, bij de aangetroffen en inbeslaggenomen wapens en munitie.

[medeverdachte 1] heeft onder meer verklaard dat alle wapens en munitie van verdachte zijn. De wapens zijn gekocht door verdachte zelf dan wel in opdracht van verdachte.119 Sommige wapens zijn gekocht van de opbrengst van het cocaïnetransport van november 2014. De meeste wapens zijn gekocht van de opbrengst van het transport van maart 2015.120

[medeverdachte 1] kan het wapen met munitie dat bij [medeverdachte 2] is aangetroffen, niet herleiden tot verdachte. Het wapen is daarom waarschijnlijk van [medeverdachte 2] zelf.121

[medeverdachte 1] en anderen, onder wie [medeverdachte 3] , verplaatsten voor verdachte wapens van en naar verstopplekken (‘stashes’).122

Eind 2013 heeft verdachte een Uzi gekocht. Op een parkeerplaats in Groningen heeft [medeverdachte 1] van verdachte een tas overhandigd gekregen met daarin de Uzi, een geluiddemper en munitie. De Uzi is later die dag naar de woning van verdachte gebracht. Daarna is de Uzi door [persoon 4] meegenomen. De Uzi is nadien naar een reparateur gebracht omdat het wapen haperde.123 De geluiddemper die aan [adres 10] is gevonden, behoort bij de Uzi die bij de reparateur is. Die Uzi is van verdachte.124

Verdachte had ook een Kalasnikov in zijn bezit. [medeverdachte 1] heeft dit wapen meerdere keren voor hem opgehaald en weggebracht.125

Verdachte heeft een kleine Browning uitgeleend aan [persoon 5] uit [plaats 5] .126

In mei 2015 heeft verdachte een Glock 17 gekocht. [medeverdachte 1] was daarbij.127

Vóór de aankoop van de Glock 17 heeft verdachte een 9 mm Browning gekocht. Verdachte heeft het wapen opgehaald met [medeverdachte 3] . De volgende dag heeft [medeverdachte 1] , op verzoek van verdachte, het wapen vanuit de woning van verdachte naar een stash gebracht.128

In de zomer van 2015 heeft verdachte een machinepistool ‘Skorpion’ gekocht, met munitie. [medeverdachte 1] heeft de Skorpion voor verdachte weggebracht van de woning van verdachte naar de woning van de ouders van [medeverdachte 3] . Aldaar heeft [medeverdachte 1] de Skorpion overgedragen aan [medeverdachte 3] .129
In september 2015 heeft [medeverdachte 1] de Glock 17 voor verdachte opgehaald van een stash. Die avond heeft verdachte per ongeluk in zijn woning met de Glock 17 geschoten.130 Na het schietincident heeft [medeverdachte 1] , met toestemming van [medeverdachte 3] , de Glock 17 naar de woning van de broer van [medeverdachte 3] gebracht.131

Overige verklaringen

[medeverdachte 11] heeft op 24 februari 2016 bij de politie verklaard dat [persoon 6] en [persoon 4] , in zijn woning, voor verdachte wapens, munitie en een geluiddemper hebben bewaard. De geluiddemper en patronen die op 18 september 2015 bij hem zijn aangetroffen, waren bij hem achtergebleven.132

[persoon 5] heeft op 25 november 2015 bij de politie verklaard dat verdachte in augustus 2015 aan hem een Browning heeft uitgeleend.133

OVC- en tapgesprekken

In diverse afgeluisterde gesprekken wordt door verdachte en een of meer anderen gesproken over het voorhanden hebben, bij zich dragen, overdragen, kopen of verkopen van wapens en/of munitie en het, met die wapens, verschieten van munitie.

Een overzicht van deze gesprekken bevindt zich in het zaaksdossier, waarbij telkens het betreffende (uitgewerkte) OVC- dan wel tapgesprek als bijlage is bijgevoegd.134

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft zich bij de politie telkens beroepen op zijn zwijgrecht.

Ter terechtzitting heeft verdachte voor het eerst een verklaring afgelegd over zijn betrokkenheid bij wapens en munitie. Verdachte heeft verklaard dat het wapen met bijbehorende patronen dat is aangetroffen in het bedrijf van [medeverdachte 2] in [plaats 3] , zijn eigendom is. Verdachte heeft het wapen gekocht van iemand wiens naam hij niet wil noemen. Het wapen is in het bedrijf van [medeverdachte 2] aan verdachte geleverd. Omdat verdachte het wapen niet in zijn eigen auto wilde vervoeren, heeft hij het wapen verstopt in het bedrijf van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] wist daar niets van, aldus verdachte.
Verdachte had in totaal drie wapens: de in de woning aan [adres 8] aangetroffen Glock 17, de aan [persoon 5] uitgeleende Browning en het in het bedrijf van [medeverdachte 2] aangetroffen wapen. Na het schietincident met de Glock 17 in september 2015 in zijn woning, heeft verdachte de Glock 17 meegegeven aan [medeverdachte 1] om het wapen naar een verstopplek te brengen. Verdachte heeft hieraan toegevoegd dat hij niet constant wist waar zijn wapens waren.

Ter terechtzitting is aan verdachte een aantal OVC-gesprekken voorgehouden, waaronder het OVC-gesprek van 2 september 2015 tussen verdachte en [medeverdachte 1] ,135 waarin wordt gesproken over veel wapens hebben en het verkopen van wapens. Daarbij wordt onder andere gezegd:

( [verdachte] ) “kijk wat ik allemaal nu gekocht heb … wapens en zo”;

( [verdachte] ) “hoeveel wapens hebben we?”;

( [medeverdachte 1] ) “we hebben heel veel”;

( [verdachte] ) “tienduizend makkelijk … die Glock is al vier, vijf, zes, zeven … ja … geld”;

( [medeverdachte 1] ) “ja, je wil wat hebben toch?”;

( [verdachte] ) “ja, natuurlijk, die Glock en die Browning hou ik en die AK”.
Verdachte heeft hierover verklaard dat dit gesprek niet ging over de verkoop van wapens, maar over de verkoop van een quad en een motor en dat de AK-47 waarover hij en [medeverdachte 1] in dit OVC-gesprek spraken, niet van hem was, maar van [medeverdachte 1] . Verdachte wist dat [medeverdachte 1] een AK-47 had, maar heeft dit wapen zelf nooit gezien.

Verdachte heeft ter terechtzitting benadrukt dat alleen de drie door hem genoemde wapens van hem waren en dat de overige wapens en munitie die zijn aangetroffen, alle van [medeverdachte 1] waren. [medeverdachte 1] en diens broer hadden jachtvergunningen en jaagden op konijnen. Mogelijk had [medeverdachte 1] een wapenkluis waarin hij ook zijn niet-legale wapens verborg. [medeverdachte 1] en zijn broer probeerden wapens uit in het bos nabij de legerschietbaan in Havelte. De knallen vielen dan niet op. Volgens verdachte staat daarmee vast dat de overige wapens en munitie van [medeverdachte 1] waren.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij, in de tenlastegelegde periode, de Glock 17 (met patronen) en de Browning (met patronen) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd, in die zin dat hij, in de tenlastegelegde periode, het in het bedrijf van [medeverdachte 2] aangetroffen pistool CZ (met patronen) voorhanden heeft gehad.

De bekennende verklaringen ter terechtzitting van verdachte met betrekking tot de Glock 17 en de Browning sluiten naadloos aan bij hetgeen vanaf 14 oktober 2015 door [medeverdachte 1] over de betrokkenheid van verdachte bij deze wapens is verklaard. Daar komt bij dat ook [persoon 5] heeft verklaard dat verdachte aan hem een Browning heeft uitgeleend. Bovendien is op de Glock 17 DNA-materiaal van verdachte aangetroffen.

Omtrent het wapen dat in het bedrijf van [medeverdachte 2] is aangetroffen (pistool CZ), heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij dit wapen niet kan herleiden tot verdachte. Niettemin is de rechtbank van oordeel, gelet op de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van dit wapen, dat verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor het voorhanden hebben van dit wapen.

Voorts acht de rechtbank, gelet op de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 11] , in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode de bij [medeverdachte 11] aangetroffen patronen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen.

Anders dan de raadsman acht de rechtbank voorts bewezen dat verdachte een Skorpion en een Kalashnikov voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen. De betrokkenheid van verdachte bij deze wapens blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 1] , die worden ondersteund door OVC- en tapgesprekken. Uit deze gesprekken blijkt dat verdachte in de tenlastegelegde periode wetenschap van en beschikkingsmacht over die wapens en de bijbehorende munitie had.

Dat, zoals verdachte ter zitting heeft verklaard, hij niet constant wist waar zijn wapens waren, maakt het voorgaande niet anders.

De rechtbank acht het door verdachte geschetste alternatieve scenario als zou [medeverdachte 1] de eigenaar zijn van alle wapens (en munitie) waaronder een AK-47 - met uitzondering van de drie wapens (en munitie) waarvan verdachte ter terechtzitting heeft bekend dat deze van hem waren - ongeloofwaardig. De rechtbank heeft hierbij allereerst betrokken dat verdachte eerst ter terechtzitting met zijn alternatieve scenario is gekomen. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de OVC- en tapgesprekken volgt dat verdachte en [medeverdachte 1] de wapens en munitie in bewuste en nauwe samenwerking met elkaar voorhanden hebben gehad. Bovendien is, gelet op die OVC- en tapgesprekken - waaronder het hierboven aangehaalde en ter terechtzitting aan verdachte voorgehouden OVC-gesprek van 2 september 2015 -, onmiskenbaar dat het verdachte was die aan de touwtjes trok en over de wapens de beslissingen nam.

De rechtbank acht derhalve het onder 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat zij ten aanzien van het in het bedrijf van [medeverdachte 2] aangetroffen pistool CZ bewezen acht dat verdachte dit pistool op 18 september 2015 voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015 in Nederland en/of in België en/of in de Bondsrepubliek Duitsland en/of in Zweden, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit

als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA,

voor te bereiden, telkens

- anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en

- zich en/of anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en zijn mededaders wisten, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen:

- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en al dan niet in versluierd taalgebruik telefoongesprekken en besprekingen en onderhandelingen gevoerd met en inlichtingen en aanwijzingen en opdrachten gegeven aan zijn mededaders en/of anderen, om die cocaïne en/of die amfetamine, te kopen en/of in ontvangst te nemen en betreffende de wijze waarop die cocaïne en/of die amfetamine en/of die MDMA, zouden worden gekocht en/of geleverd en/of afgenomen en/of (naar Nederland) zouden worden vervoerd en/of verder vervoerd en

- een grote hoeveelheid geld voorhanden gehad en uitgegeven om het transport te financieren en

- transporteurs benaderd voor het regelen van transport van de containers uit Antwerpen en

- mededaders en anderen benaderd en betaald en/of van geld en/of middelen voorzien om die cocaïne en/of die amfetamine, in ontvangst te nemen en/of te vervoeren, en

- een lasser gevraagd de bergplaatsen in de containers waarin die cocaïne was verborgen met behulp van lasapparatuur open te maken en

- een laboratorium/werkplaats bestemd voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA geëxploiteerd en/of in werking gehad

een en ander heeft betrekking op:

- 22 kilo cocaïne en/of

- 66 kilo cocaïne en/of

- 400 kilo cocaïne);

2.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 november 2014 tot en met 30 april 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk vanuit de Dominicaanse Republiek en vanuit België binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid cocaïne, te weten een partij van ongeveer 22 kilo en een partij van ongeveer 66 kilo, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I;

3.

hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I;

4.

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- de misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en

- het handelen in strijd met artikel 420bis en/of artikel 420quater van het Wetboek van

Strafrecht,

terwijl verdachte oprichter en leider van die organisatie was;

5.

hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, telkens

- geld heeft geïnvesteerd in de verbouw van een woning en

- voorwerpen, te weten:

- personenauto's (onder andere een Mercedes, een BMW X6 en een Mini Cooper),

een motorfiets en een quad en

- geldbedragen gebruikt voor het betalen van een vakantie en levensonderhoud en

- kleding en sieraden en

- artikelen bestemd voor het inrichten van een woning

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en van die voorwerpen

gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte wist, dat genoemde voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf, hebbende verdachte van bovengenoemd witwassen een gewoonte gemaakt;

6.

hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens

- wapens van categorie II, te weten vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren, te weten een Skorpion en een Kalashnikov, en

- wapens van categorie III, te weten pistolen en

- een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten een aantal patronen,

voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen.

en

hij op 18 september 2015 in Nederland, een wapen van categorie III, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door:

een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen en/of daar bij behulpzaam te zijn en

zich en/of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en

voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

meermalen gepleegd;

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd;

3. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd;

4. als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet;

en

als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

5. gewoontewitwassen;

6. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, en artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en de feiten begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of een vuurwapen van categorie III,

meermalen gepleegd;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. Daarnaast heeft hij gevorderd onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte in beslaggenomen (vuur)wapens en verbeurdverklaring van de overige strafvorderlijk en conservatoir inbeslaggenomen voorwerpen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor een aanzienlijk lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten nadele van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte heeft na oprichting ruim twee en een half jaar leiding gegeven aan een criminele organisatie gericht op het plegen van een breed scala aan Opiumwetdelicten met betrekking tot harddrugs, waaronder invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek (via België) naar Nederland en voorbereidingshandelingen voor de (verdere) verspreiding van cocaïne en export van cocaïne en amfetamine naar Duitsland en Zweden. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de exploitatie van een laboratorium ter vervaardiging van amfetamine en/of MDMA en gewoontewitwassen. Verder heeft verdachte automatische vuurwapens, pistolen en munitie voorhanden gehad en overgedragen.

Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven als hiervoor genoemd en de overige misdrijven een ernstige en ontoelaatbare ondermijning van de rechtsorde betekenen. Hiertegen dient dan ook hard te worden opgetreden. De strafverzwarende omstandigheid dat verdachte oprichter en leider is van de organisatie zal de rechtbank sterk laten doorklinken in de strafmaat. Verdachte was de initiator, was dwingend (tegen andere leden van de organisatie), zette mensen naar zijn hand en lijkt welbewust voor de criminaliteit te hebben gekozen.

Het gaat hier om een professionele drugsorganisatie. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen en dat gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Van de handel in verdovende middelen is bovendien algemeen bekend dat dit steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit. Daarnaast mag niet onvermeld blijven dat de voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van drugs de negatieve beeldvorming over Nederland in het buitenland op het gebied van haar drugsbeleid versterkt.

Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld. Door de vermenging van illegaal geld met legale geldstromen wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstig schade toegebracht. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk enkel gehandeld uit eigen financieel gewin.

Tot slot had verdachte de beschikking over automatische vuurwapens -namelijk een Skorpion en een Kalashnikov-, pistolen en munitie. Het voorhanden hebben van (vuur)wapens en bijbehorende munitie brengt grote veiligheidsrisico’s met zich mee. In dit verband wijst de rechtbank op het schietincident op 16 september 2015 in de woning van verdachte, dat volgens [medeverdachte 1] maar net goed is afgelopen. Het ongecontroleerde bezit van (vuur)wapens met munitie verhoogt het risico op levensbedreigende geweldsdelicten. Het bezit en het gebruik van (vuur)wapens en munitie zijn vanwege de daaraan verbonden gevaarzetting misdrijven die stevig dienen te worden bestraft.

Daarnaast heeft de rechtbank gezien dat verdachte een relatief beperkt strafblad heeft.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met hetgeen hiervoor is overwogen en met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de in het dictum te noemen strafvorderlijk inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring nu deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en het voorwerpen betreffen met betrekking tot welke of met behulp waarvan de strafbare feiten onder 3 en 5 zijn begaan.

De rechtbank acht het inbeslaggenomen AK machinegeweer vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu met betrekking tot dit voorwerp het feit onder 6 is begaan en het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen fototoestel moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

De rechtbank zal geen beslissing nemen over de overige onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, nu op deze voorwerpen conservatoir beslag is gelegd in het kader van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en de officier van justitie heeft aangekondigd tegen verdachte een ontnemingsvordering te zullen dienen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 56, 57, 63, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen:

- computer, Lenova laptop;

- horloge, flyback;

- horloge, Rolex;

- horloge, Panerai;

- horloge, Rolex;

- horloge, Franck Muller;

- horloge, Condor.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen:

- AK machinegeweer.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een fototoestel, Samsung digitaal.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter,

mr. H.H.A. Fransen en mr. R. Depping, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 augustus 2017.

1 PD [medeverdachte 1] , pag. 82 e.v.

2 Hoge Raad, 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016

3 PD [medeverdachte 1] , pag. 100

4 PD [medeverdachte 1] , pag. 116 e.v.

5 PD [medeverdachte 1] , pag. 134 e.v.

6 PD [medeverdachte 4] , pag. 302

7 PD. [medeverdachte 4] , pag. 390-4 en 390-5

8 PD [medeverdachte 5] , pag. 60 t/m 70

9 PD [medeverdachte 6] , pag. 260-0 t/m 262-11

10 FDO, map 19, pag. 353 en 354

11 ZD 1, bijlage 2

12 PD [medeverdachte 1] , pag. 212, bijlage 4B

13 PD [medeverdachte 1] , pag. 214, bijlage 4D

14 PD [medeverdachte 1] , pag. 215, bijlage 4E

15 AH-382, map AH-14, pag. 4534-4577

16 PD. [medeverdachte 4] , pag.283, bijlage II

17 PD [medeverdachte 1] , pag. 213, bijlage 4C

18 PD [medeverdachte 4] , pag. 292 en 293, bijlage I

19 PD [medeverdachte 4] , pag. 294 en 295, bijlage II

20 PD [medeverdachte 4] , pag. 296 en 297, bijlage III

21 PD [medeverdachte 4] , pag. 298, bijlage IV

22 AH-178, map 11, pag. 3773-3798

23 PD [naam transporteur] , pag. 178, bijlage

24 AH-366, map 13, pag. 4456 t/m 4481

25 PD [medeverdachte 1] , pag. 100 en 193 e.v.

26 ZD 3, pag. 35 e.v.

27 ZD 3, pag. 17 e.v.

28 ZD 3, pag.25

29 ZD 3, pag. 28

30 ZD 3, pag. 50

31 ZD 3, pag. 22 e.v.

32 PD [medeverdachte 1] , pag. 100 en 193 e.v.

33 PD [medeverdachte 1] , pag. 321 en 322

34 PD [medeverdachte 1] , pag. 164 e.v.

35 PD [medeverdachte 1] , pag. 437

36 ZD 4.2., pag. 14, bijl 2

37 ZD 4.2., bijl 12

38 ZD 5, PD [naam persoon 3] , pag. 266 e.v.

39 FDO-009-10-01, B.B. map 22

40 AH-FIN-009

41 AH-FIN-008-009

42 ZD 4.2, pag 24

43 FDO-001-11

44 IBN-006-01

45 FDO06-01-01 en FDO-09-01-01, B.B. MAP 22.

46 bij rechter-commissaris d.d. 6 december 2016

47 PD [medeverdachte 1] , pag. 125

48 BOB-135-05

49 RHV-008, BB map, 171 t/m 545

50 PD [medeverdachte 1] , pag. 187 e.v.

51 verhoor in Zweden d.d. 24 augustus 2016 d.t.v. RC

52 PD [medeverdachte 1] , pag. 168

53 PD [medeverdachte 1] , pag. 172

54 PD [medeverdachte 1] , pag. 149

55 PD [medeverdachte 1] , pag. 399

56 PD [medeverdachte 1] , pag. 399

57 PD [medeverdachte 1] , pag. 180

58 AH-103, FDO-11-03-03, map 24, pagina 2354-2365

59 ZD 4.1., bijl. 29

60 ZD 4.1, bijl. 16

61 ZD 4.1., bijl. 12

62 verklaring bij rechter-commissaris d.d. 6 december 2016

63 FDO-11-03-03, map 24, pagina 2354-2365):

64 ZD 4.1, pag. 40 e.v.

65 ZD 9, pag. 36

66 ZD 9, pag. 151

67 ZD 9, pag. 152

68 ZD 9, pag. 4, pag. 88 e.v., pag. 159 e.v. (foto’s drugslab), pag. 127 (plattegrond))

69 ZD 9, pag. 48 e.v., pag. 146 e.v.

70 ZD 9, pag. 4

71 ZD 9, pag. 130

72 PD [medeverdachte 1] , pag. 171 en pag. 179

73 ZD 9, pag. 4

74 IBN, pag. 39 e.v.

75 FDO-009-10-01, pag. 1957 e.v., FDO-009-11-01, pag. 1983 e.v.

76 PD [medeverdachte 1] , pag. 448 e.v.

77 FDO-009-10-01, nr. 225

78 FDO-009-11-01, nr. 507, 595, 599, 601, 646

79 FDO-009-11-01, nr. 496-498

80 AH-399, pag. 4735 e.v.

81 PD [medeverdachte 2] , pag. 93 e.v.

82 PD [medeverdachte 1] , pag. 194 e.v.

83 PD [medeverdachte 1] , pag. 148 e.v. en 392 e.v.

84 PD [medeverdachte 1] , pag. 150

85 ZD 5, map 2, pag. 571 e.v.

86 PD [medeverdachte 1] , pag. 150 e.v.

87 PD [medeverdachte 1] , pag. 150 e.v. en 295 e.v.

88 PD [medeverdachte 1] 295 e.v.

89 ZD 5, pag. 6 e.v.

90 ZD 5, pag. 75 e.v., 162, 456 e.v.

91 PD [medeverdachte 11] , pag. 2 e.v.

92 PD [medeverdachte 1] , pag. 296

93 PD [medeverdachte 1] , pag. 172 e.v.

94 PD [medeverdachte 1] , pag. 148

95 PD [medeverdachte 1] , pag. 134 e.v.

96 ZD 5, pag. 193, 209, 228, 351

97 ZD 8, tabellen pag. 60-63

98 PD [medeverdachte 1] , pag 99-102 en 176-181

99 PD [medeverdachte 6] , pag 262-01 t/m 262-21

100 AH 196, map 12, pag. 4025-4027

101 PD [medeverdachte 1] , pag 194-195

102 ZD 8, pag. 148

103 PD [medeverdachte 1] , pag. 204

104 Hoge Raad, 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842

105 ZD 7, blz 64

106 ZD 7, blz 34 t/m 45

107 PD [medeverdachte 1] , blz 413

108 PD [medeverdachte 1] , blz 413 t/m 426

109 ZD 8, blz 74 e.v.

110 ZD 6, pag. 28; FTO, pag. 41 en pag. 96 e.v.

111 IBN, pag. 216; AH-373, pag. 4502 e.v.

112 IBN, pag. 245; AH-370, pag. 4491 e.v.

113 IBN, pag. 256; AH-369, pag. 4486 e.v.

114 IBN, pag. 75; AH-371, pag. 4495 e.v.

115 IBN, pag. 323; AH-374, pag. 4506 e.v.

116 IBN, pag. 394; AH-372, pag. 4498 e.v.

117 AH-376, pag. 4511 e.v.; AH-386, pag. 4582 e.v.

118 FTO, pag. 78 e.v.; pag. 92 e.v.

119 PD [medeverdachte 1] , pag. 83, 177

120 PD [medeverdachte 1] , pag. 394

121 PD [medeverdachte 1] , pag. 427

122 PD [medeverdachte 1] , pag. 83-,86, 179, 293, 347, 377 e.v.

123 PD [medeverdachte 1] , pag. 175

124 PD [medeverdachte 1] , pag. 124

125 PD [medeverdachte 1] , pag. 175

126 PD [medeverdachte 1] , pag. 84

127 PD [medeverdachte 1] , pag. 173, 188

128 PD [medeverdachte 1] , pag. 173, 174, 188

129 PD [medeverdachte 1] , pag. 86, 174

130 PD [medeverdachte 1] , pag. 135

131 PD [medeverdachte 1] , pag. 86

132 PD Overige verdachten, V-014, pag. 20 e.v.

133 PD Overige verdachten, V-012, pag. 397 e.v.

134 ZD 6, pag. 3 e.v.

135 ZD 6, bijlage 6